HOOFDSTUK Vbis.
Opsporing van milieumisdrijven


Art. 16.5.5.

De Vlaamse Regering kan, met behoud van de voorwaarden, vermeld in artikel 16.3.8, aan personeelsleden van het departement en de agentschappen, die behoren tot het beleidsdomein Omgeving, de hoedanigheid toekennen van officier van gerechtelijke politie ten behoeve van de opsporing van milieumisdrijven als vermeld in hoofdstuk VI en in de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1.

Deze officieren van gerechtelijke politie worden hierna gewestelijke milieuopsporingsambtenaren genoemd.


Art. 16.5.6. De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren moeten over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de opsporingsbevoegdheden naar behoren te kunnen uitoefenen.

Art. 16.5.7.

Voordat de gewestelijke milieuopsporingsambtenaren hun opsporingstaak vervullen, leggen ze voor de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waartoe hun standplaats behoort, de volgende eed af : Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk.

Ze zijn bevoegd om hun opdrachten te vervullen op het grondgebied van het gehele Vlaamse Gewest.


Art. 16.5.8.

De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren hebben een legitimatiebewijs bij zich en tonen dat desgevraagd onmiddellijk.

De Vlaamse Regering bepaalt wie het legitimatiebewijs verleent, en de inhoud en het model ervan.


Art. 16.5.9.

De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren kunnen een kopie van het proces-verbaal bezorgen aan de relevante gewestelijke overheden, die belast zijn met de handhaving van de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1.


Art. 16.5.10.

Het proces-verbaal heeft bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen.

Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt, op straffe van verval van de bewijswaarde tot het tegendeel, aan de vermoedelijke overtreder een kopie van het proces-verbaal bezorgd. Die kennisgeving wordt gedaan binnen een termijn van veertien dagen na de datum van afsluiting van het proces-verbaal.


Art. 16.5.11.

Bij de vaststelling van een milieumisdrijf kunnen de gewestelijke milieuopsporingsambtenaren de identiteit controleren van de vermoedelijke overtreder.

De identiteitsstukken die aan de gewestelijke milieuopsporingsambtenaar worden overhandigd, moeten na verificatie van de identiteit onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.

Bij gebrek aan een identiteitskaart wordt aan de vermoedelijke overtreder de mogelijkheid geboden om zijn identiteit te bewijzen op een andere wijze.


Art. 16.5.12.

De bijzondere veldwachters vermeld in artikel 61 van het Veldwetboek zijn bevoegd om milieumisdrijven op te sporen en vast te stellen met betrekking tot de in artikel 16.1.1, eerste lid, sub 2, 3, 4, 14, 15 en 16, vermelde milieuvoorschriften.