Hoofdstuk VI.
Gemeenschappelijke aspecten van kwaliteitszorg


Afdeling I.
De erkenning van deskundigen en coördinatoren


Art. 4.6.1.

Op de erkenning van deskundigen en coördinatoren zijn de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van toepassing.

 


Afdeling II.
De richtlijnenboeken, evaluatie en monitoring


Art. 4.6.2.

§ 1.

De administratie stelt een richtlijnenboek inzake milieueffectrapportage op. Dit m.e.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer, de erkende coördinatoren en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en voor de inhoud van een plan-MER of project-MER, met inbegrip van de methodologische aspecten.

 

De bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen kunnen op gemotiveerde wijze het m.e.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.

 

Het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.

 

§ 2.

De administratie stelt een richtlijnenboek inzake veiligheidsrapportage op. Dit v.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en de inhoud van een ruimtelijk veiligheidsrapport , een omgevingsveiligheidsrapport of een veiligheidsnota, met inbegrip van de methodologische aspecten.

 

De bijzondere en in voorkomend geval aanvullende bijzondere richtlijnen kunnen op gemotiveerde wijze het v.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.

 

Het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.

 

§ 3.

De administratie is verantwoordelijk voor de geregelde actualisering van de richtlijnenboeken op basis van de wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, alsook de evaluatie van de ervaringen met milieueffect- en veiligheidsrapportages.


Art. 4.6.3.

§ 1.

Er wordt over een project of over categorieën van projecten die gedurende een bepaalde periode zijn uitgevoerd, die aanzienlijke nadelige milieueffecten kunnen veroorzaken en waarvoor een project-MER is opgesteld, een evaluatie of een monitoringonderzoek georganiseerd van de aanzienlijke nadelige milieueffecten ten gevolge van de bouw en exploitatie van het project of de projecten.

 

Als dat passend is, kan worden gebruikgemaakt van bestaande monitoringregelingen op grond van andere wetgeving om overlapping van monitoring te vermijden.

 

§ 2.

Het soort parameters dat wordt gemonitord, en de looptijd van de monitoring moeten evenredig zijn met de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.

 

§ 3.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen voor de procedure van de evaluatie en het monitoringonderzoek.


Art. 4.6.3bis.

§ 1.

De initiatiefnemer gaat de aanzienlijke gevolgen voor het milieu van de tenuitvoerlegging van plannen en programma’s na, onder meer om onvoorziene negatieve gevolgen in een vroeg stadium te kunnen identificeren en de passende herstellende maatregelen te kunnen nemen.

 

§ 2.

Om te voldoen aan de bepalingen van paragraaf 1 kunnen, als dat passend is, de bestaande monitoringsregelingen worden gebruikt om overlapping van monitoring te vermijden.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de monitoring.


Afdeling III.
De adviescommissie


Art. 4.6.4.

§ 1.

Op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer kan de administratie na advies van een adviescommissie de door de initiatiefnemer gespecificeerde elementen van volgende beslissingen in heroverweging nemen :

inzake milieueffectrapportage :
a) het toepassen van de verplichting tot het opstellen van een project-MER, vermeld in artikel 4.3.3, § 3;
b) [...]
c) de afkeuring van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.10, § 2;
inzake veiligheidsrapportage :
a) [...]
b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport, vermeld in artikel 4.4.4, § 2. 

 

§ 2.

De verzoeker betekent zijn verzoek aan de administratie, of geeft het af tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de beslissing, bedoeld in § 1.

 

§ 3.

Binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, wijst de leidend ambtenaar van de administratie drie of vijf leden van de adviescommissie aan. Deze leden zijn :

ofwel, deskundigen met ervaring op het gebied van de beoordeling van milieueffecten of risico's op zware ongevallen die geen rapporten opstellen overeenkomstig dit decreet; ze kunnen wel actief zijn in andere gewesten, in het kader van federale regelgeving of in het buitenland; 
ofwel, deskundigen op het vlak van de problematiek die aan de adviescommissie wordt voorgelegd die evenwel geen erkende deskundigen zijn. 

 

De leden van de adviescommissie wijzen een voorzitter aan.

 

Ze mogen geen belang hebben bij het al dan niet realiseren van de voorgenomen actie of de alternatieven en mogen niet hebben deelgenomen aan de beslissingen in het kader van de desbetreffende rapportages.

 

§ 4.

De adviescommissie formuleert een advies binnen een termijn van veertig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, en deelt het advies onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van tien dagen mee aan de administratie.

 

Voor zover het advies unaniem is, is het bindend.

 

§ 5.

Als het advies bindend is, volgt de administratie het onverwijld op.

 

In alle andere gevallen neemt de administratie een beslissing onverwijld en binnen een termijn van zeventig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2. Ze houdt daarbij rekening met het advies.

 

De administratie keurt het rapport goed of af. Als de administratie het rapport afkeurt, geeft ze alle punten aan waarop het tekortschiet.

 

§ 6.

De administratie bezorgt de beslissing onverwijld en binnen een termijn van tachtig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, aan :

de initiatiefnemer en de verzoeker, door betekening;
in voorkomend geval de door de Vlaamse regering aangewezen betrokkenen.

 

 

§ 7.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de instelling, de vergoeding en de werking van de adviescommissie.