Art. 16.5.11.

Bij de vaststelling van een milieumisdrijf kunnen de gewestelijke milieuopsporingsambtenaren de identiteit controleren van de vermoedelijke overtreder.

 

De identiteitsstukken die aan de gewestelijke milieuopsporingsambtenaar worden overhandigd, moeten na verificatie van de identiteit onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.

 

Bij gebrek aan een identiteitskaart wordt aan de vermoedelijke overtreder de mogelijkheid geboden om zijn identiteit te bewijzen op een andere wijze.