Decreet oppervlaktedelfstoffen
Decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen

Hoofdstuk I.
Inleidende bepalingen


Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder:

minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de Natuurlijke Rijkdommen;
departement : het Departement Omgeving;
oppervlaktedelfstof : elke delfstof die, als geologische afzetting, aan of in de nabijheid van het aardoppervlak in openlucht wordt ontgonnen, met uitzondering van de delfstoffen die in grindwinningsgebieden volgens het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning ontgonnen worden;
primaire oppervlaktedelfstof : elke oppervlaktedelfstof die aan de natuurlijke samenstelling beantwoordt en die afkomstig is uit een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde ontginning in een ontginningsgebied;
ontginning : activiteit waarbij oppervlaktedelfstoffen worden onttrokken aan de bodem door middel van een bovengrondse exploitatie;
winning : ontginning, vergezeld van een mechanische behandeling waardoor de oppervlaktedelfstoffen geschikt worden gemaakt voor de toepassing ervan;
vergunninghouder : houder van de nodige vergunningen voor de winning van primaire oppervlaktedelfstoffen;
ontginningsgebied : gebied dat volgens de plannen van aanleg en volgens de ruimtelijke uitvoeringsplannen bestemd is voor ontginning;
alternatieve materialen : substitutiematerialen van oppervlaktedelfstoffen voor gelijke of gelijkaardige gebruiksdoeleinden;
10° samenhangend oppervlaktedelfstoffengebied : een verzameling van ontginbare gebieden die geografisch te groeperen zijn op grond van de aard van de oppervlaktedelfstof en haar geologische oorsprong;
11° algemeen oppervlaktedelfstoffenplan : plan, opgesteld om de ontginning en het beheer van oppervlaktedelfstoffen te organiseren;
12° eindafwerking : toestand waarin percelen na ontginning volgens de plannen van aanleg, de ruimtelijke uitvoeringsplannen en andere toepasselijke wetgeving en vergunningen, moeten worden gebracht en die voorafgaat aan de realisatie van de definitieve nabestemming.
   
13° oppervlaktedelfstoffennota
13° oppervlaktedelfstoffennota: visienota, opgesteld door de minister, over de aanbodgedreven planning van ontginningsgebieden en het beheer van oppervlaktedelfstoffen in een samenhangend oppervlaktedelfstoffengebied.

 

 

 


Hoofdstuk II.
Algemene doelstellingen


Art. 3.

Het beleid inzake het beheer van de oppervlaktedelfstoffen heeft als basisdoelstelling om op een duurzame wijze te voorzien in de oppervlaktedelfstoffen die nodig zijn om aan de huidige en toekomstige maatschappelijke behoefte aan materialen te voldoen.


De basisdoelstelling wordt nader geconcretiseerd door :

het ontginnen op een wijze dat er een maximale wederzijdse versterking ontstaat tussen de economische componenten, de sociale componenten en de milieucomponenten;
het bieden van ontwikkelingsperspectieven aan de sector, met inachtneming van de bedrijfseconomische rechtszekerheid, met het oog op socio-economische aanvaardbare ontginningsmogelijkheden op lange termijn om te voldoen aan de maatschappelijke behoeften;
het aanmoedigen van het gebruik van volwaardige alternatieven voor primaire oppervlaktedelfstoffen en het maximaal hergebruik van afvalstoffen, zodat de behoefte aan primaire oppervlaktedelfstoffen ingeperkt wordt;
het zuinig en doelmatig aanwenden van oppervlaktedelfstoffen;
het aanmoedigen van het gebruik van volwaardige alternatieven voor oppervlaktedelfstoffen. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de doelstellingen van het duurzaam materialenbeheer, vermeld in artikel 4, § 3, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
het maximale behoud en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu.

Hoofdstuk III.
Oppervlaktedelfstoffenplanning


Afdeling I.
Het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan


Art. 4.

§ 1.

De Vlaamse Regering stelt een algemeen oppervlaktedelfstoffenplan op dat uitvoering geeft aan de doelstellingen, vermeld in artikel 3. Het plan is gebaseerd op de ontwikkelingsperspectieven voor een termijn van minimaal 25 jaar en bevat acties voor de komende vijf jaar, zodat het een basis vormt voor de sectorale voorstellen over ruimtelijke ordening en mee de basis vormt voor de opmaak van andere specifieke beleidsplannen.


Het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan wordt door de Vlaamse Regering vijfjaarlijks geëvalueerd, rekening houdend met de doelstellingen, vermeld in artikel 3.

 

§ 2.

Er wordt een ontwerp van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan opgemaakt op basis van een goed onderbouwde behoefte aan oppervlaktedelfstoffen voor de vooropgestelde termijn. Dat gebeurt op grond van economische studies, marktverkennende onderzoeken en overleg.


De administraties, instellingen en organisaties die bevoegd zijn voor of betrokken zijn bij het duurzaam materialenbeleid, stellen op eenvoudig verzoek van het departement alle informatie waarover ze beschikken over oppervlaktedelfstoffenvervangende grondstoffen, kosteloos ter beschikking.


Over het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan wordt vooroverleg georganiseerd met de betrokken administraties, instellingen en organisaties.


De Vlaamse Regering legt het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan vast, na advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV).

 

§ 3.

Het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan omvat minimaal:

een beschrijvend gedeelte met:
a) algemene gegevens over in- en uitvoer van oppervlaktedelfstoffen, het gebruik van alternatieven en de mate waarin ze invulling geven aan de totale oppervlaktedelfstoffenbehoefte;
b) samenvattende gegevens, kaarten, geologische informatie en tabellen voor het hele Vlaamse Gewest, die de delfstoffenbehoeftebepalingen gemotiveerd en onderbouwd weergeven, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde;
c) de onderlinge verbanden tussen de verschillende oppervlaktedelfstoffengebieden;
d) een beschrijving van de oppervlaktedelfstoffenstromen met algemene verwachtingen en trends voor de volgende vijf jaar;
een gedeelte dat de maatregelen en acties beschrijft die op het niveau van het Vlaamse Gewest zullen worden genomen om de doelstellingen, vermeld in artikel 3, te realiseren. Het beschrijft daarnaast ook per Vlaamse oppervlaktedelfstoffensoort de indicatieve hoeveelheid die voor een termijn van 25 jaar verzekerd moet worden bij wijze van langetermijndoelstelling en bevat daarvoor een actieprogramma met een minimale hoeveelheid die voor de komende vijf jaar verzekerd moet worden.

 

De in het eerste lid vermelde gedeelten van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan zijn niet juridisch bindend, behoudens de bepalingen met betrekking tot de minimale hoeveelheden die voor de komende vijf jaar verzekerd moeten worden. De bepalingen met betrekking tot de minimale hoeveelheden blijven gelden tot het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan door een ander wordt vervangen. De bepalingen met betrekking tot de minimale hoeveelheden kunnen te allen tijde door de Vlaamse Regering worden herzien volgens de procedure voor het herzien van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de procedure en de inhoud van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.


Afdeling 2.
De oppervlaktedelfstoffennota?s


Art. 5.

De minister stelt oppervlaktedelfstoffennota’s op die uitvoering geven aan de doelstellingen, vermeld in artikel 3. De nota’s zijn gebaseerd op ontwikkelingsperspectieven voor een termijn van minimaal 25 jaar.


De oppervlaktedelfstoffennota’s worden door de minister minstens vijfjaarlijks geëvalueerd, rekening houdend met de doelstellingen, vermeld in artikel 3.


Art. 6.

Van elke oppervlaktedelfstoffennota wordt een ontwerp opgemaakt op basis van een goed onderbouwde behoefte aan de desbetreffende oppervlaktedelfstof voor de vooropgestelde termijn. Dat gebeurt op grond van economische studies, marktverkennende onderzoeken en overleg met de betrokken administraties, instellingen en organisaties. De oppervlaktedelfstoffennota’s houden rekening met de inzet van volwaardige alternatieven, en met de in- en uitvoer van oppervlaktedelfstoffen. De oppervlaktedelfstoffennota’s bevatten een beschrijving van de acties en maatregelen die op het niveau van het Vlaamse Gewest zullen worden genomen om de doelstellingen, vermeld in artikel 3, te realiseren. De oppervlaktedelfstoffennota’s kunnen een voorstel van zoekzones bevatten die een ruimtelijke vertaling zijn van de geologische kennis, de onderbouwde behoefte aan oppervlaktedelfstoffen en de ruimtelijke context, met inbegrip van het mobiliteitsaspect.


De minister legt de oppervlaktedelfstoffennota’s vast, na advies van de Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening (SARO) en maakt ze ter informatie over aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV).


De minister deelt de vastlegging van de oppervlaktedelfstoffennota’s mee aan de Vlaamse Regering.


Afdeling 3.
Procedure voor de totstandkoming van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor ontginningsgebieden


Onderafdeling 1.
Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen op basis van oppervlaktedelfstoffennota?s


Art. 7.

§ 1.

De minister kan voor een of meer zoekzones die in een of meer oppervlaktedelfstoffennota’s zijn opgenomen, een vraag tot opname van de desbetreffende zoekzones in een gebiedsgericht ruimtelijk planningsproces of in een ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot aanbodgedreven planning van ontginningsgebieden, ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse Regering met het oog op het nemen van een startbeslissing om binnen de zoekzones locatievoorstellen als ontginningsgebied te bestemmen.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het proces van de voorbereiding van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot aanbodgedreven planning van ontginningsgebieden.

 

§ 3.

De bijzondere oppervlaktedelfstoffenplannen die werden goedgekeurd voor 1 januari 2013, blijven hun rechtskracht behouden en kunnen mee de basis vormen voor de opmaak van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen met betrekking tot ontginningen.


Onderafdeling 2.
Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen op basis van vraaggestuurde ontginningsprojecten


Art. 8.

§ 1.

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan een onderbouwd verzoek tot het opstarten van een vraaggestuurd ontginningsproject bezorgen aan de minister.


Het verzoek tot het starten van een vraaggestuurd ontginningsproject moet minstens volgende informatie bevatten:

de aard en de hoeveelheid van de oppervlaktedelfstoffen die zullen kunnen worden gevaloriseerd;
de wijze waarop het ontginningsproject rekening houdt met de huidige bestemming van het gebied en het landgebruik;
de mogelijke nabestemming die kan worden gecreëerd;
de effecten van het ontginningsproject op de omgeving en de activiteiten in de omgeving;

informatie die aantoont dat met betrekking tot het voorgenomen ontginningsproject een grote mate van consensus bestaat bij de lokale belanghebbenden.


De minister kan, voor zover dat verzoek in overeenstemming is met het oppervlaktedelfstoffenbeleid, een vraag tot opname van een vraaggestuurd ontginningsproject in een gebiedsgericht ruimtelijk planningsproces of in een ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot een vraaggestuurd ontginningsproject, ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse Regering met het oog op het nemen van een startbeslissing om het gebied waarop het verzoek tot het opstarten van het vraaggestuurd ontginningsproject betrekking heeft, als ontginningsgebied te bestemmen.


Als het ontginningsproject betrekking heeft op oppervlaktedelfstoffen waarvoor al een of meer oppervlaktedelfstoffennota’s zijn goedgekeurd, evalueert de minister deze oppervlaktedelfstoffennota’s vooraleer hij het verzoek tot het starten van het vraaggestuurd ontginningsproject ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse Regering.


Als het ontginningsproject in een bredere context kadert dan alleen de ontginningsactiviteit op zich, kan de in het derde lid vermelde startbeslissing een onderdeel vormen van de startbeslissing van een strategisch of complex project. In dat geval verloopt de verdere besluitvorming over de noodzakelijke bestemmingswijziging voor het vraaggestuurd ontginningsproject volledig volgens de besluitvormingsprocedure die van toepassing is voor de noodzakelijke bestemmingswijzigingen voor het betrokken strategisch of complex project.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor het proces van de voorbereiding van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot een vraaggestuurd ontginningsproject.


Hoofdstuk IV.
Primaire oppervlaktedelfstoffen


Afdeling I.
Optimale ontginning


Art. 9.

§ 1

In ieder ontginningsgebied moeten primaire oppervlaktedelfstoffen, al dan niet verschillende soorten afhankelijk van de geologische structuur, door de vergunninghouder optimaal ontgonnen worden. De nabestemming en de draagkracht van het ontginningsgebied en zijn omgeving bepalen de randvoorwaarden ten aanzien van een maximale en rationele ontginning.

 

§ 2

Primaire oppervlaktedelfstoffen moeten optimaal gevaloriseerd worden. De winning ervan kan aanleiding geven tot deelfracties, waarbij elke deelfractie de hoedanigheid van een primaire oppervlaktedelfstof behoudt. De deelfracties die niet op de markt verhandelbaar zijn, worden bij voorkeur aangewend voor de eindafwerking van het ontginningsgebied waarin ze zijn ontgonnen.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan nadere regels bepalen voor het efficiënt en doelmatig benutten van de ontginningsgebieden.


Afdeling II.
De ontginningsmachtiging


Art. 10.

Indien de eigenaar of houder van zakelijke rechten de toestemming tot ontginning van percelen, gelegen in een ontginningsgebied, weigert, kan de onderneming die erom vraagt, voor deze percelen een ontginningsmachtiging verkrijgen.


De ontginningsmachtiging is een administratieve of ministeriële beslissing waarbij de aanvragende onderneming tijdelijk het recht krijgt om percelen, die eigendom blijven van de oorspronkelijke eigenaars, te ontginnen op voorwaarde van het verkrijgen van de nodige vergunningen. Deze machtiging eindigt bij de oplevering van de eindafwerking.


De ontginningsmachtiging kan enkel worden gegeven als aan alle hiernavolgende voorwaarden voldaan is :

 

1° 

de weigering van de toestemming hindert de bedrijfseconomische verantwoorde en rationele ontginningsactiviteiten van de aanvragende onderneming met betrekking tot percelen, gelegen in eenzelfde ontginningsgebied; een rationele ontginning betekent dat gefaseerd, zo veel mogelijk aaneensluitend en met een continu voortschrijdend ontginningsfront moet worden ontgonnen tenzij een ontginning op meerdere plaatsen tegelijk noodzakelijk is in functie van een gepaste grondstoffenmengeling of om een andere gemotiveerde reden;

de aanvragende onderneming moet het bewijs leveren dat hij onderhandeld heeft met de betrokken eigenaars of de houders van zakelijke rechten en dat hij een ernstig bod heeft gedaan om de eigendom of de zakelijke rechten te verwerven of de toestemming tot ontginning te verkrijgen;
3° de eigendom of de zakelijke rechten die rusten op de aangevraagde percelen mogen niet behoren aan een andere onderneming die de percelen nodig heeft voor eigen ontginning;
4° de ontginning leidt tot de realisatie van de eindafwerking, die voorafgaat aan de nabestemming van het ontginningsgebied.

Art. 11.

De aanvraag tot ontginningsmachtiging moet aangetekend toegestuurd worden aan het departement en bevat volgende elementen :

 

 1° 

de benaming, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel, telefoon-, RSZ- en BTW-nummer van de aanvragende onderneming evenals de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die de aanvraag tot het bekomen van een ontginningsmachtiging namens de onderneming ondertekent;

 2° de identiteit, de hoedanigheid en de woonplaats van de eigenaars en houders van de zakelijke rechten en van eventuele pachters, huurders of gebruikers;
 3° de opgave van de percelen waarvoor de ontginningsmachtiging wordt aangevraagd, inclusief de kadastrale legger en het kadastraal plan;
 4° een raming van de jaarlijks te ontginnen hoeveelheden oppervlaktedelfstoffen op de percelen in kwestie;
 5° de nodige gegevens om aan te tonen dat de gevraagde ontginningsmachtiging steunt op de voorwaarden bepaald in artikel 10;
 6° alle nuttige gegevens inzake de financiële mogelijkheden van de aanvragende onderneming;
 7° een plan, opgemaakt op schaal 1/2 500, waarop de aangevraagde percelen worden aangeduid.

Art. 12.

Een exemplaar van de aanvraag tot ontginningsmachtiging wordt door het departement binnen 10 werkdagen betekend aan de in artikel 11, 2°, vermelde partijen. Binnen een maand kunnen die per aangetekende brief hun bezwaren en aanspraken op vergoeding, voorzien van de eventuele bewijsstukken, aan het departement kenbaar maken. Zij kunnen tevens vragen om te worden gehoord.


Art. 13.

Het departement beslist over de aangevraagde machtiging binnen 60 dagen nadat het bedrag en de duur van de jaarlijkse vergoeding aan de eigenaars of de houders van de zakelijke rechten en het bedrag van de eenmalige vergoeding aan de pachter, de huurder of gebruiker volgens de bepalingen van artikel 15 werden vastgesteld en nadat de aanvrager zijn akkoord over deze bedragen heeft betekend aan de administratie.


De aanvragende onderneming, de eigenaars of houders van zakelijke rechten en de eventuele pachters, huurders of gebruikers worden van deze beslissing in kennis gesteld per aangetekende brief.


Indien het departement binnen de gestelde termijn geen beslissing heeft genomen, wordt de beslissing geacht negatief te zijn.


Als de ontginningsmachtiging wordt verleend en de onderneming intussen over de nodige vergunningen beschikt, mag hij de ontginningsactiviteiten pas starten nadat de termijn van beroep tegen de ontginningsmachtiging is verstreken. Als er beroep werd ingesteld, moet de onderneming wachten op de uitspraak van dit beroep, zoals vermeld in artikel 14.


Art. 14.

§ 1

Binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing of, in het geval van de stilzwijgende weigering, binnen de 30 dagen na het verstrijken van de 60 dagen, bedoeld in artikel 13, kan beroep worden ingesteld bij de minister door de aanvragende onderneming, de eigenaar of de houder van de zakelijke rechten en de eventuele pachters, huurders of gebruikers. Het beroep moet, op straffe van nietigheid, worden ingesteld per aangetekende brief, met vermelding van alle motieven.

 

§ 2

De minister beslist binnen een termijn van 60 dagen na het instellen van het beroep. Indien de minister binnen de gestelde termijn geen beslissing heeft uitgebracht, blijft de oorspronkelijke beslissing behouden.


De aanvragende onderneming, de eigenaars of houders van zakelijke rechten en de eventuele pachters, huurders of gebruikers worden van de ministeriële beslissing in kennis gesteld per aangetekende brief.


Art. 15.

§ 1

De houder van de ontginningsmachtiging is aan de eigenaars of houders van zakelijke rechten gedurende een bepaalde tijd, afhankelijk van de geraamde duur van de ontginning, een jaarlijkse vergoeding verschuldigd. Aan de pachter, huurder of gebruiker is hij een eenmalige vergoeding verschuldigd. De bedragen van de vergoeding worden in onderling overleg of door deskundigen vastgesteld, rekening houdend met de waarde, het gebruik en de opbrengst van de percelen ten tijde van de aanvraag tot ontginningsmachtiging. De deskundigen worden aangewezen door de partijen of, bij gebrek aan overeenstemming, op verzoek van de meest gerede partij door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de meerderheid van de ontginningspercelen is gelegen. De beslissing van het departement zoals bedoeld in artikel 13 of de ministeriële beslissing die de ontginningsmachtiging in beroep verleent, geeft het bedrag en de duur van de aldus vastgestelde vergoedingen aan. Ingeval partijen het niet eens zijn over de raming van de deskundige, beslist de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op verzoek van de meest gerede partij.

 

§ 2

De eigenaar kan te allen tijde eisen dat zijn perceel door de houder van de ontginningsmachtiging wordt aangekocht. De verkoopprijs wordt in onderling overleg of door deskundigen vastgesteld. Deze deskundigen worden aangewezen door de partijen of, bij gebrek aan overeenstemming, op verzoek van de meest gerede partij door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de meerderheid van de ontginningspercelen is gelegen. De deskundigen houden in dit geval bij de raming rekening met de reeds betaalde vergoedingen. Ingeval partijen het niet eens zijn over de raming van de deskundige, beslist de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op verzoek van de meest gerede partij.


Afdeling III.
Onteigening


Art. 16.

Onverminderd haar bevoegdheid over te gaan tot onteigening ten algemenen nutte, al dan niet via andere hiertoe gemachtigde rechtspersonen, kan de Vlaamse regering op voordracht van de minister overgaan tot onteigening ten algemenen nutte op verzoek, op naam en voor rekening van de aanvragende onderneming indien de optimale en rationele ontginning in het ontginningsgebied van de betrokken aanvrager in gevaar komt en een aanvraag tot ontginningsmachtiging binnen negen maanden na indiening geen resultaat heeft opgeleverd.


De onteigeningsaanvraag dient alle nuttige elementen te bevatten waaruit blijkt dat een ontginningsmachtiging niet kan worden verkregen en waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 10 werd voldaan.


Afdeling IV.
Pacht, vruchtgebruik, gebruik en huur van percelen, gelegen binnen een ontginningsgebied.


Art. 17. Het vruchtgebruik, gevestigd op onbebouwde of bebouwde percelen gelegen in een ontginningsgebied, en lopende overeenkomsten van pacht, gebruik en huur, met uitzondering van handelshuur en woninghuur aangaande diezelfde percelen, kunnen op ieder ogenblik beëindigd worden om deze percelen te kunnen gebruiken voor hun ontginningsbestemming.

Afdeling V.
Eindafwerking


Art. 18.

Uiterlijk vijf jaar na de ontginning moeten de vergunninghouders de eindafwerking van de percelen realiseren. Als de vergunde oppervlakte in zones wordt ingedeeld en gefaseerd wordt ontgonnen, geldt die verplichting per zone. De verplichting blijft ook gelden nadat de vergunningstermijn verstreken is, of als een vergunning vervallen, ingetrokken of geschorst is. Deze verplichting geldt niet voor niet-ontgonnen zones.

 

De vergunninghouder meldt jaarlijks aan het departement de percelen of delen van percelen waarvan de eindafwerking is gerealiseerd. In voorkomend geval maakt de melding deel uit van het ingediend jaarlijks voortgangsrapport of het geactualiseerd basisvoortgangsrapport, vermeld in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet.


Art. 19. [...]

Art. 20. [...]

Art. 21. [...]

Art. 22. [...]

Art. 23. [...]

Art. 24. [...]

Art. 25. [...]

Hoofdstuk V.
Natuurlijke samenstelling van oppervlaktedelfstoffen


Art. 26.

De Vlaamse Regering bepaalt de criteria van de natuurlijke samenstelling waaraan een oppervlaktedelfstof die uit een ontginningsgebied afkomstig is, moet voldoen om een primaire oppervlaktedelfstof te zijn.

 

Als het departement vaststelt dat het om een primaire oppervlaktedelfstof gaat, levert het een certificaat van herkomst af.


Art. 27.

§ 1

Met uitzondering van het geval, vermeld in het tweede lid, mogen in ontginningsgebieden alleen primaire oppervlaktedelfstoffen waarvoor een certificaat van herkomst is afgeleverd, ontgonnen worden.

 

Oppervlaktedelfstoffen die, zonder enige behandeling die de milieuhygiënische kwaliteit negatief beïnvloedt en zonder tussentijdse opslag, onder de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder getransporteerd worden van de plaats van ontginning naar de plaats van een productieproces waarbij die oppervlaktedelfstoffen als grondstof ingezet worden, mogen ontgonnen worden zonder dat daarvoor een certificaat van herkomst is afgeleverd. Het is aan de vergunninghouder om aan te tonen dat de oppervlaktedelfstoffen aan deze voorwaarden voldoen. Het departement ziet erop toe of aan deze voorwaarden is voldaan.

 

De regeling blijft ook gelden nadat de vergunningstermijn verstreken is, of als een vergunning vervallen, ingetrokken of geschorst is. 

 

§ 2

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de aanvraag, de toekenning, de schorsing, de intrekking en het gebruik van het certificaat van herkomst.


Hoofdstuk VI.
Alternatieve materialen


Art. 28. De Vlaamse regering kan binnen de beschikbare begrotingsmiddelen, ter stimulering van het gebruik van alternatieve materialen subsidies verlenen.

Hoofdstuk VII.
Handhaving


Art. 29.

Voor dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten gebeurt het uitoefenen van toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, het onderzoeken van milieu-inbreuken, het opleggen van bestuurlijke geldboeten, het innen en invorderen van verschuldigde bedragen, het opsporen van milieumisdrijven, het strafrechtelijk sanctioneren van milieumisdrijven en het opleggen van veiligheidsmaatregelen volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Hoofdstuk VIII.
Slotbepalingen


Art. 30. [...]

Art. 31.

In artikel 6, § 1, van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorverkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, wordt 2°, voor het Vlaamse Gewest, vervangen door wat volgt :


" 2° De pachtovereenkomst heeft betrekking op ongebouwde gronden die, op het ogenblik van de opzegging, zonder dat er vooraf wegenwerken uitgevoerd moeten worden, beschouwd moeten worden als bouwgronden of op al dan niet bebouwde gronden die gelegen zijn binnen ontginningsgebieden. Als op gronden binnen een ontginningsgebied een door de verpachter verleende toestemming tot ontginning rust of als een ontginningsmachtiging werd verleend, treedt diegene die de toestemming of de ontginningsmachtiging heeft bekomen in de rechten en de plichten van de verpachter; ".


Art. 32.

In artikel 598 van het Burgerlijk Wetboek wordt, voor het Vlaamse Gewest, een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :


" In ontginningsgebieden kan het vruchtgebruik slechts worden gevestigd voor een bepaalde tijd die eindigt bij het verlenen van een ontginningsmachtiging, zoals bedoeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen. "


Art. 33. Voor het Vlaamse Gewest worden de artikelen 3 en 4, de artikelen 84 tot 105 en de artikelen 106 tot 112 inzake de ontginning van oppervlaktedelfstoffen van de wetten op de mijnen, groeven en graverijen, gecoördineerd op 15 september 1919, opgeheven.

Art. 34.

Aan artikel 4 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :


" 4 ° bodem, uitgegraven buiten ontginningsgebieden, die vrij kan worden hergebruikt als bodem of als bouwstof; ".


Art. 35. De Vlaamse regering bepaalt de datum waarop dit decreet in werking treedt.