Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) + bijlage(n)
Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

Titel I.
Algemene bepalingen.


Hoofdstuk I.
Inleidende bepalingen.


Art. 1.1.1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 1.1.2.

§ 1

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder :

milieu : de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de mens, de ecosystemen, de landschappen en het klimaat;
verontreinigingsfactoren : vaste stoffen, vloeistoffen, gassen, micro-organismen, energievormen zoals warmte, stralingen, licht, geluid en andere trillingen;
emissie : elke inbreng door de mens van verontreinigingsfactoren in de atmosfeer, de bodem of het water;
verontreinigen : het veroorzaken van een emissie die mens of milieu op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloedt of kan beïnvloeden;
verontreiniging : de door de mens veroorzaakte aanwezigheid van verontreinigingsfactoren in de atmosfeer, de bodem of het water die mens of milieu op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloedt of kan beïnvloeden;
onttrekking : de wegname door de mens van bodem, water, lucht of licht, die mens of milieu op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloedt of kan beïnvloeden;
immissie : de wijziging van de aanwezigheid van verontreinigingsfactoren in atmosfeer, bodem of water rond één of meer bronnen van verontreiniging ten gevolge van emissies uit deze bron of bronnen.

milieutechnische eenheid : verschillende inrichtingen en/of activiteiten, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee ze verbonden zijn, die als één geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat ze kunnen berokkenen aan mens of milieu. Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen en activiteiten, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen en activiteiten ten opzichte van andere inrichtingen en activiteiten.

 

Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid kunnen vormen.

 

§ 2

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald :

omvat de atmosfeer niet de lucht in afgesloten ruimten;
omvat de bodem het vaste deel van de aarde met inbegrip van het grondwater, de micro-organismen en andere bestanddelen die zich erin bevinden;
omvat het water niet het drinkwater en evenmin het grondwater;
omvatten stralingen niet de ioniserende stralingen.

 


Hoofdstuk II.
Doelstellingen en beginselen.


Art. 1.2.1.

§ 1

Ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties heeft het milieubeleid tot doel :

het beheer van het milieu door de duurzame aanwending van de grondstoffen en de natuur;
de bescherming; tegen verontreiniging en onttrekking, van mens en milieu, en in het bijzonder van de ecosystemen die van belang zijn voor de werking van de biosfeer en die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven;
het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, met name door de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke habitats, ecosystemen en landschappen met ecologische waarde en het behoud van de wilde soorten, in het bijzonder van die welke bedreigd, kwetsbaar, zeldzaam of endemisch zijn.

 

§ 2

Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

 

§ 3

De in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens.


Titel II.
Besluitvorming en inspraak.


Hoofdstuk I.
Milieuplanning.


Afdeling 1.
Inleidende bepalingen.


Art. 2.1.1. Onder milieuplanning wordt het geheel van activiteiten verstaan die erop gericht zijn samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen inzake het milieu.

Art. 2.1.2. De milieuplanning op gewestelijk niveau omvat de plannen en programma’s die in uitvoering van thematische wetgeving worden opgesteld en het tweejaarlijks opstellen van een milieurapport.

Afdeling 2.
Milieuplanning op gewestelijk niveau.


Onderafdeling 1.
Het milieurapport.


Art. 2.1.3.

Het milieurapport omvat :

een beschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande toestand van het milieu;
een beschrijving, analyse en evaluatie van het tot dan toe gevoerde milieubeleid voor zover dit relevant is voor de toetsing van de resultaten van het gevoerde milieubeleid aan de in de milieuregelgeving of de milieuplanning vastgestelde beleidsdoelstellingen;
een beschrijving van de verwachte ontwikkeling van het milieu bij ongewijzigd beleid en bij gewijzigd beleid volgens een aantal relevant geachte scenario's.

 


Art. 2.1.4.

Om de twee jaar wordt een milieurapport opgesteld.

 

[...]


Art. 2.1.5.

§ 1

De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met het opstellen van het milieurapport, onder begeleiding van een stuurgroep bestaande uit een voorzitter en acht leden die wetenschappelijk gevormd zijn en die als deskundig worden beschouwd.

 

De voorzitter en de leden van deze stuurgroep, die geen ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij mogen zijn, worden aangewezen door de Vlaamse regering [...]. Twee leden worden aangewezen op voordracht van het college van ambtenaren-generaal, twee op voordracht van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, twee op voordracht van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en twee op voordracht van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. Het secretariaat van de stuurgroep wordt waargenomen door de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

De stuurgroep is belast met de algemene begeleiding van de opstelling van het milieurapport en draagt er tevens de eindverantwoordelijkheid voor.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij kan voor het opstellen van het milieurapport samenwerkingsverbanden aangaan met andere openbare instellingen en wetenschappelijke instituten.

 

§ 2

Het Vlaamse Gewest geeft jaarlijks een dotatie aan de Vlaamse Milieumaatschappij voor de opstelling van het rapport. Deze dotatie is ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuurbehoud.

 

§ 3

De diensten van de Vlaamse overheid, de instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de ondergeschikte besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieu, stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Milieumaatschappij, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover zij beschikken en die van nut kan zijn voor het opstellen van het milieurapport ter beschikking van de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

§ 4

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor de werking van de stuurgroep bedoeld in § 1 en de voorwaarden bepalen waaronder, overeenkomstig § 3, informatie aan het planningsteam ter beschikking wordt gesteld.


Art. 2.1.6. Het milieurapport wordt ter kennis gebracht van de provincies en gemeenten. Aan het milieurapport wordt ruime bekendheid gegeven, op de wijze bepaald door de Vlaamse regering.

Onderafdeling 2.
Het gewestelijk milieubeleidsplan.


Art. 2.1.7. [...]

Art. 2.1.8. [...]

Art. 2.1.9. [...]

Art. 2.1.10. [...]

Art. 2.1.11. [...]

Art. 2.1.12. [...]

Onderafdeling 3.
Het gewestelijk milieujaarprogramma.


Art. 2.1.13.

Het milieujaarprogramma wordt opgesteld ter uitvoering en operationalisering van het milieubeleidsplan en bevat ten minste :

een verslag van de stand van uitvoering van het geldende milieubeleidsplan;
een verslag van de stand van uitvoering van de Europese milieuwetgeving;
een verslag van de stand van zaken aangaande de goedkeuring van de internationale overeenkomsten door het Vlaamse Gewest;
een opgave van de door het Vlaamse Gewest in het komende jaar te verrichten activiteiten en te nemen maatregelen ter uitvoering van het geldende milieubeleidsplan;
een overzicht van de in het ontwerp van begroting geraamde inkomsten en uitgaven voor de uitvoering van het milieubeleidsplan;
een lijst met alle geplande en lopende onderzoeken en herstelprogramma's.

 


Art. 2.1.14. [...]

Afdeling 3.
Milieuplanning op provinciaal niveau.


Onderafdeling 1.
Het provinciaal milieubeleidsplan.


Art. 2.1.15.

§ 1

De provincieraad kan in de loop van de eerste helft van het jaar dat volgt op de verkiezingen voor de provincieraad een provinciaal milieubeleidsplan vaststellen met het oog op de bescherming en het beheer van het milieu op het grondgebied van de provincie.

 

Het provinciaal milieubeleidsplan geeft op het niveau van de provincie nadere uitwerking aan het gewestelijk milieubeleidsplan. Binnen de perken van de provinciale bevoegdheden kan het provinciaal milieubeleidsplan het gewestelijk milieubeleidsplan ook aanvullen. Het provinciaal milieubeleidsplan moet conform de bindende bepalingen van het gewestelijk milieubeleidsplan zijn.

 

§ 2

Het provinciaal milieubeleidsplan omvat een actieplan als bedoeld in artikel 2.1.7, § 3. De bepalingen van het provinciaal milieubeleidsplan zijn indicatief, behoudens de bepalingen van het actieplan die door de provincieraad als bindend zijn aangeduid. Deze bepalingen zijn bindend voor de provincie en de gemeenten op haar grondgebied en voor de instellingen die eronder ressorteren.

 

§ 3

Bij het van kracht worden van elk nieuw gewestelijk milieubeleidsplan kan het bestaande provinciaal milieubeleidsplan herzien worden. De bepalingen van het bestaande provinciaal milieubeleidsplan die niet conform de bindende bepalingen van het nieuw gewestelijk milieubeleidsplan zijn, verliezen van rechtswege hun geldigheid.


Art. 2.1.16.

§ 1

De [...] deputatie stelt het ontwerpplan op.

 

§ 2

Bij het ontwerpen van het plan betrekt zij de naar haar oordeel meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen en privaatrechtelijke organisaties. Daartoe behoren in elk geval de administraties die vertegenwoordigd zijn in de provinciale omgevingsvergunningscommissie en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de raadpleging en betrokkenheid van de organen, instellingen en organisaties bedoeld in § 2.


Art. 2.1.17.

§ 1

Het ontwerpplan wordt meegedeeld aan de Vlaamse regering, de leden van de provincieraad, de administraties vertegenwoordigd in de provinciale omgevingsvergunningscommissie, de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij, de gemeenten en de door de [...] deputatie aangewezen adviesorganen of organisaties.

 

§ 2

Het ontwerpplan wordt voor een termijn van zestig dagen ter inzage gelegd op de gemeentebesturen. De [...] deputatie brengt dit ter kennis van de bevolking door publikatie in de pers en via mededelingen op radio en televisie.

 

Iedereen kan in deze periode schriftelijke opmerkingen richten aan de bestendige deputatie.

 

Binnen dezelfde termijn brengen de in § 1 bedoelde instellingen, organen of organisaties, met uitzondering van de provincieraad, hun met redenen omkleed advies ter kennis van de [...] deputatie. Wanneer een advies niet is verleend binnen de in het eerste lid bepaalde termijn, dient er geen rekening mee te worden gehouden.

 

§ 3

Binnen zestig dagen na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, onderzoekt de provincieraad de verleende adviezen en stelt hij het plan vast bij een met redenen omkleed besluit waarbij hij in het algemeen vermeldt wat hij omtrent de ingediende opmerkingen en verstrekte adviezen heeft overwogen.

 

§ 4

Het plan wordt ter kennis gebracht van de in § 1 bedoelde instanties. Het ligt ter inzage bij de provincie en de gemeenten.

 

§ 5

De Vlaamse regering kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving bedoeld in § 4 de bepalingen van het plan die strijdig zijn met bindende bepalingen van het gewestelijk milieubeleidsplan bij met redenen omkleed besluit vernietigen.

 

§ 6

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure bepaald in de §§ 1 tot en met 4.


Art. 2.1.17bis.

§ 1

Bij de herziening van het plan met het oog op de afstemming op het gewestelijk milieubeleidsplan, vermeld in artikel 2.1.15, § 3, volstaat de vaststelling door de provincieraad bij een met redenen omkleed besluit. Het herziene plan wordt ter kennis gebracht van de instanties, vermeld in artikel 2.1.17, § 1.

 

§ 2

De Vlaamse Regering kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving, vermeld in § 1, de bepalingen van het plan die niet conform de bindende bepalingen van het gewestelijk milieubeleidsplan zijn door een met redenen omkleed besluit vernietigen.


Art. 2.1.18.

§ 1

De Vlaamse Regering kan aan de provincies een subsidie toekennen voor het uitvoeren van een provinciaal milieubeleidsplan of milieujaarprogramma. Ze bepaalt de voorwaarden en de nadere regels hiervoor.

 

§ 2

De Vlaamse regering kan, na evaluatie van de vrijwillige uitvoering van de bepalingen van deze onderafdeling door de provincies, besluiten dat de provincies verplicht zijn een milieubeleidsplan op te stellen vanaf een datum die ze zelf bepaalt.


Art. 2.1.18bis.

Een milieubeleidsplan als vermeld in artikel 2.1.15 wordt een eerste keer opgesteld in 2007. Op dat ogenblik kan ook gekozen worden voor een bekrachtiging of actualisering van het bestaande provinciale milieubeleidsplan, eventueel gekoppeld aan een verlenging van de planperiode. In dat geval volstaat een herzieningsprocedure als vermeld in artikel 2.1.17bis.


Onderafdeling 2.
Het provinciaal milieujaarprogramma.


Art. 2.1.19.

§ 1

De [...] deputatie kan jaarlijks een milieujaarprogramma vaststellen.

 

§ 2

[...]


Art. 2.1.20. [...]

Afdeling 4.
Milieuplanning op gemeentelijk niveau.


Onderafdeling 1.
Het gemeentelijk milieubeleidsplan.


Art. 2.1.21.

§ 1

De gemeenteraad kan in de loop van de tweede helft van het jaar dat volgt op de verkiezingen voor de gemeenteraad een gemeentelijk milieubeleidsplan vaststellen met het oog op de bescherming en het beheer van het milieu op het grondgebied van de gemeente.

 

Het gemeentelijk milieubeleidsplan geeft op het niveau van de gemeente nadere uitwerking aan het gewestelijk en het provinciaal milieubeleidsplan. Binnen de perken van de gemeentelijke bevoegdheden kan het gemeentelijk milieubeleidsplan het gewestelijk en het provinciaal milieubeleidsplan ook aanvullen. Het gemeentelijk milieubeleidsplan moet conform de bindende bepalingen van het gewestelijk en het provinciaal milieubeleidsplan zijn.

 

§ 2

Het gemeentelijk milieubeleidsplan omvat een actieplan als bedoeld in artikel 2.1.7, § 3. De bepalingen van het gemeentelijk milieubeleidsplan zijn indicatief, behoudens de bepalingen van het actieplan die door de gemeenteraad als bindend zijn aangeduid. Deze bepalingen zijn bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren.

 

§ 3

Bij het van kracht worden van een nieuw provinciaal of gewestelijk milieubeleidsplan kan het bestaande gemeentelijk milieubeleidsplan herzien worden. De bepalingen van het bestaande gemeentelijk milieubeleidsplan die niet conform de bindende bepalingen van een nieuw gewestelijk of provinciaal milieubeleidsplan zijn, verliezen van rechtswege hun geldigheid.


Art. 2.1.22.

§ 1

Het ontwerpplan wordt opgesteld door het college van burgemeester en schepenen.

 

§ 2

Bij het ontwerpen van het plan worden de naar zijn oordeel meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen en privaatrechtelijke organisaties betrokken.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de raadpleging en betrokkenheid van de organen, instellingen en organisaties bedoeld in § 2.


Art. 2.1.23.

§ 1

Het ontwerpplan wordt meegedeeld aan de Vlaamse regering, de gemeenteraadsleden, de administraties vertegenwoordigd in de provinciale omgevingsvergunningscommissie, de [...] deputatie van de provincieraad en de door het college van burgemeester en schepenen aangewezen adviesorganen of organisaties.

 

§ 2

Het ontwerpplan wordt voor een termijn van zestig dagen ter inzage gelegd op het gemeentebestuur. Het college van burgemeester en schepenen brengt dit ter kennis van de bevolking door aanplakking en in minimum twee dag- en/of weekbladen waarvan één met regionaal karakter. Iedereen kan in deze periode schriftelijke opmerkingen richten aan het college van burgemeester en schepenen.

 

§ 3

Binnen dezelfde termijn brengen de in § 1 bedoelde instellingen, organen of organisaties hun met redenen omkleed advies ter kennis van het college van burgemeester en schepenen.

 

De [...] deputatie onderzoekt het ontwerpplan in het bijzonder op zijn verenigbaarheid met het gewestelijk milieubeleidsplan en, voor zover dit bestaat, het provinciaal milieubeleidsplan en waakt over de coördinatie van de gemeentelijke milieubeleidsplannen binnen de provincie.

 

§ 4

Binnen zestig dagen na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, onderzoekt de gemeenteraad de verleende adviezen en de ingediende opmerkingen en stelt het plan vast bij een met redenen omkleed besluit waarbij hij in het algemeen vermeldt wat hij omtrent de ingediende opmerkingen en verstrekte adviezen heeft overwogen.

 

§ 5

Het plan wordt ter kennis gebracht van de in § 1 bedoelde instanties. Het ligt ter inzage bij de gemeente.

 

§ 6

De [...] deputatie kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving bedoeld in § 5 de bepalingen van het plan die strijdig zijn met bindende bepalingen van het gewestelijk of, voor zover dit bestaat, provinciaal milieubeleidsplan bij met redenen omkleed besluit vernietigen.

 

§ 7

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure bepaald in de §§ 1 tot en met 4.


Art. 2.1.23bis.

§ 1

Bij de herziening van het plan met het oog op de afstemming op het provinciaal of gewestelijk milieubeleidsplan, vermeld in artikel 2.1.21, § 3, volstaat de vaststelling door de gemeenteraad bij een met redenen omkleed besluit. Het herziene plan wordt ter kennis gebracht van de instanties vermeld in artikel 2.1.23, § 1.

 

§ 2

De [...] deputatie kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving, vermeld in § 1, de bepalingen van het plan die niet conform de bindende bepalingen van het gewestelijk of provinciaal milieubeleidsplan zijn door een met redenen omkleed besluit vernietigen.


Art. 2.1.24.

§ 1

De Vlaamse Regering kan aan de gemeenten een subsidie toekennen voor het uitvoeren van een gemeentelijk milieubeleidsplan of milieujaarprogramma. Ze bepaalt de voorwaarden en de nadere regels hiervoor.

 

§ 2

De Vlaamse regering kan, na evaluatie van de vrijwillige uitvoering van de bepalingen van deze onderafdeling door de gemeenten, besluiten dat de gemeenten verplicht zijn een milieubeleidsplan op te stellen vanaf een datum die ze zelf bepaalt.


Art. 2.1.24bis.

Een gemeentelijk milieubeleidsplan als vermeld in artikel 2.1.21 wordt een eerste keer opgesteld in 2007. Op dat ogenblik kan ook gekozen worden voor een bekrachtiging of actualisering van het bestaande gemeentelijk milieubeleidsplan, eventueel gekoppeld aan een verlenging van de planperiode. In dit geval volstaat een herzieningsprocedure als vermeld in artikel 2.1.23bis.


Onderafdeling 2.
Het gemeentelijk milieujaarprogramma.


Art. 2.1.25.

§ 1

Het college van burgemeester en schepenen kan jaarlijks een milieujaarprogramma vaststellen.

 

§ 2

[...]


Art. 2.1.26. [...]

Hoofdstuk II.
Milieukwaliteitsnormen.


Afdeling 1.
Algemeen.


Art. 2.2.1.

De Vlaamse regering stelt ter bescherming van het milieu milieukwaliteitsnormen vast die bepalen aan welke kwaliteitseisen de onderdelen van het milieu moeten voldoen binnen de termijnen die zij bepaalt.

 

Milieukwaliteitsnormen bepalen de maximaal toelaatbare hoeveelheden verontreinigingsfactoren in de atmosfeer, het water, het sediment of de biota of de bodem. Zij kunnen ook bepalen welke natuurlijke of andere elementen in het milieu aanwezig moeten zijn met het oog op de bescherming van de ecosystemen en de bevordering van de biologische diversiteit.


Art. 2.2.2.

Elk ontwerp van besluit houdende vaststelling of wijziging van milieukwaliteitsnormen wordt door de Vlaamse regering medegedeeld aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengt binnen een vervaltermijn van twee maanden na ontvangst van het ontwerp.

 

In zoverre dit vanwege door internationale verplichtingen opgelegde termijnen noodzakelijk is, kan de Vlaamse regering de in het vorige lid bepaalde adviestermijn inkorten, met inachtname van de minimumtermijn, vermeld in artikel III.103, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.


Art. 2.2.3.

§ 1

Er kan tussen de in artikel 2.2.1 bedoelde normen een onderscheid worden gemaakt tussen basismilieukwaliteitsnormen en bijzondere milieukwaliteitsnormen.

Basismilieukwaliteitsnormen bepalen de kwaliteitseisen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu in heel het Vlaamse Gewest moet voldoen.

Bijzondere milieukwaliteitsnormen bepalen de kwaliteitseisen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu moet voldoen in gebieden die bijzondere bescherming behoeven, hetzij wegens de bestemming die zij hebben, hetzij wegens de functies die zij vervullen of dienen te vervullen.

 

§ 2

Wanneer de Vlaamse regering voornemens is bijzondere milieukwaliteitsnormen vast te stellen voor gebieden die grenzen aan buurstaten of andere Gewesten, pleegt zij vooraf overleg met de bevoegde autoriteiten van deze Staten of Gewesten.

 

§ 3

Wanneer voor een bepaald gebied zowel basismilieukwaliteitsnormen als bijzondere milieukwaliteitsnormen van toepassing zijn, geldt de strengste milieukwaliteitsnorm.

 

§ 4

De Vlaamse regering evalueert en herziet zo nodig op gezette tijden de milieukwaliteitsnormen evenals de gebieden waarvoor bijzondere milieukwaliteitsnormen zijn vastgesteld.


Art. 2.2.4.

De in artikel 2.2.1 bedoelde milieukwaliteitsnormen kunnen worden vastgesteld in de vorm van grenswaarden en richtwaarden.   

Grenswaarden mogen, behoudens in geval van overmacht, niet worden overschreden. Onverminderd de overige bepa-lingen van dit decreet, bepalen de verordeningen die ze vaststellen de maatregelen die door de daartoe aangewezen overheden moeten worden getroffen bij de overschrijding of dreigende overschrijding ervan, teneinde de erdoor beschermde belangen te beveiligen.

Richtwaarden bepalen het milieukwaliteitsniveau dat zoveel mogelijk moet worden bereikt of gehandhaafd.

Grenswaarden en richtwaarden kunnen afzonderlijk of in combinatie worden gehanteerd.


Art. 2.2.5.

§ 1

Wanneer in een bepaald gebied voor een onderdeel van het milieu de werkelijke kwaliteit van dat onderdeel beter is dan vereist door de geldende grens- of richtwaarde, moeten de nodige maatregelen worden getroffen om deze kwaliteit minstens te behouden.

 

§ 2

De werkelijke kwaliteit van een onderdeel van het milieu in een bepaald gebied waarvoor een grens- of richtwaarde geldt, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2.2.6, §§ 1 en 2.


Art. 2.2.6.

§ 1

De Vlaamse regering wijst de instellingen of personen aan die belast zijn met het meten van de kwaliteit van de onderscheiden onderdelen van het milieu waarvoor milieukwaliteitsnormen zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 2.2.1.

 

§ 2

De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast in verband met de plaats en de frequentie van monsterneming, de toe te passen monstername- en analysemethoden of andere meet- of bepalingsmethoden, de toetsing van de verkregen resultaten aan de vastgestelde normen, de wijze waarop en de frequentie waarmee verslag moet worden uitgebracht over deze resultaten.

 

§ 3

Als uit de in § 2 bedoelde resultaten blijkt dat de toepasselijke grens- of richtwaarden niet worden nageleefd, laat de Vlaamse regering onderzoek verrichten naar de oorzaken daarvan.

 

§ 4

Op eenvoudig verzoek kan de bevolking beschikken over de concrete, niet-geïnterpreteerde meetresultaten. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels en duidt de overheid aan bij wie deze gegevens opgevraagd kunnen worden.


Art. 2.2.7.

§ 1

Als uit het in artikel 2.2.6, § 3 bedoelde onderzoek blijkt dat de overschrijding van een grenswaarde niet het gevolg is van toevallige en voorbijgaande omstandigheden of dat blijvende aantasting van het milieu werd veroorzaakt, dan stelt de Vlaamse regering of een door haar aangewezen bestuur of instelling een herstelprogramma op.

 

§ 2

Het herstelprogramma omvat :

  1. een inventaris van alle aanwijsbare bronnen van verontreiniging of verstoring met aanduiding van hun aandeel in de verontreiniging of de verstoring van het betrokken gebied;
  2. de emissiereductie die bij deze bronnen moet plaatsvinden of de andere maatregelen die moeten worden genomen, om te voldoen aan de geldende milieukwaliteitsnormen;
  3. de beleidsinstrumenten die moeten worden aangewend om dit doel te bereiken met aanduiding van de overheden die daartoe bevoegd zijn;
  4. de termijn waarbinnen dit herstel moet plaatsvinden.

 

 

§ 3

Het herstelprogramma wordt voor verder gevolg bezorgd aan de overheden bedoeld in § 2, 3°. Wanneer de oorzaak van de overschrijding van de norm in een buurstaat of in een andere Gewest ligt, pleegt de Vlaamse regering overleg met de bevoegde autoriteiten van deze buurstaat of dit Gewest.

 

§ 4

Op gezette tijden evalueert de Vlaamse regering of een door haar aangewezen bestuur of instelling de stand van uitvoering van het herstelprogramma.

 

§ 5

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op bodemsanering als bedoeld in het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering.


Afdeling 2.
Bijzondere bepalingen


Art. 2.2.8.

§ 1

De Vlaamse regering stelt een bijzondere regeling vast voor tijdelijke situaties van verhoogde luchtverontreiniging tengevolge van bijzondere meteorologische omstandigheden.

 

§ 2

Deze bijzondere regeling omvat grenswaarden voor luchtverontreiniging waarvan de overschrijding naargelang van het geval aanleiding geeft tot het in werking stellen van de waarschuwingsfase of de alarmfase.

 

§ 3

Gedurende de waarschuwingsfase worden de betrokken overheden en de exploitanten van belangrijke bronnen van verontreiniging in kennis gesteld van het feit dat afhankelijk van de verdere evolutie van de toestand in de nabije toekomst de alarmfase kan worden ingesteld.

 

§ 4

Gedurende de alarmfase nemen de exploitanten en de daartoe bevoegde overheden, met betrekking tot de betekenisvolle bronnen van verontreiniging, de veiligheidsmaatregelen zoals die door de Vlaamse regering zijn bepaald met inachtneming van de ernst van de situatie.

 

§ 5

De Vlaamse regering bepaalt tevens de wijze waarop het publiek wordt ingelicht en de maatregelen die ten opzichte van het publiek kunnen worden getroffen door de daartoe bevoegde overheden.


Titel III.
Bedrijfsinterne milieuzorg


Hoofdstuk I.
Doelstelling en definities.


Art. 3.1.1.

Bedrijfsinterne milieuzorg heeft tot doel duurzame produktiepatronen na te streven en de milieubelasting van een bedrijf in al zijn aspecten te beheersen en te beperken teneinde bij te dragen tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.


Art. 3.1.2.

In deze titel van het decreet wordt verstaan onder :

inrichtingen en activiteiten: de inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, en artikel 5.1.1, 1°;
vergunningverlenende overheid: de overheid die de omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan afleveren;
[...]  
[...]  
bedrijfslocatie : elk terrein waarop industriële activiteiten onder controle van een bedrijf op een gegeven plaats worden uitgevoerd, met inbegrip van de daarmee gepaard gaande of daarbij horende opslag van grondstoffen, van bij-, tussen- en eindprodukten en van afval en met inbegrip van de al dan niet vaste infrastructuur en uitrusting die met deze activiteiten gemoeid zijn.

 


Hoofdstuk II.
De milieucoördinator.


Art. 3.2.1.

§ 1

De exploitanten van inrichtingen of activiteiten van eerste klasse dienen een milieucoördinator aan te stellen.

 

De Vlaamse regering kan vrijstelling verlenen voor bepaalde categorieën van inrichtingen of activiteiten.

 

§ 2

De Vlaamse Regering wijst de inrichtingen of activiteiten van de tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen.

 

§ 3

De vergunningverlenende overheid kan exploitanten van niet in § 1 of § 2 bedoelde inrichtingen of activiteiten de verplichting opleggen een milieucoördinator aan te stellen indien de aard van de inrichting of activiteit, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan of de plaats waar ze gelegen is of uitgeoefend wordt, dit verantwoordt.

 

§ 4

De milieucoördinator kan een werknemer zijn van de exploitant of een persoon die geen werknemer is van de exploitant.

 

Wanneer dit geen afbreuk doet aan een goede taakvervulling kan, met instemming van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling, voor twee of meer inrichtingen of activiteiten gezamenlijk een milieucoördinator worden aangesteld of kan een beroep worden gedaan op de diensten van een persoon die geen werknemer is van de exploitant.

 

Dergelijke instemming is evenwel niet vereist wanneer het de aanstelling betreft van een milieucoördinator voor verschillende inrichtingen of activiteiten tegelijk die samen een bedrijfslocatie vormen onder controle van eenzelfde persoon of rechtspersoon. Deze instemming is evenmin vereist indien het de gezamenlijke aanstelling betreft van een persoon die erkend is als milieucoördinator. In dit laatste geval wordt van de gezamenlijke aanstelling van de milieucoördinator door de exploitant onmiddellijk kennis gegeven aan de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.

 

§ 5

Wanneer verschillende inrichtingen of activiteiten samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan zij de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen.

 

Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid vormen.

 

§ 6.

De instemming wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de instemmingsaanvraag zijn bekendgemaakt.

 

§ 7.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van de instemmingen. Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een instemming gehoord door de door de Vlaamse Regering aangewezen overheid. De voormelde overheid kan eveneens de aanvrager horen.

 

§ 8.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat de instemming wordt geacht stilzwijgend te zijn verkregen als door de overheid geen beslissing aan de aanvrager wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.

 

De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat een belangenafweging door de overheid, vermeld in § 4, bij haar beslissingen over aanvragen tot instemming met de meervoudige aanstelling van milieucoördinatoren, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.

 

§ 9.

De Vlaamse Regering kan voor het gebruik van de instemmingen gebruikseisen vaststellen.

 

§ 10.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kan de door de Vlaamse Regering aangewezen overheid de instemming schorsen of opheffen.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De exploitanten en de milieucoördinator worden gehoord op hun verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de bij schorsing of opheffing van de instemming te volgen procedure.

 

§ 11.

Een persoon die geen werknemer is van de exploitant en met toepassing van § 4 in twee of meer inrichtingen of activiteiten die samen geen milieutechnische eenheid vormen, als milieucoördinator wil worden aangesteld, moet voorafgaand aan de aanstelling als milieucoördinator zijn erkend.

 

Op de erkenning als milieucoördinator zijn de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6 van toepassing.


Art. 3.2.2.

§ 1

De milieucoördinator heeft onder meer tot taak :

a) bij te dragen tot de ontwikkeling, de invoering, de toepassing en de evaluatie van milieuvriendelijke produktiemethodes en produkten;
b) te waken over de naleving van de milieuwetgeving door meer bepaald op regelmatige tijdstippen controle uit te oefenen op de werkplaatsen, de zuiveringstechnische werken en de materiaalstromen; hij rapporteert de vastgestelde tekortkomingen aan de bedrijfsleiding en doet voorstellen om deze te verhelpen;
c) te waken over of in te staan voor de uitvoering van de voorgeschreven emissie- en immissiemetingen en de registratie van de resultaten ervan;
d) te waken over het bijhouden van het afvalstoffenregister en het materialenregister en de naleving van de meldingsplicht, vermeld in artikel 6, 23 tot en met 25 en 30 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
e) voorstellen te doen en bij te dragen tot de interne en externe communicatie in verband met de gevolgen voor mens en milieu van de inrichting of activiteit, van haar produkten, haar afvalstoffen en de voorzieningen en maatregelen om deze gevolgen te beperken.
f) medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11.

 

§ 2

De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn. Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.

 

§ 3

De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven.


Art. 3.2.3.

§ 1

Als milieucoördinator kan enkel een persoon worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikt om de in artikel 3.2.2 bedoelde taken naar behoren te vervullen.

 

§ 2

De Vlaamse regering kan door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden nadere eisen stellen inzake de opleiding, de beroepservaring en de overige voorwaarden waaraan de milieucoördinator moet voldoen. De Vlaamse regering kan overgangsmaatregelen treffen met betrekking tot deze voorwaarden, indien nodig, voor degenen die de taken van milieucoördinator, in de hoedanigheid van werknemer van de exploitant, al uitoefenen voor het van kracht worden van dit decreet.

 

§ 3

De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling. Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in § 1 en in voorkomend geval aan de in § 2 bedoelde voorwaarden, kan de bevoegde afdeling eisen dat de exploitant binnen een termijn die het bepaalt, een andere persoon aanstelt.


Art. 3.2.4. De exploitant is gehouden het nodige te doen opdat de milieucoördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. Hij stelt hem hulppersoneel, lokalen, materiaal en middelen ter beschikking voor zover vereist.

Art. 3.2.5.

De milieucoördinator die een werknemer is van de exploitant, mag geen nadeel ondervinden omwille van de taak die hij als milieucoördinator vervult.

 

De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in artikel 3.2.3, § 3, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.


Art. 3.2.6.

De Vlaamse Regering bepaalt de informatie die in het kader van de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V door de vergunningverlenende overheid, de exploitant of de milieucoördinator aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan aan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, ter beschikking moet worden gesteld.


De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met het oog op het overleg over de bedrijfsinterne milieuzorg in de onderneming tussen de exploitant, afgevaardigde of de milieucoördinator enerzijds en het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, anderzijds.


Hoofdstuk III.
EMAS en de decretaal verplichte milieuaudit.


Art. 3.3.1.

§ 1

Met het oog op de toepassing in het Vlaamse Gewest van de Verordening (EG) Nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheeren milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, wijst de Vlaamse regering de instantie aan die - wat het Vlaamse Gewest betreft - belast is met de erkenning van onafhankelijke milieuverificateurs en met controle op hun werkzaamheden. Zij stelt de Europese Commissie hiervan in kennis.

 

§ 2

De Vlaamse Regering wijst de bevoegde instantie aan als vermeld in artikel 11 van de Verordening (EG) Nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie.

 

De bevoegde instantie is belast met de uitvoering van de taken die haar krachtens deze verordening worden toegewezen.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan een bijdrage in de registratiekosten van een organisatie, waarvan ze het bedrag bepaalt, ten laste leggen van de aanvrager van de registratie.


Art. 3.3.2.

§ 1

De Vlaamse regering wijst door middel van sectorale milieuvoorwaarden de categorieën van inrichtingen of activiteiten aan die onderworpen worden aan een periodieke dan wel eenmalige decretaal verplichte milieuaudit.

 

De Vlaamse regering kan evenwel inrichtingen of activiteiten die over een bedrijfsintern milieuzorgsysteem beschikken dat gelijkaardige waarborgen biedt onder door haar bepaalde voorwaarden vrijstellen van die verplichting.

 

§ 2

De decretaal verplichte milieuaudit betreft een systematische, gedocumenteerde en objectieve evaluatie van het beheer, de organisatie en de uitrusting van de betrokken inrichting of activiteit op het gebied van de bescherming van het milieu.

 

§ 3

De decretaal verplichte milieuaudit heeft betrekking op :

- de emissies en immissies, evenals de gevolgen ervan voor de milieukwaliteit;
- het energiebeheer;
- het beheer van grondstoffen;
- de preventie en het beheer van afvalstoffen;
- bodembeheer;
- de produktiemethodes en het produktbeheer;
- de externe veiligheid;
- de voorlichting, opleiding en participatie van het personeel in de bedrijfsinterne milieuzorg;
- de externe voorlichting;
- de voorstellen en adviezen van de milieucoördinator zoals bedoeld in artikel 3.2.2, § 3, en de opvolging die hieraan gegeven is.

 

De Vlaamse regering kan nadere eisen stellen betreffende de inhoud van de decretaal verplichte milieuaudit. Ze kan in dat verband ook haar goedkeuring verlenen aan richtlijnen waarvan het gebruik aanbevolen wordt.

 

§ 4

De Vlaamse regering bepaalt welke elementen van de decretaal verplichte milieuaudit moeten medegedeeld worden aan het door de Vlaamse regering aangewezen bestuur.

 

§ 5

Voor de validatie van de decretaal verplichte milieuaudit wordt een beroep gedaan op een milieuverificateur die erkend is met toepassing van titel V, hoofdstuk 6.

 

§ 6

[...]


Art. 3.3.3.

Tenzij anders bepaald wordt, is de milieuaudit op kosten van de exploitant.

De Vlaamse regering kan subsidies verlenen voor het uitvoeren van een decretaal verplichte of vrijwillige milieuaudit binnen de perken van de begrotingskredieten. Zij bepaalt de nadere regels voor het verlenen van subsidiëring.


Hoofdstuk IV.
Meet- en registratieverplichtingen.


Art. 3.4.1.

§ 1

De Vlaamse regering kan door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden aan de exploitant van een inrichting of activiteit waarvan de emissies naar omvang of aard de door de regering bepaalde drempels overschrijden, de verplichting opleggen om de emissie- of immissiewaarden voortdurend of periodiek te meten of te berekenen en te registeren. De vergunningverlenende overheid kan dezelfde verplichting opleggen aan de exploitant van een inrichting of activiteit.

 

In gebieden waar bijzondere milieukwaliteitsnormen gelden als bedoeld in artikel 2.2.3, § 3, van dit decreet, kunnen lagere drempelwaarden worden bepaald of verdergaande verplichtingen worden opgelegd.

 

§ 2

Onverminderd artikel 3.5.1 houdt de exploitant deze gegevens ter beschikking van de toezichthouders. Hij bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.


Art. 3.4.2.

§ 1

De Vlaamse regering kan door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden aan de exploitant van een inrichting of activiteit waaraan risico's voor bodem- of grondwaterverontreiniging zijn verbonden, verplicht worden peilputten aan te leggen. De vergunningverlenende overheid kan dezelfde verplichting opleggen aan de exploitant van een inrichting of activiteit.

 

§ 2

De exploitant van een dergelijke inrichting of activiteit kan verplicht worden de kwaliteit van het grondwater op gezette tijdstippen te meten en te registeren.

 

§ 3

De exploitant houdt deze gegevens ter beschikking van de toezichthouders. Hij bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.


Art. 3.4.3.

§ 1

Met behoud van de toepassing van artikel 23, eerste lid, en artikel 30 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, kan door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden of in de omgevingsvergunning, de exploitant
van een inrichting of activiteit verplicht worden :

a) een register bij te houden van de gevaarlijke stoffen die er aanwezig zijn;
b) energie- en grondstoffenbalansen op te stellen.

 

§ 2

De exploitant houdt deze gegevens ter beschikking van de toezichthouders. Hij bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.


Hoofdstuk V.
Het milieu-jaarverslag.


Art. 3.5.1.

De Vlaamse regering wijst door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden de categorieën van inrichtingen of activiteiten aan waarvan de exploitanten gehouden zijn jaarlijks aan de daartoe aangewezen overheid een milieu-jaarverslag te sturen. Zij bepaalt welke gegevens over de gemeten of berekende emissies of immissies het milieu-jaarverslag moet bevatten.

 

De Vlaamse Regering kan ook voorschrijven dat de met toepassing van artikel 23, tweede lid, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen te verstrekken gegevens voor de inrichtingen of activiteiten, vermeld in het eerste lid, opgenomen moeten worden in het milieujaarverslag.


Art. 3.5.2.

Wanneer de in artikel 3.5.1 bedoelde gegevens gebaseerd zijn op berekeningen deelt de exploitant de basisgegevens mee op grond waarvan de berekening is uitgevoerd, evenals de toegepaste berekeningsmethode.


Art. 3.5.3.

De Vlaamse regering kan bepalen dat het verstrekken van gegevens, voorgeschreven door de regelgeving inzake leefmilieu, aan de Vlaamse regering of aan rechtspersonen die van het Vlaamse Gewest afhangen, door middel van een integraal milieujaarverslag gebeurt.

 

De Vlaamse regering bepaalt de inhoud van het integraal milieujaarverslag, alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen het wordt medegedeeld. Ze bepaalt aan welke instelling of dienst het integraal milieujaarverslag wordt medegedeeld. Zij kan aan die instelling of dienst opdragen het gehele of gedeeltelijke verslag of de gehele of gedeeltelijke inhoud ervan aan andere instellingen of diensten te bezorgen. Zij kan de verplichting tot het opstellen van een geïntegreerd milieujaarverslag gefaseerd invoeren.


Hoofdstuk VI.
Bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen ervan voor mens en milieu.


Art. 3.6.1. [...]

Art. 3.6.2. [...]

Hoofdstuk VII.
Meldings- en waarschuwingsplicht bij accidentele emissies en storingen.


Art. 3.7.1.

§ 1

De exploitant van een inrichting of activiteit neemt de nodige maatregelen om in geval van accidentele emissies die verontreiniging kunnen veroorzaken :

de bevoegde toezichthouder daarvan onverwijld in kennis te stellen;
- derden die ten gevolge van de emissie schade kunnen lijden onverwijld te waarschuwen met opgave van de maatregelen die zij kunnen treffen om het gevaar af te wenden dan wel te beperken; deze bepaling is evenwel niet van toepassing wanneer de voorschriften, vastgesteld door de federale overheid in het kader van de civiele bescherming, van toepassing zijn;
- de gevolgen voor mens en milieu zoveel mogelijk te beperken.

 

§ 2

Als de emissie gevaar kan opleveren voor beschadiging van een afvalwaterzuiveringsinstallatie, waarschuwt de exploitant bovendien onmiddellijk de beheerder van de betrokken installatie.

 

§ 3

Wanneer de zuiveringstechnische voorzieningen van een inrichting of activiteit wegens storing of enige andere oorzaak uitvallen, of wanneer om enige andere reden de emissie of immissienormen worden overschreden, stelt de exploitant de bevoegde toezichthouder daarvan onverwijld in kennis.


Hoofdstuk VIII.
Toezicht en sancties.


Art. 3.8.1. [...]

Art. 3.8.2. [...]

Art. 3.8.3. [...]

Titel IV.
Milieueffect- en veiligheidsrapportage


Hoofdstuk I.
Definities, procedurele bepalingen, doelstellingen en kenmerken van de milieueffect- en veiligheidsrapportage


Afdeling I.
Definities


Art. 4.1.1.

§ 1.

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder :

milieueffectrapportage : de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een milieueffectrapport over een voorgenomen actie en in voorkomend geval tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie, hierna m.e.r. te noemen;
veiligheidsrapportage : de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport over een voorgenomen actie en in voorkomend geval tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie, hierna v.r. te noemen;
actie : een plan, programma en/of project;
plan of programma : plan of programma, met inbegrip van die welke door de Europese Unie worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan, dat :
  a) door een instantie op regionaal, provinciaal of lokaal niveau wordt opgesteld en/of vastgesteld of dat door een instantie wordt opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering te worden vastgesteld; en
  b) op grond van decretale of van bestuursrechtelijke bepalingen is voorgeschreven. 
project :
  a)

een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit of een vergunningsplichtige activiteit die moet worden hervergund bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende vergunning en die bestaat uit :

- de uitvoering van bouwwerken, de totstandbrenging en in voorkomend geval de exploitatie van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu, inclusief de grondwaterwinningen en de ingrepen voor de ontginning van natuurlijke rijkdommen; of
- de exploitatie van een inrichting; dit is het hele door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten; of
  b) een voorgenomen activiteit met negatieve gevolgen voor het milieu die wordt meegefinancierd door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking;
rapport : een milieueffectrapport over een plan of programma, een milieueffectrapport over een project, een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport;
milieueffectrapport over een plan of programma : een openbaar document waarin, van een voorgenomen plan of programma en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden, hierna plan-MER te noemen;
milieueffectrapport over een project : een openbaar document waarin, van een voorgenomen project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden, hierna project-MER te noemen;
ruimtelijk veiligheidsrapport : een openbaar document waarin, van een voorontwerp van ruimtelijke uitvoeringsplan en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling wordt gegeven van de geplande ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe of bestaande inrichtingen en hun omgeving, wanneer de plaats van vestiging ervan of de ontwikkelingen zelf het risico op een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, hierna RVR te noemen;
10° omgevingsveiligheidsrapport : een openbaar document waarin - naast een beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem van een inrichting - van een project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de scenario's voor zware ongevallen in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd, en wordt aangetoond welke maatregelen kunnen en zullen worden getroffen om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken, hierna OVR te noemen;
10°/1 veiligheidsnota : een openbaar document waarin aangetoond wordt dat de verandering van een vergunde inrichting geen bijkomend aanzienlijk risico van zware ongevallen voor mens en milieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand zoals die beschreven is in een voor die inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport, en waarbij met betrekking tot die verandering wordt aangetoond welke maatregelen getroffen werden of getroffen kunnen worden om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
11° niet-technische samenvatting : een samenvatting van een rapport die begrijpelijk is voor het publiek en toelaat om een voldoende zicht te krijgen op de milieueffecten of de mogelijke zware ongevallen en de mogelijke of te nemen maatregelen;
12° administratie : de door de Vlaamse regering aangewezen diensten die bevoegd zijn voor het leefmilieu;
13°

initiatiefnemer :

  a) voor wat de verplichtingen inzake de ruimtelijke uitvoeringsplannen betreft waarbij het ruimtelijk uitvoeringsplan het kader vormt voor één of meerdere projecten van één of meerdere privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen: de overheid die het initiatief neemt tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig de artikelen 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, tenzij deze privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtsperso(o)n(en) een schriftelijk verzoek tot overname van deze verplichtingen indient of indienen bij de overheid die het initiatief neemt tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig de artikelen 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en deze overheid het verzoek inwilligt. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvraagdossier, de procedure en de modaliteiten van het verzoek tot overname verplichtingen inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen; voor wat de verplichtingen betreft inzake de ruimtelijke uitvoeringsplannen andere dan deze die hierboven vermeld worden: de overheid die het initiatief neemt tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig de artikelen 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  b) voor wat de verplichtingen inzake de overige plannen en programma’s betreft : de instantie die het initiatief neemt om een plan of programma op te stellen of te wijzigen;
  c) voor wat de verplichtingen inzake projecten betreft : de aanvrager of houder van een vergunning voor een project;
14° het samenwerkingsakkoord : het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, goedgekeurd bij het decreet van 17 juli 2000;
15° betekening : het verzenden bij ter post aangetekende brief of per elektronische post;
16° ontvangstbewijs : de schriftelijke of elektronische bevestiging van ontvangst van een zending;
17° dag: kalenderdag;
18° publiek : een of meer natuurlijke of rechtspersonen en hun verenigingen, organisaties of groepen.
19° Verdrag : het Verdrag inzake milieueffect-rapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend in Espoo op 25 februari 1991.
20° afschrift: de op schriftelijke of elektronische wijze ter beschikking gestelde informatie.

 

 

§ 2.

De definities in het samenwerkingsakkoord gelden voor alle bepalingen van deze titel die betrekking hebben op de veiligheidsrapportage.


Afdeling II.
Algemene bepalingen met betrekking tot de procedures


Art. 4.1.2.

§ 1.

De termijnen gaan in :

in geval van betekening, op de derde werkdag na de dag van de verzending; 
in geval van afgifte tegen ontvangstbewijs, op de dag na de datum van het ontvangstbewijs.

 

Betekeningen en mededelingen van eenzelfde beslissing of document aan meer dan één persoon, gebeuren op dezelfde dag.

 

§ 2.

De termijnen verstrijken om middernacht van de laatste dag.


Art. 4.1.3. [...]

Afdeling III.
Doelstelling en kenmerken


Art. 4.1.4.

§ 1.

De milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in de besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en de veiligheid en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen.

 

§ 2.

Ter realisatie van de doelstelling, bedoeld in § 1, heeft de milieueffect- en veiligheidsrapportage als essentiële kenmerken :

de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten, of in het geval van zware ongevallen mogelijke, gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie;
de actieve openbaarheid van de rapportage en de besluitvorming over de voorgenomen actie.

 

 

§ 3.

De administratie beschikt over voldoende expertise om de rapporten te onderzoeken. Als dat nodig is, heeft ze toegang tot voldoende expertise om de rapporten te onderzoeken.


Afdeling IV.
Relaties tussen rapportages


Art. 4.1.5. In voorkomend geval wordt in latere rapportages, die worden opgesteld krachtens deze titel, rekening gehouden met de rapportages die krachtens deze titel werden uitgevoerd in eerdere stadia van de besluitvorming en met de goedgekeurde rapporten die daarvan het resultaat waren.

Art. 4.1.6.

§ 1.

Als meerdere rapportages moeten worden uitgevoerd, hetzij krachtens deze titel, hetzij krachtens deze titel en andere gewestelijke en/of federale regelgeving, neemt de administratie op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer(s) een beslissing over de mogelijkheid tot afstemming of integratie van de verschillende rapporten en voorzover mogelijk van de verschillende rapportages. Er wordt in ieder geval naar gestreefd dat de verschillende rapportages zoveel mogelijk gelijktijdig worden uitgevoerd.

 

De administratie neemt een beslissing over de wenselijkheid van de afstemming of integratie uiterlijk bij haar beslissing over de inhoud van het rapport, bedoeld in artikel 4.2.8, § 6, of in voorkomend geval bij haar advies als vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, en artikel 4.5.2, § 4.

 

De administratie en de initiatiefnemer(s) plegen hierover vooraf overleg.

 

§ 2.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van de afstemming en integratie van de rapportages en rapporten in de gevallen bedoeld in dit artikel.

 

Deze afstemming of integratie kan betrekking hebben op rapportages in verschillende beleidsdomeinen.


Afdeling V.
Doorwerking in de besluitvorming


Art. 4.1.7.

De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, terdege rekening met het goedgekeurde rapport of de goedgekeurde rapporten en met de opmerkingen en commentaren die over het rapport of de rapporten werden uitgebracht.

 

Zij motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten :

de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft;
de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief;
de in het rapport of de rapporten voorgestelde maatregelen.

Hoofdstuk II.
Milieueffect-rapportage over plannen en programma's


Afdeling 1.
Werkingssfeer


Onderafdeling 1.
Toepassingsgebied


Art. 4.2.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op ieder plan of programma dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project.

Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op ieder plan of programma, waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.


Art. 4.2.2.

Volgend plan of programma valt niet onder het toepassingsgebied van dit decreet :

plan of programma dat uitsluitend bestemd is voor nationale defensie; 
financieel of begrotingsplan en -programma;
plan of programma dat wordt medegefinancierd in het kader van de huidige programmeringsperiode 2000-2006 betreffende EG-Verordening nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen en de programmeringsperiode 2000-2006 en 2000-2007 van EG-Verordening nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL).

 


Onderafdeling 2.
De plicht tot opmaak van een plan-MER


Art. 4.2.3.

§ 1.

Het plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, wordt, alvorens het kan worden goedgekeurd, aan een milieu-effectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk.

 

§ 2.

Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat niet het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau, noch een kleine wijziging inhoudt, moet een plan-MER worden opgemaakt, wanneer :

het plan of programma betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieu-effectrapportage; 
voor een ander plan of programma dan deze vermeld onder 1°, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.

 

 

§ 3.

Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.

 

§ 3bis.

De administratie kan na een gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer van een voorgenomen plan of programma dat overeenkomstig § 2 of § 3 aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, dat voorgenomen plan of programma ontheffen van de verplichtingen inzake milieueffectrapportage overeenkomstig artikel 4.2.5 tot en met 4.2.10.

 

Dat kan als de administratie oordeelt dat :

  1. het voorgenomen plan of programma een uitwerking, wijziging, herziening of voortzetting inhoudt van een plan of programma, waarvoor reeds eerder een plan-MER werd goedgekeurd, en een nieuw plan-MER redelijkerwijze geen nieuwe of extra gegevens betreffende aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
  2. indien in het kader van andere rapportages of beoordelingen reeds een systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu gemaakt werd, die voldoet aan de essentiële kenmerken van een plan-MER zoals vermeld in artikel 4.1.4, § 2.

 

§ 3ter.

Het gemotiveerd verzoek, vermeld in § 3bis, bevat ten minste :

een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen plan of programma, in voorkomend geval met een afbakening van het gebied erbij waarop het plan of programma betrekking heeft; 
in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft om de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten op de hoogte te kunnen brengen; 
de verantwoording voor het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de informatie die in het gemotiveerd verzoek opgenomen moet worden.

 

§ 3quater.

De administratie neemt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek, vermeld in § 3ter een beslissing. In voorkomend geval bevat de beslissing tevens de voorwaarden die eraan zijn verbonden. Indien de beslissing niet kan worden genomen binnen de hiervoor bedoelde termijn van dertig dagen brengt de administratie de initiatiefnemer hiervan schriftelijk of per elektronische post op de hoogte binnen deze termijn. In die kennisgeving geeft de administratie aan wanneer de beslissing uiterlijk zal worden genomen.

 

De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt onverwijld door de administratie aan de initiatiefnemer betekend. Vanaf de betekening van de beslissing wordt ze bekendgemaakt en wordt ze samen met het gemotiveerd verzoek als vermeld in § 3ter ter inzage gelegd bij de administratie. Als het voorgenomen plan of voorgenomen programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, en/of in verdragspartijen bij het Verdrag, en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, dan wordt de beslissing vermeld in het eerste lid onverwijld door de administratie door betekening [...] ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten.

 

§ 4.

Voor een plan of programma dat uitsluitend bestemd is voor noodsituaties moet geen plan-MER worden opgemaakt.

 

§ 5.

De toepassing van § 2 en § 3 mag er echter niet toe leiden dat plannen en programma's met mogelijke aanzienlijke milieueffecten niet onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen.


Onderafdeling 3.
Integratiespoor


Art. 4.2.4.

§ 1.

Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, kan in een decreet of besluit van de Vlaamse Regering, dat desgevallend voor de opmaak van dat plan of programma van toepassing is, worden bepaald op welke wijze het onderzoek tot milieueffectrapportage of het plan-MER in de opmaakprocedure van dit plan of programma geïntegreerd wordt. Hierbij moet rekening worden gehouden met de volgende verplichtingen :

de plan-MER-plicht wordt vastgesteld en het plan-MER wordt opgemaakt overeenkomstig de vereisten betreffende het toepassingsgebied en de inhoudsafbakening van hoofdstuk II van titel IV van dit decreet; 
het ontwerp van plan-MER wordt samen met het ontwerpplan of -programma met het oog op de raadpleging ervan beschikbaar gesteld van het publiek en de te raadplegen instanties;
ingeval het plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, en/of in verdragspartijen bij Verdrag, en/of in andere gewesten, of als bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, wordt het onderzoek tot milieueffectrapportage of het ontwerp van plan-MER samen met het ontwerpplan of ontwerpprogramma voor raadpleging ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragpartijen en/of gewesten;
bij de vaststelling van het ontwerp van plan of programma wordt met de resultaten van het plan-MER rekening gehouden; 
bij de bekendmaking van het plan of programma wordt de volgende informatie ter beschikking gesteld van het publiek en de geraadpleegde instanties : 
a) het plan of programma zoals het is vastgesteld; 
b) een verklaring die samenvat : 
1) hoe de milieuoverwegingen in het plan of programma werden geïntegreerd; 
2) hoe rekening werd gehouden met het definitieve plan-MER en de gegeven adviezen en het resultaat van de grensoverschrijdende raadpleging; 
3) de redenen waarom is gekozen voor het plan of programma zoals het is aangenomen, en dit in het licht van de andere redelijke alternatieven die zijn behandeld; 
c) de monitoringsmaatregelen waartoe wordt besloten overeenkomstig artikel 4.6.3bis van dit decreet.

 

§ 2.

Indien bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering geen wijze van integratie is bepaald, dan gelden voor een plan of programma, als vermeld in § 1, de bepalingen zoals voorzien in dit hoofdstuk.


Afdeling 2.
Onderzoek tot milieu-effectrapportage


Art. 4.2.5.

Bij het onderzoek tot milieu-effectrapportage, vermeld in artikel 4.2.3, § 2, 2°, en artikel 4.2.3, § 3, raadpleegt de initiatiefnemer tijdig de instanties die door de Vlaamse Regering worden aangeduid, en dit op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering.

Deze instanties brengen hun advies uit op de wijze en binnen de termijn bepaald door de Vlaamse Regering.


Art. 4.2.6.

§ 1.

De initiatiefnemer bezorgt de administratie door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs een afschrift van de volgende documenten :

  1. een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen plan of voorgenomen programma, in voorkomend geval met inbegrip van een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft;
  2. in voorkomend geval de gegevens, met de nodige vertaling, die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling;
  3. het verzoek van de initiatiefnemer tot raadpleging van de instanties, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid;
  4. de uitgebrachte adviezen, vermeld in artikel 4.2.5, tweede lid;
  5. de overeenkomstig artikel 4.2.3, § 2, 2°, en artikel 4.2.3, § 3, door de initiatiefnemer gedane analyse, met inbegrip van de redenen waarom geen plan-MER overeenkomstig dit hoofdstuk moet worden opgemaakt. Dit laatste kan ondermeer het geval zijn als :
    1. [...]
    2. in het kader van andere rapportages of beoordelingen reeds een systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu werden opgemaakt, die voldoen aan de essentiële kenmerken van een plan-MER zoals vermeld in artikel 4.1.4, § 2.

 

§ 2.

De administratie neemt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de documenten, vermeld in § 1, een beslissing inzake de opmaak van een plan-MER.

 

§ 3.

Als het voorgenomen plan of voorgenomen programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, en/of in verdragspartijen bij het Verdrag, en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, dan wordt de termijn vermeld in § 2 met zestig dagen verlengd.

De administratie bezorgt een afschrift van de documenten, vermeld in § 1, aan de lidstaten, verdragspartijen, gewesten of autoriteiten, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder en de wijze waarop dit gebeurt.

 

§ 4.

De administratie bezorgt haar beslissing onverwijld aan :

  1. de initiatiefnemer, door betekening [...];
  2. de geraadpleegde instanties, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid;
  3. in voorkomend geval de geraadpleegde lidstaten, verdragspartijen, gewesten en/of autoriteiten, vermeld in § 3, door betekening [...].

Art. 4.2.7.

De documenten en beslissing, vermeld in artikel 4.2.6 worden door de administratie overeenkomstig artikel II.2, II.3 en II.4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 ter beschikking gesteld van het publiek.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.


Afdeling 3.
Kennisgeving en inhoudsafbakening van het plan-MER


Art. 4.2.8.

§ 1.

De initiatiefnemer stelt de administratie door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs in kennis van de reikwijdte, het detailleringsniveau en de aanpak van het plan-MER.

De kennisgeving bevat ten minste :

een beschrijving en verduidelijking van de intenties inzake het voorgenomen plan of programma en een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft;
in voorkomend geval een afschrift van het ontwerpplan of -programma en een verwijzing naar de besluitvormingsprocedure die ervoor van toepassing is; 
in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling;
in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;   
een voorstel van reikwijdte en detailleringsniveau van het plan-MER;
a) een schets van de inhoud, een omschrijving van de voornaamste doelstellingen van het plan of van het programma en het verband met andere relevante plannen en programma's; 
b) de relevante aspecten van de bestaande situatie van het milieu en de mogelijke ontwikkeling ervan als het plan of het programma niet wordt uitgevoerd; 
c) de milieukenmerken van de gebieden, waar voor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn; 
d) alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, met inbegrip van met name milieuproblemen in gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn, zoals gebieden die overeenkomstig Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG zijn aangewezen; 
e) de relevante doelstellingen inzake milieubescherming en de wijze waarop rekening wordt gehouden met die doelstellingen en de milieuoverwegingen bij de voorbereiding van het plan of programma;
f) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en van de onderzochte redelijke alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het plan of programma; de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig hoofdstuk II van titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
g) de maatregelen om aanzienlijke negatieve milieueffecten op het milieu als gevolg van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen; 
h) een schets met opgave van de redenen voor de selectie van de onderzochte alternatieven en een omschrijving van de wijze waarop de evaluatie is doorgevoerd, met inbegrip van de moeilijkheden ondervonden bij het inzamelen van de vereiste gegevens, zoals technische tekortkomingen of gebrek aan kennis; 
i) een omschrijving van de monitoringsmaatregelen; 
j) een niet-technische samenvatting van gegevens, vermeld in punt a) tot en met punt i) ; 
k) de nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en programma's die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt, kan worden gebruikt om de gegevens, vermeld in punt a) tot en met i), te verstrekken; 
een document waarin de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie, van het plan-MER wordt voorgesteld, waarbij wordt gesteund op de gegevens vermeld in punt 5° en het MER-richtlijnenboek; 
7°  een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of -programma of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen en, bondig weergegeven, zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven; 
de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van MER-deskundigen, vermeld in artikel 4.2.9, en de taakverdeling tussen de deskundigen;

in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of aangeduide delen ervan.

 

 

De Vlaamse Regering kan bijkomende voorwaarden en modaliteiten bepalen waaraan de kennisgeving moet voldoen. 

 

 

§ 1bis.

Het plan-MER moet ten minste de volgende gegevens bevatten :

een schets van de inhoud, een omschrijving van de voornaamste doelstellingen van het plan of van het programma en het verband met andere relevante plannen en programma’s;
de relevante aspecten van de bestaande situatie van het milieu en de mogelijke ontwikkeling ervan als het plan of het programma niet wordt uitgevoerd;
de milieukenmerken van de gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn;
alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, met inbegrip van met name milieuproblemen in gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn, zoals gebieden die overeenkomstig richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG zijn aangewezen;
de relevante doelstellingen voor de milieubescherming en de wijze waarop rekening wordt gehouden met die doelstellingen en de milieuoverwegingen bij de voorbereiding van het plan of programma;
een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en van de onderzochte redelijke alternatieven op, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de vermelde factoren. De beschrijving van de milieueffecten omvat de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het plan of programma. De aanzienlijke milieueffecten worden onder meer beoordeeld in het licht van de milieukwaliteitsnormen die zijn vastgesteld conform hoofdstuk II van titel II van dit decreet;
de maatregelen om aanzienlijke negatieve milieueffecten als gevolg van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zo veel mogelijk teniet te doen;
een schets met opgave van de redenen voor de selectie van de onderzochte alternatieven en een omschrijving van de wijze waarop de evaluatie is doorgevoerd, met inbegrip van de moeilijkheden die ondervonden zijn bij het inzamelen van de vereiste gegevens, zoals technische tekortkomingen of gebrek aan kennis;
een omschrijving van de monitoringsmaatregelen;
10° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met punt 9°;
11° de nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en programma’s die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt en kan worden gebruikt om de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 9°, te verstrekken.

 

§ 2.

De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de kennisgeving en betekent, uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na datum van ontvangst van de kennisgeving, deze beslissing aan de initiatiefnemer.

 

Indien de kennisgeving onvolledig is, kan de initiatiefnemer de kennisgeving aanvullen overeenkomstig de beslissing die de punten van onvolledigheid van de kennisgeving opsomt en deze terug aan de administratie overmaken op de wijze vermeld in artikel 4.2.8, § 1.

 

§ 3.

De administratie legt de volledig verklaarde kennisgeving onverwijld en op de volgende wijzen ter beschikking van het publiek :

overeenkomstig artikel II.2, II.3 en II.4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
bij de initiatiefnemer; 
via de internetsite van de administratie. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de terinzagelegging vaststellen.

 

§ 4.

In voorkomend geval bezorgt de administratie, met het oog op advies, een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving aan :

de provincie en/of gemeente, waarvoor het plan of programma relevant is; 
de instanties waarvan de administratie het advies nuttig acht. 

 

De Vlaamse Regering duidt de instanties aan die vanwege de administratie, met het oog op advies, een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving ontvangen.

 

§ 5.

Bij de bekendmaking of bij het overmaken van het afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving wordt duidelijk aangegeven dat het publiek en de instanties eventuele opmerkingen over het plan-MER binnen een termijn van dertig dagen respectievelijk vanaf de datum van de bekendmaking of vanaf de datum van ontvangst van het afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving, aan de administratie kunnen bezorgen, behoudens verlenging van deze termijn, zoals vermeld in het tweede lid.

 

Als het plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, en/of in verdragspartijen bij het Verdrag, en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, maakt de administratie door betekening [...] het afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving over aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten. Bij het overmaken van het afschrift wordt duidelijk aangegeven dat zij eventuele opmerkingen over het plan-MER binnen een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van het afschrift aan de administratie kunnen bezorgen.

 

§ 6.

Na beëindiging van de termijnen, vermeld in § 5, beschikt de administratie over twintig dagen om een beslissing te nemen over :

de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het plan-MER, met inbegrip van de methodologie, rekening houdend met de huidige stand van kennis en evaluatiemethoden, de inhoud en de precisiegraad van het plan of programma, de vordering van het besluitvormingsproces en het feit dat sommige aspecten misschien beter in andere fasen van dat proces worden geëvalueerd om herhaling van de evaluatie te voorkomen; 
de bijzondere [...] richtlijnen voor het opstellen van het plan-MER, die de administratie naast de algemene richtlijnen vervat in de richtlijnenboeken, zoals bedoeld in artikel 4.6.2, kan opleggen; 
de goedkeuring van de voorgestelde opstellers van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.9. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels aangaande de beslissing bepalen.

 

§ 7.

De administratie deelt onverwijld haar beslissing mee aan de initiatiefnemer en de geraadpleegde administraties, instanties, autoriteiten van lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten.

 

De beslissing wordt overeenkomstig artikel II.2, II.3 en II.4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 ter beschikking gesteld van het publiek.


Afdeling 4.
Het opstellen van het plan-MER


Art. 4.2.9.

§ 1.

Het plan-MER wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking. Hij verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.

 

§ 2.

De erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of de alternatieven, noch betrokken worden bij de latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door de initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.

 

De erkende MER-coördinator waakt erover dat de samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het MER-richtlijnenboek en met inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen, vermeld in artikel 4.2.8, § 6.

 

§ 3.

Tijdens het opstellen van het plan-MER is de erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen, vermeld in artikel 4.2.8, § 6, in acht nemen.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden met betrekking tot de uitoefening van de taak van de erkende MER-coördinator bepalen.


Afdeling 5.
Het onderzoek en het gebruik van het plan-MER


Art. 4.2.10.

De initiatiefnemer informeert de administratie op geregelde tijdstippen over de voortgang van het ontwerp van plan-MER en van het planningsproces. De administratie toetst het ontwerp van plan-MER en de daarin opgenomen informatie tijdens het planningsproces inhoudelijk aan de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6. De initiatiefnemer zorgt ervoor dat de noodzakelijke informatie daarvoor tijdig en op elk moment beschikbaar is voor de administratie.


Art. 4.2.11.

§ 1.

De initiatiefnemer bezorgt, als dat nodig is, het ontwerp van plan of programma samen met het ontwerp van plan-MER en de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6, aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarvoor het ontwerp van plan of programma relevant is. Die gemeenten organiseren een openbaar onderzoek dat minstens zestig dagen duurt. Als al op basis van andere toepasselijke wetgeving een openbaar onderzoek moet worden georganiseerd, gelden de procedureregels van die wetgeving voor het openbaar onderzoek.


Het openbaar onderzoek vindt in elk geval plaats vóór het plan of programma wordt vastgesteld of aan de wetgevingsprocedure wordt onderworpen.


Opmerkingen worden schriftelijk bij het college van burgemeester en schepenen ingediend vóór het einde van de termijn van het openbaar onderzoek. Ze worden gevoegd bij het proces-verbaal tot sluiting van het openbaar onderzoek, dat binnen veertien dagen na de sluiting ervan door het college van burgemeester en schepenen wordt opgesteld. Het college van burgemeester en schepenen stuurt de opmerkingen en het proces-verbaal tot sluiting van het openbaar onderzoek binnen dertig dagen na de sluiting naar de initiatiefnemer.


De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het openbaar onderzoek.

 

§ 2.

Op het ogenblik dat de initiatiefnemer de documenten, vermeld in paragraaf 1, in openbaar onderzoek laat brengen, bezorgt hij die documenten ook voor advies aan de reeds geraadpleegde instanties.


Als het voorgenomen plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, of in verdragspartijen bij het Verdrag, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de initiatiefnemer de documenten, vermeld in paragraaf 1, voor advies aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten.


De adviezen moeten binnen vijfenveertig dagen na de adviesaanvraag worden bezorgd aan de initiatiefnemer. Als er sprake is van grens- of gewestoverschrijdende milieueffecten als vermeld in het tweede lid, wordt de termijn met zestig dagen verlengd.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten hun mening over het ontwerp van plan-MER en het ontwerp van plan of programma kunnen meedelen, alsook over de wijze waarop overleg daarover wordt gepleegd.

 

§ 3.

De initiatiefnemer bezorgt de opmerkingen en adviezen, vermeld in paragraaf 1 en 2, en het voltooide plan-MER door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de administratie.

 

§ 4.

De administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6, rekening houdend met de opmerkingen en de adviezen, vermeld in paragraaf 1 en 2.


De administratie beslist uiterlijk voor de definitieve vaststelling van het plan of programma over de goedkeuring of afkeuring van het plan-MER. Ze betekent die beslissing onverwijld aan de initiatiefnemer en de geraadpleegde administraties, instanties, autoriteiten van lidstaten, verdragspartijen of gewesten. In geval van afkeuring geeft ze aan waar het plan-MER tekortschiet.

 

§ 5.

De beslissing, vermeld in paragraaf 4, vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen vanaf de ontvangst van de beslissing.


Bij heroverweging beslist de administratie na advies van de adviescommissie als vermeld in artikel 4.6.4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de procedure tot heroverweging.

 

§ 6.

Bij de voorbereiding, en vóór de vaststelling of onderwerping van het plan of programma aan de wetgevingsprocedure, wordt rekening gehouden met :

het conform paragraaf 4 goedgekeurde plan-MER;
de opmerkingen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 1 en 2.

 

§ 7.

Als een plan of programma wordt vastgesteld, brengt de initiatiefnemer de instanties, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, het publiek en de autoriteiten van alle lidstaten, van de Europese Unie, verdragspartijen of gewesten, geraadpleegd uit hoofde van paragraaf 2, tweede lid, op de hoogte van de volgende documenten :

het plan of programma zoals het is vastgesteld;
een verklaring die samenvat :
  a) hoe de milieuoverwegingen in het plan of programma zijn geïntegreerd;
  b) hoe rekening is gehouden met het conform paragraaf 4 goedgekeurde plan-MER en de conform paragraaf 1 en 2 gegeven opmerkingen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestoverschrijdende raadpleging;
  c) de redenen waarom is gekozen voor het plan of programma zoals het is aangenomen, in het licht van de andere redelijke alternatieven die zijn behandeld;
de monitoringsmaatregelen waartoe wordt besloten met toepassing van artikel 4.6.3bis.


De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die informatie en de wijze van kennisgeving.


Hoofdstuk III.
Milieueffectrapportage over projecten


Afdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 4.3.1.

Voorgenomen projecten worden, alvorens een vergunning kan worden verleend voor de vergunningsplichtige activiteit die het voorwerp uitmaakt van het project, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk.

 

Bij de milieueffectrapportage over projecten worden de directe en indirecte aanzienlijke effecten van een project geval per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende disciplines:

de bevolking en de menselijke gezondheid;
de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor de beschermde soorten en habitats, vermeld in bijlage I tot en met IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
het land, de bodem, het water, de lucht en het klimaat;
de materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap;
de samenhang tussen de disciplines, vermeld in punt 1° tot en met 4°.


De effecten op de disciplines, vermeld in het tweede lid, omvatten de verwachte effecten die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie.


Art. 4.3.2.

§ 1.

De Vlaamse Regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk een project-MER moet worden opgesteld.

 

De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in paragraaf 1 vermelde categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk een project-MER of een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting moet worden opgesteld.

 

De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.

 

§ 2bis.

De Vlaamse Regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in paragrafen 1 en 2 vermelde categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld.

 

De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, aan voor welke veranderingen aan reeds bestaande projecten van de categorieën, vermeld in paragrafen 1 en 2, overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een project-MER moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de administratie.

 

§ 3bis.

De Vlaamse Regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, aan voor welke veranderingen aan reeds bestaande projecten van de categorieën, vermeld in paragrafen 1, 2 en 2bis, overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een project-MER moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, nader definiëren. Op grond van die criteria moet het mogelijk zijn uit te maken of aan een bepaald project, dan wel aan een verandering daarvan, al dan niet aanzienlijke milieueffecten verbonden kunnen zijn.

 

Bij de aanwijzing van categorieën van projecten overeenkomstig paragrafen 1, 2, 2bis, 3 of 3bis kan de Vlaamse Regering eveneens de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen aanwijzen die, overeenkomstig artikel 4.3.4, § 4, een afschrift van de kennisgeving moeten ontvangen.

 

Elke vaststelling of vervanging van de criteria, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan de Europese Commissie.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering kan besluiten dit hoofdstuk niet toe te passen op projecten, of projectonderdelen, die uitsluitend bestemd zijn voor defensie, dan wel op projecten die uitsluitend de respons op civiele noodsituaties tot doel hebben, als ze van oordeel is dat de toepassing ervan in die gevallen nadelige gevolgen heeft voor deze doeleinden.


Art. 4.3.3.

§ 1.

De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een welbepaald project dat conform artikel 4.3.2 en dit artikel aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, in uitzonderlijke gevallen vrijstellen van de verplichting tot milieueffectrapportage als de toepassing van de bepalingen over de milieueffectrapportage nadelige gevolgen heeft voor het doel van het project en als aan de doelstellingen, vermeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan. De Vlaamse Regering kan de nadere regels over de inhoud van het gemotiveerde verzoek van de initiatiefnemer bepalen.

 

De Vlaamse Regering gaat in dat geval na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is en stelt de verzamelde informatie ter beschikking van het publiek.

 

Als het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, worden de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten betrokken bij de milieueffectrapportageprocedure voor er een beslissing wordt genomen. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, en voor de grensen gewestgrensoverschrijdende procedure, vermeld in het derde lid.

 

§ 1bis.

Een project dat met een specifiek decreet wordt aangenomen, kan door het decreet in kwestie vrijgesteld worden van de bepalingen over de openbare raadpleging over het project-MER, zoals vastgelegd in de toepasselijke vergunningsprocedure, als aan de doelstellingen, vermeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan.

 

Als het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, worden de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten betrokken bij de milieueffectrapportageprocedure voor er een beslissing wordt genomen.

 

§ 2.

In de gevallen, vermeld in artikel 4.3.2, § 2bis en § 3bis, waarvoor een project-m.e.r.-screeningsnota werd opgesteld, neemt de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag, een beslissing of er een project-MER moet worden opgesteld. Zij doet dat op het ogenblik van en als onderdeel van de beslissing over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag. De beslissing dat al dan niet een project-MER moet worden opgesteld, wordt openbaar gemaakt door de vergunningverlenende overheid. De Vlaamse Regering kan verder inzake de project-m.e.r.-screening nadere regels vaststellen en kan de vorm en de inhoudelijke elementen van de project-m.e.r.-screeningsnota bepalen.

 

Er moet geen milieueffectrapport over het project worden opgesteld als de overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt dat:

een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.

 

§ 3.

In de gevallen, vermeld in artikel 4.3.2, § 2 en § 3, kan de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de administratie.

 

[...] voor zover het voorgenomen project niet valt onder de toepassing van de lijst van projecten die door de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 4.3.2., § 1, is vastgesteld, kan de administratie een project toch ontheffen van milieueffectrapportage als ze oordeelt dat :

vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programmawaarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.

 

§ 4.

Het verzoek, vermeld in paragraaf 3, bevat ten minste:

een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen project, met in het bijzonder:
  a) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project en, als dat relevant is, van sloopwerken;
  b) een beschrijving van de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project een invloed kan hebben;
een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project;
als er informatie over deze effecten beschikbaar is: een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project ten gevolge van:
  a) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, als dat van toepassing is;
  b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit;
in voorkomend geval een beschrijving van de kenmerken van het voorgenomen project of van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke milieueffecten zouden zijn geweest. 

 

Bij het verzoek, vermeld in paragraaf 3, wordt, als dat relevant is, rekening gehouden met de criteria, vermeld in bijlage II, die bij dit decreet is gevoegd, en wordt, als dat relevant is, rekening gehouden met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten die zijn gemaakt met toepassing van deze titel of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.

 

De initiatiefnemer bezorgt het verzoek aan de administratie door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

De administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het verzoek, vermeld in paragraaf 3, een beslissing. In voorkomend geval bevat de beslissing ook de voorwaarden die aan de ontheffing zijn verbonden.

 

Als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, bevat de beslissing de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II, die bij dit decreet is gevoegd.

 

Als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, bevat de beslissing de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II, die bij dit decreet is gevoegd, en, als de initiatiefnemer die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

 

De administratie houdt, als dat relevant is, bij de beslissing rekening met de resultaten van voorafgaande controles die zijn verricht of beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van deze titel of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.

 

De ontheffing wordt verleend voor een beperkte duur en vervalt als het project niet wordt aangevangen binnen de termijn die in de beslissing is vastgesteld. De ontheffing vervalt in elk geval zodra de initiatiefnemer zijn vergunningsaanvraag niet heeft ingediend binnen een termijn van vier jaar na de ontheffingsbeslissing.

 

De beslissing wordt binnen een termijn van zeventig dagen na de ontvangst van het verzoek bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij de administratie en aan de initiatiefnemer betekend.

 

§ 7.

De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van de beslissing, vermeld in paragraaf 3, aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.

 

§ 8.

In de gevallen, vermeld in paragraaf 1 en 6, wordt de definitieve beslissing door de initiatiefnemer gevoegd bij de vergunningsaanvraag.

 

§ 9.

De administratie zorgt ervoor dat een afschrift van de definitieve beslissing of beslissingen wordt verstuurd naar de Commissie van de Europese Gemeenschap:

in de gevallen, vermeld in paragraaf 1: onverwijld en in ieder geval voor de vergunningsbeslissing is genomen; 
in de gevallen, vermeld in paragraaf 1bis: om de twee jaar na 16 mei 2017.

 

§ 10.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake [...] de ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een project-MER.


Afdeling II.
Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER


Art. 4.3.4.

§ 1.

Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag of in voorkomend geval de vergunningsaanvragen indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een project-MER op te stellen.


Die aanmelding bevat ten minste:

een beschrijving van het project, met inbegrip van de locatie en de technische capaciteit ervan en met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
een beschrijving van de te onderzoeken aanzienlijke effecten voor mens en milieu die het project vermoedelijk zal hebben;
een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
in voorkomend geval alle beschikbare informatie over de mogelijke aanzienlijke grensoverschrijdende effecten van het project;
de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, vermeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen, op basis van de beschrijving, vermeld in punt 3°;
in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.3.7;
in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.


De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in de aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.

 

§ 2.

Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:

een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;

informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.


De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie gemeld werd.

 

§ 3.

De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het project-MER, vermeld in artikel 4.3.6, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.

 

§ 4.

Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°, bevat, bezorgt de administratie een afschrift van de aanmelding voor advies aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen.


Na ontvangst van de adviezen van de instanties, vermeld in het eerste lid, verleent de administratie een advies over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.3.7 moet verstrekken. De administratie houdt bij haar advies rekening met de opmerkingen en commentaren van de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen in kwestie.

 

§ 5.

De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.


Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.


Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel II.48 tot en met artikel II.51 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de adviesinstanties en de administratie.

 

§ 7.

De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag of vergunningsaanvragen aan de administratie vragen dat het project-MER inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.


In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk aan:

de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.


Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER.


De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.


Art. 4.3.5. [...]

Afdeling III.
Het opstellen van het project-MER


Art. 4.3.6.

§ 1.

Het project-MER wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.

De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een team van erkende MER-deskundigen onder leiding van een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.

 

§ 2.

De erkende MER-coördinator en de erkende MER-deskundigen mogen geen belang hebben bij het voorgenomen project of de alternatieven, noch betrokken worden bij de latere uitvoering van het project. Ze voeren hun opdracht volledig onafhankelijk uit.

 

De samenstelling van het team van erkende MER-deskundigen maakt het opstellen mogelijk van het project-MER in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en in voorkomend geval met het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid.

 

§ 3.

Tijdens het opstellen van het project-MER zijn de erkende MER-coördinator en in voorkomend geval de erkende MER-deskundigen gehouden tot overleg met de administratie. [...]

 

§ 4.

De administratie vervult haar taken op objectieve wijze en ziet erop toe dat ze zich niet bevindt in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.


Art. 4.3.7.

§ 1.

Als een milieueffectrapport is vereist, stelt de initiatiefnemer een project-MER op en dient hij die in. De door de initiatiefnemer te verstrekken informatie bevat ten minste:

een beschrijving van het project met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van het project;
een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
een beschrijving van de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om de waarschijnlijk aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren;
een beschrijving van de redelijke alternatieven die de initiatiefnemer heeft onderzocht en die relevant zijn voor het project, en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van het project;
een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 4° ;
alle aanvullende informatie als vermeld in bijlage IIbis, die bij dit decreet is gevoegd, die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die daardoor kunnen worden beïnvloed.

 

Als er een advies wordt uitgebracht met toepassing van artikel 4.3.4, § 4, is het project-MER gebaseerd op dat advies en bevat het de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes. Om overlappingen van beoordelingen te voorkomen, houdt de initiatiefnemer bij het opstellen van het project-MER rekening met de beschikbare resultaten van andere uitgevoerde relevante beoordelingen met toepassing van deze titel of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.

 

§ 2.

Het project-MER moet de in § 1 genoemde informatie slechts bevatten :

voorzover ze relevant is voor het stadium van het vergunningsproces waarin de milieueffect-rapportage wordt uitgevoerd en voor zover ze relevant is in het licht van de specifieke kenmerken van een bepaald project of de categorie van projecten waartoe de onderzochte actie behoort en de milieuaspecten die door het voorgenomen project kunnen worden beïnvloed;
voorzover de bestaande kennis en de bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om deze informatie te verzamelen en te verwerken.

 

 

§ 3.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de inhoud van het project-MER.


Afdeling IV.
Het onderzoek en het gebruik van het project-MER


Art. 4.3.8.

§ 1.

Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure of -procedures, bezorgt de initiatiefnemer het project-MER aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.

De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het project-MER aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.

 

§ 2.

Na raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het derde lid, en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk:

aan de beslissing, vermeld in artikel 4.3.4, § 3;
in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid;
aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.


Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het project-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het project-MER.


De adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, zijn de instanties die de Vlaamse Regering heeft aangewezen en die vermeld zijn in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.

 

§ 3.

De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het project-MER:

aan de initiatiefnemer;
in voorkomend geval aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
aan de adviesverlenende instanties, vermeld in paragraaf 2, derde lid;
in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2;
aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project zal nemen.


De beslissing bevat ook een afschrift van het project-MER-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.


Art. 4.3.9.

§ 1.

Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.3.8, § 3, liggen het project-MER, het project-MER-verslag, vermeld in artikel 4.3.8, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, ter inzage bij de administratie.

 

§ 2.

De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, gegevens in de in § 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide project-MER aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de terinzagelegging moet gebeuren.

 

De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het project-MER. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het bedoelde artikel. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.

 

§ 3.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake het gebruik van het project-MER bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project en inzake de bekendmaking van het definitieve besluit over het project.

 

§ 4.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, hun commentaar op het goedgekeurde project-MER en het voorgenomen project kunnen meedelen, en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.

 

Het definitieve vergunningsbesluit wordt opgestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de wijze waarop de overheid die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, op de hoogte wordt gebracht van een vergunningsaanvraag die al dan niet een project-MER omvat, de administratie dan wel de betrokken provincie waar de effecten zich kunnen voordoen, hiervan op de hoogte brengt en betreffende het in voorkomend geval te organiseren openbaar onderzoek.

 

De Vlaamse Regering kan tevens nadere regels vaststellen betreffende het verstrekken van een advies over de vergunningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2.

 

De Vlaamse Regering kan ten slotte nadere regels vaststellen betreffende de wijze waarop de overheid die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, op de hoogte wordt gebracht van een beslissing over een vergunningsaanvraag die al dan niet een project-MER omvat, de administratie dan wel de betrokken provincie waar de effecten zich kunnen voordoen, hiervan op de hoogte brengt en betreffende het in voorkomend geval ter beschikking stellen van deze beslissing aan het publiek.


Hoofdstuk IV.
Veiligheidsrapportage over ruimtelijke uitvoeringsplannen


Art. 4.4.1.

§ 1.

De veiligheidsrapportage, bedoeld in dit hoofdstuk, heeft betrekking op de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, bedoeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, teneinde uitvoering te geven aan de verplichtingen, bepaald in artikel 24 van het samenwerkingsakkoord.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering stelt de criteria vast om te bepalen of voor een ruimtelijk uitvoeringsplan al dan niet een ruimtelijk veiligheidsrapport vereist is.


Art. 4.4.2.

§ 1.

Het ruimtelijk veiligheidsrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.

 

De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende VR-deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie die voorhanden is ter beschikking. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.

 

§ 2.

De erkende deskundige mag geen belang hebben bij de exploitatie van bestaande of voorgenomen inrichtingen die eventueel in het RVR aan bod komen. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.

 

§ 3.

Tijdens het opstellen van het ruimtelijk veiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige zoals geïntegreerd in de scopingnota vermeld in artikel 2.2.4, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, van de administratie in acht nemen.


Art. 4.4.3.

Het ruimtelijk veiligheidsrapport bestaat uit ten minste volgende onderdelen :

een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de doelstellingen en krachtlijnen van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, met inbegrip van een kaart op aangepaste schaal;
b) een overzicht van de motieven voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringplan;
c) een beschrijving van de in beschouwing genomen alternatieven voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of een schets van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor bepaalde onderdelen ervan, telkens met inbegrip van de overwegingen ter zake van de initiatiefnemer;
d) een vergelijking tussen de beschreven alternatieven en het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of de desbetreffende onderdelen ervan;
een deel betreffende de invloed van het ruimtelijk uitvoeringsplan op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de methodieken die werden gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu met inbegrip van een opsomming en omschrijving van de relevante criteria die in het ruimtelijk veiligheidsrapport gebruikt worden voor de afbakening van de risicozones;
b) in voorkomend geval informatie over de aan de bestaande inrichtingen verbonden risico's op zware ongevallen voor mens en milieu en over de veiligheidsmaatregelen die bestaande inrichtingen hebben genomen en/of kunnen nemen ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen ervan voor mens en milieu;
c) voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en de beschreven alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling van de invloed van de in beschouwing genomen ontwikkelingen rond bestaande inrichtingen en/of van de mogelijke vestiging van nieuwe inrichtingen op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu met inbegrip van de afgebakende risicozones;
d) op basis van de in c) bedoelde beoordeling, aanbevelingen over :
1) de voorziene stedenbouwkundige voorschriften onder meer in het licht van de vereiste om ook op lange termijn voldoende afstand te bewaren tussen de onder het samenwerkingsakkoord vallende inrichtingen en bepaalde kwetsbare gebieden, bedoeld in artikel 24, § 1, laatste lid, van het samenwerkingsakkoord;
2) de aanvullende maatregelen die bestaande inrichtingen kunnen nemen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken teneinde de risico's niet te vergroten;
e) een globale evaluatie van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en van de beschreven alternatieven in het kader van het beleid inzake voorkoming van zware ongevallen en beperking van de gevolgen ervan voor mens en milieu;
een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of de erkende deskundige eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de daaruit voortvloeiende implicaties voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens zoals omschreven in 1° tot en met 3°.

 


Art. 4.4.4. [...]

Art. 4.4.5. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de opmaak, het onderzoek en het verdere gebruik van het ruimtelijk veiligheidsrapport.

Hoofdstuk V.
Veiligheidsrapportage over de exploitatie van inrichtingen


Afdeling I.
Toepassingsgebied


Art. 4.5.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle inrichtingen waarvoor :

overeenkomstig artikel 12 van het samenwerkingsakkoord, een veiligheidsrapport moet worden opgesteld of, overeenkomstig artikel 13 van het samenwerkingsakkoord, het veiligheidsrapport opnieuw moet worden beoordeeld ingevolge een wijzing aan de inrichting; en
overeenkomstig het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag moet worden ingediend voor het exploiteren of veranderen ervan.

 

Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning moet geen omgevingsveiligheidsrapport opgemaakt worden.

 

§ 2.

De Vlaamse regering kan andere categorieën van inrichtingen aanwijzen waarvoor een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. De Vlaamse regering kan, in afwijking van artikel 4.5.6, bepalen dat voor deze categorieën van inrichtingen, het omgevingsveiligheidsrapport bepaalde gegevens niet hoeft te bevatten.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 1, kan de administratie na gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer geval per geval beslissen dat voor veranderingen aan een vergunde inrichting er geen bijwerking nodig is van een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport.

 

§ 4.

Het gemotiveerd verzoek vermeld in paragraaf 3 bevat ten minste de volgende gegevens :

een beschrijving en een verduidelijking van de vergunde inrichting, alsook van de veranderingen die in het kader van de vergunningsaanvraag worden aangevraagd; 
de verantwoording van het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan; 
een veiligheidsnota waarin ten minste wordt aangetoond dat :
a) de geplande veranderingen geen bijkomend aanzienlijk risico van zware ongevallen voor de mens en voor het leefmilieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand, en een nieuw omgevingsveiligheidsrapport daarover redelijkerwijs geen nieuwe of extra gegevens kan bevatten;
b) wat de geplande veranderingen betreft, de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen werden of getroffen kunnen worden om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen van mogelijk zware ongevallen voor de mens of voor het leefmilieu op voldoende geachte wijze te beperken, en een nieuw omgevingsveiligheidsrapport daarover redelijkerwijs geen nieuwe of extra gegevens kan bevatten.

 

De initiatiefnemer moet voor de opmaak van de veiligheidsnota een beroep doen op een erkende deskundige.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de informatie en de modaliteiten waaraan het gemotiveerd verzoek moet voldoen.

 

§ 5.

De administratie neemt binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van het verzoek, vermeld in paragraaf 4 een beslissing en bezorgt ze onverwijld aan de initiatiefnemer. In voorkomend geval bevat de beslissing tevens de voorwaarden die eraan zijn verbonden. Indien de beslissing niet kan worden genomen binnen de hiervoor bedoelde termijn van twintig dagen brengt de administratie de initiatiefnemer hiervan schriftelijk op de hoogte binnen deze termijn. In die kennisgeving geeft de administratie aan wanneer de beslissing uiterlijk zal worden genomen.

 

§ 6.

In geval van een positieve beslissing wordt die beslissing [...] en de veiligheidsnota [...] door de initiatiefnemer gevoegd bij de vergunningsaanvraag.


Afdeling II.
Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen omgevingsveiligheidsrapport


Art. 4.5.2.

§ 1.

Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een OVR op te stellen.


Die aanmelding bevat ten minste:

een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
de reden van de rapportageplicht van de inrichting;
de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in paragraaf 2;
de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, vermeld in artikel 4.5.5, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen;
overeenkomstig de vereisten van artikel 4.5.6 en van het v.r.-richtlijnenboek, een beschrijving van de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie van het OVR;
in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.5.6;
in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.


De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.

 

§ 2.

Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen dat op 17 maart 1992 in Helsinki werd ondertekend, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.


Die melding omvat ten minste de volgende informatie:

een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.


De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie werd gemeld.

 

§ 3.

De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het OVR, vermeld in artikel 4.5.5, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.

 

§ 4.

Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, bevat, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.5.6 moet verstrekken.

 

§ 5.

De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.


Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.


Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de administratie.

 

§ 7.

De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag aan de administratie vragen dat het OVR inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.


In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan:

de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°;
in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4;
de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.

 

Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR.


De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR en voor de bekendmaking ervan.


Art. 4.5.3. [...]

Art. 4.5.4.

Als de initiatiefnemer aantoont dat bepaalde in de inrichting of in een deel van de inrichting zelf aanwezige stoffen geen zwaar ongeval teweeg kunnen brengen overeenkomstig de criteria, bedoeld in artikel 12, § 5, van het samenwerkingsakkoord, kan de administratie beslissen dat de gegevens van het omgevingsveiligheidsrapport beperkt worden tot diegene die van belang zijn voor de voorkoming van de resterende risico's op zware ongevallen en voor de beperking van de gevolgen daarvan voor mens en milieu.

Als de administratie beslist om de gegevens van het omgevingsveiligheidsrapport te beperken, stuurt ze haar beslissing en alle nodige informatie onmiddellijk en in ieder geval voor de vergunningsbeslissing naar de Commissie van de Europese Gemeenschap.


Afdeling III.
Opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport


Art. 4.5.5.

§ 1.

Het omgevingsveiligheidsrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.

 

De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.

 

§ 2.

De erkende deskundige mag geen belang hebben bij de desbetreffende exploitatie. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.

 

§ 3.

Tijdens het opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, in acht nemen.


Art. 4.5.6.

Onverminderd de toepassing van artikel 4.5.4 bevat het omgevingsveiligheidsrapport tenminste de volgende gegevens, in de mate dat die beschikbaar kunnen zijn :

inlichtingen over het beheersysteem en de organisatie van de inrichting met het oog op de preventie van zware ongevallen. Deze inlichtingen moeten de punten bestrijken die in artikel 10 van het samenwerkingsakkoord zijn vervat.

presentatie van de omgeving van de inrichting :

a) een beschrijving van de locatie, met inbegrip van de geografische ligging, de meteorologische, geologische en hydrografische gegevens met inbegrip van de voor de veiligheid relevante elementen van de voorgeschiedenis;
b) een identificatie van de externe gevaarbronnen en gevoelige omgevingsobjecten alsmede de informatie die over deze bronnen beschikbaar is;
c) een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen;
beschrijving van de inrichting : 
a) identificatie van de installaties en activiteiten binnen de inrichting die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen;
b) beschrijving van de activiteiten en producten uit de gedeelten van de inrichting die belangrijk zijn vanuit het oogpunt van de veiligheid;
c) beschrijving van procédés en werkwijzen;
d) beschrijving van de gevaarlijke stoffen :
1)
 
een lijst van de gevaarlijke stoffen, die bestaat uit :
- de beschrijving van de gevaarlijke stoffen : chemische naam, CAS-nummer, naam volgens de IUPAC-nomenclatuur; 
- de maximale hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn;
2) fysische, chemische en toxicologische kenmerken en gegevens, zowel over de onmiddellijk als over later optredende gevaren voor mens en milieu; 
3) het fysische of chemische gedrag onder normale gebruiksvoorwaarden of bij voorzienbare ongevallen;
identificatie en analyse van de zware ongevallen met mogelijke gevolgen voor de omgeving (mens en milieu) en de preventiemiddelen :
a) gedetailleerde beschrijving van de scenario's voor mogelijke zware ongevallen en de omstandigheden waarin die zich kunnen voordoen, inclusief een samenvatting van de voorvallen die bij het op gang brengen van deze scenario's een belangrijke rol kunnen spelen, ongeacht of de oorzaken binnen of buiten de installatie liggen;
b) beschrijving van de mogelijke oorzaken van zware ongevallen en van de omstandigheden waarin zo'n zwaar ongeval zich zou kunnen voordoen, vergezeld van een beschrijving van de genomen preventieve maatregelen;
c) kwantificering van de risico's, zoals aangegeven in het v.r.-richtlijnenboek, verbonden aan de in a) beschreven scenario's;
d) beoordeling van de omvang en de ernst van de mogelijke gevolgen van de geïdentificeerde zware ongevallen;
e) beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die werd gepland voor de veiligheid van de installaties;
beschermings- en interventiemaatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval te beperken :
a) beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die werd gepland voor de veiligheid van de installaties;
b) beschrijving van de apparatuur die op de installatie is aangebracht om de gevolgen van zware ongevallen te beperken; organisatie van het alarm en de interventie;
c) beschrijving van de inzetbare interne of externe middelen;
d) beschrijving van het interne noodplan, bedoeld in artikel 15 van het samenwerkingsakkoord;
een beschrijving en beoordeling van de preventieve en gevolgbeperkende maatregelen van technische en organisatorische aard die de initiatiefnemer zal nemen, met inbegrip van de termijn waarop die verwezenlijkt zullen worden;
een schets van alternatieven die redelijkerwijze in beschouwing kunnen worden genomen naar locatie, inplanting, procédé en hoeveelheden gevaarlijke stoffen, inbegrepen het nulalternatief en de sluiting van de inrichting;
een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of de deskundigen eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens zoals omschreven in 1° tot en met 8°.

Afdeling IV.
Het onderzoek en het gebruik van het omgevingsveiligheidsrapport


Art. 4.5.7.

§ 1.

Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure, bezorgt de initiatiefnemer het OVR aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.


De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het OVR aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.


De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.

 

§ 2.

Na raadpleging van de adviesverlenende instanties en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het OVR inhoudelijk:

aan de beslissing, vermeld in artikel 4.5.2, § 3;
aan de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in artikel 4.5.2, § 1, tweede lid, 7°;
in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4;
aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.


Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het OVR.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.

 

§ 3.

De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het OVR:

aan de initiatiefnemer;
aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen;
in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2;
aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.


De beslissing bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het OVR en de bekendmaking ervan.


Art. 4.5.8.

§ 1.

Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.5.7, § 3, liggen het OVR, het OVR-verslag, vermeld in artikel 4.5.7, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, ter inzage bij de administratie.

 

§ 2.

De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, gegevens in de in § 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide OVR aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de terinzagelegging moet gebeuren.

 

De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het OVR. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het bedoelde artikel. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.

 

§ 3.

Bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project moet rekening worden gehouden met de noodzaak om risicoactiviteiten gescheiden en op voldoende afstand te houden van woongebieden, door publiek bezochte gebieden, ruimtelijk kwetsbare gebieden en door de Vlaamse regering nader te omschrijven bijzonder kwetsbare gebieden.

 

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake het gebruik van het omgevingsveiligheidsrapport bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project en inzake de bekendmaking van het besluit over het project.

 

§ 4.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, hun commentaar op het goedgekeurde omgevingsveiligheidsrapport en het voorgenomen project kunnen meedelen, en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.

 

Het definitieve vergunningsbesluit betreffende het project wordt opgestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de wijze waarop de overheid die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, op de hoogte wordt gebracht van een vergunningsaanvraag die al dan niet een OVR omvat, de administratie dan wel de betrokken provincie waar de effecten zich kunnen voordoen, hiervan op de hoogte brengt en betreffende het in voorkomend geval te organiseren openbaar onderzoek.


De Vlaamse Regering kan tevens nadere regels vaststellen betreffende het verstrekken van een advies over de vergunningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2.


De Vlaamse Regering kan ten slotte nadere regels vaststellen betreffende de wijze waarop de overheid die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, op de hoogte wordt gebracht van een beslissing over een vergunningsaanvraag die al dan niet een OVR omvat, de administratie dan wel de betrokken provincie waar de effecten zich kunnen voordoen, hiervan op de hoogte brengt en betreffende het in voorkomend geval ter beschikking stellen van deze beslissing aan het publiek.


Hoofdstuk VI.
Gemeenschappelijke aspecten van kwaliteitszorg


Afdeling I.
De erkenning van deskundigen en coördinatoren


Art. 4.6.1.

Op de erkenning van deskundigen en coördinatoren zijn de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van toepassing.

 


Afdeling II.
De richtlijnenboeken, evaluatie en monitoring


Art. 4.6.2.

§ 1.

De administratie stelt een richtlijnenboek inzake milieueffectrapportage op. Dit m.e.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer, de erkende coördinatoren en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en voor de inhoud van een plan-MER of project-MER, met inbegrip van de methodologische aspecten.

 

De bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen kunnen op gemotiveerde wijze het m.e.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.

 

Het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.

 

§ 2.

De administratie stelt een richtlijnenboek inzake veiligheidsrapportage op. Dit v.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en de inhoud van een ruimtelijk veiligheidsrapport , een omgevingsveiligheidsrapport of een veiligheidsnota, met inbegrip van de methodologische aspecten.

 

De bijzondere en in voorkomend geval aanvullende bijzondere richtlijnen kunnen op gemotiveerde wijze het v.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.

 

Het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.

 

§ 3.

De administratie is verantwoordelijk voor de geregelde actualisering van de richtlijnenboeken op basis van de wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, alsook de evaluatie van de ervaringen met milieueffect- en veiligheidsrapportages.


Art. 4.6.3.

§ 1.

Er wordt over een project of over categorieën van projecten die gedurende een bepaalde periode zijn uitgevoerd, die aanzienlijke nadelige milieueffecten kunnen veroorzaken en waarvoor een project-MER is opgesteld, een evaluatie of een monitoringonderzoek georganiseerd van de aanzienlijke nadelige milieueffecten ten gevolge van de bouw en exploitatie van het project of de projecten.

 

Als dat passend is, kan worden gebruikgemaakt van bestaande monitoringregelingen op grond van andere wetgeving om overlapping van monitoring te vermijden.

 

§ 2.

Het soort parameters dat wordt gemonitord, en de looptijd van de monitoring moeten evenredig zijn met de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.

 

§ 3.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen voor de procedure van de evaluatie en het monitoringonderzoek.


Art. 4.6.3bis.

§ 1.

De initiatiefnemer gaat de aanzienlijke gevolgen voor het milieu van de tenuitvoerlegging van plannen en programma’s na, onder meer om onvoorziene negatieve gevolgen in een vroeg stadium te kunnen identificeren en de passende herstellende maatregelen te kunnen nemen.

 

§ 2.

Om te voldoen aan de bepalingen van paragraaf 1 kunnen, als dat passend is, de bestaande monitoringsregelingen worden gebruikt om overlapping van monitoring te vermijden.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de monitoring.


Afdeling III.
De adviescommissie


Art. 4.6.4.

§ 1.

Op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer kan de administratie na advies van een adviescommissie de door de initiatiefnemer gespecificeerde elementen van volgende beslissingen in heroverweging nemen :

inzake milieueffectrapportage :
a) het toepassen van de verplichting tot het opstellen van een project-MER, vermeld in artikel 4.3.3, § 3;
b) [...]
c) de afkeuring van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.10, § 2;
inzake veiligheidsrapportage :
a) [...]
b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport, vermeld in artikel 4.4.4, § 2. 

 

§ 2.

De verzoeker betekent zijn verzoek aan de administratie, of geeft het af tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de beslissing, bedoeld in § 1.

 

§ 3.

Binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, wijst de leidend ambtenaar van de administratie drie of vijf leden van de adviescommissie aan. Deze leden zijn :

ofwel, deskundigen met ervaring op het gebied van de beoordeling van milieueffecten of risico's op zware ongevallen die geen rapporten opstellen overeenkomstig dit decreet; ze kunnen wel actief zijn in andere gewesten, in het kader van federale regelgeving of in het buitenland; 
ofwel, deskundigen op het vlak van de problematiek die aan de adviescommissie wordt voorgelegd die evenwel geen erkende deskundigen zijn. 

 

De leden van de adviescommissie wijzen een voorzitter aan.

 

Ze mogen geen belang hebben bij het al dan niet realiseren van de voorgenomen actie of de alternatieven en mogen niet hebben deelgenomen aan de beslissingen in het kader van de desbetreffende rapportages.

 

§ 4.

De adviescommissie formuleert een advies binnen een termijn van veertig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, en deelt het advies onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van tien dagen mee aan de administratie.

 

Voor zover het advies unaniem is, is het bindend.

 

§ 5.

Als het advies bindend is, volgt de administratie het onverwijld op.

 

In alle andere gevallen neemt de administratie een beslissing onverwijld en binnen een termijn van zeventig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2. Ze houdt daarbij rekening met het advies.

 

De administratie keurt het rapport goed of af. Als de administratie het rapport afkeurt, geeft ze alle punten aan waarop het tekortschiet.

 

§ 6.

De administratie bezorgt de beslissing onverwijld en binnen een termijn van tachtig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, aan :

de initiatiefnemer en de verzoeker, door betekening;
in voorkomend geval de door de Vlaamse regering aangewezen betrokkenen.

 

 

§ 7.

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de instelling, de vergoeding en de werking van de adviescommissie.


Hoofdstuk VII.
Toezichts- en strafbepalingen


Art. 4.7.1. [...]

Art. 4.7.2. [...]

Titel V.
Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen


HOOFDSTUK I.
Definities en doelstelling


Afdeling 1.
Algemene definities


Art. 5.1.1.

In deze titel wordt verstaan onder:

activiteiten: de werken en handelingen, vermeld in de indelingslijst;
decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
emissie: de directe of indirecte uitstoot van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid uit puntbronnen of diffuse bronnen van inrichtingen en activiteiten in de lucht, het water of de bodem;
exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor de rekening van wie ze wordt geëxploiteerd;
exploiteren: het installeren, in werking stellen, gebruiken of in stand houden van ingedeelde inrichtingen of het aanvangen en uitvoeren van ingedeelde activiteiten;
GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
indelingslijst: de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico’s of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden;
ingedeelde inrichting of activiteit: één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;
inrichtingen: de bedrijven, werkplaatsen, opslagplaatsen, installaties, machines en toestellen, als omschreven in de indelingslijst;
10° mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen of activiteiten die vanwege hun aard op verschillende locaties al dan niet binnen een vergunde inrichting, kunnen worden ingezet;
11° tijdelijke inrichtingen en activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu;
12° veranderen van een ingedeelde inrichting of activiteit:
  a) het wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde of gemelde ingedeelde inrichting of activiteit, of het aanwenden van een andere exploitatiemethode;
  b) het uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding betrekking heeft;
  c) het toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding geen betrekking heeft;
  d) het splitsen van een ingedeelde inrichting of activiteit in meerdere ingedeelde inrichtingen of activiteiten voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan de definitie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in punt 8°.
13° verontreiniging: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of een ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan.

 


Afdeling 2.
Definities van genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen


Art. 5.1.2.

In hoofdstuk V wordt verstaan onder:

genetisch gemodificeerd micro-organisme (ggm) of organisme (ggo): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;
pathogene organismen: fytopathogenen, menselijke pathogenen of zoöpathogenen;
ingeperkt gebruik: elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke ggo’s of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;
kennisgeving: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;
toelating: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het verkrijgen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4.

Afdeling 3.
Doelstelling


Art. 5.1.3.

Deze titel heeft tot doel:

de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico’s en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.

De hinder en risico’s omvatten:

a) de hinder en risico’s als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
b) de risico’s op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
c) de risico’s en de hinder door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
d) mobiliteitshinder.
De bescherming geldt eveneens ten aanzien van personen die zich binnen de inrichting bevinden en die niet dezelfde bescherming genieten als de werknemers of hun gelijkgestelden, vermeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk;
een erkenning in te stellen voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.

 

Deze titel draagt bij tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.


Deze titel beoogt tevens een proces van permanente verbetering aan te moedigen bij de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.


HOOFDSTUK 2.
Algemene beginselen inzake vergunnings- en meldingsplicht


Art. 5.2.1.

§ 1.

De Vlaamse Regering stelt de indelingslijst vast.

 

§ 2.

In de indelingslijst bepaalt de Vlaamse Regering voor elke inrichting of activiteit of ze van de eerste, tweede of derde klasse is. Van de eerste klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico’s of hinder. Van de derde klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de minste risico’s of hinder.


In de indelingslijst wijst de Vlaamse Regering ook de inrichtingen en activiteiten aan die tijdelijk, mobiel of verplaatsbaar zijn.

 

§ 3.

Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de eerste klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de eerste klasse is.


In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de tweede en de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.

 

§ 4.

Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de tweede klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de tweede klasse is, maar geen inrichting of activiteit omvat die van de eerste klasse is.


In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.

 

§ 5.

Een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse bestaat uitsluitend uit inrichtingen of activiteiten van de derde klasse.

 

§ 6.

Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan is een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.


Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan is een meldingsakte vereist als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het voormelde decreet.


Art. 5.2.2.

De Vlaamse overheid houdt een databank bij van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.


De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van die databank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling worden aangeleverd en de wijze waarop dat gebeurt.


HOOFDSTUK 3.
Beoordelingscriteria


Art. 5.3.1.

De vergunningverlenende overheid weigert de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ingedeelde inrichting of activiteit, als de exploitatie:

onaanvaardbare risico’s of hinder voor de mens en het milieu inhoudt die niet door algemene, sectorale of bijzondere milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
in strijd is met:
  a) een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling, ingesteld ter bescherming van de mens en het milieu tegen de risico’s en de hinder, afkomstig van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  b) een stedenbouwkundig voorschrift of een verkavelingsvoorschrift, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  c) de goede ruimtelijke ordening.

HOOFDSTUK 4.
Milieuvoorwaarden en evaluaties


Afdeling 1.
Algemeen


Art. 5.4.1.

De Vlaamse Regering stelt de algemene en sectorale milieuvoorwaarden vast. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden beogen het voorkomen en beperken van onaanvaardbare hinder en risico’s die de betrokken inrichtingen en activiteiten kunnen veroorzaken. In voorkomend geval beogen ze tevens het ongedaan maken van de schade die de exploitatie van de inrichting of activiteit heeft toegebracht aan het milieu.


De Vlaamse Regering kan voorwaarden vaststellen ter bescherming van de mens en het milieu tegen bepaalde vormen van hinder en risico’s afkomstig van niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten.


Art. 5.4.2.

De algemene milieuvoorwaarden gelden voor alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten. De sectorale milieuvoorwaarden gelden voor bepaalde types van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.


De milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten gelden voor de niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten die de Vlaamse Regering aanwijst.


Art. 5.4.3.

§ 1.

Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu gewaarborgd tegen de risico’s en de hinder afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.


De milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.

 

§ 2.

Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden houdt de Vlaamse Regering rekening met:

de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen;
de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico’s of hinder voor kunnen veroorzaken;
de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten;
het feit dat de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau.

 

§ 3.

Met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen de milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde ingedeelde inrichtingen en activiteiten in of nabij sommige gebieden of hindergevoelige objecten beperken of verbieden.

 

§ 4.

Waar mogelijk geven de algemene en sectorale milieuvoorwaarden de concrete doelstellingen aan die de betrokkenen op de door hen te bepalen wijze moeten verwezenlijken. Zij kunnen ook aangeven welke middelen moeten worden aangewend. Waar mogelijk geven ze dan ook aan welk beschermingsniveau of welke doelstelling hiermee wordt nagestreefd.


Art. 5.4.4.

Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake vaststelling van algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt gedurende een termijn van dertig dagen gepubliceerd op de website van het Departement Omgeving.


Het voorontwerp van besluit is gedurende dezelfde termijn ter inzage bij het Departement Omgeving.


Gedurende deze termijn kan elke persoon zijn opmerkingen aan dit departement meedelen.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake bekendmaking en inspraak van de bevolking.


Afdeling 2.
Onderlinge verhouding tussen de algemene milieuvoorwaarden, de sectorale milieuvoorwaarden en de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning


Art. 5.4.5.

De sectorale milieuvoorwaarden kunnen de algemene milieuvoorwaarden aanvullen of stellen bijkomende eisen.


De sectorale milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene milieuvoorwaarden.


De sectorale milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene milieuvoorwaarden, in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.


Art. 5.4.6.

De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vullen de algemene en sectorale milieuvoorwaarden aan of stellen bijkomende eisen.


De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, behalve als het andersluidend bepaald is door de Vlaamse Regering.


De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden.


Art. 5.4.6/1.

De omzetting met het oog op de naleving van de beste beschikbare technieken, van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies en van maatregelen in omzetting van Europese richtlijnen of uit de door de Vlaamse Regering goedgekeurde plannen en programma’s voor wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten gebeurt waar mogelijk en bij voorrang door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden of andere sectorale regelgeving.

Met het oog op de omzetting, vermeld in het eerste lid, stelt de Vlaamse Regering voor de betrokken overheden beleidstaken en richtlijnen vast die aanwijzen welke voorschriften en normen hetzij via algemene of sectorale milieuvoorwaarden hetzij via bijzondere milieuvoorwaarden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit worden opgelegd.


De richtlijnen over bijzondere milieuvoorwaarden vermelden de criteria in welke gevallen het aangewezen is een gerichte evaluatie uit te voeren met het oog op de eventuele toepassing van artikel 82, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.


Art. 5.4.7. Tenzij anders bepaald door de Vlaamse Regering zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden al dan niet na afloop van een door de Vlaamse Regering te bepalen overgangstermijn van toepassing op inrichtingen en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van het besluit houdende milieuvoorwaarden zijn vergund of waarvoor een meldingsakte bestaat. In afwijking hiervan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning of uit de geldende beslissing verder gelden.

Afdeling 3.
Afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden


Art. 5.4.8. De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de verdere regels voor de indiening en de behandeling van en de beslissing over de afwijkingsaanvraag, met inbegrip van de bekendmaking ervan, vast.

Afdeling 4.
Verplichtingen van de exploitant


Art. 5.4.9.

§ 1.

De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit is verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden na te leven.

 

§ 2.

Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant altijd de nodige maatregelen om schade, hinder, incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.


Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het milieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.


Art. 5.4.10.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 5.4.9.


Afdeling 5.
Evaluaties


Art. 5.4.11.

§ 1.

De milieuvoorwaarden van toepassing op een ingedeelde inrichting of activiteit worden onderworpen aan:

een algemene evaluatie in de gevallen en voor de aspecten die de Vlaamse Regering ter omzetting van Europese regelgeving bepaalt;
een gerichte evaluatie in de gevallen en voor de aspecten die de Vlaamse Regering ter omzetting van Europese regelgeving of in de richtlijnen, vermeld in artikel 5.4.6/1, derde lid, bepaalt.

 

Bij de uitvoering van een evaluatie, vermeld in het eerste lid, wordt nagegaan of de milieuvoorwaarden moeten worden bijgesteld en hiertoe overeenkomstig artikel 82, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning bij de bevoegde overheid een verzoek moet worden ingediend. De conclusie van een evaluatie doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 82, 1°, 2°, b) tot en met f), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

De uitvoering van de algemene evaluaties, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, van GPBV-installaties als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van beste beschikbare technieken of van de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies gebeurt op basis van een voortschrijdend meerjarenprogramma voor vijf opeenvolgende kalenderjaren dat door het Departement Omgeving, wordt vastgesteld. Het voortschrijdend meerjarenprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd en afgestemd op de programmatorische aanpak van de milieuhandhaving.


Het voortschrijdend meerjarenprogramma en de uitvoeringsgraad ervan worden jaarlijks openbaar gemaakt op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.


Art. 5.4.12.

§ 1.

De bevoegde dienst van de gemeente wordt belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.


De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de provinciale omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor het uitvoeren van de evaluaties een advies verleent aan het college van burgemeester en schepenen.

 

§ 2.

De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor respectievelijk de deputatie en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.


De adviesinstanties die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, [...] van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies te verlenen, verlenen advies in het kader van een evaluatie van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering stelt de termijnen vast waarbinnen de in paragraaf 1 en 2 vermelde adviezen moeten worden uitgebracht. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn wordt de adviesinstantie of de adviserende provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden moet plaatsvinden.


Art. 5.4.13.

De bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale en de gewestelijke omgevingvergunningscommissie kunnen voor de uitvoering van de evaluaties informatie vragen bij de exploitant of bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI.


Art. 5.4.14. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de evaluaties.

Hoofdstuk 5.
Genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen


Art. 5.5.1.

§ 1.

Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier of toelatingsaanvraag met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient, is een dossiertaks verschuldigd.


De opbrengst van de dossiertaks, vermeld in het eerste lid, wordt rechtstreeks en integraal in het Omgevingsfonds gestort.

 

§ 2.

De dossiertaks bedraagt:

voor een toelatingsaanvraag bij een eerste of een volgend ingeperkt gebruik van niveau 2, 3 of 4: 500 euro;
voor een kennisgeving van een eerste ingeperkt gebruik risiconiveau 1 of een kennisgeving van een volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2: 100 euro.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de dossiertaks vaststellen.


Art. 5.5.2.

§ 1.

Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de omgevingsvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.


De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de kennisgeving gebeurt en de toelating wordt aangevraagd en behandeld. De Vlaamse Regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.

 

§ 2.

De toelating kan alleen verleend worden zodra de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.


De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse, heeft op zijn vroegst uitwerking nadat de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.

 

§ 3.

Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.


Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de omgevingsvergunning is geschorst of totdat de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, verkregen is.


In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.

 

§ 4.

De voorwaarden die door de bevoegde overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als de voorwaarden, vermeld in artikel 72 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.


HOOFDSTUK 6.
Erkenningen


Art. 5.6.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen voorgeschreven bij of krachtens titel V en de andere titels van dit decreet, voor zover die titels naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.


De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.


Art. 5.6.2.

De uitoefening van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en de uitvoering van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.


De erkenningen, vermeld in het eerste lid, worden op grond van de aard ervan in categorieën ingedeeld.


De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.


Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in België is uitgereikt door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie, vermeld in het derde lid, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid is vastgesteld, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.


In afwijking van het eerste lid kan bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen, vermeld in het eerste lid, voor een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.


De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen als vermeld in het eerste lid, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in het vijfde lid, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van de leden 2 tot en met 5.


Art. 5.6.3.

De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst ook de overheden en organisaties aan die uitspraak doen over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit.


Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in het eerste lid. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.


De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.


Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.


Art. 5.6.4.

§ 1.

De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.


De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 5.6.3, eerste lid, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.


Art. 5.6.5.

Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat de schorsing of het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.


De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor de schorsing of het verval van rechtswege van de erkenningen.


Art. 5.6.6.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.


De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de procedure die gevolgd moet worden bij schorsing of opheffing van de erkenning.


Art. 5.6.7. Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.

Titel VI.
Milieubeleidsovereenkomsten


Hoofdstuk I.
Algemene bepalingen


Art. 6.1.1.

Een milieubeleidsovereenkomst is iedere overeenkomst tussen het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, hierna het Gewest te noemen, enerzijds, en een of meer overkoepelende, representatieve organisaties van ondernemingen, hierna de organisatie te noemen, anderzijds, met als doel milieuverontreiniging te voorkomen, de gevolgen ervan te beperken of weg te nemen, of een doelmatig milieubeheer te bevorderen. Desgevallend kunnen het Gewest en de organisatie ook andere actoren vragen om partner te zijn in een milieubeleidsovereenkomst.

 

Het Gewest kan alleen milieubeleidsovereenkomsten sluiten met organisaties die aantonen dat ze :

rechtspersoonlijkheid bezitten;
representatief zijn voor ondernemingen die hetzij een bepaalde gemeenschappelijke activiteit uitoefenen, hetzij geconfronteerd worden met een bepaald gemeenschappelijk leefmilieuprobleem, hetzij gevestigd zijn in hetzelfde gebied; 
door hun leden gemandateerd zijn om met het Gewest een milieubeleidsovereenkomst te sluiten en hen daardoor te verbinden als vermeld in artikel 6.1.4. 

 


Art. 6.1.2. Een milieubeleidsovereenkomst kan de geldende wetgeving of reglementering niet vervangen, noch in minder strenge zin ervan afwijken.

Art. 6.1.3.

§ 1.

Het Gewest zal gedurende de geldingstermijn van de milieubeleidsovereenkomst geen reglementering uitvaardigen door middel van een uitvoeringsbesluit dat, met betrekking tot de door de milieubeleidsovereenkomst behandelde punten, strengere eisen stelt dan de milieubeleidsovereenkomst zelf. Het Gewest blijft evenwel bevoegd om verordenend op te treden, hetzij in geval van dringende noodzaak, hetzij om te voldoen aan dwingende verplichtingen van internationaal- of Europeesrechtelijke aard. Voor het gebruikmaakt van die bevoegdheid, pleegt het Gewest overleg met de andere partijen bij de milieubeleidsovereenkomst.

 

Het Gewest is bevoegd om de inhoud van de milieubeleidsovereenkomst, ook gedurende de geldingstermijn ervan, geheel of gedeeltelijk in reglementering om te zetten.

 

§ 2.

Een milieubeleidsovereenkomst doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van andere overheden dan het Gewest.


Art. 6.1.4.

Een milieubeleidsovereenkomst is verbindend voor de partijen. Naargelang van wat bepaald is in de overeenkomst, is ze tevens verbindend voor al de leden van de organisatie of voor een in het algemeen omschreven groep ervan.

 

De ondernemingen die na het sluiten van de overeenkomst tot de organisatie toetreden, worden van rechtswege verbonden. De leden van een verbonden organisatie kunnen zich niet aan hun verbintenissen onttrekken door uit de organisatie te treden.


Hoofdstuk II.
Totstandkoming, toetreding, wijziging en beëindiging


Art. 6.2.1.

§ 1.

Voor de aanvang van de onderhandelingen over een milieubeleidsovereenkomst wordt een startnota opgesteld. De startnota motiveert de keuze voor het instrument milieubeleidsovereenkomst en beschrijft de belangrijkste doelstellingen en krachtlijnen voor de milieubeleidsovereenkomst waarover onderhandeld moet worden.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over het opstellen van de startnota.

 

§ 2.

Over de startnota wordt een consultatie georganiseerd waarbij iedereen gedurende minstens dertig dagen bezwaren en opmerkingen kan formuleren. Daartoe wordt :

de startnota bezorgd aan de Minaraad en de voorzitter van het Vlaams Parlement; 
de website waarop de startnota beschikbaar is, gemeld aan andere belanghebbenden. De Minaraad brengt een advies uit binnen dertig dagen na ontvangst van de startnota. 

 

De Vlaamse Regering :

stelt nadere regels vast over de manier waarop de consultatie georganiseerd wordt en de geformuleerde bezwaren en opmerkingen verwerkt worden; 
keurt de startnota goed. Indien de Minaraad een advies uitbrengt over de startnota, verantwoordt de Vlaamse Regering in een verslag in welke mate al dan niet rekening is gehouden met de opmerkingen en suggesties tot aanpassing uit het advies van de Minaraad. 

 

 

§ 3.

Het ontwerp van milieubeleidsovereenkomst wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

 

§ 4.

Over het ontwerp van milieubeleidsovereenkomst wordt een consultatie georganiseerd waarbij iedereen gedurende minstens dertig dagen bezwaren en opmerkingen kan formuleren. Daartoe wordt :

een samenvatting van het ontwerp van milieubeleidsovereenkomst, op initiatief van het Gewest, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De samenvatting omschrijft minstens het voorwerp en de algemene strekking van de milieubeleidsovereenkomst en vermeldt de website waarop het ontwerp van de overeenkomst beschikbaar is; 
het ontwerp van milieubeleidsovereenkomst bezorgd aan de Minaraad en de voorzitter van het Vlaams Parlement; 
de website waarop het ontwerp van milieubeleidsovereenkomst beschikbaar is, gemeld aan andere belanghebbenden. 

 

De Vlaamse Regering :

stelt nadere regels vast over de manier waarop de consultatie georganiseerd wordt en de geformuleerde bezwaren en opmerkingen verwerkt worden; 
keurt de milieubeleidsovereenkomst goed. 

 

 

§ 5.

Een milieubeleidsovereenkomst wordt, na ondertekening door de partijen, integraal bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

 

Behoudens andersluidend beding treedt een milieubeleidsovereenkomst in werking de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.


Art. 6.2.2.

Alleen met de toestemming van het Gewest kan een organisatie van ondernemingen die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.1, toetreden tot een milieubeleidsovereenkomst. De Vlaamse Regering stelt de procedure daarvoor vast. De toetreding wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Vanaf de dag van de bekendmaking is de milieubeleidsovereenkomst verbindend voor de toegetreden organisatie. Naargelang van wat bepaald is in de toetredingsakte, is ze tevens verbindend voor al de leden van de toegetreden organisatie of voor een in het algemeen omschreven groep ervan. Door de toetreding wordt de toegetreden organisatie partij bij de milieubeleidsovereenkomst.


Art. 6.2.3.

Een milieubeleidsovereenkomst wordt gesloten voor een bepaalde termijn, die in geen geval langer mag zijn dan acht jaar. Een milieubeleidsovereenkomst kan niet stilzwijgend worden verlengd.

 

Tijdens de geldingsduur van de milieubeleidsovereenkomst kunnen de partijen overeenkomen om ze te wijzigen. In dat geval moeten de bepalingen van artikel 6.2.1, § 4, worden toegepast. De wijzigingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze zijn verbindend voor al wie voordien door de overeenkomst verbonden was.


Art. 6.2.4.

De partijen kunnen te allen tijde een milieubeleidsovereenkomst opzeggen, op voorwaarde dat ze een opzeggingstermijn in acht nemen. Behoudens andersluidend beding in de overeenkomst bedraagt die termijn zes maanden. In geen geval mag de opzeggingstermijn die in de overeenkomst bepaald is langer zijn dan een jaar. Elke langere termijn wordt van rechtswege herleid tot een jaar. Als de opzegging niet uitgaat van het Gewest, moet de milieubeleidsovereenkomst door de andere partijen gezamenlijk worden opgezegd. De opzegging wordt op straffe van nietigheid meegedeeld, hetzij met een ter post aangetekende brief, hetzij bij deurwaardersexploot. De opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving.


Art. 6.2.5.

Een milieubeleidsovereenkomst eindigt hetzij bij overeenkomst tussen de partijen, hetzij door het verstrijken van de termijn, hetzij door opzegging. Het uitvaardigen van reglementering als vermeld in artikel 6.1.3 maakt geen einde aan de overeenkomst.


Hoofdstuk III.
Naleving en verslaggeving


Art. 6.3.1.

In een milieubeleidsovereenkomst wordt bepaald op welke manier controle zal worden uitgeoefend op de naleving van de voorschriften ervan.

 

In geval van overtreding van de voorschriften van een milieubeleidsovereenkomst kan iedereen die erdoor verbonden is, de dwanguitvoering in natura of bij equivalent vorderen van de overtreder.


Art. 6.3.2.

De organisatie brengt jaarlijks verslag uit over de uitvoering van de milieubeleidsovereenkomst. De Vlaamse Regering brengt bij het Vlaams Parlement tweejaarlijks een evaluatierapport uit over de uitvoering van de milieubeleidsovereenkomst.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de voorwaarden die bij het verslag en het evaluatierapport moeten worden nageleefd.


Titel VIII.
Klimaat


Hoofdstuk I.
Algemene bepalingen


Art. 8.1.1.

Dit decreet voorziet, voor wat de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest betreft, in de omzetting van de Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals tot op heden gewijzigd.


Art. 8.1.2.

In deze titel wordt verstaan onder:

bevoegde autoriteit: de instantie, aangewezen overeenkomstig artikel 18 van richtlijn 2003/87/ EG, namelijk het Departement Omgeving;
BKG-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, zoals omschreven in de indelingslijst in bijlage I, van titel I, van het VLAREM en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst in bijlage I, van titel I, van het VLAREM, alsmede andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
broeikasgassen: koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofoxide (N2O), onvolledig gefluoreerde koolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolwaterstoffen (PFK’s) en zwavelhexafluoride (SF6);
eerste verbintenisperiode: de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012;
emissie: de emissie van broeikasgassen in de atmosfeer door bronnen die aanwezig zijn in een BKG-installatie, of de emissie door een vliegtuig van CO2 ten gevolge van een luchtvaartactiviteit;
emissierecht: een overdraagbaar recht om gedurende een bepaalde periode of handels- periode één ton CO2-equivalent aan broeikasgassen uit te stoten;
handelsperiode: de eerste verbintenisperiode of de tweede verbintenisperiode;
klimaatfonds: het Vlaamse Klimaatfonds, opgericht bij artikel 14 van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012;
luchthavenbeheerder: de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die verantwoordelijk is voor de luchthaven waaraan de meeste luchtvaartactiviteiten van de vlieg- tuigexploitant worden toegeschreven in het referentiejaar. In het geval dat er aan meerdere luchthavens evenveel luchtvaartactiviteiten worden toegeschreven, is de luchthavenbeheerder de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die verantwoordelijk is voor de luchthaven waarvoor de CO2-emissies van de aan haar toegeschreven luchtvaartactiviteiten het grootste zijn.;
10° luchtvaartactiviteit: een activiteit als vermeld in bijlage VI bij dit decreet;
11° Nationale Klimaatcommissie: de commissie, vermeld in artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 14 november 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto;
12° periode: de duur waarvoor er een vast volume emissierechten wordt toegewezen dat bestemd is om de emissies van een luchtvaartactiviteit te dekken, in casu van 1 januari tot en met 31 december 2012 (eerste periode), van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020 (tweede periode) enzovoort;
13° Protocol van Kyoto: het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gesloten in Kyoto op 11 december 1997 en goedgekeurd bij het decreet van 22 februari 2002;
14° referentiejaar: met betrekking tot een vliegtuigexploitant die na 1 januari 2006 zijn exploitatie in de Europese Economische Ruimte is begonnen, het eerste kalenderjaar van die exploitatie; in alle andere gevallen, het kalenderjaar dat is ingegaan op 1 januari 2006;
15° Richtlijn 2003/87/EG: Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissie- rechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad;
16° samenwerkingsakkoord van 2 september 2013: het samenwerkingsakkoord van 2 september 2013 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende het opnemen van luchtvaartactiviteiten in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap overeenkomstig Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap;
17° ton CO2-equivalent: een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel;
18° tweede verbintenisperiode: de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020;
19° Verordening nr. 600/2012: Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
20° vliegtuigexploitant: de persoon die een luchtvaartuig exploiteert op het moment dat die een luchtvaartactiviteit uitoefent, of, als die persoon niet bekend is of niet is geïdentificeerd door de eigenaar van het vliegtuig, de eigenaar van het vliegtuig.

 

 

 

 

 

 


Hoofdstuk II.
Bepalingen over BKG-installaties


Art. 8.2.1.

§ 1.

De Vlaamse Regering legt aan de BKG-installaties die broeikasgassen uit- stoten en die onder het toepassingsgebied van de Richtlijn 2003/87/EG vallen, als exploitatievoorwaarde op dat die BKG-installaties over een broeikasgasvergunning moeten beschikken. Op basis van de voorwaarden die van toepassing zijn op de BKGinstallatie, opgenomen in die broeikasgasvergunning, wordt jaarlijks een bepaald aantal emissie- rechten, met uitzondering van de emissierechten die aan de vliegtuigexploitanten worden toegewezen, bij het nationaal register ingeleverd in overeenstemming met de hoeveelheid broeikasgassen die in het voorgaande jaar is uitgestoten.


In het eerste lid wordt verstaan onder nationaal register: het register, vermeld in het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2008 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, hetWaalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de organisatie en het administratief beheer van het gestandaardiseerd en genormaliseerd registersysteem van België overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de broeikasgasvergunning en de regels voor de bewaking en de rapportering van de emissies, voor de verificatie van die rapporten en voor de inlevering van emissierechten.


Art. 8.2.2.

In overeenstemming met Richtlijn 2003/87/EG bepaalt de Vlaamse Regering:

de totale hoeveelheid emissierechten die per handelsperiode aan BKG-installaties in het Vlaamse Gewest worden toegekend;
de wijze waarop die emissierechten aan de BKG-installaties in kwestie worden toegewezen;
de nadere regels voor de toewijzing, de aanvraag van een toewijzing, de verlening, de stopzetting van de verlening, de opschorting van de verlening, de geldigheid en de annulering van de emissierechten;
de regels voor het opstellen en het controleren van een register in de vorm van een elektronische databank waarmee de emissierechten worden uitgegeven, gehouden, overgedragen en geannuleerd;
de nadere regels voor het vaststellen van de grenzen van een BKG-installatie;
de nadere regels voor het gebruik van flexibele mechanismen door BKG-installaties.

Hoofdstuk III.
Bepalingen over vliegtuigexploitanten


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 8.3.1. Een luchthaven krijgt een luchtvaartactiviteit toegeschreven als deze vertrekt van deze luchthaven of als deze landt op deze luchthaven, op voorwaarde dat de vlucht niet vertrekt vanuit een lidstaat waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is.

Art. 8.3.2.

De bevoegde autoriteit van elke vliegtuigexploitant, die onder de administratieve bevoegdheid van België valt, wordt vermeld op de lijst die overeenkomstig artikel 4 van het samenwerkingsakkoord van 2 september 2013 gepubliceerd wordt door de register-administrateur.


In het eerste lid wordt verstaan onder registeradministrateur: de persoon of personen die het nationaal register beheert of beheren en bijhoudt of bijhouden overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2008 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de organisatie en het administratief beheer van het gestandaardiseerd en genormaliseerd registersysteem van België overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad.


Het Vlaamse Gewest is de bevoegde autoriteit voor elke vliegtuigexploitant die onder de administratieve bevoegdheid van België valt en waarvoor geldt dat de luchthaven die beheerd wordt door de luchthavenbeheerder van de betreffende vliegtuigexploitant, op het grondgebied van het Vlaamse Gewest ligt.


Art. 8.3.3.

Ter uitvoering van artikel 22 van het samenwerkingsakkoord van 2 september 2013 kan de Vlaamse Regering bepalen om de taken van de luchthavenbeheerders van de luchthavens op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de luchthaven Brussel-Nationaal, die verband houden met de uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 september 2003, te delegeren aan de bevoegde autoriteit.


Afdeling 1bis.
Afwijkingen die gelden vooruitlopend op de tenuitvoerlegging tegen 2020 van een internationale overeenkomst die wereldwijd één marktgebaseerde maatregel toepast


Art. 8.3.3bis.

§ 1.

In afwijking van artikel 8.3.6 beschouwt de bevoegde autoriteit de verplichtingen, vermeld in de voormelde artikelen, als vervuld en onderneemt ze geen actie tegen vliegtuigexploitanten voor:

alle emissies van vluchten naar of van luchthavens gelegen in landen buiten de Europese Economische Ruimte in elk kalenderjaar met ingang van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016;
alle emissies van vluchten tussen een luchthaven gelegen in een ultraperifeer gebied in de zin van artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en een luchthaven gelegen in een ander gebied van de Europese Economische Ruimte in elk kalenderjaar met ingang van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016;
de inlevering van emissierechten voor geverifieerde emissies voor 2013 voor vluchten tussen luchthavens gelegen in landen van de Europese Economische Ruimte, die uiterlijk op 30 april 2015 in plaats van uiterlijk op
30 april 2014 plaatsvindt, en geverifieerde emissies van 2013 van die vluchten, die uiterlijk op 31 maart 2015 in plaats van 31 maart 2014 worden gerapporteerd.


Voor de toepassing van artikel 8.3.6, § 2 en § 3, worden de geverifieerde emissies van vluchten andere dan deze vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, beschouwd als geverifieerde emissies van de vliegtuigexploitant.

 

§ 2.

In afwijking van artikel 8.3.4, § 6, en artikel 8.3.5, § 6, worden aan vliegtuigexploitanten voor wie de tijdelijke afwijkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, gelden, een aantal kosteloze emissierechten toegewezen die zijn verminderd in verhouding tot de vermindering van de verplichting om emissierechten in te leveren, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°.

 

§ 3.

In afwijking van artikel 8.3.6, § 1, zijn vliegtuigexploitanten niet verplicht om emissiemonitoringplannen in te dienen die de maatregelen beschrijven om emissies te bewaken en te rapporteren met betrekking tot vluchten waarvoor de tijdelijke afwijkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, gelden.

 

§ 4.

In afwijking van artikel 8.3.6, § 2 en § 4, worden de emissies van een vliegtuigexploitant met totale jaarlijkse emissies van minder dan 25.000 ton CO2 beschouwd als geverifieerde emissies als deze werden vastgesteld met gebruikmaking van het instrument voor kleine emittenten dat door verordening (EU) nr. 606/2010 van de Commissie van 9 juli 2010 inzake de goedkeuring van een vereenvoudigd instrument, ontwikkeld door Eurocontrol, voor de raming van het brandstofverbruik van bepaalde vliegtuigexploitanten met een geringe emissie, is goedgekeurd en door Eurocontrol werd voorzien van gegevens uit zijn ETS-ondersteuningsfaciliteit.


Afdeling 2.
Kosteloze toewijzing van emissierechten


Art. 8.3.4.

§ 1.

Een vliegtuigexploitant beschikt over een goedgekeurd monitoringplan tonkilometergegevens voor het toezichtsjaar. Het door de vliegtuigexploitant ingediende monitoringplan tonkilometergegevens wordt binnen vier maanden na de indiening ervan geverifieerd en, in voorkomend geval, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit en bekrachtigd door de Nationale Klimaatcommissie.


In het eerste lid wordt verstaan onder toezichtsjaar: voor de perioden van 1 januari tot en met 31 december 2012 en van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020, het jaar 2010; voor de latere perioden, het burgerlijk jaar dat eindigt vierentwintig maanden voor de aanvang van elke periode.

 

§ 2.

Om in aanmerking te komen voor een kosteloze toewijzing van emissierechten voor de periode, dient een vliegtuigexploitant uiterlijk eenentwintig maanden voor de aanvang van de periode een geverifieerd rapport tonkilometergegevens in.

 

§ 3.

Het rapport tonkilometergegevens, vermeld in paragraaf 2, kan alleen betrekking hebben op tonkilometergegevens voor de periode waarvoor de vliegtuigexploitant beschikt over een goedgekeurd monitoringplan tonkilometergegevens.


De bevoegde autoriteit controleert of het rapport tonkilometergegevens is geverifieerd conform de criteria vermeld in bijlage V van Richtlijn 2003/87/EG en Verordening nr. 600/2012.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels en procedures bepalen voor de inhoud, de indiening, de verificatie en de goedkeuring van een monitoringplan tonkilometergegevens, vermeld in paragraaf 1 en 3.


De Vlaamse Regering kan nadere regels en procedures bepalen voor de inhoud, de indiening, de verificatie en de controle van het rapport tonkilometergegevens, vermeld in paragraaf 2 en 3.

 

§ 5.

De bevoegde autoriteit bezorgt de conform paragraaf 2 ontvangen geverifieerde rapporten tonkilometergegevens aan de Nationale Klimaatcommissie ten minste negentien maanden voor de aanvang van de periode waarop de rapporten betrekking hebben. De Nationale Klimaatcommissie bezorgt die op haar beurt aan de Europese Commissie.

 

§ 6.

De bevoegde autoriteit berekent en maakt de volgende hoeveelheden bekend in het Belgisch Staatsblad binnen drie maanden na de datum waarop de Europese Commissie haar Emissierechtenbesluit neemt:

de totale hoeveelheid emissierechten die voor de betreffende periode wordt toegewezen aan elke vliegtuigexploitant waarvan het rapport tonkilometergegevens bij de Europese Commissie is ingediend conform paragraaf 5, berekend door de in het rapport tonkilometergegevens opgenomen tonkilometergegevens te vermenigvuldigen met de benchmark vastgesteld overeenkomstig het besluit 2011/638/EU van de Commissie van 26 september 2011 tot vaststelling van benchmarks voor de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten aan vliegtuigexploitanten overeenkomstig artikel 3sexies van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
de hoeveelheid emissierechten die voor elk jaar van de betreffende periode aan elke vliegtuigexploitant wordt toegewezen, die wordt bepaald door de berekende totale hoeveelheid emissierechten, vermeld in punt 1°, voor de betreffende periode te delen door het aantal jaren in de periode waarin die vliegtuigexploitant een luchtvaartactiviteit als vermeld in bijlage VI bij dit decreet, uitvoert.

 
In het eerste lid wordt verstaan onder Emissierechtenbesluit: het besluit van de Europese Commissie, vermeld in artikel 3sexies, derde lid, van Richtlijn 2003/87/EG.


Afdeling 3.
Kosteloze toewijzing van emissierechten uit de bijzondere reserve


Art. 8.3.5.

§ 1.

In dit artikel wordt verstaan onder bijzondere reserve: 3% van de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten voor de periode 2013-2020.

 

§ 2.

Een vliegtuigexploitant komt in aanmerking voor een kosteloze toewijzing van emissierechten uit de bijzondere reserve voor de periode als hij vóór 30 juni in het derde jaar van de periode een aanvraag indient en als het een vliegtuigexploitant betreft die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

het is een vliegtuigexploitant die een luchtvaartactiviteit aanvangt na het jaar waarvoor tonkilometergegevens zijn ingediend conform artikel 8.3.4, § 2; of
het is een vliegtuigexploitant waarvan het aantal tonkilometers gemiddeld met meer dan 18% per jaar is gestegen tussen het referentiejaar 2010, waarvoor geverifieerde tonkilometergegevens zijn ingediend conform artikel 8.3.4, § 2, en het tweede jaar van de periode, en van wie de extra activiteit, vermeld in punt 1°, of de extra activiteit, ver- meld in dit punt, niet geheel of gedeeltelijk een voortzetting is van een eerder door een andere vliegtuigexploitant uitgevoerde luchtvaartactiviteit.

 

De aanvraag bestaat uit een geverifieerd rapport tonkilometergegevens voor het tweede jaar van de periode en bewijzen waaruit blijkt dat de vliegtuigexploitant voldoet aan de criteria, vermeld in punt 1° of 2°.

 

§ 3.

Het rapport tonkilometergegevens, vermeld in paragraaf 2, kan alleen betrekking hebben op tonkilometergegevens voor de periode waarvoor de vliegtuigexploitant beschikt over een goedgekeurd monitoringplan tonkilometergegevens.


De bevoegde autoriteit controleert of het rapport tonkilometergegevens is geverifieerd conform de criteria, vermeld in bijlage V van Richtlijn 2003/87/EG en de Verordening nr. 600/2012.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels en procedures bepalen voor de inhoud, de indiening, de verificatie en de controle van het rapport tonkilometergegevens, vermeld in paragraaf 2 en 3.


De Vlaamse Regering kan nadere regels en procedures bepalen voor de inhoud, de indiening en de goedkeuring van de aanvraag om in aanmerking te komen voor een kosteloze toewijzing van emissierechten uit de bijzondere reserve voor de periode en kan nadere regels bepalen voor de kosteloze toewijzing van emissierechten uit de bijzondere reserve voor de periode.

 

§ 5.

De bevoegde autoriteit bezorgt de aanvragen die zijn ontvangen conform paragraaf 2, aan de Nationale Klimaatcommissie uiterlijk op 30 september van het derde jaar van de periode waarop ze betrekking hebben. De Nationale Klimaatcommissie bezorgt de aanvragen op haar beurt aan de Europese Commissie.

 

§ 6.

De bevoegde autoriteit berekent de volgende hoeveelheden en maakt ze bekend in het Belgisch Staatsblad binnen drie maanden na de datum waarop de Europese Commissie haar Bijzondere Reserve-emissierechtenbesluit neemt:

de totale hoeveelheid emissierechten die uit de bijzondere reserve voor de periode wordt toegewezen aan elke vliegtuigexploitant waarvan de aanvraag bij de Europese Commissie is ingediend conform paragraaf 5;
de hoeveelheid emissierechten die is toegewezen aan elke vliegtuigexploitant voor elk volledig kalenderjaar dat overblijft in de periode.


In het eerste lid wordt verstaan onder Bijzondere Reserve-emissierechtenbesluit: het besluit van de Europese Commissie, vermeld in artikel 3septies, vijfde lid, van Richtlijn 2003/87/EG.


Afdeling 4.
Emissiemonitoringplan en emissieverslag


Art. 8.3.6.

§ 1.

Een vliegtuigexploitant beschikt jaarlijks uiterlijk op 1 januari over een goedgekeurd emissiemonitoringplan. Het emissiemonitoringplan wordt binnen vier maanden na de indiening door de vliegtuigexploitant geverifieerd en, in voorkomend geval, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit. Goedgekeurde emissiemonitoringplannen worden door de bevoegde autoriteit ter bekrachtiging voorgelegd aan de Nationale Klimaatcommissie.


In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering vanaf wanneer een vliegtuigexploitant die een luchtvaartactiviteit aanvangt na 31 december 2012, moet beschikken over een goedgekeurd emissiemonitoringplan. De vliegtuigexploitant past zijn goedgekeurde emissiemonitoringplan aan en legt het opnieuw ter goedkeuring voor aan de bevoegde autoriteit als er zich tijdens het lopende kalenderjaar nader door de Vlaamse Regering te bepalen wijzigingen voordoen die een impact hebben op de monitoringmethodologie. Het emissie-monitoringplan wordt binnen vier maanden na de indiening door de vliegtuigexploitant geverifieerd en, in voorkomend geval, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.


De Vlaamse Regering kan nadere regels en procedures bepalen voor de inhoud, de indiening, de verificatie en de goedkeuring van een emissiemonitoringplan en voor de wijziging of de verbetering ervan.

 

§ 2.

Een vliegtuigexploitant dient elk jaar uiterlijk op de tweede donderdag van de maand maart een als bevredigend geverifieerd emissieverslag in samen met het verificatierapport. De bevoegde autoriteit controleert of het emissieverslag is geverifieerd conform de criteria, vermeld in bijlage V van Richtlijn 2003/87/EG en de verordening nr. 600/2012, en keurt het emissieverslag in voorkomend geval goed.


Een vliegtuigexploitant waarvan het emissieverslag van het voorgaande kalenderjaar uiterlijk op 31 maart van het lopende jaar niet is geverifieerd als bevredigend, mag geen emissierechten meer overdragen tot het rapport als bevredigend is geverifieerd.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels en procedures bepalen voor de inhoud, de indiening, de verificatie, de controle en de goedkeuring van een emissieverslag.

 

§ 4.

Een vliegtuigexploitant levert elk jaar uiterlijk tegen 30 april emissierechten in ter dekking van de CO2-emissies van het voorgaande jaar.


De Vlaamse Regering kan voor het inleveren van emissierechten nadere regels en procedures bepalen.


Hoofstuk IV.
Steunprogramma's voor de toepassing van flexibiliteitsmechanismen


Afdeling 1.
Algemene bepaling


Art. 8.4.1.

De Vlaamse Regering kan tegemoetkomingen verstrekken in de administratieve kosten die gepaard gaan met de voorbereiding van en de deelname aan projecten in het kader van de flexibiliteitsmechanismen Gezamenlijke Uitvoering en het Mechanisme voor Schone Ontwikkeling, vermeld in het Protocol van Kyoto.


De Vlaamse Regering kan ook tegemoetkomingen verstrekken in de uitvoering van projecten in het kader van de flexibiliteitsmechanismen, vermeld in het eerste lid, met het oog op de verwerving van emissierechten door de Vlaamse overheid.


Afdeling 2.
Hoogte van de tegemoetkoming


Art. 8.4.2.

De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte van de tegemoetkomingen en de kosten die in aanmerking komen, vermeld in deze afdeling, en de nadere regels voor de aanvraag, de beoordeling van de aanvragen en de toekenning van de tegemoetkomingen.


De tegemoetkomingen, vermeld in het eerste lid, kunnen de vorm aannemen van een subsidie, een lening tegen een verlaagde rentevoet, een voorschot of een ander geldelijk voordeel.


Art. 8.4.3.

§ 1.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere uitvoeringsvoorwaarden en regels voor het inzetten van de flexibiliteitsmechanismen, vermeld in het Protocol van Kyoto of zoals uitgewerkt in Europese of internationale wetgeving of akkoorden.


Wat betreft de aankoop, de inzet en de verkoop van emissierechten, voortvloeiend uit de flexibiliteitsmechanismen, vermeld in het Protocol van Kyoto of zoals uitgewerkt in Europese of internationale wetgeving of akkoorden, bepaalt de Vlaamse Regering:

de kwantitatieve doelstellingen;
de strategie;
de aard van de emissierechten;
de in te zetten kanalen;
de financieringswijze.


De Vlaamse Regering kan ook kwalitatieve randvoorwaarden vaststellen voor de aankoop en inzet van emissierechten, voortvloeiend uit de flexibiliteitsmechanismen, vermeld in het Protocol van Kyoto of zoals uitgewerkt in Europese of internationale wetgeving of akkoorden.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast voor de goedkeuring van projecten in het kader van de flexibiliteitsmechanismen Gezamenlijke Uitvoering en het Mechanisme voor Schone Ontwikkeling, vermeld in het Protocol van Kyoto, en de voorwaarden voor deelname van een particuliere of openbare organisatie aan deze projecten. De Vlaamse Regering kan besluiten om voor de administratieve behandeling van die projectaanvragen de vaste kosten en de dossierkosten te laten aanrekenen aan de indiener van het verzoek tot goedkeuring van het project. De Vlaamse Regering bepaalt ook de hoogte en de betalingswijze van die kosten. De inkomsten die voortvloeien uit die kosten, worden toegewezen aan het klimaatfonds.


Hoofdstuk V.
Sancties


Art. 8.5.1.

Het Departement Omgeving, legt aan de exploitant van een BKG-installatie of de vliegtuigexploitant een administratieve geldboete op voor elke ton CO2-equivalent die uitgestoten wordt en waarvoor met toepassing van artikel 8.2.1, § 1, of artikel 8.3.6, § 4, geen emissierechten zijn ingeleverd. Per ton uitgestoten CO2-equivalent bedraagt de administratieve geldboete 100 euro. De betaling van de boete wegens emissieoverschrijding ontslaat de exploitant van een BKG-installatie of de vliegtuigexploitant niet van de verplichting, bij de inlevering van emissierechten in verband met het volgende kalenderjaar, een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de emissieoverschrijding.


In het eerste lid wordt verstaan onder exploitant van een BKG-installatie: de houder(s) van de milieuvergunning(en) van de BKG-installatie.


De administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf 1 januari 2014 overeenkomstig het Europese indexcijfer van de consumptieprijzen verhoogd.


De Vlaamse Regering neemt maatregelen om de publicatie te verzekeren van de namen van de exploitanten of de vliegtuigexploitanten die onvoldoende emissierechten inleveren om te voldoen aan de verplichtingen die opgelegd zijn met toepassing van artikel 8.2.1, § 1, of artikel 8.3.6, § 4.


Art. 8.5.2.

§ 1.

Aan een vliegtuigexploitant die op 1 januari van elk jaar niet beschikt over een goedgekeurd emissiemonitoringplan als vermeld in artikel 8.3.6, § 1, eerste lid, kan een administratieve geldboete worden opgelegd die minimaal 5000 euro en maximaal 450.000 euro bedraagt.


In afwijking van het eerste lid kan vanaf het moment dat de vliegtuigexploitant moet beschikken over een goedgekeurd emissiemonitoringplan vastgesteld door de Vlaamse Regering, en daarna jaarlijks op 1 januari, aan een vliegtuigexploitant, als vermeld in artikel 8.3.6, § 1, tweede lid, een administratieve geldboete worden opgelegd die minimaal 5000 euro en maximaal 450.000 euro bedraagt.


De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de berekening van de administratieve geldboete.

 

§ 2.

Aan een vliegtuigexploitant die uiterlijk op 31 maart van elk jaar geen emissieverslag dat geverifieerd is conform verordening nr. 600/2012, heeft ingediend conform artikel 8.3.6, § 2, van dit decreet, kan een administratieve geldboete worden opgelegd die minimaal 5000 euro en maximaal 450.000 euro bedraagt.


De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de berekening van de administratieve geldboete.


Art. 8.5.3.

De bevoegde autoriteit kan de federale overheid adviseren om de Nationale Klimaatcommissie te gelasten de Europese Commissie te verzoeken een exploitatieverbod op te leggen aan een vliegtuigexploitant die niet voldoet aan de bepalingen, vermeld in hoofdstuk III, als de naleving van hetgeen bij of krachtens hoofdstuk III bepaald is, niet met andere handhavingsmaatregelen kan worden gegarandeerd.


Art. 8.5.4.

§ 1.

De betrokkene wordt van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete op de hoogte gebracht met een aangetekende brief. De met redenen omklede kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete.

 

§ 2.

Als de betrokkene het oneens is met de administratieve geldboete, opgelegd conform artikel 8.5.1 of 8.5.2, kan hij, binnen tien kalenderdagen na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, de ambtenaren die daarvoor aangewezen zijn door de Vlaamse Regering, daarvan op de hoogte brengen met een aangetekende brief. Na het verstrijken van die termijn is de beslissing definitief.


De betrokkene kan op zijn verzoek de documenten op basis waarvan de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete conform artikel 8.5.1 of 8.5.2 is genomen, inzien en er een kopie van ontvangen.
De betrokkene kan op zijn verzoek zijn verweer met betrekking tot de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete conform artikel 8.5.1 of 8.5.2 mondeling toelichten.


De bevoegde ambtenaren kunnen hun beslissing herroepen of het bedrag van de administratieve geldboete aanpassen als de tegenargumenten gegrond blijken te zijn. In dat geval vindt een nieuwe kennisgeving plaats.

 

§ 3.

De administratieve geldboete wordt betaald binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van de definitieve beslissing. De ambtenaren die daarvoor aangewezen zijn door de Vlaamse Regering, kunnen uitstel van betaling verlenen voor een door hen bepaalde termijn.

 

§ 4.

Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de administratieve geldboete, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die daarvoor door de Vlaamse Regering is aangewezen. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of per aangetekende brief. Op het dwangbevel zijn de bepalingen, vermeld in deel V van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing.

 

§ 5.

De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.


Art. 8.5.5. De inkomsten die voortvloeien uit de opbrengst van de administratieve geldboetes, vermeld in dit hoofdstuk, worden rechtstreeks toegewezen aan het klimaatfonds.

Titel X.
Agentschappen


Hoofdstuk I.
Inleidende bepalingen


Art. 10.1.1.

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :

Bestuursdecreet: het Bestuursdecreet van 7 december 2018 ;
Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
samenwerkingsakkoord verpakkingsafval : samenwerkingsakkoord van 30 mei 1996 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval;
Bodemsaneringsdecreet : decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering;
[...]
decreet integraal waterbeleid : het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
OVAM : Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;
[VMM : Vlaamse Milieumaatschappij;]
[...]

 


Hoofdstuk II.
De Vlaamse Milieumaatschappij


Afdeling 1.
Oprichting


Art. 10.2.1.

§ 1.

Er wordt een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid opgericht zoals bedoeld in artikel III.4 tot en met III.6 van het Bestuursdecreet. Dat agentschap heeft als naam [Vlaamse Milieumaatschappij]. Het is de rechtsopvolger van de Vlaamse Milieumaatschappij, bedoeld in artikel 32bis, § 1, wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, zoals gewijzigd door het decreet van 12 december 1990.

 

§ 2.

De Vlaamse regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein het agentschap behoort.


Afdeling 2.
Missie, taken en bevoegdheden


Art. 10.2.2.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] heeft als missie bij te dragen tot de realisatie van de doelstellingen van het milieubeleid, bedoeld in artikel 1.2.1, § 1, door het voorkomen, beperken en ongedaan maken van schadelijke effecten voor watersystemen, verontreiniging van de atmosfeer [...], en tot de realisatie van de doelstellingen van het integraal waterbeleid, bedoeld in artikel 1.2.2. van het decreet integraal waterbeleid.


Art. 10.2.3.

§ 1.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] heeft als taak om bij te dragen tot het integraal waterbeleid, bedoeld in artikel 1.2.1. van het decreet integraal waterbeleid.

 

De [Vlaamse Milieumaatschappij] vervult deze taak onder meer door :

het verzamelen, beoordelen en verwerken van gegevens en informatie door : 
a) het meten van de toestand – met name de kwantiteit, de kwaliteit en de ecologische waarde – van watersystemen;
b) het agentschap is evenwel niet bevoegd voor het meten van de waterkwantiteit van de waterwegen; 
c) het inventariseren van de rechtstreekse of onrechtstreekse emissies van verontreinigingsfactoren in watersystemen en van de bronnen ervan; 
d) het inventariseren van andere vormen en bronnen van schadelijke effecten voor watersystemen; 
e) de modellering en de scenario-ontwikkeling; 
f) het beoordelen van de hierboven bedoelde gegevens en informatie; het verwerken van de hierboven bedoelde gegevens en informatie met het oog op het rapporteren en informeren hierover;
het opstellen en continu bijstellen van water- en vuilvrachtbalansen per stroomgebied en bekken; 
de coördinatie en de organisatie van de planning van het integraal waterbeleid, in samenwerking binnen het beleidsdomein en onder coördinatie van de Vlaamse regering, door :  
a) het verzorgen van het secretariaat en het ondersteunen van de planningscel van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW), bedoeld in artikel 1.5.2.2. van het decreet integraal waterbeleid, met het oog op :
b) het opmaken van de waterbeleidsnota;
c) het opmaken van de stroomgebiedbeheerplannen, inclusief de maatregelenprogramma’s; 
d) de organisatie van het openbaar onderzoek bij de stroomgebiedbeheerplannen;
e) het deelnemen aan de werkzaamheden van de bekkensecretariaten, vermeld in artikel 1.5.3.3. van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, onder meer door de coördinatie van het opmaken van de stroomgebiedbeheerplannen, de bekkenvoortgangsrapporten en de wateruitvoeringsprogramma's;
het verzorgen van de inbreng van het beleidsdomein in de planning van het integraal waterbeleid, in samenwerking binnen het beleidsdomein;
[...]
het uitvoeren van de analyses en beoordelingen van de kenmerken van het stroomgebiedsdistrict, de effecten van de menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater en van het watergebruik, bedoeld in artikel 1.7.3.1. van het decreet integraal waterbeleid; 
het uitbrengen van het advies bij de watertoets, bedoeld in artikel 1.3.1.1, § 3, van het decreet integraal waterbeleid, voor die gevallen waarin de [Vlaamse Milieumaatschappij] door de Vlaamse regering is aangewezen als adviesverlenende instantie; 
het opstellen, controleren en opvolgen van de investeringsprogramma’s en de subsidiëringsprogramma’s voor de zuivering van het afvalwater dat geloosd wordt in de openbare riolen en collectoren; de aansturing van de uitbouw van het gemeentelijke rioleringsnet met inbegrip van subsidiëring en het ecologisch en economisch toezicht op de uitbouw en het beheer van de zuiveringsinfrastructuur;
het beheren van het grondwater [...] en de voorstellen voor afbakening van waterwingebieden en beschermingszones;  
10° met betrekking tot de onbevaarbare waterlopen :
  a) de coördinatie van de uitvoering van de wet op de onbevaarbare waterlopen;
  b) het bijhouden van de Vlaamse Hydrografische Atlas;
  c) het beheren van onbevaarbare waterlopen van eerste categorie, [...]
  d) het beheren van de eigendommen van het Vlaamse Gewest van de niet-geklasseerde onbevaarbare waterlopen; 
11° het bijdragen aan de normering en de karakterisering van de waterbodems, en het beheer van de waterbodems van de waterlopen van de eerste categorie [...] niet wordt overgedragen aan het waterschap;
12° het controleren en opvolgen van de werking van de polders en wateringen en de technische ondersteuning en subsidiëring van hun waterbeheer;
13° [...]
14° het bijdragen aan de beleidsvoorbereiding en het controleren en opvolgen van de ecologische aspecten van water bestemd voor menselijke aanwending;
15° het organiseren, controleren, opvolgen en ambtshalve optreden inzake de rattenbestrijding in het Vlaamse Gewest, het effectief bestrijden van ratten in of nabij oppervlaktewaterlichamen die onder de bevoegdheid vallen van het Vlaamse Gewest of in gebieden waarover een overeenkomst werd afgesloten;
16° het vestigen, innen en invorderen van de heffing waterverontreiniging en grondwater zoals vermeld in hoofdstuk II van titel IV van het decreet integraal waterbeleid;
17° het ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen om de schadelijke effecten voor de watersystemen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.
18° [toezicht op de waterdistributiemaatschappijen met betrekking tot de doorrekening van de kosten verbonden aan de saneringsverplichting;] 
19° het op eenvoudig verzoek van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, de Vennootschap bedoeld in artikel 2.6.1.1.1. van het decreet integraal waterbeleid, de gemeenten, de gemeentebedrijven, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteiten die door de gemeente belast zijn met en instaan voor de aanleg, het aanpassen, het onderhoud of de exploitatie van gemeentelijke saneringsinfrastructuur, meedelen van gegevens waarover de VMM beschikt van heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en artikel 4.2.2.5.1. van het decreet integraal waterbeleid, voor zover die noodzakelijk zijn in het kader van de aanrekening van de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1 van het decreet integraal waterbeleid, en de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.2.1 en artikel 2.6.2.2, § 4, van het decreet integraal waterbeleid;
20° het opmaken van zoneringsplannen voor de sanering van het afvalwater. De zoneringsplannen maken een onderscheid tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden met individuele sanering. In uitvoering van één of meerdere zoneringsplannen wordt een gebiedsdekkend uitvoeringsplan per zuiveringsgebied opgemaakt waarin de uitvoering en de timing van de projecten met betrekking tot respectievelijk de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting geregeld zijn, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten. Deze zonerings- en uitvoeringsplannen worden bindend voor derden na goedkeuring door de Vlaamse Regering]
21° het ondersteunen van de uitbouw van grijswatercircuits ter bescherming van de kwetsbare watervoerende lagen door subsidiëring van grijswaterleveranciers.

 

[Met betrekking tot de in § 1, tweede lid, 8°, bepaalde taak kan tegen de beslissingen van de ecologische en economische toezichthouder beroep worden ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de voorwaarden.]

 

§ 2.

De taken van de Vlaamse Milieumaatschappij met betrekking tot de verontreiniging van de atmosfeer zijn :

het verzamelen, beoordelen en verwerken van gegevens en informatie door :
  a) het meten van de verontreiniging van de atmosfeer;
b) het inventariseren van de emissies van verontreinigingsfactoren in de atmosfeer en van relevante bronnen ervan;
c) de modellering en de scenario-ontwikkeling;
d) het beoordelen van de hierboven vermelde gegevens en informatie;
e) het verwerken van de hierboven vermelde gegevens en informatie met het oog op het rapporteren en informeren hierover;
2°  het bijdragen tot ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen om de verontreiniging van de atmosfeer te voorkomen en te beperken;
[...]

 

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

In het kader van haar missie en taken levert de [Vlaamse Milieumaatschappij] een bijdrage aan het beleid inzake de ingedeelde inrichtingen en activiteiten, bedoeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.


Art. 10.2.4.

§ 1.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] kan alle activiteiten verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot het vervullen van haar missie of taken.

 

§ 2.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] kan de onroerende goederen verwerven die nuttig zijn voor de uitvoering van haar missie en taken. Ze kan die goederen tevens vervreemden als ze niet langer nuttig zijn.

De Vlaamse regering kan de [Vlaamse Milieumaatschappij] machtigen tot onteigening in de gevallen waarin ze oordeelt dat het verkrijgen van de goederen in kwestie noodzakelijk is voor het algemeen belang.

 

§ 3.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] kan wetenschappelijk onderzoek laten uitvoeren voor zover dat nuttig is voor de uitvoering van haar taken.

 

§ 4.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] kan, voor zover dat wenselijk is, laboratoria oprichten om analyses of metingen van lucht, water of hinder uit te voeren, maar kan deze ook laten uitvoeren in door de Vlaamse regering erkende of volgens de geldende internationale normen geaccrediteerde laboratoria. De Vlaamse regering kan een referentielaboratorium aanwijzen.

 

§ 5.

[De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in §§ 1 tot en met 3 van artikel [10].2.3 vermelde taken.]

 

§ 6.

In afwijking van de vorige paragrafen van dit artikel wordt de Vlaamse Milieumaatschappij, na goedkeuring door de Vlaamse Regering, gemachtigd om de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en/of de bijhorende gronden te verkopen aan de NV Aquafin. 


Afdeling 3.
Financiële middelen


Art. 10.2.5.

§ 1.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] kan beschikken over de volgende ontvangsten :

dotaties;
leningen;
fiscale heffingen voor zover ze bij decreet toegewezen zijn aan de [Vlaamse Milieumaatschappij];
retributies voor zover ze bij decreet toegewezen zijn aan de [Vlaamse Milieumaatschappij];
ontvangsten uit daden van beheer of beschikking met betrekking tot eigen domeingoederen;
prijzen, schenkingen en legaten in contanten;
inkomsten uit eigen participaties en uit door de [Vlaamse Milieumaatschappij] verstrekte leningen aan derden;
opbrengsten uit de verkoop van eigen participaties;
de subsidies waarvoor de [Vlaamse Milieumaatschappij] als begunstigde in aanmerking komt;
10° terugvorderingen van ten onrechte gedane uitgaven;
11° vergoedingen voor prestaties aan derden [...];
12° opbrengsten uit intellectuele rechten;
13° de inkomsten voortvloeiend uit :
a) [...]
b) de vrijwillige, contractuele, reglementaire of decretale bijdragen van natuurlijke personen, rechtspersonen, openbare besturen en instellingen ter verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in artikelen 5, 8, 9 en 13 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, van titel V van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen en van titel V van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders4;
c) de opbrengst van administratieve geldboeten en alle bedragen welke door de diensten van het Vlaamse Gewest worden geïnd ten laste van de overtreders van de wetgeving en reglementering inzake waterhuishouding, polders en wateringen;
d) de opbrengsten van concessies verhuur en van vervreemdingen van eigendommen, installaties en aanhorigheden, die verworven werden met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake waterhuishouding, polders en wateringen;
e) het aandeel van mede-opdrachtgevende overheden in projecten inzake waterhuishouding waar de Vlaamse Milieumaatschappij conform de regelgeving overheidsopdrachten in het kader van een samengevoegde opdracht optreedt als aanbestedende overheid en het aandeel van de mede-opdrachtgevende overheden voorfinanciert;
14° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen naar privaat of publiek recht die door hun activiteiten de schade bedoeld bij het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer kunnen veroorzaken of verergeren en ten aanvullende titel door leningen op korte termijn waaraan de Vlaamse Regering de gewestwaarborg kan hechten. De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van elk soort inkomsten en de criteria om te bepalen wie bijdrageplichtig is, het bedrag en de modaliteiten van de inning. 

 

 

§ 2.

Tenzij anders is bepaald in een decreet worden de ontvangsten, bedoeld in § 1, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de in paragraaf 1, 13° en 14°, genoemde ontvangsten te beschouwen als toegewezen ontvangsten. Zij mogen aangewend worden in het kader van het beleid inzake de waterhuishouding, en voor de Polders en Wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

[...]

 

§ 3.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] kan schenkingen of legaten aanvaarden. Het hoofd van het agentschap beoordeelt vooraf de opportuniteit en de risico’s van de aanvaarding.

 

§ 4.

De [Vlaamse Milieumaatschappij] kan de kennis die ze heeft opgedaan bij de uitvoering van haar missie en taken te gelde maken in het binnen- en buitenland.

 

§ 5.

Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor de Waterhuishouding opgericht;
het Fonds voor de Waterhuishouding wordt gestijfd door de in § 1, 13° en 14°, vermelde ontvangsten;
het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Fonds voor de Waterhuishouding opgericht bij decreet van 22 november 1995, artikel 17, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;
3°/1 het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Schadefonds opgericht bij decreet van 24 januari 1984 en gewijzigd bij decreet van 12 december 1990, worden overgedragen naar het Fonds voor deWaterhuishouding, opgericht bij dit decreet;
de middelen van het Fonds voor de Waterhuishouding kunnen aangewend worden voor al wat dienen kan in het raam van het beleid inzake waterhuishouding, en voor de polders en de wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

§ 6.

[...]


Hoofdstuk III.
De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij


Afdeling 1.
Oprichting


Art. 10.3.1.

§ 1.

Er wordt een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid opgericht als bedoeld in artikel III.4 tot en met III.6 van het Bestuursdecreet. Dat agentschap heeft als naam Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Het is de rechtsopvolger van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest, bedoeld in artikel 38 van Afvalstoffendecreet.

 

§ 2.

De Vlaamse regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein het agentschap behoort.


Afdeling 2.
Missie, taken en bevoegdheden


Art. 10.3.2.

De OVAM heeft als missie bij te dragen tot de realisatie van de doelstellingen van het milieubeleid, bedoeld in artikel 1.2.1, § 1, door bij te dragen tot een duurzaam beheer van materiaalkringlopen en tot de realisatie van de doelstellingen van het afvalstoffenbeleid, vermeld in artikel 4 van het Materialendecreet, en door de uitvoering van een bodemsaneringsbeleid, overeenkomstig het Bodemsaneringsdecreet.


Art. 10.3.3.

§ 1.

De taken van de OVAM met betrekking tot het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen zijn :

het ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen voor de bevordering van het zuinige gebruik van grondstoffen, onder meer door zo veel mogelijk de materiaalkringlopen te sluiten;
het bevorderen van de kwaliteit van producten en productieprocessen met aandacht voor kwalitatieve en kwantitatieve preventie voor wat betreft het gebruik van grondstoffen, het verspreiden van milieugevaarlijke stoffen en het voorkomen van afval;
het ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen voor de bevordering van een duurzaam consumptiegedrag, voor wat betreft het gebruik van grondstoffen, het verspreiden van milieugevaarlijke stoffen en het voorkomen van afval;
het ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen voor een veilig beheer van milieugevaarlijke stoffen en voor het voorkomen en zo nodig beperken van lekken van milieugevaarlijke stoffen uit stoffenkringlopen;
ter aanvulling van de vorige taken, de sturing en coördinatie van de inzameling en de veilige verwijdering van afvalstoffen alsmede de ambtshalve verwijdering ervan;
het ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen om de correcte werking van de afvalstoffenmarkt te garanderen.

 

 

§ 2.

De OVAM vervult deze taken onder meer door :

 

 het verzamelen, beoordelen en verwerken van gegevens en informatie door :
a) het inventariseren van afvalstoffen en materiaalkringlopen, met een bijzondere aandacht voor milieugevaarlijke stoffen;
b) het inventariseren van relevante bronnen van afvalstoffen en van processen waaruit afvalstoffen voortkomen;
c) de modellering en de scenario-ontwikkeling;
d) het beoordelen van de hierboven bedoelde gegevens en informatie;
e) het verwerken van de hierboven bedoelde gegevens en informatie met het oog op het rapporteren en informeren hierover;
het ontwerpen van preventieprogramma’s en uitvoeringsplannen als vermeld in artikel 17 en 18 van het Materialendecreet, alsook het controleren en opvolgen van de uitvoering van voormelde preventieprogramma’s en uitvoeringsplannen en het voorbereiden en mee uitwerken van programma’s overeenkomstig de geldende internationale en Europese voorschriften, waarvan de uitvoering binnen het toepassingsgebied van het Materialendecreet valt;
het sluiten van overeenkomsten met de gemeenten of verenigingen van gemeenten ter bevordering of begeleiding van de organisatie van de selectieve ophaling of inzameling van huishoudelijke afvalstoffen als vermeld in artikel 27 van het Materialendecreet;
het voorbereiden van de onderhandelingen met het oog op het sluiten van de milieubeleidsovereenkomsten, vermeld in het Materialendecreet;
het behandelen van de aanvragen en het adviseren van de Vlaamse Regering over de erkenning, vermeld in artikel 7 van het Materialendecreet;
het leveren van een bijdrage aan het beleid inzake de ingedeelde inrichtingen en activiteiten, bedoeld in titel V;
het uitvoeren van de taken in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, vermeld in artikel 21 van het Materialendecreet, en de terugnameplicht, vermeld in het samenwerkingsakkoord Verpakkingsafval;
het vestigen, innen en invorderen van de milieuheffing op de verwerking van afvalstoffen, vermeld in artikel 44 tot en met artikel 65 van het Materialendecreet;
de behandeling van subsidieaanvragen, vermeld in artikel 15 van het Materialendecreet;
10° het opvolgen en controleren van materiaalstromen.
11° het optreden als bevoegde autoriteit voor het Vlaamse Gewest in het kader van de Europese regelgeving betreffende de overbrenging van afvalstoffen.
12° het adviseren van de Vlaamse Regering over de afwijkingen van de hiërarchie als vermeld in artikel 8 van het Materialendecreet. 
13° het optreden als bevoegde autoriteit voor het Vlaamse Gewest in het kader van de Europese regelgeving betreffende de scheepsrecycling in de zin van artikel 3, lid 1, 11, van de verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 ‘inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1013/2006 en van richtlijn 2009/16/EG.

 

 

§ 3.

De taken van de OVAM met betrekking tot de bodemsanering zijn :

het ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen om nieuwe bodemverontreiniging te voorkomen;
het ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen om individuele en collectieve saneringen te stimuleren;
het saneren van de historische en nieuwe bodemverontreiniging, met inbegrip van de zorg om verlaten terreinen waar mogelijk opnieuw een nuttige functie te geven;
het ontwikkelen van instrumenten en het uitwerken van maatregelen om de correcte werking van de bodemsaneringsmarkt te garanderen.

 

 

§ 4.

De OVAM vervult deze taken onder meer door :


het verzamelen, beoordelen en verwerken van gegevens en informatie door :
a)
het verzamelen van gegevens met betrekking tot bodemverontreiniging;
b)het verzamelen van gegevens over de factoren, inrichtingen en activiteiten die aanleiding gaven of kunnen geven tot bodemverontreiniging;
c)
het inventariseren van verontreinigde bodems;
d)
de modellering en de scenario-ontwikkeling;
e)
het beoordelen van de hierboven bedoelde gegevens;
f)
het verwerken van de hierboven bedoelde gegevens en informatie met het oog op het rapporteren en informeren hierover;

het in ontvangst nemen van en het uitvoeren van oriënterende bodemonderzoeken, het opleggen of uitvoeren van beschrijvende bodemonderzoeken, bodemsaneringsprojecten en bodemsaneringswerken, en het opleggen van maatregelen ter bewaking en controle na de uitvoering van de bodemsanering, het aanleggen van een databank voor identificatie en inventarisatie van verontreinigde of mogelijk verontreinigde gronden, het voorstellen van gebruiksbeperkingen en het opleggen van voorzorgsmaatregelen, het bevelen van dwangmaatregelen, het verzoeken om financiële zekerheden te stellen, het uitreiken van bodemattesten, bedoeld in het Bodemsaneringsdecreet;

mee te zorgen voor de handhaving van de regelgeving met betrekking tot bodemsanering;

het beheren van de regeling met betrekking tot uitgegraven bodem, bedoeld in het Bodemsaneringsdecreet.

 


Art. 10.3.4.

§ 1.

De OVAM kan alle activiteiten verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot het vervullen van haar missie of taken.

 

§ 2.

De OVAM kan de onroerende goederen verwerven die nuttig zijn voor de uitvoering van haar missie en taken. Ze kan die goederen tevens vervreemden als ze niet langer nuttig zijn.

 

De Vlaamse regering kan de OVAM machtigen tot onteigening in de gevallen waarin ze oordeelt dat het verkrijgen van de goederen in kwestie noodzakelijk is voor het algemeen belang.

 

§ 3.

De OVAM kan wetenschappelijk onderzoek laten uitvoeren voor zover dit nuttig is voor het vervullen van haar missie of taken.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

De OVAM kan de producten, die door terugwinning en regeneratie verkregen zijn, en de afvalstoffen die voor hergebruik geschikt zijn, op de markt brengen en verkopen.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in artikel 10.3.3 vermelde taken.


Afdeling 3.
Financiële middelen


Art. 10.3.5.

§ 1.

De OVAM kan beschikken over de volgende ontvangsten :

dotaties;
leningen;

fiscale heffingen voor zover ze bij decreet toegewezen zijn aan de OVAM;
retributies voor zover ze bij decreet toegewezen zijn aan de OVAM;
ontvangsten voortvloeiend uit daden van beheer of beschikking met betrekking tot eigen domeingoederen;
prijzen, schenkingen en legaten in contanten;
inkomsten uit eigen participaties en uit door de OVAM verstrekte leningen aan derden;
opbrengsten uit de verkoop van eigen participaties;
de subsidies waarvoor de OVAM als begunstigde in aanmerking komt;
10° terugvorderingen van ten onrechte gedane uitgaven;
11° vergoedingen voor prestaties aan derden [...];
12° opbrengsten uit intellectuele rechten;
13° inkomsten uit het op de markt brengen en verkopen van producten, die door terugwinning en regeneratie verkregen zijn, en de afvalstoffen die voor hergebruik geschikt zijn;
14° teruggevorderde middelen uit ambtshalve verwijdering van afvalstoffen en ambtshalve bodemsanering.

 

 

§ 2.

Tenzij anders is bepaald in een decreet worden de ontvangsten, bedoeld in § 1, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.

 

§ 3.

De OVAM kan schenkingen of legaten aanvaarden. Het hoofd van het agentschap beoordeelt vooraf de opportuniteit en de risico’s verbonden aan de aanvaarding.

 

§ 4.

De OVAM kan de kennis die ze heeft opgedaan bij de uitoefening van haar missie en taken te gelde maken in binnen- en buitenland.


Hoofdstuk IV.
[...]


Hoofdstuk V.
[...]


Hoofdstuk VI.
Gemeenschappelijke bepalingen


Afdeling 1.
Bestuur en werking


Art. 10.6.1.

De bepalingen van het Bestuursdecreet zijn van toepassing op de agentschappen, bedoeld in deze titel.

 

De agentschappen, bedoeld in deze titel, streven hun missie na en voeren hun taken uit om een bijdrage te leveren aan de beleidsvoorbereiding, met inbegrip van de milieuplanning en de regelgeving, of om het vastgestelde beleid uit te voeren. De beleidsvoorbereiding en de beleidsuitvoering maken het voorwerp uit van de door de Vlaamse regering en het departement aangestuurde beleids- en beheerscyclus.

 

De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen met betrekking tot het bestuur en de werking van de agentschappen, bedoeld in deze titel.


Afdeling 2.
Raadgevend comité


Art. 10.6.2.

De Vlaamse regering kan op voorstel van het hoofd van een in deze titel bedoeld agentschap een raadgevend comité oprichten.

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen betreffende de taak, de samenstelling en de werking van het raadgevend comité en een vergoeding bepalen voor de leden ervan.


Afdeling 3.
Relatie met andere bestuursniveaus, beleidsdomeinen en actoren, inhoudelijke euro samenwerking en coördinatie


Art. 10.6.3.

In het kader van hun missie en taken dragen de in deze titel bedoelde agentschappen, in samenwerking binnen het beleidsdomein en gecoördineerd door de Vlaamse regering en het departement, bij tot :

de internationale, Europese, bovengewestelijke en intergewestelijke samenwerking en besluitvorming op milieugebied;
het stimuleren van de realisatie van de doelstellingen van het milieubeleid door andere beleidsdomeinen en de uitbouw van vormen van samenwerking hiervoor;
de realisatie van vormen van samenwerking met lokale overheden;
de realisatie van vormen van samenwerking met niet-gouvernementele organisaties en belangengroepen.

Art. 10.6.4.

In het kader van hun missie en taken dragen de in deze titel bedoelde agentschappen, in samenwerking binnen het beleidsdomein en gecoördineerd door de Vlaamse regering en het departement, bij tot :

de volledige omzetting en toepassing van het internationaal en Europees milieurecht en van de samenwerkingsakkoorden met de andere gewesten;
de communicatiestrategie en -planning van het beleidsdomein, met inbegrip van sensibilisering en informatieverstrekking;
de realisatie van een breed maatschappelijk draagvlak voor hun missie en het bevorderen van de maatschappelijke participatie daarin;
het gecoördineerde doelgroepenbeleid van het beleidsdomein;
de ontwikkeling van een zo goed mogelijk geïntegreerd instrumentarium voor het milieubeleid;
het bepalen van de informatiebehoefte, de geïntegreerde inzameling van gegevens en informatie en het geïntegreerd informatiebeheer;
de geïntegreerde aansturing van het wetenschappelijk onderzoek.

 


Titel XI.
Strategische advisering


Hoofdstuk I.
Inleidende bepalingen


Art. 11.1.1. Definities

In dit decreet wordt verstaan onder ontwerpen van besluit van de Vlaamse regering die van strategisch belang zijn : ontwerpen van reglementair of organiek besluit die uitvoering geven aan de inhoud van een decreet en door de Vlaamse regering worden beschouwd als basisuitvoeringsbesluiten.

Art. 11.1.2. Oprichting

Er wordt een strategische adviesraad voor het milieubeleid ingesteld, zoals bedoeld in artikel III.93, eerste lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.

 

Deze Raad functioneert als de strategische adviesraad van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie.

 

De strategische adviesraad heeft als naam Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, hierna de MiNa-Raad te noemen. Hij heeft rechtspersoonlijkheid.

 

De bepalingen van titel III, hoofdstuk 3, afdeling 7, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 zijn van toepassing op de MiNa-Raad.


Hoofdstuk II.
Taakomschrijving


Art. 11.2.1. Opdracht

§ 1.

De MiNa-Raad heeft de opdracht om, vanuit het oogpunt van de doelstellingen en beginselen, geformuleerd in artikel 1.2.1 van dit decreet :

uit eigen beweging of op verzoek advies uit te brengen over de hoofdlijnen van het milieubeleid of over het beleid betreffende het milieuaspect van duurzame ontwikkeling;
bij te dragen tot het vormen van een beleidsvisie over het milieubeleid of over het beleid betreffende het milieuaspect van duurzame ontwikkeling;
de maatschappelijke en beleidsontwikkelingen inzake milieu en inzake het milieuaspect van duurzame ontwikkeling op de verschillende beleidsniveaus en in de verschillende beleidsdomeinen te volgen en te interpreteren;
advies uit te brengen over voorontwerpen van decreet met betrekking tot het milieubeleid of voorontwerpen van decreet, met betrekking tot andere beleidsdomeinen, die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
uit eigen beweging of op verzoek advies uit te brengen over voorstellen van decreet met betrekking tot het milieubeleid of over voorstellen van decreet met betrekking tot andere beleidsdomeinen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu;
uit eigen beweging of op verzoek advies uit te brengen over ontwerpen van besluit van de Vlaamse regering met betrekking tot het milieubeleid;
reflecties te leveren over de bij het Vlaams Parlement ingediende beleidsnota's aangaande het milieubeleid en het milieuaspect van duurzame ontwikkeling in Vlaanderen;
uit eigen beweging of op verzoek advies uit te brengen over ontwerpen van samenwerkingsakkoord van strategisch belang voor het beleid inzake milieu of het milieuaspect van duurzame ontwikkeling die het Vlaamse Gewest wil sluiten met de Staat of met andere gewesten, evenals over nationale plannen van strategisch belang voor het milieubeleid of voor het beleid betreffende het milieuaspect van duurzame ontwikkeling;
uit eigen beweging of op verzoek advies uit te brengen over beleidsvoornemens, beleidsplannen en in voorbereiding zijnde regelgeving op het niveau van de Europese Unie, alsook over in voorbereiding zijnde internationale verdragen, van strategisch belang voor het milieubeleid of voor het beleid betreffende het milieuaspect van duurzame ontwikkeling.

 

 

§ 2.

De Vlaamse regering is verplicht om advies te vragen over :

de voorontwerpen van decreet, bedoeld in § 1, 4°;
de ontwerpen van besluit van de Vlaamse regering die van strategisch belang zijn, bedoeld in § 1, 6°.

 

 

§ 3.

De Vlaamse regering kan gemotiveerd afwijken van de adviezen van de strategische adviesraad, bedoeld in § 2, en informeert de MiNa-Raad daarover.

 

§ 4.

De adviezen van de MiNa-Raad zijn openbaar.


Hoofdstuk III.
Samenstelling en organisatie


Art. 11.3.1. Samenstelling

§ 1.

De MiNa-Raad wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld die actief zijn in of gevat worden door het milieubeleid, uit onafhankelijke deskundigen inzake het milieu of het milieubeleid, evenals uit de vertegenwoordigers van steden, gemeenten en provincies.

 

§ 2.

De volgende organisaties of groeperingen uit het maatschappelijke middenveld zijn in de MiNa-Raad vertegenwoordigd :

de milieuverenigingen, waaronder elke organisatie begrepen wordt die opgericht is op particulier initiatief en zonder winstoogmerk, die hoofdzakelijk Vlaanderen als actieterrein heeft, die als centrale en ondubbelzinnige doelstelling heeft de bevordering van de milieubescherming of het natuurbehoud in de zin van artikel 1.2.1 van dit decreet, en die daartoe een brede beleidswerking ontplooit;
de sociaal-economische organisaties, waaronder elke organisatie begrepen wordt die opgericht is op particulier initiatief en zonder winstoogmerk, die hoofdzakelijk Vlaanderen als actieterrein heeft en die als centrale en ondubbelzinnige doelstelling heeft het verdedigen van de belangen van werkgevers en werknemers in de bedrijfswereld of specifieke economische sectoren of bedrijfstakken;
3°  de landbouworganisaties, waaronder elke organisatie begrepen wordt die opgericht is op particulier initiatief en zonder winstoogmerk, de organisaties vermeld onder 1° en 2° uitgezonderd, die het landbouwbelang vertegenwoordigen op Vlaams niveau;
de organisaties die verbonden zijn aan de open ruimte, waaronder elke organisatie begrepen wordt die opgericht is op particulier initiatief en zonder winstoogmerk, de organisaties vermeld onder 1°, 2° en 3° uitgezonderd, die een specifiek belang vertegenwoordigt op Vlaams niveau dat verband houdt met het economische of recreatieve gebruik van milieu en natuur in de open ruimte in Vlaanderen;
de socio-culturele organisaties die de belangen van consumenten en gezinnen vertegenwoordigen, waaronder elke organisatie begrepen wordt die opgericht is op particulier initiatief en zonder winstoogmerk, de milieuverenigingen uitgezonderd, die op Vlaams niveau de belangen vertegenwoordigt van de consumenten, de gezinnen of andere groepen in de samenleving en aldus belang heeft bij de goede staat van het leefmilieu of van de natuur in Vlaanderen.

 

 

§ 3.

Onder onafhankelijke deskundigen wordt begrepen : academici, milieudeskundigen die werken voor een onafhankelijk adviesbureau of als zelfstandige of andere personen die op grond van hun ervaring, engagement of deskundigheid gezag verworven hebben wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 1.2.1 van dit decreet.


Art. 11.3.2. Wijze van samenstellen

§ 1.

De MiNa-Raad bestaat uit vierentwintig leden, door de Vlaamse regering benoemd voor een termijn van vier jaar.

 

Daarvan worden er achttien vertegenwoordigers benoemd op voordracht van het maatschappelijke middenveld, met name :

voor de milieuverenigingen : acht vertegenwoordigers op voordracht van een koepelorganisatie, bedoeld in artikel 11, § 2, eerste lid, van het decreet van 29 april 1991 tot vaststelling van de algemene regelen inzake de erkenning en de subsidiëring van de milieuverenigingen, of op voordracht van gewestelijke ledenverenigingen die als zodanig erkend zijn op grond van datzelfde decreet, na advies van een koepelorganisatie;
voor de sociaal-economische organisaties : zes vertegenwoordigers op voordracht van de sociaal-economische organisaties vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, met inbegrip van één vertegenwoordiger van een landbouworganisatie;
voor de organisaties die verbonden zijn aan de open ruimte : twee vertegenwoordigers op voordracht van deze organisaties;
voor de socio-culturele organisaties die de belangen van consumenten en gezinnen vertegenwoordigen : twee vertegenwoordigers op voordracht van deze organisaties.

 

Twee leden worden benoemd op voordracht van de organisaties die de Vlaamse steden en gemeenten of de Vlaamse provincies vertegenwoordigen.

 

De overige vier leden zijn onafhankelijke deskundigen. Zij worden aangewezen na een openbare oproep tot kandidaatstelling.

 

§ 2.

De organisaties die optreden namens het maatschappelijke middenveld, evenals de organisaties die optreden namens steden, gemeenten of provincies, dragen bij elke voordracht zowel een effectieve vertegenwoordiger als ook een plaatsvervangend lid voor. Voor de onafhankelijke deskundigen wordt geen plaatsvervangend lid aangewezen.

 

§ 3.

De vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld en hun plaatsvervangers, evenals de vertegenwoordigers van steden, gemeenten en provincies en hun plaatsvervangers, worden voorgedragen op dubbele lijsten die in een evenwichtige vertegenwoordiging van man en vrouw voorzien.

 

§ 4.

De voorzitter van de MiNa-Raad wordt door de Vlaamse regering onder de leden benoemd. De voorzitter vertegenwoordigt de raad in rechte, onverminderd de mogelijkheid tot delegatie van die bevoegdheid.

 

§ 5.

De voordragende organisaties kunnen te allen tijde overgaan tot de vervanging van de door hen voorgedragen leden en plaatsvervangers, volgens de procedure, vermeld in § 3. Wanneer een vertegenwoordiger van het maatschappelijke middenveld zelf ontslag neemt, treedt de plaatsvervanger van rechtswege in zijn plaats, en duidt de Vlaamse regering een nieuwe plaatsvervanger aan op voordracht van de organisatie die het ontslagnemend lid voorgedragen had, volgens dezelfde procedure.

 

§ 6.

Wanneer een onafhankelijke deskundige ontslag neemt, wijst de Vlaamse regering een nieuw raadslid aan na een openbare oproep tot kandidaatstelling.

 

§ 7.

Wanneer uit het jaarverslag blijkt dat een raadslid zich kennelijk niet engageert in de werking van de Raad, dan wordt dat raadslid van rechtswege ontslagen. Een raadslid engageert zich kennelijk niet in de raadswerking wanneer het raadslid in een werkjaar noch aan de vergaderingen van werkcommissies, noch aan raadszittingen deelgenomen heeft. De Vlaamse regering duidt op dat moment en voor rest van de looptijd van het betrokken mandaat voor de desbetreffende categorie, zoals gedefinieerd in artikel 11.3.1, § 2, een nieuw raadslid aan, na openbare oproep tot kandidaatstelling.


Art. 11.3.3. Onafhankelijkheid

De leden van de MiNa-Raad oefenen hun functie uit in volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de Vlaamse overheid.

Hoofdstuk IV.
Werking


Art. 11.4.1. Interne werking

Inzake de werking van de MiNa-Raad, zijn artikel III.99 tot en met III.104 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 van toepassing.

 

De raad regelt zijn werking in een huishoudelijk reglement dat ten minste de samenstelling, werking en bevoegdheden van het dagelijks bestuur bepaalt, alsook de bevoegdheden van de voorzitter en de directeur. De directeur maakt van rechtswege deel uit van het dagelijks bestuur. Noch het dagelijks bestuur, noch de voorzitter, noch de directeur kunnen worden belast met het vaststellen van een advies.


Art. 11.4.2. Permanente werkcommissies

§ 1.

In de schoot van de MiNa-Raad worden permanente werkcommissies opgericht voor het natuurbeleid, het bosbeleid, het jachtbeleid, het binnenvisserijbeleid,  Natuur- en milieueducatie (NME) en Duurzame ontwikkeling.

 

§ 2.

De Vlaamse regering kan in de schoot van de MiNa-Raad nog andere permanente werkcommissies instellen betreffende onderdelen of aspecten van het milieubeleid waarvoor een specifieke deskundigheid bestaat en waarbij specifieke doelgroepen of maatschappelijke groepen aangesproken worden.

 

§ 3.

De samenstelling van deze permanente werkcommissies gebeurt, rekening houdende met de evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen, als volgt :

  1. de helft van de leden wordt door de Vlaamse regering geselecteerd en benoemd op grond van specifieke deskundigheid en op grond van specifieke representativiteit in verband met het onderwerp dat in de permanente werkcommissie behandeld wordt;
  2. de helft van de leden wordt door de Vlaamse regering geselecteerd en benoemd op grond van specifieke deskundigheid en op grond van een voordracht van de MiNa-Raad.

De permanente werkcommissies kunnen nooit meer dan 16 leden tellen.

 

§ 4.

De MiNa-Raad delegeert aan de permanente werkcommissies de voorbereiding van de activiteiten beschreven onder artikel 11.2.1, voorzover die activiteiten verband houden met het beleid dat het voorwerp uitmaakt van de opdracht van de werkcommissie.

 

§ 5.

De MiNa-Raad neemt steeds de eindbeslissing over de ontwerpadviezen en andere ontwerpdocumenten die tot stand komen in de permanente werkcommissies.


Art. 11.4.3. Financiële middelen

De MiNa-Raad verkrijgt de middelen voor zijn werking en voor de uitvoering van zijn opdracht uit :

dotaties;
eigen inkomsten.

 


Art. 11.4.4. Samenwerking

§ 1.

De MiNa-Raad kan, voor het onderzoeken van bijzondere vraagstukken, een beroep doen op deskundige derden, al dan niet tegen betaling.

 

§ 2.

De MiNa-Raad kan bij het vervullen van zijn opdracht onder meer volgende samenwerkingsvormen aangaan :

samenwerking met vergelijkbare adviesorganen buiten het Vlaamse Gewest, om informatie en ideeën uit te wisselen over het intergewestelijke, het nationale, het Europese en het internationale milieubeleid en het beleid inzake het milieuaspect van duurzame ontwikkeling;
samenwerking met andere strategische adviesraden van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, om over beleidsaangelegenheden te adviseren die verschillende beleidsdomeinen overspannen;
samenwerking met provinciale en gemeentelijke milieuadviesraden, om informatie en ideeën uit te wisselen over het Vlaamse, het provinciale of het gemeentelijke milieubeleid. 

 


Titel XV.
Milieuschade


HOOFDSTUK I.
Inleidende bepalingen


Afdeling I.
Definities


Art. 15.1.1.

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :

milieuschade : schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, schade aan water en bodemschade;
schade : een meetbare negatieve verandering in de natuurlijke rijkdommen of een meetbare aantasting van een ecosysteemfunctie, die direct of indirect optreedt;
natuurlijke rijkdommen : beschermde soorten en natuurlijke habitats, water en bodem;
functies en ecosysteemfuncties : de functies die de natuurlijke rijkdommen vervullen ten behoeve van andere natuurlijke rijkdommen of het publiek;
decreet Natuurbehoud : decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats : elke vorm van schade die aanmerkelijke negatieve effecten heeft op het bereiken of het handhaven van de gunstige staat van instandhouding van deze soorten of habitats. Deze effecten worden bepaald aan de hand van de criteria als vermeld in bijlage III. Deze schade omvat niet de vooraf vastgestelde negatieve effecten van handelingen van een exploitant waarvoor uitdrukkelijke toestemming werd gegeven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 36ter, §§ 3, 4 en 5, of met de bepalingen die genomen zijn ter uitvoering van artikelen 51 en 56 van het decreet Natuurbehoud wat betreft de vogelsoorten in bijlage IV van het decreet Natuurbehoud en de niet in die bijlage genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, en wat betreft de dieren plantensoorten van bijlage III van het decreet Natuurbehoud;
beschermde soorten en natuurlijke habitats :
  a) de vogelsoorten in bijlage IV van het decreet Natuurbehoud, de niet in bijlage IV genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, de dier- en plantensoorten in bijlage II of III van het decreet Natuurbehoud; 
  b) de habitats van de vogelsoorten in bijlage IV van het decreet Natuurbehoud, de habitats van de niet in bijlage IV genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, de habitats van de dier- en plantensoorten in bijlage II van het decreet Natuurbehoud, de habitats genoemd in bijlage I van het decreet Natuurbehoud en de voortplantings- en rustplaatsen van de soorten in bijlage III van het decreet Natuurbehoud;
  c) de soorten en de habitats, niet vermeld in de bijlagen I, II, III en IV van het decreet Natuurbehoud, die door de Vlaamse Regering, op advies van de bevoegde instantie, zijn aangeduid voor de toepassing van deze titel;
staat van instandhouding van een natuurlijke habitat : de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of in het natuurlijke verspreidingsgebied van die habitat;
staat van instandhouding van een soort : de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of in het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort;
10° gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat : staat die zich voordoet wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  a) het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied zijn stabiel of nemen toe;
  b) de nodige specifieke structuur en functies voor behoud op lange termijn bestaan en zullen in de afzienbare toekomst vermoedelijk blijven bestaan;
  c) de staat van instandhouding van de voor de habitat typische soorten is gunstig als vermeld in 11°;
11° gunstige staat van instandhouding van een soort : staat die zich voordoet wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan
  a) uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog altijd een levensvatbare component is van de habitat waarin de soort voorkomt en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven;
  b) het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort wordt niet kleiner of lijkt binnen afzienbare tijd niet kleiner te zullen worden;
  c) er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
12° decreet Integraal Waterbeleid : decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;
13° schade aan water : elke vorm van schade die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de ecologische toestand, het ecologisch potentieel of de chemische toestand van het oppervlaktewater of de chemische of kwantitatieve toestand van het grondwater als vermeld in het decreet Integraal Waterbeleid, met uitzondering van de negatieve effecten waarop artikel 1.7.2.5.4 van het decreet Integraal Waterbeleid van toepassing is;
14° water : alle oppervlaktewater en grondwater waarop het decreet Integraal Waterbeleid van toepassing is;
15° Bodemdecreet : decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
16° bodemschade : nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringnormen overschrijdt, conform de bepalingen van het Bodemdecreet;
17° exploitant : natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroepsactiviteit verricht of regelt, of aan wie doorslaggevende economische zeggenschap over het technisch functioneren van een dergelijke activiteit is overgedragen, met inbegrip van de houder van een vergunning of toelating voor het verrichten van een dergelijke activiteit of de persoon die een dergelijke activiteit laat registreren of er kennisgeving van doet;
18° beroepsactiviteit : een in het kader van een economische activiteit, een bedrijf of een onderneming verrichte activiteit, ongeacht het private, openbare, winstgevende of niet-winstgevende karakter daarvan;
19° maatregelen : preventieve maatregelen, inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen;
20° onmiddellijke dreiging van schade : een voldoende waarschijnlijkheid dat zich in de nabije toekomst milieuschade zal voordoen;
21° preventieve maatregelen : maatregelen naar aanleiding van een gebeurtenis, handeling of nalatigheid waardoor een onmiddellijke dreiging van milieuschade is ontstaan, teneinde die schade te voorkomen of tot een minimum te beperken;
22° inperkingsmaatregelen : maatregelen die erop gericht zijn de betrokken verontreinigende stoffen of enige andere schadefactoren onmiddellijk onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen, teneinde verdere milieuschade en negatieve effecten op de menselijke gezondheid of verdere aantasting van functies te beperken of te voorkomen;
23° herstelmaatregelen : maatregelen, met inbegrip van tussentijdse maatregelen, die gericht zijn op herstel, rehabilitatie of vervanging van de aangetaste natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties, of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor rijkdommen of functies, als vermeld in de artikelen 15.3.3 tot en met 15.3.11;
24° referentietoestand : de toestand waarin de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties zich ten tijde van de schade zouden hebben bevonden indien zich geen milieuschade had voorgedaan, gereconstrueerd aan de hand van de best beschikbare informatie;
25° regeneratie : in geval van water, beschermde soorten en natuurlijke habitats de terugkeer van de aangetaste natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties tot de referentietoestand; in geval van bodemschade het verdwijnen van een aanmerkelijk gevaar van een nadelig effect op de menselijke gezondheid, conform de bepalingen van het Bodemdecreet ter zake. Regeneratie omvat eveneens natuurlijke regeneratie;
26° primaire herstelmaatregelen : maatregelen waardoor aangetaste natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties tot de referentietoestand worden teruggebracht of hersteld;
27° complementaire herstelmaatregelen : maatregelen met betrekking tot natuurlijke rijkdommen of ecosystemen ter compensatie van het feit dat primaire herstelmaatregelen niet tot volledig herstel van de aangetaste natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties leiden. Zij hebben tot doel eenzelfde niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te scheppen, zo nodig ook op een andere locatie, als het geval zou zijn wanneer de aangetaste locatie in haar referentietoestand hersteld zou zijn. Waar mogelijk en passend moet de andere locatie geografisch verbonden zijn met de aangetaste locatie, rekening houdend met de belangen van de getroffen populatie. Deze maatregelen zijn zodanig opgezet dat de extra natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties beantwoorden aan de tijdspreferenties en het tijdschema van de herstelmaatregelen;
28° compenserende herstelmaatregelen
28° compenserende herstelmaatregelen : maatregelen ter compensatie van tussentijdse verliezen van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties die zich voordoen tussen het tijdstip waarop de schade ontstaat en het tijdstip waarop primaire herstelmaatregelen hun volledige uitwerking hebben bereikt. Deze compensatie houdt in dat op de aangetaste locatie of op een alternatieve locatie aan beschermde natuurlijke habitats en soorten of water aanvullende verbeteringen worden aangebracht. Deze maatregelen bestaan niet uit financiële compensatie voor het publiek. Deze maatregelen zijn zodanig opgezet dat de extra natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties beantwoorden aan de tijdspreferenties en het tijdschema van de herstelmaatregelen;
29° tussentijdse verliezen : verliezen die het gevolg zijn van het feit dat de aangetaste natuurlijke rijkdommen of functies van natuurlijke rijkdommen hun ecologische functies niet kunnen vervullen of geen functies kunnen vervullen voor andere natuurlijke rijkdommen of het publiek totdat de primaire of complementaire maatregelen hun uitwerking hebben bereikt. Deze maatregelen bestaan niet uit financiële compensatie voor het publiek;
30° kosten : de kosten die verantwoord zijn in het licht van de noodzaak een juiste en doeltreffende toepassing van deze titel te garanderen. Deze kosten omvatten ook de ramingskosten van milieuschade of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat en de kosten van alternatieve maatregelen, alsook de administratieve, juridische en handhavingkosten, de kosten van het vergaren van gegevens en andere algemene kosten, en de kosten in verband met monitoring en toezicht.

 

 

 

 

 


Afdeling II.
Toepassingsgebied


Art. 15.1.2.

Deze titel is van toepassing op milieuschade die wordt veroorzaakt door enige beroepsactiviteit, zoals vermeld in bijlage IV, of op een onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat als gevolg van een van die beroepsactiviteiten.

 

Deze titel is eveneens van toepassing op schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats die wordt veroorzaakt door enige andere dan de in bijlage IV vermelde beroepsactiviteiten, alsook op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat als gevolg van een van die andere beroepsactiviteiten, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat de exploitant in gebreke of nalatig is geweest.


Afdeling III.
Verhouding tot ander recht


Art. 15.1.3. Deze titel is van toepassing onverminderd strengere bepalingen met betrekking tot de beroepsactiviteit die onder het toepassingsgebied van deze titel valt.

Art. 15.1.4. Deze titel is van toepassing onverminderd het toepasselijke aansprakelijkheidsrecht, het recht inzake de toegang tot de rechter en de wetgeving inzake jurisdictieconflicten.

Art. 15.1.5. Deze titel is niet van toepassing op gevallen van lichamelijk letsel, schade aan particuliere eigendom of economisch verlies en geeft aldus personen geen recht op schadevergoeding vanwege milieuschade of een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade.

Afdeling IV.
Uitzonderingen


Art. 15.1.6.

§ 1.

Deze titel is niet van toepassing op milieuschade, of op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, als gevolg van :

een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog of oproer; 
een natuurverschijnsel dat uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar is.

 

§ 2.

Deze titel is niet van toepassing op activiteiten die hoofdzakelijk de landsverdediging of de internationale veiligheid dienen.

 

§ 3.

Deze titel is niet van toepassing op activiteiten die uitsluitend de bescherming tegen natuurrampen tot doel hebben.

 

§ 4.

Deze titel is niet van toepassing op :

schade, die veroorzaakt is door een emissie, een gebeurtenis of een incident die/dat heeft plaatsgevonden vóór 30 april 2007; 
schade, die veroorzaakt is door een emissie, een gebeurtenis of een incident die/dat heeft plaatsgevonden op of na 30 april 2007, indien de schade het gevolg is van een specifieke activiteit die heeft plaatsgevonden en beëindigd is voor die datum; 
schade, indien het meer dan dertig jaar geleden is dat de emissie, de gebeurtenis of het incident die/dat tot schade heeft geleid, heeft plaatsgevonden. 

 

§ 5.

Deze titel is niet van toepassing op nucleaire risico’s en op milieuschade, of op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, als gevolg van activiteiten waarop het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing is, of als gevolg van een incident of activiteit waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen de werkingssfeer valt van een van de volgende internationale overeenkomsten, met inbegrip van toekomstige wijzigingen daarvan :

het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie alsook het Verdrag van Brussel van 31 januari 1963 tot aanvulling van het Verdrag van Parijs; 
het Verdrag van Wenen van 21 mei 1963 inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade; 
het Verdrag van 12 september 1997 inzake aanvullende vergoeding voor kernschade; 
het gezamenlijk protocol van 21 september 1988 betreffende de toepassing van het verdrag van Wenen en het Verdrag van Parijs; 
de overeenkomst van Brussel van 17 december 1971 inzake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van het zeevervoer van nucleaire stoffen.

 

§ 6.

Deze titel is niet van toepassing op milieuschade, of op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, als gevolg van een incident waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen de werkingssfeer valt van een van de volgende internationale overeenkomsten, met inbegrip van de toekomstige wijzigingen daarvan :

het internationaal verdrag van 27 november 1992 inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie; 
het internationaal verdrag van 27 november 1992 tot oprichting van een internationaal fonds voor de vergoeding van schade door verontreiniging door olie.

 

§ 7.

Deze titel is alleen van toepassing op milieuschade, of op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, die het gevolg is van diffuse verontreiniging, wanneer een oorzakelijk verband kan worden gelegd tussen de schade en de activiteiten van individuele exploitanten.


HOOFDSTUK II.
Preventieve acties


Art. 15.2.1. Wanneer zich nog geen milieuschade heeft voorgedaan maar een onmiddellijke dreiging bestaat dat dergelijke schade zal ontstaan, neemt de exploitant onverwijld de nodige preventieve maatregelen.

Art. 15.2.2. Exploitanten zijn verplicht de bevoegde instantie zo spoedig mogelijk over alle relevante aspecten van de situatie te informeren, wanneer een onmiddellijke dreiging van milieuschade ondanks de door de betrokken exploitant genomen preventieve maatregelen niet verdwijnt.

Art. 15.2.3.

Op elk moment kan de exploitant door de bevoegde instantie :

verplicht worden informatie te verstrekken over een onmiddellijke dreiging van milieuschade of in gevallen waarin zo’n onmiddellijke dreiging vermoed wordt;
verplicht worden de nodige preventieve maatregelen te nemen; 
instructies krijgen die bij het nemen van de nodige preventieve maatregelen moeten worden opgevolgd.

Art. 15.2.4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen ter uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk, in het bijzonder aangaande de inhoud en de procedure van de informatieplicht van de exploitant.

HOOFDSTUK III.
Herstelacties


Afdeling I.
Basisverplichtingen


Art. 15.3.1.

Wanneer milieuschade zich heeft voorgedaan :

stelt de exploitant onverwijld de bevoegde instantie in kennis van alle relevante aspecten van de situatie; 
treft de exploitant elke inperkingsmaatregel;
treft de exploitant in overeenstemming met artikelen 15.3.3 tot en met 15.3.11, de nodige herstelmaatregelen.

 


Art. 15.3.2.

Op elk moment kan de exploitant door de bevoegde instantie :

verplicht worden aanvullende informatie te verstrekken over enige schade die zich heeft voorgedaan; 
verplicht worden de nodige herstelmaatregelen en nodige inperkingsmaatregelen te nemen; 
instructies krijgen die hij bij het nemen van de nodige herstelmaatregelen en nodige inperkingsmaatregelen moet naleven.

 

[...]


Afdeling II.
Keuze en vaststelling van herstelmaatregelen


Art. 15.3.3.

De exploitanten stellen in overeenstemming met artikelen 15.3.4 tot en met 15.3.11 de potentiële herstelmaatregelen vast en leggen die ter goedkeuring aan de bevoegde instantie voor.


Onderafdeling I.
Herstel van schade aan natuurlijke habitats, beschermde soorten en water


Art. 15.3.4. Bij het vaststellen van primaire herstelmaatregelen worden opties overwogen om de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties op directe en versnelde wijze, of door natuurlijke generatie, weer in hun referentietoestand te brengen.

Art. 15.3.5. Bij het bepalen van de omvang van de complementaire en compenserende herstelmaatregelen wordt eerst een aanpak overwogen die berust op de equivalentie van de rijkdommen of functies. In een dergelijke aanpak worden eerst maatregelen overwogen die leiden tot natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties van dezelfde soort, kwaliteit en kwantiteit als die welke zijn aangetast. Indien dit niet mogelijk is, wordt in alternatieve natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties voorzien.

Art. 15.3.6.

Wanneer de aanpak overeenkomstig artikel 15.3.5 op basis van de equivalentie van de natuurlijke rijkdommen of functies niet mogelijk blijkt, worden alternatieve waardebepalingstechnieken gebruikt.

 

Als een waardebepaling van de verloren gegane rijkdommen of functies mogelijk is, maar een waardebepaling van de vervangende natuurlijke rijkdommen of functies niet haalbaar is binnen een redelijke termijn en tegen redelijke kosten, kan de bevoegde instantie kiezen voor herstelmaatregelen waarvan de kosten overeenkomen met de geraamde geldelijke waarde van de verloren gegane natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties.


Art. 15.3.7.

De redelijke herstelopties worden beoordeeld, gebruik makend van de best beschikbare technieken, op basis van de volgende criteria :

het effect van elke optie op de menselijke gezondheid en de veiligheid;
de kosten van de uitvoering van de verschillende opties;
de kans op succes van elke optie; 
de mate waarin elke optie toekomstige schade zal voorkomen en waarin bij de uitvoering van de optie onbedoelde schade kan worden vermeden; 
de mate waarin elke optie ten goede komt aan de verschillende onderdelen van de relevante natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties in kwestie;
de mate waarin elke optie rekening houdt met relevante sociale, economische en culturele aandachtspunten en andere relevante plaatsgebonden factoren; 
de tijd die het zal vergen om de milieuschade effectief te herstellen;
de mate waarin elke optie het herstel van de locatie van de milieuschade verwezenlijkt; 
de geografische relatie met de schadelocatie.

 


Art. 15.3.8. Bij de evaluatie van de verschillende herstelopties kan voor primaire herstelmaatregelen worden gekozen die het aangetaste water en beschermde soorten en natuurlijke habitats niet volledig terugbrengen tot hun referentietoestand of die referentietoestand minder snel herstellen. Een dergelijke beslissing mag uitsluitend worden genomen, wanneer de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties die het voorwerp zijn van deze beslissing, worden gecompenseerd door de complementaire en compenserende maatregelen te versterken en zo een soortgelijk niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te scheppen als oorspronkelijk bestond.

Art. 15.3.9.

Niettegenstaande de voorschriften van artikel 15.3.8 kan de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 15.8.10 besluiten dat er geen verdere herstelmaatregelen genomen worden indien :

de reeds genomen herstelmaatregelen waarborgen dat er geen aanmerkelijk gevaar meer is voor negatieve effecten op de menselijke gezondheid, het water of de beschermde soorten en de natuurlijke habitats; 
de kosten van de te nemen herstelmaatregelen om de referentietoestand of een gelijkwaardig niveau te bereiken zouden niet in verhouding staan tot de milieuvoordelen die daarmee zouden worden verkregen.

 


Art. 15.3.10. Herstel van schade aan water, beschermde soorten en natuurlijke habitats houdt ook in dat elk aanmerkelijk risico dat de menselijke gezondheid negatieve effecten ondervindt, wordt weggenomen.

Onderafdeling II.
Herstel van bodemschade


Art. 15.3.11.

Het herstellen van bodemschade geschiedt overeenkomstig de relevante bepalingen van het Bodemdecreet.


Afdeling III.
Nadere uitvoering


Art. 15.3.12. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen ter uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk, in het bijzonder aangaande de inhoud en de procedure van de informatieplicht van de exploitant en wat het gebruik van de waardebepalingstechnieken betreft.

HOOFDSTUK IV.
Kosten van preventie en herstel


Afdeling I.
Verplichting voor de exploitant


Art. 15.4.1.

De exploitant draagt de kosten van de overeenkomstig deze titel genomen maatregelen, onverminderd de eventuele latere toepassing van artikelen 15.5.1 tot en met 15.5.6.

 

De maatregelen die door de bevoegde instantie worden genomen op grond van artikelen 15.8.4 tot en met 15.8.7 laten deze verplichting voor de betrokken exploitant op grond van deze titel, alsook de maatregelen inzake staatssteun, onverlet.


Afdeling II.
Kostenverhaal in geval van meerdere partijen


Art. 15.4.2. Wanneer één en dezelfde schade of onmiddellijke dreiging van schade door meerdere partijen wordt veroorzaakt, zijn de partijen hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten.

HOOFDSTUK V.
Verweermiddelen


Afdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 15.5.1.

§ 1.

Voor de gevallen waarin de exploitant meent te voldoen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 15.5.3, 15.5.4, 15.5.5 of 15.5.6, betekent de exploitant zijn gemotiveerd standpunt tot terugbetaling van de gemaakte kosten bij aangetekende brief aan de bevoegde instantie.

 

Hij doet dat, op straffe van verval, binnen een termijn van negentig dagen na het voltooien van de maatregelen.

 

§ 2.

De bevoegde instantie onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of de exploitant voldoet aan de gestelde voorwaarden.

 

De bevoegde instantie stelt die exploitant in kennis van haar beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerde standpunt.

 

§ 3.

Indien de bevoegde instantie oordeelt dat het verzoek van de exploitant tot terugbetaling gegrond is, neemt de bevoegde instantie binnen de perken van de daartoe voorziene kredieten op het Minafonds de passende maatregelen.

 

§ 4.

Voor de gevallen waarin de exploitant zich beroept op het verweermiddel bedoeld in artikel 15.5.3 dient de exploitant de kosten in eerste instantie te verhalen op de derde. Wanneer niet kan worden vastgesteld wie de derdeveroorzaker is of deze niet solvabel is om de kosten geheel of gedeeltelijk te dragen, kan de exploitant zijn kosten of het niet-invorderbaar deel ervan verhalen overeenkomstig de in § 1, tweede lid, bedoelde maatregelen.


Art. 15.5.2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op bodemschade.

Afdeling II.
Derdeveroorzaker en dwingend overheidsbevel


Art. 15.5.3. Een exploitant is niet verplicht de kosten van de overeenkomstig deze titel genomen maatregelen te dragen, indien hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat veroorzaakt is door een derde, ondanks het feit dat passende veiligheidsmaatregelen waren getroffen en voorzover de betrokken derde geen rechtsvoorganger, vertegenwoordiger, aangestelde of uitvoeringsagent is van de exploitant.

Art. 15.5.4. Een exploitant is niet verplicht de kosten van de overeenkomstig deze titel genomen maatregelen te dragen, indien hij kan bewijzen dat de milieuschade, of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, het gevolg is van de opvolging van een dwingende opdracht of instructie van een overheidsinstantie, tenzij het een opdracht of instructie betreft naar aanleiding van een emissie of een incident veroorzaakt door de activiteiten van de exploitant zelf.

Afdeling III.
Vergunning


Art. 15.5.5.

De exploitant behoeft niet de kosten te dragen van de herstelmaatregelen die op grond van deze titel worden genomen, indien hij bewijst dat hij :

niet in gebreke of nalatig is geweest; 
de milieuschade is veroorzaakt door een emissie of gebeurtenis die uitdrukkelijk is toegestaan op grond van, en geheel in overeenstemming is met de voorwaarden van, een vergunning die is verleend bij of krachtens de toepasselijke federale en gewestelijke bepalingen en uitvoeringsbesluiten welke uitvoering geven aan de in bijlage IV genoemde wettelijke maatregelen van de Gemeenschap, als toegepast op de datum van de emissie of de gebeurtenis.

 


Afdeling IV.
Stand van de wetenschappelijke en technologische kennis


Art. 15.5.6.

De exploitant behoeft niet de kosten te dragen van de op grond van deze titel genomen herstelmaatregelen, indien hij bewijst dat hij :

niet in gebreke of nalatig is geweest;
de milieuschade is veroorzaakt door emissies of activiteiten of alle manieren waarop een product tijdens een activiteit wordt gebruikt, waarvan de exploitant kan bewijzen dat die op grond van de stand van de wetenschappelijke en technologische kennis op het tijdstip dat zij plaatsvonden, niet als schadelijk werden beschouwd.

 


HOOFDSTUK VI.
Verzoeken om maatregelen


Art. 15.6.1.

De volgende personen die kennis hebben van gevallen van milieuschade kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen en de bevoegde instantie verzoeken om maatregelen te treffen krachtens deze titel :

natuurlijke personen en rechtspersonen die milieuschade lijden of dreigen te lijden; 
natuurlijke personen en rechtspersonen die een belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade; 
rechtspersonen als vermeld in artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.

 


Art. 15.6.2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd.

Art. 15.6.3.

De personen vermeld in artikel 15.6.1 worden zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een termijn van dertig dagen door de bevoegde instantie in kennis gesteld van de beslissing over het al dan niet nemen van maatregelen en de redenen hiertoe.


Art. 15.6.4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de indiening, de behandeling en de kennisgeving van een verzoek om maatregelen.

HOOFDSTUK VII.
Beroep


Art. 15.7.1.

§ 1.

De personen vermeld in artikel 15.6.1 kunnen tegen de beslissing van de bevoegde instantie als vermeld in artikel 15.6.3 beroep instellen bij de Vlaamse Regering.

 

De exploitanten ten aanzien van wie de bevoegde instantie preventieve acties nam overeenkomstig artikel 15.2.3, of herstelacties in de zin van artikel 15.3.2, kunnen eveneens tegen de beslissing houdende deze acties beroep indienen bij de Vlaamse Regering.

 

§ 2.

Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs betekend of tegen ontvangstbewijs afgegeven aan de Vlaamse Regering binnen dertig dagen na de dag van ontvangst van de bestreden beslissing.

 

De Vlaamse Regering doet binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep uitspraak over de ontvankelijkheid.

 

§ 3.

Binnen een termijn van negentig dagen na de ontvankelijkheidsverklaring van het beroep, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over het beroep na toetsing aan de materieelrechtelijke en procedurele voorschriften van deze titel.

 

§ 4.

Dit beroep is niet-schorsend.

 

§ 5.

Als de uitspraak over het ingediende beroep niet gebeurt binnen een termijn van negentig dagen, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de wijze waarop het beroep bedoeld in dit artikel moet worden ingediend, bekendgemaakt en behandeld.


HOOFDSTUK VIII.
Bevoegde instantie


Afdeling I.
Aanduiding


Art. 15.8.1.

De Vlaamse Regering stelt binnen het beleidsdomein Omgeving het Departement Omgeving aan als bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de onderscheiden taken waarin de artikelen 15.8.2 tot en met 15.8.19 voorzien.

 

Deze bevoegde instantie kan een of meer van deze taken opdragen of delegeren aan overheidsinstanties of derden.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de organisatie en de werking van de bevoegde instantie.


Afdeling II.
Taken


Onderafdeling I.
Algemene taken


Art. 15.8.2.

De bevoegdheid om de aard, de omvang en de ernst van de schade te beoordelen berust bij de bevoegde instantie.

 

Het vaststellen van bodemschade geschiedt overeenkomstig de relevante bepalingen van het Bodemdecreet.


Art. 15.8.3.

De bevoegdheid tot aanwijzing van de exploitant die de schade, of de onmiddellijke dreiging van schade, heeft veroorzaakt, berust bij de bevoegde instantie.

 

Het aanwijzen van de persoon die gehouden is op eigen kosten de bodemschade te voorkomen en te herstellen geschiedt overeenkomstig de relevante bepalingen van het Bodemdecreet.


Art. 15.8.3bis.

Met uitzondering van artikelen 15.8.2, 15.8.3 en 15.8.8 kan de Vlaamse Regering de gevallen bepalen waarin de bevoegde instantie de uitvoering van de noodzakelijke maatregelen aan derden kan delegeren of opdragen.


Art. 15.8.3ter.

De bevoegde instantie stelt de betrokken exploitant onverwijld in kennis van elk besluit waarbij maatregelen worden opgelegd.


Het besluit, vermeld in het eerste lid, vermeldt de precieze gronden waarop het is gebaseerd, de rechtsmiddelen die ter beschikking staan van de betrokken exploitant, en de termijnen die voor die rechtsmiddelen gelden.


De Vlaamse Regering kan nadere regels over de wijze van kennisgeving bepalen.


Onderafdeling II.
Preventieve acties


Art. 15.8.4.

De bevoegde instantie kan op elk moment :

de exploitant verplichten informatie te verstrekken over een onmiddellijke dreiging van milieuschade of in gevallen waarin zo’n onmiddellijke dreiging vermoed wordt;
de exploitant verplichten de nodige preventieve maatregelen te nemen; 
de exploitant instructies geven die bij het nemen van de nodige preventieve maatregelen moeten worden opgevolgd; 
zelf de nodige preventieve maatregelen nemen.

 

Als de maatregelen, vermeld in het eerste lid, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning of, krachtens artikel 4.2.1 en artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of artikel 5.2.1 van dit decreet, geldt het besluit waarbij de preventieve maatregelen worden opgelegd of het besluit om ambtshalve preventieve maatregelen te nemen, als melding of milieuvergunning, als stedenbouwkundige melding of -vergunning respectievelijk als melding of omgevingsvergunning.


Art. 15.8.5.

De bevoegde instantie eist dat de preventieve maatregelen door de exploitant worden genomen. Als de exploitant de verplichtingen van artikel 15.2.1 en artikel 15.2.3, 2° en 3°, niet nakomt of niet kan worden geïdentificeerd, kan de bevoegde instantie zelf de nodige preventieve maatregelen nemen.


Onderafdeling III.
Herstelacties


Art. 15.8.6.

De bevoegde instantie kan op elk moment :

1°  de exploitant verplichten aanvullende informatie te verstrekken over enige schade die zich heeft voorgedaan. De bevoegde instantie is gemachtigd van de exploitant te verlangen dat hij zelf een beoordeling maakt en alle aanvullende informatie en gegevens verstrekt;
de exploitant verplichten de nodige herstelmaatregelen en nodige inperkingsmaatregelen te treffen; 
de exploitant instructies geven die hij bij het nemen van de nodige herstelmaatregelen en nodige inperkingsmaatregelen moet naleven; 
zelf de nodige herstelmaatregelen en elke inperkingsmaatregel nemen.

 

Als de maatregelen, vermeld in het eerste lid, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, krachtens artikel 4.2.1 en artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of artikel 5.2.1 van dit decreet, geldt het besluit waarbij de inperkingsmaatregelen of herstelmaatregelen worden opgelegd of het besluit om ambtshalve inperkingsmaatregelen of herstelmaatregelen te nemen, als melding of milieuvergunning, als stedenbouwkundige melding of -vergunning respectievelijk als melding of omgevingsvergunning.

De Vlaamse Regering bepaalt welke instanties ter zake voorafgaandelijk advies moeten verlenen, als het herstelmaatregelen betreft.


Art. 15.8.7.

De bevoegde instantie eist dat de inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen door de exploitant worden genomen. Als de exploitant de verplichtingen waarin artikel 15.3.1 en artikel 15.3.2, 2° en 3°, voorzien niet nakomt, of niet kan worden geïdentificeerd, kan de bevoegde instantie zelf deze maatregelen nemen.


Art. 15.8.8.

De bevoegdheid om te bepalen welke herstelmaatregelen in overeenstemming met artikelen 15.3.3 tot en met 15.3.11 moeten worden uitgevoerd, berust bij de bevoegde instantie.


Onderafdeling IV.
Vaststelling van inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen


Art. 15.8.9. De bevoegde instantie werkt indien nodig samen met de exploitant.

Art. 15.8.10.

Wanneer zich meerdere gevallen van milieuschade hebben voorgedaan en de bevoegde instantie er niet voor kan zorgen dat de noodzakelijke inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen gelijktijdig worden genomen, kan de bevoegde instantie bepalen welk geval van schade eerst moet worden hersteld.

 

Bij het nemen van deze beslissing houdt de bevoegde instantie onder meer rekening met de aard, de omvang en de ernst van de milieuschade en met de mogelijkheid van natuurlijke regeneratie. Zij houdt ook rekening met het gevaar voor de menselijke gezondheid.


Art. 15.8.11.

De bevoegde instantie nodigt de personen, vermeld in artikel 15.6.1, en in ieder geval de personen op wier terrein de herstelmaatregelen en inperkingsmaatregelen worden getroffen en de betrokken exploitant uit om opmerkingen te maken. De bevoegde instantie houdt rekening met die opmerkingen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels over de wijze van kennisgeving bepalen.


Onderafdeling V.
Kostenverhaal


Art. 15.8.12.

Onverminderd de toepassing van de artikelen 15.5.1 tot en met 15.5.6, verhaalt de bevoegde instantie de kosten die zij in samenhang met het nemen van de maatregelen op grond van deze titel heeft gemaakt op de exploitant die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt.

 

Deze kosten worden door de bevoegde instantie geïnd en ingevorderd ten voordele van het Minafonds.


Art. 15.8.13.

Het Vlaamse Gewest kan deze kosten bij dwangbevel invorderen. Het dwangbevel wordt door de bevoegde instantie geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

 

Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen van tenuitvoerlegging.

 

Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.

 

Binnen een termijn van dertig dagen na de dag van ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet aantekenen bij het Vlaamse Gewest door deurwaardersexploot.

 

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.


Art. 15.8.14.

Het Vlaamse Gewest verhaalt de kosten onder andere door middel van een zakelijke zekerheid of andere geschikte waarborgen.

 

Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van het verhaal van de kosten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de exploitant en kan het een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de exploitant.

 

Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van koophandel.

 

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel.

 

De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de bevoegde instantie. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.

 

Artikel 447, tweede lid, van boek III van het Wetboek van koophandel met betrekking tot het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de kosten van de maatregelen.

 

De Vlaamse Regering kan andere vormen van financiële zekerheid aanvaarden.


Art. 15.8.15.

In afwijking van artikel 15.8.12, kan de Vlaamse Regering beslissen af te zien van verhaal wanneer de verhaalskosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag of wanneer niet kan worden vastgesteld wie de exploitant is.


Art. 15.8.16. De bevoegde instantie is gerechtigd tegen de exploitant de procedure in te leiden voor het verhalen van de kosten met betrekking tot alle op grond van deze titel genomen maatregelen, voordat een termijn van vijf jaar verstreken is, te rekenen vanaf de datum waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of de datum waarop de aansprakelijke exploitant is geïdentificeerd, indien die datum later is.

Art. 15.8.17. De Vlaamse Regering kan nadere regels en procedures bepalen voor het vaststellen van de kosten en met betrekking tot het uitoefenen van het kostenverhaal.

Onderafdeling VI.
Behandeling van verzoeken om maatregelen


Art. 15.8.18.

De bevoegde instantie neemt opmerkingen en verzoeken om maatregelen, die aannemelijk maken dat er milieuschade is, in overweging. Artikel 15.8.11 is hierbij van overeenkomstige toepassing.


Art. 15.8.19.

De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk de personen vermeld in artikel 15.6.1 in kennis van de beslissing over het al dan niet nemen van maatregelen, en de redenen hiertoe.


Art. 15.8.20. [...]

Art. 15.8.21.

Als de maatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V of krachtens artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het besluit, vermeld in artikel 15.8.20, als de meldingsakte of omgevingsvergunning.


Art. 15.8.22. [...]

HOOFDSTUK IX.
Financiële zekerheden


Art. 15.9.1. De Vlaamse Regering treft maatregelen om de geëigende economische en financiële actoren aan te moedigen financiële zekerheidsinstrumenten en -markten te ontwikkelen, met inbegrip van financiële mechanismen voor gevallen van insolventie, opdat de exploitanten gebruik kunnen maken van financiële garanties om hun verantwoordelijkheden krachtens deze titel na te komen.

HOOFDSTUK X.
Samenwerking met de gewesten, de federale overheid en andere lidstaten


Art. 15.10.1.

Wanneer milieuschade gevolgen heeft of dreigt te hebben voor één of meer gewesten, de federale overheid of andere lidstaten van de Europese Unie, werkt de bevoegde instantie samen met de bevoegde instanties van de andere gewesten, de federale overheid en andere lidstaten, onder andere door een behoorlijke uitwisseling van informatie, teneinde ervoor te zorgen dat de nodige maatregelen met betrekking tot die milieuschade of onmiddellijke dreiging van milieuschade worden genomen.

 

Wanneer zich milieuschade overeenkomstig het eerste lid voordoet, verstrekt de bevoegde instantie voldoende informatie aan de bevoegde instanties van de andere gewesten, de federale overheid of andere lidstaten van de Europese Unie.

 

Wanneer de bevoegde instantie milieuschade vaststelt die niet binnen haar grenzen is veroorzaakt, kan zij dit melden aan de bevoegde instanties van alle betrokken gewesten, de federale overheid of lidstaten van de Europese Unie, in voorkomend geval aan de Europese Commissie; kunnen aanbevelingen gedaan worden inzake de nodige maatregelen en kan om terugbetaling verzocht worden van de kosten van de genomen maatregelen.

 

Deze samenwerking doet geen afbreuk aan bestaande en toekomstige samenwerkingsvormen.


HOOFDSTUK XI.
Rapport en evaluatie


Art. 15.11.1.

De bevoegde instantie brengt tweejaarlijks, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze titel, rapport uit aan de Vlaamse Regering over de toepassing van deze titel.

 

Dit rapport omvat minstens de volgende informatie :

de genomen maatregelen ter bevordering van het gebruik van instrumenten van financiële zekerheid en de resultaten ervan; 
de gevallen van milieuschade, het type van milieuschade, de data waarop de milieuschade is ontstaan of aan het licht is gekomen; 
de resultaten van de herstelprocessen; 
de uitkomsten van de beroepsprocedures; 
de raming van de extra administratieve kosten die jaarlijks door de overheid moeten worden gedragen; 
de evaluatie van de verweermiddelen vermeld in artikelen 15.5.1 tot en met 15.5.6, in het bijzonder wat betreft de toepassing van de stand van de wetenschappelijke en technologische kennis; 
de niet-toepassing van de procedure voor de verzoeken om maatregelen op gevallen van onmiddellijke dreiging van milieuschade. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels ter zake bepalen.


Titel XVI.
Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen


HOOFDSTUK I.
Toepassingsgebied en definities


Art. 16.1.1.

De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op de hiernavolgende wetten en decreten, wat betreft de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten ervan en de verplichtingen opgelegd krachtens de volgende wetten en decreten en de uitvoeringsbesluiten ervan :

alle [..] titels van dit decreet, met uitzondering van titel I – Algemene bepalingen, titel II – Besluitvorming en inspraak, titel X – Agentschappen, titel XI – Strategische Adviesraden en titel VIII – Klimaat;
het Boswetboek van 19 december 1854;
de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij;
de Jachtwet van 28 februari 1882;
de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;
de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, met uitsluiting van hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van deze titel voor wat de overtredingen van hoofdstuk IIIbis en de uitvoeringsbesluiten ervan betreft;
6°/1 [...]
de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder;
de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater;
10° het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
11° de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973;
12° het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, met uitsluiting van hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van deze titel voor wat de overtredingen van hoofdstuk IVbis en de uitvoeringsbesluiten ervan betreft;
13° het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;
13°bis de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen; 
14° het Bosdecreet van 13 juni 1990; 
15° het Jachtdecreet van 24 juli 1991;
16° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
17° het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen;
17°bis het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wat betreft artikel 1.3.1.1, artikel 1.3.2.2 tot en met 1.3.3.3.1, artikel 1.7.3.3, artikel 1.7.5.4, afdeling 2, van hoofdstuk VI van titel II en hoofdstuk 2 van titel III;
18° het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
19° het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, met behoud van de toepassing van artikel 61, § 2, van dat decreet;
19°bis het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond; 
19°ter het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning voor zover het projecten betreft bedoeld in artikel 5, 1°, c, en 2°, b.
20° [...]
21° het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest.
22° het decreet van 28 maart 2014 betreffende de preventie, surveillance en bestrijding van ziekten bij in het wild levende dieren.  
23° het decreet van 21 december 2018 houdende de luchtkwaliteit in het binnenmilieu van voertuigen.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de hoofdstukken III, IV, V, Vbis, VI en VII van deze titel pas van toepassing op de in het eerste lid sub 2°, 3°, 4°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17° en 19° vermelde wetten en decreten, met inbegrip van hun respectieve uitvoeringsbesluiten, op het ogenblik dat de Vlaamse Regering dit bepaalt.

 

Hoofdstuk II en hoofdstuk IV, afdeling III en V, van deze titel zijn van toepassing op titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.

 

Hoofdstuk IV, afdeling III en V, van deze titel is van toepassing op hoofdstuk VI van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.

 

De bepalingen van deze titel zijn ook van toepassing op de milieuregelgeving van de Europese Unie en de internationale milieuregelgeving, die de Vlaamse Regering bepaalt, alsook op de door of krachtens de voormelde regelgeving uitgevaardigde bepalingen en opgelegde verplichtingen, wat betreft de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest.


Art. 16.1.2.

Tenzij het uitdrukkelijk anders bepaald is, wordt, voor de toepassing van deze titel, verstaan onder :

milieu-inbreuk : een gedraging, in strijd met een milieu-voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel. Die gedraging :
a) [...]
b)

betreft geen emissies als vermeld in artikel 16.6.2;

c) betreft niet het achterlaten, beheren of overbrengen van afvalstoffen als vermeld in artikel 16.6.3;
d) veroorzaakt geen gezondheidsschade of dood;
e) betreft geen gedraging waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel;
f) moet opgenomen zijn in een lijst, te bepalen door de Vlaamse Regering.
Onverminderd de bepalingen van het eerste lid kunnen evenwel gedragingen die een schending inhouden van :
a) de verplichting om te beschikken over een milieuvergunning, een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, of een erkenning;
b) de verplichting om een veiligheidsrapport of een milieueffectrapport op te maken;
niet beschouwd worden als een milieu-inbreuk;
milieumisdrijf : een gedraging, in strijd met een milieu-voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel;

kennisgeving: een schriftelijke mededeling die wordt gedaan met een beveiligde zending;

3°bis

beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:

 

a)

een aangetekende brief;

  b)

een afgifte tegen ontvangstbewijs;

  c)

elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;

gewestelijke entiteit : de subentiteit van het Vlaams Ministerie van Omgeving, die de Vlaamse Regering aanwijst om de alternatieve bestuurlijke geldboete of de exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen.
gemachtigde ambtenaar : de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar of ambtenaren;
referentiemeetmethode : geschreven en publiek toegankelijke werkwijze die voor een bepaalde meting dient te worden toegepast. Worden in elk geval beschouwd als referentiemeetmethode en worden in geval van onderlinge tegenstrijdigheden toegepast in de hierna voorziene volgorde : 
a) de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten;
b) de Belgische normen uitgegeven door het Bureau voor Normalisatie (NBN); 
c) de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (CEN); 
d) de normen uitgegeven door de Vlaamse instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO);
e) de normen uitgegeven door de International Organization for Standardization (ISO). 

milieuvoorschrift: alle bepalingen die een verplichting inhouden, ongeacht of het gaat om een algemeen of individueel geldende regeling, op voorwaarde dat de bepaling onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 16.1.1, valt.


Art. 16.1.3.

§ 1.

Bij de berekening van termijnen is de dies a quo, de dag waarop het feit plaatsvindt dat het uitgangspunt is voor de berekening van de termijn, niet inbegrepen in de termijn [...]. De dies ad quem, de vervaldag van de termijn, is altijd inbegrepen in de termijn [...].

 

Als de vervaldag een zaterdag, zondag of feestdag is, verschuift de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag.

 

De termijnen worden berekend in kalenderdagen [...].

 

§ 2.

Als een schriftelijke mededeling het startpunt is voor een termijn en gedaan is door middel van een aangetekende brief zonder ontvangstbewijs, begint de termijn te lopen de derde werkdag na de dag waarop de verzending heeft plaatsgevonden.

 

Als een schriftelijke mededeling het startpunt is voor een termijn en gedaan is met een aangetekende brief met ontvangstbewijs, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief werd aangeboden op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats.

 

Als een schriftelijke mededeling het startpunt is voor een termijn en gedaan is door afgifte tegen ontvangstbewijs, begint de termijn te lopen de dag na de dag van de afgifte

 

§ 3.

Als een schriftelijke mededeling de handeling is die gedaan moet worden binnen een bepaalde termijn, geldt die termijn voor de verzending of afgifte [...].

 

§ 4.

Als voor de schriftelijke mededeling geen bijzondere vormvereisten zijn gesteld, dan is verzending met een niet-aangetekende brief toegelaten. In dat geval berust bij eventuele betwisting over de datum van de verzending de bewijslast bij de verzender.

 

§ 5.

De datum van de poststempel geldt als datum van verzending.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan van dit artikel afwijken door een uitdrukkelijk andersluidende bepaling.


HOOFDSTUK II.
Beleid en organisatie


Afdeling I.
Milieuhandhavingsbeleid


Art. 16.2.1. De Vlaamse Regering is belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake milieu en ruimtelijke ordening.

Art. 16.2.2. Ter ondersteuning van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering wordt een gewestelijke raad voor de handhaving van de milieuwetgeving en de handhaving van de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening opgericht, hierna de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu te noemen.

Art. 16.2.3.

Met het oog op een doelmatige handhaving van de milieuwetgeving en de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 pleegt de Vlaamse Regering, daarin bijgestaan door de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, systematisch overleg met de daarvoor bevoegde overheden.


De op basis van dat overleg gemaakte afspraken worden in protocollen vastgelegd.


De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de protocollen worden vastgelegd.


Art. 16.2.4.

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu coördineert de opmaak van een vijfjaarlijks milieuhandhavingsprogramma dat de handhavingsprioriteiten van de handhavingsinstanties, vermeld in dit decreet, bundelt. De handhavingsinstanties stellen daarvoor zelf een individueel vijfjaarlijks handhavingsprogramma op dat op eenvoudig verzoek wordt bezorgd aan de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

 

In het milieuhandhavingsprogramma worden ook de strategische en operationele doelstellingen van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu vermeld die jaarlijks worden geëvalueerd in het milieuhandhavingsrapport.

 

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu legt het milieuhandhavingsprogramma ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling, de verspreiding en de actualisering van het milieuhandhavingsprogramma. De Vlaamse Regering kan eveneens nadere regels vaststellen voor de afstemming van het milieuhandhavingsprogramma met andere beleidsdocumenten.


Art. 16.2.5.

Jaarlijks stelt de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een handhavingsrapport op. Alle overheden die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest en die belast zijn met de handhaving van het milieurecht stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.


De Vlaamse Regering zal de overheden die belast zijn met de handhaving van het milieurecht en waarvoor het Vlaamse Gewest niet bevoegd is, uitnodigen om de informatie waarover ze beschikken en die ook van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, vrijwillig ter beschikking te stellen van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.


Het handhavingsrapport omvat minstens de volgende onderdelen :

een algemene evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde gewestelijke handhavingsbeleid;
een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten;
een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen;
een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld misdrijf inzake milieu;
een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten en provincies gevoerde handhavingsbeleid inzake milieu;
een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend voor de verbetering van de milieuregelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering;
aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid inzake milieu.

 

Het handhavingsrapport van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu kan naast de rapportering over de milieuhandhaving ook rapportering over de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevatten. Alle overheden die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest en die belast zijn met de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, stellen daarvoor, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu. De rapportering over de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omvat minstens de onderdelen opgesomd in het vorige lid.


De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu deelt het handhavingsrapport mee aan de Vlaamse Regering. Die bezorgt het handhavingsrapport aan het Vlaams Parlement, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, de provincies en de gemeenten.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en de verspreiding van het handhavingsrapport.


Afdeling II.
Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu


Art. 16.2.6.

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu stelt de krachtlijnen en de prioriteiten van het beleid inzake de handhaving van de milieuwetgeving voor. Hij doet dat op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering.


De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu kan op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering voorstellen en adviezen formuleren in het kader van het handhavingsbeleid Ruimtelijke Ordening en ten aanzien van het gewestelijk handhavingsprogramma ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 6.1.3, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.


Art. 16.2.7.

§ 1.

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu telt dertien leden, alsook een vaste secretaris. De Vlaamse Regering benoemt de leden na voordracht, en de voorzitter, de ondervoorzitter en de vaste secretaris onder de personen die deskundig zijn op het vlak van de handhaving van het milieurecht of op het vlak van de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.

 

§ 2.

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu wordt als volgt samengesteld :

een voorzitter;
een ondervoorzitter, deskundig op het vlak van de handhaving van de milieuwetgeving;
een ondervoorzitter, deskundig op het vlak van de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
zeven leden op voordracht van de beleidsraad van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie;
een lid op voordracht van de beleidsraad van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed;
een lid op voordracht van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;
een lid op voordracht van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;
een lid op voordracht van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
een lid op voordracht van de Vereniging van de Vlaamse Provincies;
10° een lid op voordracht van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.


Voor de leden, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 10°, wordt telkens een plaatsvervanger aangewezen.


De leden, vermeld in 4° tot en met 10°, worden voorgedragen op een dubbeltal dat in een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen voorziet.


Een lid mag geen verkozen politiek mandaat uitoefenen.


De samenstelling, vermeld in het eerste lid, kan verder worden uitgebreid met :

een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van het college van procureurs-generaal, ter vertegenwoordiging van de parketten-generaal bij de hoven van beroep;
een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van het college van procureurs-generaal, ter vertegenwoordiging van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg;
een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van de bevoegde minister van Binnenlandse Zaken, ter vertegenwoordiging van de federale politie;
een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van de bevoegde minister van Binnenlandse Zaken, ter vertegenwoordiging van de lokale politie.


Voor de leden, vermeld in het vijfde lid, wordt ook telkens een plaatsvervanger aangewezen.


Het niet aanwijzen van de vertegenwoordigers, vermeld in het vijfde lid, heeft geen gevolgen, noch voor de werking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, noch voor de geldigheid van de handelingen die de raad stelt.

 

§ 3.

De leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu worden benoemd voor vijf jaar. Hun benoeming is hernieuwbaar. Een lid van wie het mandaat vacant verklaard wordt, wordt binnen drie maanden vervangen.


Art. 16.2.8. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu kan om bijzondere vraagstukken te onderzoeken een beroep doen op externe deskundigen en kan werkgroepen oprichten, onder de voorwaarden, bepaald in het huishoudelijk reglement.

Art. 16.2.9.

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat minstens het volgende regelt :

de bevoegdheden van de voorzitter en de ondervoorzitters;
de wijze van bijeenroeping en beraadslaging;
de frequentie van de vergaderingen;
de voorwaarden waaronder de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een beroep kan doen op externe deskundigen of op permanente of tijdelijke werkgroepen.


Het huishoudelijk reglement en de wijzigingen ervan worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.


Art. 16.2.10. De Vlaamse Regering stelt de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een permanent secretariaat en de nodige middelen ter beschikking. Ze stelt eveneens de vergoedingen vast die aan de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu worden toegekend.

Art. 16.2.11. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de organisatie en de werking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

HOOFDSTUK III.
Toezicht


Afdeling I.
Toezichthouders


Onderafdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 16.3.1.

§ 1.

De volgende personen kunnen toezichthouders zijn :

1°  de personeelsleden van het departement en de agentschappen die behoren tot een van de beleidsdomeinen, vermeld in artikel III.1, eerste lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, die worden aangewezen door de Vlaamse Regering, hierna gewestelijke toezichthouders te noemen; 
de personeelsleden van de provincie die worden aangewezen door de [...] deputatie, hierna provinciale toezichthouders te noemen; 
de personeelsleden van de gemeente die worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen, hierna gemeentelijke toezichthouders te noemen; 
de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid die worden aangewezen door het bevoegde orgaan, hierna intergemeentelijke toezichthouders te noemen;
de personeelsleden van een politiezone die worden aangewezen door het bevoegde orgaan, hierna toezichthouders van politiezones te noemen.

 

§ 2.

Contractuele personeelsleden kunnen enkel toezichthouder zijn mits zij hiertoe speciaal zijn beëdigd. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden van de eedaflegging bepalen.


Art. 16.3.2.

Als toezichthouders kunnen enkel personen worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtopdracht naar behoren te vervullen. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de toezichthouders moeten voldoen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden, die onder meer betrekking kunnen hebben op de scholingsvereisten, bepalen waaraan de toezichthouders moeten voldoen.


Art. 16.3.3.

De toezichthouders oefenen het toezicht onafhankelijk en neutraal uit.

 

Zij moeten hun taak naar behoren kunnen vervullen en krijgen daartoe de nodige middelen ter beschikking.

 

Zij mogen geen nadeel ondervinden van de taak die zij als toezichthouder vervullen.

 

De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels bepalen.


Art. 16.3.4.

Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering de aanstelling van de toezichthouders, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, subsidiëren, alsook ondersteuning geven voor de opleiding en permanente vorming van die toezichthouders. De Vlaamse Regering kan hiertoe de nadere regels bepalen.


Art. 16.3.4bis.

De deputaties, de colleges van burgemeester en schepenen en de bevoegde organen, vermeld in artikel 16.3.1, §1, 4° en 5°, zijn in de volgende gevallen gehouden tot een meldingsplicht over de aanstelling van toezichthouders als vermeld in artikel 16.3.1, §1, 2°, 3°, 4° en 5°:

de toezichthouder neemt zijn functie minstens zes maanden niet waar
de toezichthouder legt zijn functie definitief neer.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de wijze waarop en de instantie waarbij de melding gedaan moet worden.

 

Het subsidiëren van de aanstelling van toezichthouders overeenkomstig artikel 16.3.4 kan afhankelijk worden gesteld van het voldoen aan deze meldingsplicht.


Onderafdeling II.
Gemeentelijke toezichthouders, intergemeentelijke toezichthouders en toezichthouders van politiezones


Art. 16.3.5.

De gemeentelijke toezichthouders kunnen toezicht uitoefenen in de eigen gemeente, in een aangrenzende gemeente of in de andere gemeenten van het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de politiezone waarvan de eigen gemeente deel uitmaakt, mits zij hiervoor toestemming hebben gekregen van die andere gemeenten.

 

De intergemeentelijke toezichthouders kunnen alleen toezicht uitoefenen in de gemeenten die behoren tot het intergemeentelijk samenwerkingsverband waardoor ze zijn aangesteld.

 

De toezichthouders van de politiezones kunnen enkel toezicht uitoefenen in de gemeenten die behoren tot de politiezone.

 

De Vlaamse Regering kan hiertoe de nadere regels bepalen.


Art. 16.3.6.

De Vlaamse Regering kan het minimumaantal toezichthouders bepalen voor gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of politiezones. Ze kan zich hiervoor baseren op het aantal inwoners, de bestreken oppervlakte , of het aantal en de soort van hinderlijke inrichtingen, ingedeeld conform de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1.


Art. 16.3.7.

Bij verhindering van krachtens artikel 16.3.1, § 1, 3°, 4° en 5°, aangewezen toezichthouders kunnen voor een termijn van maximaal één jaar waarnemende toezichthouders worden aangesteld.

 

De Vlaamse Regering kan hiertoe de nadere regels bepalen.


Onderafdeling IIbis.
Provinciale toezichthouders


Art. 16.3.7bis.

De provinciale toezichthouders kunnen toezicht uitoefenen in de eigen provincie, of in een andere provincie, als ze daarvoor toestemming hebben gekregen van de deputatie van die andere provincie.


Onderafdeling III.
Gewestelijke toezichthouders


Art. 16.3.8.

§ 1.

Gewestelijke toezichthouders kunnen niet de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.

 

§ 2.

In afwijking van § 1 kunnen de gewestelijke toezichthouders die toezicht uitoefenen op de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 16.1.1, 2°, artikel 16.1.1, 3°, artikel 16.1.1, 4°, artikel 16.1.1, 7°, artikel 16.1.1, 11°, artikel 16.1.1, 14°, artikel 16.1.1, 15°, en artikel 16.1.1, 16°, ook de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.

 

De afwijking, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de internationale en Europese milieuvoorschriften waarvan de Vlaamse Regering krachtens artikel 16.1.1 bepaalt dat de bepalingen van titel XVI er ook op van toepassing zijn en die tot de bevoegdheid van de gewestelijke toezichthouders, vermeld in het eerste lid, behoren.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 1 kunnen toezichthouders die toezicht uitoefenen op het decreet, met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, 19° ter, en op titel V met inbegrip van de uitvoeringsbesluiten en die belast zijn met de uitvoering van de handhaving op het beleidsveld Ruimtelijke Ordening ook de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.


Afdeling II.
Toezichtopdrachten


Art. 16.3.9.

§ 1.

De toezichthouders zien toe op de naleving van de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 16.1.1, eerste en vierde lid.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering bepaalt voor elke categorie toezichthouders de toezichtopdrachten.

 

Toezichthouders hebben een legitimatiebewijs bij zich en tonen dat desgevraagd onmiddellijk.

 

De Vlaamse Regering bepaalt wie het legitimatiebewijs verleent alsook het model en de inhoud ervan.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen omtrent de wijze waarop de toezichthouders hun toezichtsopdrachten, vermeld in § 2, uitoefenen.


Afdeling III.
Toezichtrechten


Onderafdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 16.3.10.

Bij de uitvoering van hun toezichtopdrachten beschikken toezichthouders over de volgende toezichtrechten :

het recht op toegang, vermeld in artikel 16.3.12; 
het recht op inzage en kopie van zakelijke gegevens, vermeld in artikel 16.3.13; 
het recht van onderzoek van zaken, inclusief het monsternemings-, metings-, beproevings- en analyserecht, vermeld in artikel 16.3.14; 
het recht van onderzoek van transportmiddelen, vermeld in artikel 16.3.17;
het recht op ondersteuning, vermeld in artikel 16.3.18;
het recht op het doen van vaststellingen door middel van audiovisuele middelen, vermeld in artikel 16.3.19;
het recht op bijstand van de politie, vermeld in artikel 16.3.21.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de toezichtrechten die elke categorie toezichthouders kan uitoefenen.


Art. 16.3.11. Toezichthouders maken van hun toezichtrechten alleen gebruik voor zover dat redelijkerwijs nuttig wordt geacht voor de vervulling van hun toezichtopdrachten.

Art. 16.3.11bis.

Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de bevoegde entiteiten waartoe de toezichthouders, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet, behoren, beslissen de verplichtingen en de rechten, vermeld artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het zesde lid.


De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de bevoegde entiteiten waartoe de toezichthouders, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet, behoren, en op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast.


De bevoegde entiteit waartoe de toezichthouder, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet, behoort, moet de beslissing, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval rechtvaardigen op verzoek van de bevoegde toezichthoudende autoriteit op het vlak van gegevensbescherming.


Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.


Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid bevat, is verzonden naar het Openbaar Ministerie en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde entiteit waartoe de toezichthouder, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet, behoort, op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval de onderzoeksrechter aan de bevoegde toezichthouder, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet, heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.



Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, verwijst de bevoegde entiteit waartoe de toezichthouder, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van dit decreet, behoort hem door naar de bevoegde toezichthoudende autoriteit op het vlak van gegevensbescherming. De bevoegde toezichthoudende autoriteit op het vlak van gegevensbescherming deelt uitsluitend aan de betrokkene mee dat de nodige verificaties zijn verricht.


Onderafdeling II.
Recht op toegang


Art. 16.3.12.

Toezichthouders mogen altijd, zonder voorafgaande verwittiging, elke plaats vrij betreden en het benodigde materiaal meenemen. Zij moeten hierbij de interne en externe veiligheidsprocedures respecteren.

 

Tot de bewoonde lokalen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner; 
ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de rechter in de politierechtbank. In dat geval hebben de toezichthouders alleen toegang tussen vijf uur ’s morgens en eenentwintig uur ’s avonds.

 


Onderafdeling III.
Recht op inzage en kopie van zakelijke gegevens


Art. 16.3.13.

Met het oog op de uitoefening van de toezichtrechten, zoals bedoeld in artikel 16.3.10, 1° tot en met 5°, mogen toezichthouders inzage vorderen van alle daarvoor noodzakelijke zakelijke documenten en andere zakelijke informatiedragers. Hiertoe mogen zij zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die zij aanwijzen.

 

Zij mogen zich van alle zakelijke documenten en andere zakelijke informatiedragers kosteloos een kopie laten verstrekken of er zelf een kopie van maken. Als kopiëren niet mogelijk is, mogen zij die informatiedragers tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs bij zich houden of meenemen tijdens de periode die vereist is om hun opdracht te volbrengen.


Onderafdeling IV.
Recht van onderzoek van zaken


Art. 16.3.14.

§ 1.

Toezichthouders mogen zaken onderzoeken of laten onderzoeken. Zij mogen ze onder meer beproeven of laten beproeven, er monsters van nemen of laten nemen, ze meten of laten meten en ze analyseren of laten analyseren. Zij mogen daartoe verpakkingen openen of laten openen.

 

Als het onderzoek niet ter plaatse uitgevoerd kan worden, mogen zij de zaken tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen tijdens de periode die vereist is om het onderzoek uit te voeren.

 

§ 2.

Toezichthouders mogen de technische middelen en personeel om de monsterneming, meting of beproeving uit te voeren kosteloos opvorderen van de houder van de te onderzoeken zaken.

 

§ 3

Toezichthouders mogen gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek, het vervoer, het gebruik en de verwerking van zaken verbieden zonder dat hen hiervoor kosten worden aangerekend.


Art. 16.3.15.

De monsternemingen, metingen of beproevingen worden uitgevoerd door toezichthouders of door daartoe erkende laboratoria of milieudeskundigen.

 

De analyses worden uitgevoerd door toezichthouders of door daartoe erkende laboratoria.

 

Als er voor een specifieke monsterneming, meting, beproeving of analyse geen erkenning bestaat, wordt die monsterneming, meting, beproeving of analyse uitgevoerd door de toezichthouders of door de geaccrediteerde laboratoria of volgens een referentiemeetmethode of, bij gebrek daaraan, volgens een methode die de door de Vlaamse Regering hiertoe aangeduide instantie aanvaardt. 


Art. 16.3.16.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het uitvoeren van monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses.

 

De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de erkenning van laboratoria en milieudeskundigen. Ze kan tevens de voorwaarden bepalen waaraan bij gebruik van de erkenning moet worden voldaan.


Onderafdeling V.
Recht van onderzoek van transportmiddelen


Art. 16.3.17.

Toezichthouders mogen transportmiddelen en de lading ervan onderzoeken of laten onderzoeken, en inzage vorderen van de wettelijk voorgeschreven documenten.

 

Zij mogen bevelen geven aan de bestuurders of begeleiders. Zo mogen ze onder meer bevelen dat de bestuurders of begeleiders hun transportmiddel kosteloos stilzetten en dat ze het kosteloos naar een door hen aangewezen plaats brengen.


Onderafdeling VI.
Recht op ondersteuning


Art. 16.3.18.

Bij de uitoefening van hun toezichtrechten mogen toezichthouders zich laten bijstaan door personen die zij daartoe hebben aangewezen op grond van hun deskundigheid.

 

Gemeentelijke toezichthouders mogen zich laten ondersteunen door gewestelijke toezichthouders. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.


Onderafdeling VII.
Recht op het doen van vaststellingen door middel van audiovisuele middelen


Art. 16.3.19. Zonder afbreuk te doen aan de regelgeving over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waaronder artikel 8 EVRM, en de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, kunnen de toezichthouders vaststellingen doen met audiovisuele middelen.

Onderafdeling VIII.
Recht op bijstand


Art. 16.3.20. Iedereen moet aan toezichthouders binnen de door hen gestelde termijn alle medewerking verlenen die zij redelijkerwijs kunnen vragen bij de uitoefening van hun toezichtrechten.

Art. 16.3.21.

Toezichthouders kunnen bij de uitvoering van hun toezichtopdrachten de bijstand van de politie vorderen.

 

Om de uitoefening van het toezichtrecht op inzage en kopie van zakelijke gegevens mogelijk te maken, kunnen toezichthouders met de bijstand van de politie overgaan tot het openen en gebruiken of doen gebruiken van zaken als de hiernavolgende voorwaarden gelijktijdig zijn vervuld :

het volbrengen van de toezichtopdracht vereist de uitoefening van het toezichtrecht; 
de uitoefening van het toezichtrecht is niet mogelijk op een andere wijze; 
de persoon die het genot heeft van de zaken in kwestie geeft geen toestemming tot opening of gebruik.

 


Afdeling IV.
Voorkoming en vaststelling van milieu-inbreuken en milieumisdrijven


Onderafdeling I.
Raadgevingen


Art. 16.3.22. Als toezichthouders vaststellen dat een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf dreigt op te treden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen.

Onderafdeling II.
Vaststelling van milieu-inbreuken


Art. 16.3.23.

Bij de vaststelling van een milieu-inbreuk kunnen de toezichthouders een verslag van vaststelling opstellen. Ze bezorgen dat onmiddellijk aan de gewestelijke entiteit. Ze bezorgen gelijktijdig een kopie van het verslag van vaststelling aan de vermoedelijke overtreder.

 

De Vlaamse Regering kan de vorm van het verslag van vaststelling bepalen, alsook welke andere overheden geïnformeerd kunnen worden over de vastgestelde milieu-inbreuken, vermeld in het eerste lid, en de wijze waarop dat moet gebeuren.


Art. 16.3.23bis.

De door het college van burgemeester en schepenen aangewezen personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die bevoegd zijn om misdrijven als vermeld in titel VI van de voormelde codex op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, kunnen milieu-inbreuken die een schending uitmaken van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van dit decreet vaststellen in een verslag van vaststelling.


Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van de inbreuken. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden een afschrift ontvangt.


Onderafdeling III.
Vaststelling van milieumisdrijven


Art. 16.3.24.

De toezichthouders kunnen de milieumisdrijven vaststellen in een proces-verbaal, dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd.


De toezichthouders kunnen een kopie van het proces-verbaal bezorgen aan de relevante gewestelijke overheden, die belast zijn met de handhaving van de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 16.1.1, eerste en vierde lid.


De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden bepalen van het proces-verbaal, alsook welke andere overheden geïnformeerd kunnen worden over de vastgestelde milieumisdrijven en de wijze waarop dat moet gebeuren.


De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de toezichthouders een kopie van het proces-verbaal moeten bezorgen.


Art. 16.3.24bis.

De door het college van burgemeester en schepenen aangewezen personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die bevoegd zijn om misdrijven als vermeld in titel VI van de voormelde codex op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, kunnen ook milieumisdrijven die een schending uitmaken van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van dit decreet vaststellen in een proces-verbaal.


Een afschrift van het proces-verbaal wordt bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van de misdrijven. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden een afschrift ontvangt.


Art. 16.3.25.

Het proces-verbaal heeft bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen.

 

Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt, op straffe van verval van de bewijswaarde tot het tegendeel, aan de vermoedelijke overtreder kennis gegeven van een kopie van het proces-verbaal. Die kennisgeving gebeurt binnen een termijn van veertien dagen na de datum van afsluiting van het proces-verbaal.

 

De vaststelling van milieumisdrijven door de personeelsleden, vermeld in artikel 16.3.24bis, geldt niet tot bewijs van het tegendeel.


Art. 16.3.26. Bij de vaststelling van een milieumisdrijf kunnen toezichthouders, met het oog op de bewijsvoering, alle bewarende maatregelen met betrekking tot zaken nemen voor een termijn van hoogstens tweeënzeventig uur. De toezichthouders die aldus een bewarende maatregel hebben genomen, brengen de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd, hiervan onmiddellijk op de hoogte.

Onderafdeling IIIbis.
Identificatie


Art. 16.3.26bis.

Bij de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf kunnen de toezichthouders de identiteit controleren van de vermoedelijke overtreder.

 

De identiteitsstukken die aan de toezichthouder worden overhandigd, moeten na verificatie van de identiteit onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.

 

Bij gebrek aan een identiteitskaart wordt aan de vermoedelijke overtreder de mogelijkheid geboden om zijn identiteit op een andere wijze te bewijzen.


Onderafdeling IV.
Aanmaningen


Art. 16.3.27. Als toezichthouders bij de uitoefening van hun toezichtopdracht een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.

HOOFDSTUK IV.
Bestuurlijke handhaving


Afdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 16.4.1. De toezichthouders behouden hun toezichtrechten in de fase van de bestuurlijke handhaving.

Art. 16.4.2.

Bestuurlijke handhaving kan de vorm aannemen van bestuurlijke maatregelen of van bestuurlijke geldboeten. Samen met een bestuurlijke geldboete kan een bestuurlijke ontneming van het wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel worden opgelegd.

 

Samen met bestuurlijke maatregelen kan een bestuurlijke dwangsom worden opgelegd voor het geval dat de bestuurlijke maatregelen niet of niet tijdig worden uitgevoerd.


Art. 16.4.3. Bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke geldboeten kunnen alleen worden opgelegd voor feiten die in strijd zijn met wettelijke voorschriften die voorafgaandelijk aan die feiten zijn bepaald en in werking zijn getreden.

Art. 16.4.4.

Bij het opleggen van bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke geldboeten zorgen de personen, vermeld in artikel 16.4.6, alsook de gewestelijke entiteit, vermeld in artikel 16.4.25, ervoor dat er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten die aan de bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke geldboeten ten grondslag liggen, en de maatregelen of de boeten die op grond van die feiten worden opgelegd.


Afdeling II.
Bestuurlijke maatregelen en bestuurlijke dwangsom


Onderafdeling I.
Oplegging


Art. 16.4.5.

Na de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf kunnen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd.

 

Bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd ten aanzien van degene die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf uitmaken.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke omstandigheden bestuurlijke maatregelen moeten worden opgelegd. 


Art. 16.4.6.

De personen, bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen, zijn :

toezichthouders, voor de milieuwetgeving waarop hun toezichtopdracht betrekking heeft; 
de gouverneur van een provincie of zijn plaatsvervanger, voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven aangewezen door de Vlaamse Regering; 
de burgemeester of zijn plaatsvervanger, voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven aangewezen door de Vlaamse Regering.

 

Wanneer de burgemeester, de provinciegouverneur of de niet-gewestelijke toezichthouders geen of geen afdoende bestuurlijke maatregelen opleggen, kunnen de bevoegde gewestelijke toezichthouders bestuurlijke maatregelen opleggen.

 

De personen die volgens dit decreet bevoegd zijn om bestuurlijke maatregelen op te leggen, zijn ook bevoegd om een bestuurlijke dwangsom op te leggen.


Art. 16.4.7.

§ 1.

De bestuurlijke maatregelen kunnen de vorm aannemen van :

een bevel [...] om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen;
een bevel [...] om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen; 
een feitelijke handeling van de personen, vermeld in artikel 16.4.6, op kosten van degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 
een combinatie van de maatregelen, vermeld in 1°, 2° en 3°.

 

 

 

§ 2.

De bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden :

de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten; 
het verbod op het gebruik van of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt;
de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; 
het meenemen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen, waarvan het bezit of het gebruik in strijd is met de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid;
het onmiddellijk vernietigen, op kosten van degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, van zaken die bederfelijk zijn of waarvan het bezit verboden is. Als het om dieren gaat waarvan het bezit verboden is, kunnen die op kosten van degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, al naar gelang het geval, ofwel onmiddellijk worden vrijgelaten, ofwel worden overgebracht naar een erkend opvangcentrum voor vogels en wilde dieren, ofwel worden vernietigd.

 

Voor de uitvoering van die maatregelen mogen de bevoegde personen, alsmede de personen die ze hebben aangewezen, elke plaats vrij betreden en het benodigde materiaal meenemen. Tot de bewoonde lokalen kunnen ze alleen toegang hebben als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner; 
ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de rechter in de politierechtbank. In dat geval hebben ze alleen toegang tussen vijf uur ’s morgens en eenentwintig uur ’s avonds. 

 

De bevoegde personen kunnen bij de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen de bijstand van de politie vorderen.

 

Artikel 92 tot en met 96, artikel 387 en artikel 397, §2 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning blijven onverkort van toepassing.


Art. 16.4.7bis.

De bestuurlijke dwangsom kan worden opgelegd per tijdseenheid en per schending, alsook per onderscheiden opgelegde maatregel.

 

Als de bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd per tijdseenheid, per schending of per opgelegde maatregel, kan een maximumplafond van het te betalen bedrag vermeld worden.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de dwangsom kan worden opgelegd en de modaliteiten ervan.


Art. 16.4.8.

In de gevallen, vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° en 2°, bevatten bestuurlijke maatregelen een einddatum om er uitvoering aan te geven. Bij de bepaling van die uitvoeringstermijn wordt rekening gehouden met de tijd die redelijkerwijs is vereist om er uitvoering aan te geven.

 

Als er geen einddatum is bepaald, moeten de bestuurlijke maatregelen zo snel mogelijk worden uitgevoerd.


Art. 16.4.8bis.

§ 1.

Bestuurlijke maatregelen kunnen niet meer worden opgelegd na het verstrijken van een termijn van vijf jaar nadat voor de milieu-inbreuk of voor het milieumisdrijf een verslag van vaststelling of een proces-verbaal door een toezichthouder is afgesloten, met behoud van de toepassing van paragraaf 2.

 

Bestuurlijke maatregelen kunnen niet meer worden opgelegd als er meer dan twintig jaar is verstreken nadat de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf is gepleegd.

 

§ 2.

De verjaringstermijnen, vermeld in paragraaf 1, worden geschorst gedurende de uitvoeringstermijn van de bestuurlijke maatregel die voor de schending in kwestie is opgelegd. Als er in het kader van een besluit houdende bestuurlijke maatregelen verschillende maatregelen met verschillende uitvoeringstermijnen zijn opgelegd, wordt de verjaringstermijn geschorst gedurende een termijn die overeenkomt met de langst durende uitvoeringstermijn.

 

De verjaringstermijnen, vermeld in paragraaf 1, worden geschorst gedurende de termijn waarin de bestuurlijke maatregelen het voorwerp uitmaken van een beroep bij de minister als vermeld in artikel 16.4.17, alsook gedurende de termijn waarin een beslissing van de minister als vermeld in artikel 16.4.17, het voorwerp is van een procedure bij de Raad van State.


Art. 16.4.9. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de bestuurlijke maatregelen.

Onderafdeling II.
Procedure voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen en bestuurlijke dwangsommen


Art. 16.4.10.

§ 1.

Bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk of mondeling opgelegd.

 

§ 1bis.

De bestuurlijke dwangsom wordt altijd schriftelijk opgelegd in het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen waarop de dwangsom betrekking heeft.

 

§ 2.

De schriftelijke oplegging gebeurt door de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen op elektronische wijze wordt bezorgd. Ze bepaalt in dat geval de nadere voorwaarden.

 

§ 4.

Het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen bevat minstens :

een vermelding van de milieuvoorschriften die werden geschonden; 
een overzicht van de vaststellingen inzake de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf;
een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregelen en de uitvoeringstermijn ervan;
de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan.
in voorkomend geval de motieven die aan de bestuurlijke dwangsom ten grondslag liggen, alsook de hoogte en de modaliteiten ervan.

 

§ 4bis.

De mondelinge oplegging wordt gedaan aan diegene aan wie de bestuurlijke maatregel wordt opgelegd of aan andere aanwezige betrokken personen. Ook bij de mondelinge oplegging worden diegene aan wie de bestuurlijke maatregel wordt opgelegd of de andere aanwezige betrokken personen zo volledig mogelijk geïnformeerd over de punten, vermeld in paragraaf 4, alsook over de vereiste van de tijdige schriftelijke bevestiging van de maatregel, vermeld in het derde lid.


Als diegene aan wie de bestuurlijke maatregel wordt opgelegd afwezig is, kan een bestuurlijke maatregel tot stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten ter plaatse op een zichtbare plaats worden aangebracht.


Op straffe van verval van de mondeling opgelegde maatregel of van de ter plaatse aangebrachte maatregel in geval van afwezigheid van diegene aan wie de bestuurlijke maatregel is opgelegd, moet de maatregel schriftelijk worden bevestigd binnen vijf werkdagen op de wijze die vermeld is voor de schriftelijke oplegging.

 

De schriftelijke bevestiging, vermeld in het derde lid, kan gepaard gaan met het opleggen van een dwangsom, die echter niet opgelegd kan worden voor de periode die voorafgaat aan de voormelde schriftelijke bevestiging.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering kan bepalen welke overheden op de hoogte moeten worden gebracht van de opgelegde bestuurlijke maatregelen en de wijze waarop dat moet gebeuren.

 

§ 6.

Als de uitvoeringstermijn van een bestuurlijke maatregel is verstreken en die niet of maar gedeeltelijk is uitgevoerd, kan een nieuwe bestuurlijke maatregel, desgevallend gepaard gaande met een dwangsom, worden opgelegd. In dergelijk geval wordt de voorgaande bestuurlijke maatregel opgeheven met inbegrip van de in voorkomend geval eraan gekoppelde dwangsom, met behoud van de toepassing van artikel 16.4.11 tot en met artikel 16.4.15.


Onderafdeling III.
Opheffing


Art. 16.4.11.

Wie bestuurlijke maatregelen neemt, is ook bevoegd om ze op te heffen.

 

De bestuurlijke maatregelen kunnen ofwel ambtshalve opgeheven worden, ofwel op verzoek van degene ten aanzien van wie bestuurlijke maatregelen zijn genomen.

 

Als een bestuurlijke maatregel wordt opgeheven, wordt automatisch ook de dwangsom opgeheven die eraan verbonden was.


Art. 16.4.12.

In bestuurlijke maatregelen als vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, worden de voorwaarden omschreven waaronder ze worden opgeheven in voorkomend geval.


Art. 16.4.13.

Als de voorwaarden, vermeld in de bestuurlijke maatregelen, vervuld zijn, kan degene die de bestuurlijke maatregelen heeft genomen, ze gemotiveerd en ambtshalve opheffen.

 

Uitzonderlijk kan die persoon bestuurlijke maatregelen als vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, gemotiveerd en ambtshalve opheffen als de voorwaarden die in de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd, niet zijn vervuld. De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden ter zake bepalen.

 

Gemotiveerde en ambtshalve opheffing van bestuurlijke maatregelen als vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, is eveneens mogelijk als door gewijzigde omstandigheden de oplegging van nieuwe bestuurlijke maatregelen vereist is.


Art. 16.4.14.

§ 1.

Degene aan wie bestuurlijke maatregelen als vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, zijn opgelegd, kan een gemotiveerd verzoek tot opheffing van die bestuurlijke maatregelen richten aan degene die de bestuurlijke maatregelen heeft genomen.

 

§ 2.

De persoon die bestuurlijke maatregelen heeft genomen beslist binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de verzending of afgifte van het gemotiveerde verzoek.

 

§ 3.

In een besluit houdende de opheffing van bestuurlijke maatregelen wordt vastgesteld dat de opgelegde voorwaarden zijn vervuld, of dat uitzonderlijke of gewijzigde omstandigheden zich voordoen.


Art. 16.4.15. Het besluit houdende de opheffing van bestuurlijke maatregelen wordt aan degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd meegedeeld door middel van een aangetekende brief binnen een termijn van tien dagen. [...]

Onderafdeling IV.
Uitvoering


Art. 16.4.16.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de uitvoering van de opgelegde bestuurlijke maatregelen.

 

Als binnen de uitvoeringstermijn geen gevolg wordt gegeven aan de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.7, § 1, 1° of 2°, kunnen de bevoegde personen alle nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren, op kosten en risico van degene aan wie de bestuurlijke maatregel is opgelegd. De Vlaamse Regering kan hiervoor de verdere voorwaarden bepalen.

 

De dwangsom is van rechtswege opeisbaar op de dag nadat de bestuurlijke maatregel moest zijn uitgevoerd.

 


Onderafdeling V.
Beroep tegen bestuurlijke maatregelen of tegen de bestuurlijke dwangsom


Art. 16.4.17.

§ 1.

Tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen, met inbegrip van de eventuele opgelegde bestuurlijke dwangsommen, kan degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd, beroep indienen bij de minister.

 

§ 2.

De beroepsindiener kan, als er in het besluit houdende bestuurlijke maatregelen sprake is van de oplegging van verschillende maatregelen, het beroep beperken tot een of enkele van die maatregelen. Daarnaast kan hij ook beroep indienen tegen de bestuurlijke dwangsommen alleen. In dergelijk geval is het voorwerp van het beroep beperkt tot de bestuurlijke maatregelen of dwangsommen waartegen beroep wordt ingediend.

 

Als een maatregel waaraan een dwangsom is gekoppeld, het voorwerp is van het beroep, behoort de eraan gekoppelde dwangsom automatisch tot het voorwerp van dat beroep.

 

In de beroepsbeslissing wordt uitdrukkelijk vermeld welke bestuurlijke maatregelen of dwangsommen het voorwerp uitmaken van het ingediende beroep en bijgevolg van de beroepsbeslissing.

 

§ 3.

Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep binnen een termijn van veertien dagen vanaf de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen ingediend. Het beroep schorst het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen niet.

 

Binnen een termijn van negentig dagen na de kennisgeving van het beroep wordt erover uitspraak gedaan. De minister kan die termijn eenmalig verlengen met negentig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd, van deze termijnverlenging in kennis worden gesteld binnen de initiële termijn van negentig dagen.

 

Bij gebrek aan een tijdige beslissing vervallen de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen waartegen beroep is ingediend. De eventueel al verbeurde dwangsommen vervallen in dergelijk geval van rechtswege. Degene aan wie de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen zijn opgelegd, en de persoon die de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen heeft opgelegd, worden van het verval schriftelijk op de hoogte gebracht.

 

§ 4.

Als de minister het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, heft de minister de bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke dwangsommen op voor het gedeelte waarvoor het beroep gegrond is verklaard, en kan de minister in voorkomend geval nieuwe bestuurlijke maatregelen of dwangsommen opleggen.

 

Als de minister het beroep tegen een bestuurlijke maatregel waaraan een dwangsom was gekoppeld, geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, vervallen van rechtswege de eraan gekoppelde dwangsommen en de eventueel al verbeurde bedragen voor het gedeelte waarvoor het beroep gegrond is verklaard.

 

§ 5.

Als de minister het beroep ongegrond verklaart, bevestigt de minister de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen voor het gedeelte waarvoor het beroep ongegrond is verklaard.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels van het beroep vast.


Onderafdeling VI.
Verzoek om de oplegging van bestuurlijke maatregelen


Art. 16.4.18.

§ 1.

De volgende personen kunnen, als ze kennis hebben van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, bij de personen, vermeld in artikel 16.4.6, de oplegging van bestuurlijke maatregelen verzoeken :

natuurlijke personen en rechtspersonen die rechtstreeks nadeel lijden als gevolg van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf; 
natuurlijke personen en rechtspersonen die een belang hebben bij de beteugeling van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf; 
rechtspersonen in de zin van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.

 

 

§ 2.

Het verzoek om de oplegging van bestuurlijke maatregelen moet voldoende gemotiveerd zijn en aannemelijk maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is.

 

Het verzoek vermeldt de verzoeken die eventueel al eerder bij een persoon als vermeld in artikel 16.4.6, zijn ingediend.

 

§ 3.

De personen die om bestuurlijke maatregelen verzoeken, worden zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de kennisgeving van het verzoek door de personen, vermeld in artikel 16.4.6, op de hoogte gebracht van de beslissing over het al dan niet nemen van bestuurlijke maatregelen en de redenen daarvoor.

 

§ 4.

Tegen de weigering om een bestuurlijke maatregel op te leggen kunnen de personen, vermeld in paragraaf 1, beroep indienen bij de minister. Binnen een termijn van zestig dagen na de kennisgeving van het beroep doet de minister erover uitspraak.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor de indiening, de behandeling, de beslissing en het beroep inzake het verzoek om bestuurlijke maatregelen.


Onderafdeling VII.
Bestuurlijke dwangsom


Art. 16.4.18bis. [...]

Art. 16.4.18ter.

[...]


De Vlaamse Regering bezorgt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling inzake de bestuurlijke dwangsom aan het Vlaams Parlement een verslag over de wijze waarop de bestuurlijke dwangsom is toegepast en doet eventueel voorstellen tot aanpassing van deze bepaling.


Art. 16.4.18quater.

[...]


Afdeling III.
Het handhavingscollege


Onderafdeling 1.
Algemene bepalingen


[...].

Art. 16.4.19.

§ 1.

Er wordt een handhavingscollege opgericht.

 

Het handhavingscollege is een administratief rechtscollege als vermeld in artikel 161 van de Grondwet.

 

[...]

 

§ 2.

Het handhavingscollege doet uitspraak over :

 

de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gewestelijke entiteit over de oplegging van een alternatieve of een exclusieve bestuurlijke geldboete en, in voorkomend geval, een voordeelontneming als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling IV;
de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gewestelijke beboetingsambtenaar, vermeld in artikel 6.1.1, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, over de oplegging van een exclusieve of een alternatieve bestuurlijke geldboete als vermeld in de artikelen 6.2.2, 6.2.6 en 6.2.13, § 4, van die codex;
de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de inspecteur Onroerend Erfgoed over de oplegging van een exclusieve of een alternatieve bestuurlijke geldboete als vermeld in de artikelen 11.2.5 en 11.2.6 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

 

§ 3.

De behandeling van het beroep door het handhavingscollege leidt tot één van de volgende uitspraken :

onbevoegdverklaring van het handhavingscollege;
vaststelling van de onontvankelijkheid van het beroep;
ongegrondverklaring van het beroep;
gegrondverklaring van het beroep.

 

§ 4.

[...]


Art. 16.4.20. [...]

Onderafdeling II.
Samenstelling


Art. 16.4.21.

[...]


Art. 16.4.22.

[...]


Onderafdeling III.
Werking


Art. 16.4.23. De Vlaamse Regering kan aan de leden van het Milieuhandhavingscollege op geen enkele manier instructies geven over de wijze waarop ze hun bevoegdheden moeten uitoefenen.

Art. 16.4.24. [...]

Afdeling IV.
De bestuurlijke geldboeten


Onderafdeling I.
Basisbepalingen


Art. 16.4.25.

De bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de gewestelijke entiteit een overtreder verplicht een geldsom te betalen. Als overtreder wordt beschouwd degene die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf uitmaken.

 

[...] Eventueel kunnen bij een bestuurlijke geldboete ook de expertisekosten worden gevoegd die de gewestelijke entiteit heeft moeten maken om zijn besluit te kunnen nemen.


Art. 16.4.26. Samen met een bestuurlijke geldboete kan een voordeelontneming worden opgelegd. Een voordeelontneming is een sanctie waarbij een overtreder verplicht wordt een al dan niet geschat geldbedrag te betalen ter waarde van het brutovermogensvoordeel dat uit de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf is verkregen.

Art. 16.4.27.

Een bestuurlijke geldboete kan de vorm aannemen van een alternatieve bestuurlijke geldboete of van een exclusieve bestuurlijke geldboete.

 

Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan uitsluitend worden opgelegd voor de milieumisdrijven, vermeld in artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3bis, 16.6.3ter, 16.6.3quater, 16.6.3quinquies, 16.6.3sexies en 16.6.3septies, en bedraagt maximaal 2.000.000 euro.

 

Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan uitsluitend worden opgelegd voor milieu-inbreuken en bedraagt maximaal 400.000 euro. De Vlaamse Regering bepaalt, binnen de grenzen van artikel 16.1.2, 1°, de lijst van de milieu-inbreuken. Die lijst moet een omschrijving bevatten van de juridische basis en van de concrete wettelijke verplichting.


Art. 16.4.28. [...]

Art. 16.4.29.

§ 1.

Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de hoogte van de geldboete afgestemd op de ernst van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf. Tevens wordt rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de [...] overtreder milieu-inbreuken of milieumisdrijven heeft gepleegd of beëindigd.

 

§ 2.

De bestuurlijke geldboete kan geheel of gedeeltelijk worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging. Uitstel bij de alternatieve bestuurlijke geldboete is enkel mogelijk voor zover geen bestuurlijke geldboete noch een strafrechtelijke geldboete of gevangenisstraf werd opgelegd voor het plegen van een milieumisdrijf en/of milieu-inbreuk gedurende vijf jaar voorafgaand aan het milieumisdrijf. Uitstel bij de exclusieve bestuurlijke geldboete is enkel mogelijk voor zover geen bestuurlijke geldboete, noch een strafrechtelijke geldboete of gevangenisstraf werd opgelegd voor het plegen van een milieumisdrijf en/of milieu-inbreuk gedurende drie jaar voorafgaand aan de milieu-inbreuk.

 

Een voordeelontneming kan niet worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging.

 

Het uitstel geldt voor een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen. De proefperiode gaat in vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van een bestuurlijke geldboete.

 

Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw milieumisdrijf of een nieuwe milieu-inbreuk wordt gepleegd, die leidt tot een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete.


Art. 16.4.30. De bevoegdheid tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete vervalt vijf jaar na de datum van afsluiting van het proces-verbaal dat over het milieumisdrijf werd opgesteld. De bevoegdheid tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete vervalt drie jaar na de datum van afsluiting van het verslag van vaststelling dat over de milieu-inbreuk werd opgemaakt.

Onderafdeling II.
Oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete


Art. 16.4.31.

Bij de vaststelling van een milieumisdrijf bezorgt de verbalisant onmiddellijk een proces-verbaal aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd.

 

Samen met dat proces-verbaal bezorgt de verbalisant een schriftelijk verzoek waarin de procureur des Konings gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf.

 

De verbalisant bezorgt, voor zover als mogelijk, de procureur des Konings tevens een overzicht van zowel de vroegere als de tegelijkertijd met het milieumisdrijf vastgestelde milieu-inbreuken en van de vroeger opgelegde bestuurlijke geldboeten.


Art. 16.4.32.

De procureur des Konings beschikt hiertoe over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen.

 

Voor die periode verstreken is [...] kan ze gemotiveerd eenmalig worden verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. Van die verlenging stelt de procureur des Konings de gewestelijke entiteit onmiddellijk in kennis.

 

Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd.


Art. 16.4.33. Van zijn beslissing over het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een milieumisdrijf bericht de procureur des Konings de gewestelijke entiteit. Die entiteit informeert de verbalisant over de beslissing van de procureur des Konings.

Art. 16.4.34.

Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit.

 

De oplegging van een bestuurlijke geldboete is eveneens uitgesloten als de procureur des Konings nalaat om tijdig zijn beslissing mee te delen aan de gewestelijke entiteit.

 

Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf houdt het verval van de strafvordering in.


Art. 16.4.35. Als de procureur des Konings de gewestelijke entiteit tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, start de gewestelijke entiteit de procedure voor de eventuele oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete.

Art. 16.4.36.

§ 1.

Na [...] de beslissing van de procureur des Konings, vermeld in artikel 16.4.35, brengt de gewestelijke entiteit binnen een termijn van dertig dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte van het voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. Tevens wordt hij erop gewezen dat hij :

de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen; 
mondeling zijn schriftelijke verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder moet daartoe bij de gewestelijke entiteit een aanvraag indienen binnen dertig dagen na [...] de kennisgeving.

 

§ 2.

De gewestelijke entiteit kan toezichthouders verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.

 

§ 3.

Alvorens een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, kan de gewestelijke entiteit de vermoedelijke overtreder een voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een bepaalde termijn.

 

Het voorstel tot betaling van een geldsom gebeurt met kennisgeving aan de vermoedelijke overtreder. [...].

 

De geldsom wordt gestort ten voordele van het Minafonds.

 

Het voorstel tot betaling van de geldsom schorst de procedure tot oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in de artikelen 16.4.37 tot en met 16.4.39.

 

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de termijn waarin de betaling moet geschieden, de modaliteiten tot het opleggen van de geldsom evenals de milieumisdrijven waarop de procedure van toepassing is.

 

§ 4.

De betaling van de voorgestelde geldsom door de vermoedelijke overtreder binnen de vooropgestelde termijn doet de procedure tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in de artikelen 16.4.37 tot en met 16.4.39 van het decreet vervallen.

 

Indien de vermoedelijke overtreder de geldsom niet betaalt binnen de vooropgestelde termijn of indien de vermoedelijke overtreder de gewestelijke entiteit per aangetekende brief laat weten niet in te gaan op het voorstel tot betaling van een geldsom, dan wordt de procedure tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, zoals vermeld in de artikelen 16.4.37 tot en met 16.4.39, hervat.


Art. 16.4.37.

Binnen een termijn van honderdtachtig dagen na de kennisgeving, vermeld in artikel 16.4.36, § 1, beslist de gewestelijke entiteit over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De gewestelijke entiteit brengt de vermoedelijke overtreder door middel van een kennisgeving op de hoogte van haar beslissing binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop ze is genomen. [...]

 

Met inachtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsmede de termijn waarbinnen en de manier waarop een alternatieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.


Art. 16.4.38. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de wijze waarop een dossier bij de gewestelijke entiteit aanhangig wordt gemaakt, alsook de samenstelling van en de toegang tot het dossier.

Art. 16.4.39.

Tegen de beslissing waarbij de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt, in voorkomend geval met voordeelontneming, kan degene aan wie de boete werd opgelegd beroep indienen bij het handhavingscollege. Het beroep schorst de bestreden beslissing.

 

In afwijking van artikel 16.1.3, §2, kan het beroep vermeld in het eerste lid worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing met inachtneming van de volgende bepalingen:

- voor toepassing van dit artikel wordt de kennisgeving met een aangetekende brief, met of zonder ontvangstbewijs, geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van deze aangetekende brief, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip;
-

voor toepassing van dit artikel wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.

 

 


Onderafdeling IV.
Oplegging van een exclusieve bestuurlijke geldboete


Art. 16.4.40. De gewestelijke entiteit kan een exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, opleggen.

Art. 16.4.41.

§ 1.

Na de ontvangst van de akte waarin een milieu-inbreuk wordt vastgesteld door een verbalisant, kan de gewestelijke entiteit binnen een termijn van zestig dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte brengen van het voornemen om een exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen.

 

Tevens wordt de vermoedelijke overtreder erop gewezen dat hij :

op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen;  
mondeling zijn schriftelijke verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de gewestelijke entiteit een aanvraag binnen dertig dagen na de kennisgeving. 

 

§ 2.

Alvorens een bestuurlijke geldboete op te leggen, kan de gewestelijke entiteit de vermoedelijke overtreder een voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een bepaalde termijn.

 

Het voorstel tot betaling van een geldsom gebeurt met kennisgeving aan de vermoedelijke overtreder. [...]

 

De geldsom wordt gestort ten voordele van het Minafonds.

 

Het voorstel tot betaling van de geldsom, schorst de procedure tot oplegging van een exclusieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in artikel 16.4.43.

 

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels met betrekking tot de termijn waarin de betaling moet geschieden, de modaliteiten tot het opleggen van de geldsom en kan bepalen op welke milieu-inbreuken de procedure van toepassing is.

 

§ 3.

De betaling van de door de gewestelijke entiteit voorgestelde geldsom door de vermoedelijke overtreder binnen de vooropgestelde termijn doet de procedure tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete zoals vermeld in artikel 16.4.43 van het decreet vervallen.

 

Indien de vermoedelijke overtreder de geldsom niet betaalt binnen de vooropgestelde termijn of indien de vermoedelijke overtreder de gewestelijke entiteit per kennisgeving laat weten niet in te gaan op het voorstel tot betaling van een geldsom, dan wordt de procedure tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, zoals vermeld in artikel 16.4.43 hervat.

 

§ 4.

De gewestelijke entiteit informeert de toezichthouders altijd over het gevolg dat wordt gegeven aan een verslag van vaststelling.


Art. 16.4.42. De gewestelijke entiteit kan toezichthouders verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.

Art. 16.4.43.

Binnen een termijn van negentig dagen na de kennisgeving van het bericht beslist de gewestelijke entiteit over het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De gewestelijke entiteit brengt de vermoedelijke overtreder door middel van een kennisgeving op de hoogte van haar beslissing binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop ze is genomen. [...]

 

Met inachtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsmede de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.


Art. 16.4.44.

Tegen de beslissing waarbij de gewestelijke entiteit een exclusieve bestuurlijke geldboete oplegt, in voorkomend geval met voordeelontneming, kan degene aan wie de boete werd opgelegd beroep indienen bij het handhavingscollege. Het beroep schorst de bestreden beslissing.

 

In afwijking van artikel 16.1.3, §2, kan het beroep vermeld in het eerste lid worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing met inachtneming van de volgende bepalingen:

- voor toepassing van dit artikel wordt de kennisgeving met een aangetekende brief, met of zonder ontvangstbewijs, geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van deze aangetekende brief, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip; 
- voor toepassing van dit artikel wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.

     

 


Afdeling V.
Zitting en uitspraak van het Milieuhandhavingscollege


[...].


Art. 16.4.45. [...]

[...].


Art. 16.4.46. [...]

Art. 16.4.47. [...]

Art. 16.4.48. [...]

Art. 16.4.49. [...]

[...].


Art. 16.4.50. [...]

[...].


Art. 16.4.51.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

[...]


Art. 16.4.52. [...]

Art. 16.4.53. [...]

[...].


Art. 16.4.54. [...]

Art. 16.4.55. [...]

Art. 16.4.56. [...]

Art. 16.4.57. [...]

Art. 16.4.58. [...]

Art. 16.4.59.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

[...]


[...].


Art. 16.4.60. [...]

Art. 16.4.61. [...]

Art. 16.4.62. [...]

Art. 16.4.63.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

[...]


Art. 16.4.64. [...]

Art. 16.4.65. [...]

HOOFDSTUK V.
Inning en invordering van verschuldigde bedragen


Art. 16.5.1.

§ 1.

De opgelegde bestuurlijke geldboeten, vermeld artikel 44 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, en titel XVI, hoofdstuk IV, afdeling IV en, in voorkomend geval, de opgelegde voordeelontnemingen en expertisekosten, vermeld in artikel 16.4.25, worden door het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid geïnd en ingevorderd ten voordele van het Minafonds.

 

De kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.7, § 1, voor de ambtshalve uitvoering van de opgelegde bestuurlijke maatregelen en voor de tenuitvoerlegging van veiligheidsmaatregelen worden eveneens geïnd en ingevorderd door het Vlaams Ministerie van Omgeving ten voordele van het Minafonds. In afwijking hiervan worden de kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering en de tenuitvoerlegging van die maatregelen door de toezichthouders van de OVAM die toezicht uitoefenen op de toepassing van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en haar uitvoeringsbesluiten en op de toepassing van artikelen 12 en 13 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, geïnd en ingevorderd door de OVAM ten voordele van de OVAM.

 

De bestuurlijke dwangsommen worden ook geïnd en ingevorderd door het Vlaams Ministerie van Omgeving ten voordele van het MINA-fonds.

In afwijking hiervan worden de bestuurlijke dwangsommen geïnd en ingevorderd door:

-       de gemeente op wiens grondgebied de bestuurlijke dwangsom werd opgelegd ten voordele van diezelfde gemeente, voor zover de bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd door een gemeentelijke toezichthouder, een intergemeentelijke toezichthouder, een toezichthouder van een politiezone, de burgemeester of zijn plaatsvervanger;

de provincie op wiens grondgebied de bestuurlijke dwangsom werd opgelegd ten voordele van diezelfde provincie, voor zover de bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd door een provinciale toezichthouder, de gouverneur of zijn plaatsvervanger”

 

§ 2.

Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.5, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen in de bossen en aanverwante grondoppervlakten, de onbevaarbare waterlopen en natuurreservaten, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Minafonds.

 

Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.5, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen op de openbare wegen, de waterwegen en de havens en hun specifieke aanhorigheden, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Vlaams Infrastructuurfonds.


Art. 16.5.2.

§ 1.

Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de verschuldigde bedragen, verhoogd met de invorderingskosten, vermeld in artikel 16.5.1, worden die bedragen bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die daartoe door de Vlaamse Regering wordt aangewezen.

 

§ 2.

Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.

 

Binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet doen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden. Als het dwangbevel betrekking heeft op kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, die door de toezichthouders van de OVAM zijn gemaakt, gebeurt in afwijking hiervan het verzet door de OVAM te laten dagvaarden.

 

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest of de OVAM kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.

 

Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.


Een beroep tegen een dwangbevel kan alleen worden ingesteld met betrekking tot geschillen die in verband met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel rijzen. Die geschillen worden voor de beslagrechter gebracht.

 

§ 3.

Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van voldoening van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, hebben het Vlaamse Gewest en de OVAM een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kunnen ze een wettelijke hypotheek nemen als daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar.

 

Het voorrecht vermeld in § 1 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.

 

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel.

 

De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in § 1. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.

 

Artikel 17 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.


Art. 16.5.2bis.

In afwijking van artikel 16.5.2 kan de ambtenaar, vermeld in artikel 16.5.2, § 1, beslissen af te zien van de invordering van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, als de invorderingskosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag of als niet kan worden vastgesteld wie de overtreder is.


Art. 16.5.3.

De bevoegdheid om over te gaan tot invordering van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, eerste en derde lid, verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop deze bedragen en kosten moesten worden betaald.


De bevoegdheid om over te gaan tot invordering van de kosten van de maatregelen, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag dat de maatregelen geheel zijn voltooid.


De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met 2280 van het Burgerlijk Wetboek.


Art. 16.5.4. De ambtenaar, belast met de inning en invordering, beslist eveneens over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel of spreiding van betaling die de overtreder tot hem richt.

HOOFDSTUK Vbis.
Opsporing van milieumisdrijven


Art. 16.5.5.

De Vlaamse Regering kan, met behoud van de voorwaarden, vermeld in artikel 16.3.8, aan personeelsleden van het departement en de agentschappen, die behoren tot het beleidsdomein Omgeving, de hoedanigheid toekennen van officier van gerechtelijke politie ten behoeve van de opsporing van milieumisdrijven als vermeld in hoofdstuk VI en in de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1.

 

Deze officieren van gerechtelijke politie worden hierna gewestelijke milieuopsporingsambtenaren genoemd.


Art. 16.5.6. De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren moeten over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de opsporingsbevoegdheden naar behoren te kunnen uitoefenen.

Art. 16.5.7.

Voordat de gewestelijke milieuopsporingsambtenaren hun opsporingstaak vervullen, leggen ze voor de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waartoe hun standplaats behoort, de volgende eed af : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. »

 

Ze zijn bevoegd om hun opdrachten te vervullen op het grondgebied van het gehele Vlaamse Gewest.


Art. 16.5.8.

De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren hebben een legitimatiebewijs bij zich en tonen dat desgevraagd onmiddellijk.

 

De Vlaamse Regering bepaalt wie het legitimatiebewijs verleent, en de inhoud en het model ervan.


Art. 16.5.9.

De gewestelijke milieuopsporingsambtenaren kunnen een kopie van het proces-verbaal bezorgen aan de relevante gewestelijke overheden, die belast zijn met de handhaving van de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1.


Art. 16.5.10.

Het proces-verbaal heeft bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen.

 

Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt, op straffe van verval van de bewijswaarde tot het tegendeel, aan de vermoedelijke overtreder een kopie van het proces-verbaal bezorgd. Die kennisgeving wordt gedaan binnen een termijn van veertien dagen na de datum van afsluiting van het proces-verbaal.


Art. 16.5.11.

Bij de vaststelling van een milieumisdrijf kunnen de gewestelijke milieuopsporingsambtenaren de identiteit controleren van de vermoedelijke overtreder.

 

De identiteitsstukken die aan de gewestelijke milieuopsporingsambtenaar worden overhandigd, moeten na verificatie van de identiteit onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.

 

Bij gebrek aan een identiteitskaart wordt aan de vermoedelijke overtreder de mogelijkheid geboden om zijn identiteit te bewijzen op een andere wijze.


Art. 16.5.12.

De bijzondere veldwachters vermeld in artikel 61 van het Veldwetboek zijn bevoegd om milieumisdrijven op te sporen en vast te stellen met betrekking tot de in artikel 16.1.1, eerste lid, sub 2°, 3°, 4°, 14°, 15° en 16°, vermelde milieuvoorschriften.


HOOFDSTUK VI.
Strafrechtelijke handhaving


Art. 16.6.1.

§ 1.

Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de door deze titel gehandhaafde milieuvoorschriftenis strafbaar met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van 100 euro tot 250.000 euro of met een van die straffen.

 

Deze straffen gelden niet voor :

de gedragingen die op basis van artikel 16.1.2, 1°, en op basis van artikel 16.4.27, derde lid, als milieu-inbreuk zijn gedefinieerd;
[...]
de overtreding van de verplichting tot aangifte en betaling van de milieuheffingen, vermeld in artikel 50 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 58 van voormeld decreet;
[...]
het niet voldoen aan administratieve verplichtingen in het kader van een aanvraagprocedure, zoals een procedure tot aanvraag van een vergunning of machtiging, tot aanvraag van een subsidie of tot het verkrijgen van een erkenning, behalve wanneer opzettelijk informatie niet of onvolledig werd meegedeeld of wanneer opzettelijk onjuiste informatie werd meegedeeld;
het niet voldoen aan de administratieve vormvereisten die bij een melding in acht genomen moeten worden, met behoud van de toepassing van artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, op het nalaten van enige voorafgaande melding van de betrokken activiteit.

 

§ 2.

De volgende personen worden bestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 100 euro tot 100.000 euro of met een van die straffen :

personen die opzettelijk opgelegde bestuurlijke maatregelen, bestuurlijke geldboeten, voordeelontnemingen, veiligheidsmaatregelen of door de rechter opgelegde maatregelen niet uitvoeren, betalen of negeren; 
personen die opzettelijk de in artikel 16.3.10, 1°, 2°, 3°, 4°, en 5°, bedoelde toezichtrechten schenden.
2°/1 personen die opzettelijk niet meewerken aan een identiteitscontrole als vermeld in artikel 16.3.26bis en 16.5.11;
personen die de orde van de zittingen van het handhavingscollege verstoren, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting.

Art. 16.6.2.

§ 1.

Wie opzettelijk, in strijd met de milieuvoorschriften of in strijd met een vergunning, rechtstreeks of onrechtstreeks, stoffen, micro-organismen, geluid en andere trillingen of stralingen in of op water, bodem of atmosfeer inbrengt of verspreidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen.

 

Wie door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, in strijd met milieuvoorschriften of in strijd met een vergunning, rechtstreeks of onrechtstreeks, stoffen, micro-organismen, geluid en andere trillingen of stralingen in of op water, bodem of atmosfeer inbrengt of verspreidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 100 euro tot 350.000 euro of met een van die straffen.

 

§ 2.

In afwijking van de straffen vermeld in § 1 kunnen gemeenten voor kleine vormen van openbare overlast gemeentelijke sancties bepalen overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet.

 

Wanneer de gemeente geen gemeentelijke sancties overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet heeft bepaald, worden in die gemeente deze kleine vormen van openbare overlast gestraft met een geldboete van maximum 43,75 euro.


Art. 16.6.3.

§ 1.

Wie opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, afvalstoffen achterlaat, beheert of overbrengt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen.

 

Wie door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, afvalstoffen achterlaat, beheert of overbrengt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 100 euro tot 350.000 euro of met een van die straffen.

 

§ 2.

In afwijking van de straffen vermeld in § 1 kunnen gemeenten voor kleine vormen van openbare overlast gemeentelijke sancties bepalen overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet.

 

[...]


Art. 16.6.3bis. [...]

Art. 16.6.3ter.

Wie opzettelijk, in strijd met de milieuvoorschriften :

specimens van beschermde in het wild levende dier- en plantensoorten, vermeld in de bijlagen II,  III en IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, eieren van die diersoorten of delen of afgeleide producten van die dier- en plantensoorten in bezit heeft, vangt of zich toe-eigent, beschadigt, doodt of verhandelt of; 
de nesten, rustplaatsen of voortplantingsplaatsen van die diersoorten beschadigt; 
[...]

 

wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 tot 500.000 euro of met één van die straffen.

 

Wie door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, in strijd met de milieuvoorschriften :

1°  specimens van beschermde in het wild levende dier- en plantensoorten, vermeld in de bijlagen II, III en IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, eieren van die diersoorten of delen of afgeleide producten van die dier- en plantensoorten in bezit heeft, vangt of zich toe-eigent, beschadigt, doodt of verhandelt of; 
de nesten, rustplaatsen of voortplantingsplaatsen van die diersoorten beschadigt; 
[...]

 

wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 100 tot 350.000 euro of met één van die straffen.


Art. 16.6.3quater.

Wie opzettelijk, in strijd met de milieuvoorschriften, betekenisvolle schade toebrengt aan een habitat van bijlage I, een habitat van een soort van bijlage II of III, of het leefgebied van een soort van bijlage IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu binnen de perimeter van een definitief vastgestelde speciale beschermingszone afgebakend op grond van artikel 36bis van hetzelfde decreet wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 tot 500.000 euro of met één van die straffen alleen.

 

Wie door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid in strijd met de milieuvoorschriften betekenisvolle schade toebrengt aan een habitat van bijlage I, een habitat van een soort van bijlage II of III, of het leefgebied van een soort van bijlage IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu binnen de perimeter van een definitief vastgestelde speciale beschermingszone afgebakend op grond van artikel 36bis van hetzelfde decreet, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 100 tot 350.000 euro of met één van die straffen alleen.

 

Wie opzettelijk de milieuvoorschriften van artikel 25, § 3, 2°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu niet naleeft, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 500.000 euro of met één van die straffen alleen. Wie door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, de milieuvoorschriften an artikel 25, § 3, 2°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud niet naleeft, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 100 euro tot 350.000 euro of met één van die straffen alleen.


Art. 16.6.3quinquies.

Wie opzettelijk, in strijd met de milieuvoorschriften, handelingen stelt waardoor een met bomen begroeide oppervlakte als vermeld in artikel 3, § 1 en § 2, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, geheel of gedeeltelijk verdwijnt en er aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 500.000 euro of met één van die straffen.

 

Wie door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, in strijd met de milieuvoorschriften, handelingen stelt waardoor een met bomen begroeide oppervlakte als vermeld in artikel 3, § 1 en § 2, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, geheel of gedeeltelijk verdwijnt en er aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 100 tot 350.000 euro of met één van die straffen.


Art. 16.6.3sexies. [...]

Art. 16.6.3septies. [...]

Art. 16.6.4.

Wie afvalstoffen achterlaat in strijd met de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, wordt door de strafrechter veroordeeld tot het inzamelen, vervoeren en verwerken ervan binnen een door hem vastgestelde termijn.

 

Met behoud van de toepassing van de bepalingen in het eerste lid kan de veroordeelde worden verplicht tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen door de gemeente, door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest of door het Vlaamse Gewest.


Art. 16.6.5. Na de partijen gehoord te hebben, kan de rechter bij wijze van veiligheidsmaatregel het verbod uitspreken om de inrichtingen, die aan de oorsprong van het milieumisdrijf liggen, te exploiteren gedurende de termijnen die hij bepaalt.

Art. 16.6.6.

§ 1.

Naast de straf kan de rechtbank, ofwel ambtshalve, ofwel op vordering van het openbaar ministerie, ofwel op vordering van de gemachtigde ambtenaar, ofwel op vordering van de burgerlijke partij, bevelen om de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen, het strijdige gebruik te staken of aanpassingswerken uit te voeren.

 

Als de gemachtigde ambtenaar daartoe een herstelvordering indient, gebeurt dat op grond van deze vordering.

 

§ 2.

De herstelvordering wordt door de gemachtigde ambtenaar bij het parket ingeleid met een gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest.

 

De vordering vermeldt minstens de geldende milieuvoorschriften en een omschrijving van de toestand zoals die was voor het misdrijf.

 

Het vorderingsrecht van de gemachtigde ambtenaar verjaart binnen vijf jaar nadat een toezichthouder voor het milieumisdrijf een proces-verbaal heeft afgesloten, met dien verstande dat het vorderingsrecht niet kan verjaren zolang conform artikel 16.4.8bis een bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd of zolang de strafvordering niet vervallen is.

 

 

§ 3.

De rechtbank bepaalt een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen, rekening houdend met de termijn die voor de uitvoering van de herstelmaatregelen is bepaald in de herstelvordering, vermeld in § 1.

 

De rechtbank kan op vordering van de gemachtigde ambtenaar ook een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen.


Art. 16.6.7.

De gemachtigde ambtenaar kan ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het ambtsgebied waarin het milieumisdrijf plaatsvond, de herstelmaatregelen, vermeld in artikel 16.6.6, vorderen.


Art. 16.6.8.

Als de persoon die de opgelegde herstelmaatregelen moet uitvoeren, de herstelmaatregelen vrijwillig heeft uitgevoerd, brengt hij de gemachtigde ambtenaar daarvan op de hoogte met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs.

 

De gemachtigde ambtenaar maakt daarop onmiddellijk en na controle ter plaatse een proces-verbaal van vaststelling op. De gemachtigde ambtenaar stuurt een kopie van dat proces-verbaal naar de persoon die de herstelmaatregelen moest nemen.

 

Het proces-verbaal van vaststelling geldt als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.


Art. 16.6.9. De gemachtigde ambtenaar kan, op kosten van de persoon die veroordeeld werd tot het uitvoeren van de herstelmaatregel, het vonnis of het arrest zelf uitvoeren als deze persoon de herstelmaatregel niet binnen de door de rechter bepaalde termijn is nagekomen.

Art. 16.6.10.

De verjaring van het recht op ambtshalve uitvoering van de herstelmaatregel, vermeld in artikel 16.6.9 neemt een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank overeenkomstig artikel 16.6.6, § 3, heeft bepaald voor de tenuitvoerlegging ervan.


HOOFDSTUK VII.
Veiligheidsmaatregelen


Afdeling I.
Basisbepalingen


Art. 16.7.1.

§ 1.

De volgende personen kunnen veiligheidsmaatregelen nemen in geval van een aanzienlijk risico voor mens of milieu :

toezichthouders, voor de milieuwetgeving waarop hun toezichtopdracht betrekking heeft; 
de gouverneur van een provincie of zijn plaatsvervanger; 
de burgemeester of zijn plaatsvervanger. 

 

 

§ 2.

Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de personen, vermeld in § 1, alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren.

 

De burgemeester en de provinciegouverneur kunnen de veiligheidsmaatregelen ambtshalve nemen of op verzoek van een toezichthouder.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen de veiligheidsmaatregelen, vermeld in § 1, moeten worden genomen en kan vaststellen wie van de personen, vermeld in § 1, die maatregelen moet nemen.


Art. 16.7.2.

Veiligheidsmaatregelen kunnen onder meer strekken tot :

de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn; 
het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; 
de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; 
het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren; 
het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen. 

 

Veiligheidsmaatregelen kunnen niet worden opgeheven als het risico in kwestie niet is uitgeschakeld, ingeperkt tot een aanvaardbaar niveau of gestabiliseerd.


Art. 16.7.3. Bij besluit opgelegde veiligheidsmaatregelen die verplichten tot een doen of laten, omschrijven duidelijk de verplichtingen waaraan moet worden voldaan.

Art. 16.7.4.

Kosten die gemaakt zijn voor de tenuitvoerlegging van veiligheidsmaatregelen vallen geheel of gedeeltelijk ten laste van de personen die verantwoordelijk zijn voor het aanzienlijke risico.

 

De verschuldigde bedragen worden geïnd en ingevorderd overeenkomstig artikel 16.5.1 tot en met 16.5.4.


Afdeling II.
Procedure voor het nemen van veiligheidsmaatregelen ten aanzien van personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico


Art. 16.7.5.

§ 1.

Veiligheidsmaatregelen worden schriftelijk genomen. Als een ogenblikkelijk optreden vereist is, kunnen veiligheidsmaatregelen ook mondeling worden genomen.

 

§ 2.

Als veiligheidsmaatregelen schriftelijk worden genomen, dan gebeurt dat door de kennisgeving van het besluit houdende de veiligheidsmaatregelen.

 

§ 3.

Als veiligheidsmaatregelen mondeling worden genomen en de personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, niet aanwezig zijn, dan wordt ter plaatse en op een zichtbare plaats een schriftelijk bericht achtergelaten.

 

Door middel van een schriftelijke bevestiging worden de personen die verantwoordelijk zijn voor het aanzienlijke risico op de hoogte gebracht van de mondeling genomen veiligheidsmaatregelen binnen vijf werkdagen nadat ze genomen zijn. Deze schriftelijke bevestiging gebeurt door middel van een kennisgeving.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat de schriftelijke bevestiging, vermeld in § 3, tweede lid, en het besluit, vermeld in § 2, op elektronische wijze verspreid kunnen worden. Ze bepaalt in dat geval de nadere voorwaarden.

 

§ 5.

De schriftelijke bevestiging, vermeld in § 3, tweede lid, en het besluit, vermeld in § 2, bevatten minstens :

een omschrijving van het aanzienlijke risico dat het nemen van veiligheidsmaatregelen noodzakelijk maakt; 
een omschrijving van de veiligheidsmaatregelen die noodzakelijk zijn en de eventuele uitvoeringstermijn.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan bepalen welke overheden op de hoogte moeten worden gebracht van de genomen veiligheidsmaatregelen, alsook op welke wijze dat moet gebeuren.


Afdeling III.
Opheffing van veiligheidsmaatregelen


Art. 16.7.6.

Wie veiligheidsmaatregelen neemt, is ook bevoegd om ze op te heffen.

 

De veiligheidsmaatregelen kunnen ambtshalve opgeheven worden of op verzoek van personen ten aanzien van wie de veiligheidsmaatregelen zijn genomen.

 

De opheffing van veiligheidsmaatregelen kan gepaard gaan met het nemen van nieuwe veiligheidsmaatregelen.


Art. 16.7.7. Als het aanzienlijke risico waarvoor veiligheidsmaatregelen werden genomen, is uitgeschakeld of tot een aanvaardbaar niveau ingeperkt of gestabiliseerd is, kan degene die de veiligheidsmaatregelen heeft genomen, ze gemotiveerd en ambtshalve opheffen.

Art. 16.7.8.

Iedere persoon tegen wie veiligheidsmaatregelen zijn genomen kan de opheffing ervan vragen. Het gemotiveerde verzoek wordt meegedeeld aan degene die de veiligheidsmaatregelen heeft genomen. [...]

 

Degene die de veiligheidsmaatregelen heeft genomen beslist binnen een termijn van dertig dagen na de mededeling van het gemotiveerde verzoek.

 

Een besluit houdende de opheffing van veiligheidsmaatregelen op gemotiveerd verzoek vereist een voorafgaand verslag waarin de bevoegde persoon vaststelt dat het aanzienlijke risico waarvoor veiligheidsmaatregelen werden genomen, is uitgeschakeld of tot een aanvaardbaar niveau ingeperkt of gestabiliseerd is. De Vlaamse Regering kan de vorm en de voorwaarden van dat verslag bepalen.


Art. 16.7.9.

De personen tegen wie veiligheidsmaatregelen zijn genomen worden binnen een termijn van tien dagen op de hoogte gebracht van het besluit houdende de opheffing van veiligheidsmaatregelen, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek. Dit gebeurt door middel van een kennisgeving.

 

De termijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag waarop dit besluit werd genomen.


Bijlagen.


Bijlage I.

De criteria overeenkomstig artikel 4.2.3, § 2, 2°, en artikel 4.2.3, § 3 zijn:

1. De kenmerken van plannen en programma's, in het bijzonder gelet op :

  1. de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden, alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen;
  2. de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt;
  3. de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling;
  4. milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma;
  5. de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap (bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming).

2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed, in het bijzonder gelet op :

  1. de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten;
  2. de cumulatieve aard van de effecten;
  3. de grensoverschrijdende aard van de effecten;
  4. de risico's voor de menselijke veiligheid of gezondheid of voor het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen);
  5. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
  6. de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed gelet op :
    - bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed;
    - de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden;
    - intensief grondgebruik;
  7. de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de Europese Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.

 


Bijlage II. Criteria als vermeld in artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, § 3, § 3bis en § 4

De criteria overeenkomstig artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, § 3, § 3bis en § 4, zijn:

de kenmerken van de projecten. Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
  a) de omvang en het ontwerp van het hele project;
  b) de cumulatie met andere bestaande of goedgekeurde projecten;
  c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;
  d) de productie van afvalstoffen;
  e) verontreiniging en hinder;
  f) de risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaat-verandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;
  g) de risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling);
de locatie van de projecten. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
  a) het bestaande en goedgekeurde landgebruik;
  b) de relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;
  c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende types van gebieden:
    1) wetlands, oeverformaties, riviermondingen;
    2) kustgebieden en het mariene milieu;
    3) berg en bosgebieden;
    4) natuurreservaten en parken;
    5) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd;
    6) Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen krachtens het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
    7) gebieden waarin de milieukwaliteitsnormen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld en die relevant zijn voor het project, niet worden nagekomen of worden beschouwd als nietnagekomen;
    8) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;
    9) landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang;
de soort en de kenmerken van het potentiële effect. De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de criteria, vermeld in punt 1° en 2°, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor
het effect van het project op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, met inachtneming van:
  a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
  b) de aard van het effect;
  c) het grensoverschrijdende karakter van het effect;
  d) de intensiteit en de complexiteit van het effect;
  e) de waarschijnlijkheid van het effect;
  f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;
  g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande of goedgekeurde projecten;
  h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

Bijlage III. Criteria ter bepaling van de negatieve effecten als bedoeld in artikel 15.1.1, 6°

Of een vorm van schade aanmerkelijke negatieve effecten heeft op het bereiken of het handhaven van de gunstige staat van instandhouding van soorten of natuurlijke habitats, wordt bepaald aan de hand van de referentietoestand, rekening houdende met de functies als gevolg van hun belevingswaarde en met hun capaciteit voor natuurlijke regeneratie.

 

Of de referentietoestand aanmerkelijke negatieve wijzigingen heeft ondergaan, wordt bepaald aan de hand van meetbare gegevens zoals :

a) het aantal exemplaren, de populatiedichtheid of de ingenomen oppervlakte; 
b) de rol van afzonderlijke exemplaren of van de beschadigde oppervlakte in verhouding tot de soorten of de instandhouding van de habitat, de zeldzaamheid van de soort of de habitat zoals vastgesteld op plaatselijk, regionaal, nationaal of hoger niveau, met inbegrip van het communautaire niveau; 
c) het voortplantingsvermogen van de soort volgens de voor die soort of populatie specifieke dynamiek, de levensvatbaarheid ervan of het natuurlijke regeneratievermogen van de habitat volgens de dynamiek die specifiek is voor de karakteristieke soort van die habitat of de populaties van die soort; 
d) het vermogen van de soort of habitat om zich, nadat schade is opgetreden, binnen een korte periode en zonder ander ingrijpen dan het instellen van striktere beschermingsmaatregelen te herstellen tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand. 

 

Effecten op de menselijke gezondheid worden beschouwd als aanmerkelijke negatieve effecten.

 

Als aanmerkelijke negatieve effecten worden niet beschouwd :

a) negatieve schommelingen die kleiner zijn dan de normale gemiddelde schommelingen voor een bepaalde soort of habitat; 
b) negatieve schommelingen als gevolg van natuurlijke oorzaken of als gevolg van het ingrijpen in verband met het normale beheer van gebieden, zoals vastgelegd in habitatdossiers of in documenten waarin de doelen zijn uiteengezet, of zoals voordien uitgeoefend door eigenaars of exploitanten; 
c) schade aan soorten of habitats waarvan bekend is dat zij binnen een korte periode en zonder ingrijpen herstellen tot de referentietoestand ofwel tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand. 

Bijlage IV. In artikel 15.1.2 vermelde activiteiten

De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om de bijlage te wijzigen teneinde de conformiteit met het Europees recht ter zake te garanderen.

 

1. De exploitatie van GPBV-installaties onder meer deze zoals bepaald door sub 16° van artikel 1 van titel I van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, hierna het VLAREM genoemd, met uitzondering van installaties of delen daarvan die bestemd zijn voor het onderzoek, de ontwikkeling, en het testen van nieuwe producten en processen.

 

2. Alle afvalbeheeractiviteiten, zoals de inzameling, het vervoer, de nuttige toepassing en de verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op dergelijke activiteiten en de nazorg op de verwijderingslocaties onder meer deze waarop rubriek 2 van bijlage 1 van titel 1 van het VLAREM van toepassing is of die onderworpen zijn aan een andere vergunnings- of registratieplicht.

 

Deze activiteiten omvatten onder meer de exploitatie van stortplaatsen en de exploitatie van verbrandingsinstallaties.

 

Het voor landbouwdoeleinden verspreiden van rioolslib uit zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater valt, mits dat volgens een erkende norm gezuiverd is, niet onder deze activiteiten.

 

3. Lozingen in oppervlaktewater onder meer deze waarop de subrubrieken 3.4 en 3.6.3 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM op van toepassing zijn en die aan een voorafgaande vergunning zijn onderworpen.

 

4. Lozingen van stoffen in het grondwater onder meer deze waarop de subrubrieken 52.1.1°, 52.2.2° en 52.2.3° van bijlage 1 van titel I van het VLAREM van toepassing zijn en die aan een voorafgaande vergunning zijn onderworpen.

 

5. Lozingen of injectie van verontreinigende stoffen in oppervlaktewater of het grondwater onder meer deze waarop de subrubrieken 3.4, 3.6.3, 52.1.1°, 52.2.2° en 52.2.3° van bijlage 1 van titel I van het VLAREM van toepassing zijn en aan een vergunnings-, toestemmings- of registratieplicht zijn onderworpen.

 

6. Alle wateronttrekking en -opstuwing onder meer deze waarop de rubrieken en subrubrieken 53.2, 53.2.1°.b) en c), 53.4.2°.b) en c), 53.6, 53.7, 53.8.2° en 3°, 53.9 en 56, van bijlage 1 van titel I van het VLAREM van toepassing zijn en aan een voorafgaande toestemming onderworpen zijn.

 

7. De fabricage, het gebruik, de opslag, de verwerking, de storting, de emissie in het milieu en het vervoer op het terrein van de onderneming van :

  1. gevaarlijke stoffen;
  2. gevaarlijke preparaten;
  3. gewasbeschermingsmiddelen; of
  4. biociden onder meer deze als vermeld in artikel 8 van titel I van VLAREM.

8. Het vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren, over zee of in de lucht van gevaarlijke of verontreinigende goederen onder meer deze als gedefinieerd hetzij in de bijlage bij het koninklijk besluit van 9 maart 2003 inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, met uitsluiting van ontplofbare of gevaarlijke stoffen, hetzij in de bijlage bij het koninklijk besluit van 11 december 1998 inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor, hetzij in in het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum.

 

9. Met betrekking tot de uitstoot in de lucht van verontreinigende stoffen, de exploitatie van installaties onder meer deze waarop rubriek 20 van titel I van het VLAREM van toepassing is en die aan een vergunningsplicht zijn onderworpen, met uitzondering van de subrubrieken waarvoor er een « 3 » staat in de derde kolom.

 

10. Het ingeperkte gebruik, met inbegrip van vervoer, van genetisch gemodificeerde micro-organismen onder meer deze waarop de rubriek 51 van titel I van het VLAREM van toepassing is.

 

11. Elke doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, daaronder begrepen het vervoer van genetisch gemodificeerde organismen als onder meer bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of producten die er bevatten.

 

12. Elke grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Unie waarvoor een toestemming is vereist dan wel een verbod geldt in de zin van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.
 

13. Het beheer van winningsafvalvoorzieningen onder meer deze waarop rubriek 2.3.11 van titel I van het VLAREM van toepassing is.

 

14. De exploitatie van opslaglocaties overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond. 


Bijlage V. Salarisschaal van de bestuursrechters van het handhavingscollege

[...]


Bijlage VI. Lijst van luchtvaartactiviteiten

Alle vluchten die vertrekken van of aankomen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte vallen onder de “luchtvaartactiviteit”.


Het begrip “vlucht” is een vluchtsector, wat een vlucht of een reeks van vluchten is, die begint op de parkeerplaats van het luchtvaartuig en eindigt op de parkeerplaats van het luchtvaartuig.


Het begrip “luchtvaartterrein” betekent een welomschreven gebied op het land of op het water, met inbegrip van de gebouwen, de installaties en de uitrusting, bedoeld om volledig of gedeeltelijk te gebruiken voor de aankomst, het vertrek en de grondbeweging van luchtvaartuigen.


Als de vliegtuigexploitant een luchtvaartactiviteit uitvoert, als vermeld in deze bijlage, valt de vliegtuigexploitant onder het toepassingsgebied van het Europese emissiehandelssysteem, ongeacht het feit of de vliegtuigexploitant gepubliceerd is op de lijst van vliegtuigexploitanten door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 18bis, derde lid van richtlijn 2003/87/EG.


Buiten deze activiteit vallen:
1° vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd voor het vervoer op een officiële dienstreis van een regerende vorst en zijn directe familie, staatshoofden, regeringsleiders en ministers van de regering van een ander land dan een lidstaat, als dat wordt bevestigd door een overeenkomstige statusindicator in het vluchtplan.


Deze uitzondering zal worden geïnterpreteerd aan de hand van het uitsluitende doel van de vlucht.


Directe familie” omvat alleen de echtgenoot of echtgenote, elke partner, gelijkgesteld aan de echtgenoot of echtgenote, de kinderen en de ouders.


Ministers van de regering” zijn de leden van de regering, zoals ze zijn opgelijst in het officiële publicatieblad van het land in kwestie. Leden van regionale of lokale regeringen van een land komen niet in aanmerking voor de uitzondering van dit punt .


Een “officiële dienstreis” betekent een reis waarbij de betrokken persoon zich gedraagt in een officiële hoedanigheid.


Positioneringvluchten of veerdienstvluchten van het luchtvaartuig vallen niet onder deze uitzondering.


Vluchten die door de Centrale Routeheffingen Dienst van Eurocontrol (Central Route Charges Office, CRCO) worden geïdentificeerd als uitzonderingen op de routeheffingen, aangeduid met ”S” (hierna “CRCOuitzonderingscode” genoemd) worden verondersteld vluchten te zijn die uitsluitend worden uitgevoerd voor het vervoer op een officiële dienstreis van een regerende vorst en zijn directe familie, staatshoofden, regeringsleiders en ministers van de regering van een ander land dan een lidstaat, waar dat wordt bevestigd door een overeenkomstige statusindicator in het vluchtplan;


2° militaire vluchten die worden uitgevoerd door militaire luchtvaartuigen en douane- en politievluchten.

 

Militaire vluchten” zijn vluchten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van militaire activiteiten.


Militaire vluchten, uitgevoerd door burgerlijk geregistreerde luchtvaartuigen, vallen niet onder deze uitzondering. Omgekeerd vallen burgerlijke vluchten, uitgevoerd door militaire luchtvaartuigen, niet onder punt 2°.

 

Vluchten met de CRCO-uitzonderingscode “M” of “X” worden geacht vrijgestelde militaire vluchten te zijn.


Douane- en politievluchten, uitgevoerd door zowel burgerlijk geregistreerde als militaire luchtvaartuigen, vormen een uitzondering.


Vluchten met een CRCO-uitzonderingscode “P” worden geacht vrijgestelde douane- en politievluchten te zijn;

 

3° vluchten in verband met opsporing en redding, vluchten in het kader van brandbestrijding, humanitaire vluchten en medische noodvluchten waarvoor de bevoegde autoriteit toestemming heeft verleend.


In relatie tot de onderstaande categorieën van vluchten, vallen de positioneringvluchten of veerdienstvluchten van luchtvaartuigen en de vluchten die uitsluitend uitrusting en personeel dragen en rechtstreeks betrokken zijn in het verlenen van de gerelateerde diensten, onder deze uitzondering. Die uitzonderingen maken geen onderscheid tussen vluchten, uitgevoerd door middel van publieke of private middelen.


Vluchten in verband met opsporing en redding” zijn vluchten die opsporings- en reddingsdiensten aanbieden.


Opsporings- en reddingsdienst” is de uitvoering van noodbewaking, communicatie, coördinatie en opsporing en reddingfuncties, eerste medische hulp of medische evacuatie door middel van het gebruik van publieke en private middelen, met inbegrip van samenwerkende luchtvaartuigen, vaartuigen en andere toestellen en installaties.


Vluchten met een CRCO-uitzonderingscode “R” en vluchten, geïdentificeerd met STS/SAR in veld 18 van het vluchtplan, worden geacht vrijgestelde opsporings- en reddingsvluchten te zijn.


Vluchten in het kader van brandbestrijding” zijn vluchten, uitgevoerd uitsluitend voor het verlenen van brandbestrijdingsdiensten vanuit de lucht, die het gebruik van luchtvaartuigen en andere middelen vanuit de lucht voor het bestrijden van branden inhoudt.


Vluchten, geïdentificeerd met STS/FFR in veld 18 van het vluchtplan, worden verondersteld vrijgesteld te zijn van vluchten in het kader van brandbestrijding.


Humanitaire vluchten” zijn vluchten, uitgevoerd uitsluitend voor humanitaire doeleinden, die hulppersoneel en hulpmiddelen, zoals voeding, kleding, beschutting, medische en andere middelen tijdens of na een noodgeval of ramp of die gebruikt worden om personen te evacueren van een plaats waar leven of gezondheid wordt bedreigd door een noodgeval of ramp naar een veilig toevluchtsoord in hetzelfde land of een ander land dat bereid is om die personen op te vangen.


Vluchten met een CRCO-uitzonderingscode “H” en vluchten, geïdentificeerd met STS/HUM in veld 18 van het vluchtplan, worden geacht vrijgestelde humanitaire vluchten te zijn.


Medische noodvluchten” zijn vluchten met het uitsluitende doel het vergemakkelijken van medische noodhulp, als onmiddellijk en snel transport essentieel is, door het vervoeren van medisch personeel, medische hulpmiddelen, met inbegrip van uitrusting, bloed, organen, medicatie, of zieke of gewonde personen en andere direct betrokken personen.


Vluchten, geïdentificeerd met STS/MEDEVAC of STS/HOSP in veld 18 van het vluchtplan, worden geacht vrijgestelde medische noodvluchten te zijn.


3° vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd volgens zichtvliegvoorschriften als vermeld in bijlage 2 bij het verdrag van Chicago.


4° vluchten die eindigen op het luchtvaartterrein vanwaar het luchtvaartuig is opgestegen en tijdens welke geen tussenlanding is gemaakt;


5° lesvluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met als doel het behalen van een vliegbrevet of van een bevoegdverklaring in het geval van cockpitpersoneel, als dat wordt bevestigd door een overeenkomstige opmerking in het vluchtplan, met uitzondering van vluchten die dienen voor het vervoer van passagiers of lading en van veerdienstluchten en positioneringvluchten.

 

Vluchten met de CRCO-uitzonderingscode “T” en vluchten, geïdentificeerd met RMK/lesvlucht” in veld 18 van het vluchtplan worden geacht vrijgesteld te zijn overeenkomstig punt 5°.


6° vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met als doel wetenschappelijk onderzoek of het controleren, testen of certificeren van luchtvaartuigen of van grond- of boordapparatuur.


In verband met onderstaande categorieën van vluchten, vallen positioneringvluchten of veerdienstvluchten van luchtvaartuigen niet onder deze uitzondering.

 

Deze categorie sluit vluchten uit met als enig doel het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Deze uitzondering is alleen van toepassing als het wetenschappelijk onderzoek geheel of gedeeltelijk uitgevoerd wordt tijdens de vlucht. Het vervoer van wetenschappers of onderzoeksmateriaal is op zichzelf niet voldoende om als uitzondering beschouwd te worden.


Vluchten met een CRCO-uitzonderingscode “N” en vluchten, geïdentificeerd met STS/FLTCK in veld 18 van het vluchtplan, worden geacht vrijgesteld te zijn overeenkomstig punt 6°.


7° vluchten die worden uitgevoerd door luchtvaartuigen met een gecertificeerde maximale startmassa van minder dan 5.700 kg;


8° vluchten, uitgevoerd in het kader van de openbare dienstverplichtingen die overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2408/92 worden opgelegd op routes in de ultra perifere gebieden, zoals vermeld in artikel 299, tweede lid, van het verdrag, of op routes waar de aangeboden capaciteit niet meer dan 30.000 zitplaatsen per jaar bedraagt.


Dat zal geïnterpreteerd worden als toepasbaar op de gebieden, opgelijst in artikel 299(2) van het EG-verdrag. Het gaat uitsluitend om vluchten voor openbare dienstverplichtingen binnen één ultraperifeer gebied en vluchten tussen twee ultraperifere gebieden;


9° vluchten die zonder dit punt onder deze activiteit zouden vallen, uitgevoerd door commerciële luchtvervoersondernemingen die:

- ofwel gedurende drie opeenvolgende periodes van vier maanden minder dan 243 vluchten per periode uitvoeren;
- ofwel vluchten met een totale emissie van minder dan 10.000 ton per jaar uitvoeren.

Vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd voor het vervoer op een officiële dienstreis van een regerende vorst en zijn directe familie, staatshoofden, regeringsleiders en ministers van een regering van lidstaat, mogen krachtens dit punt niet worden uitgesloten.


Alle commerciële luchtvervoersondernemingen moeten een bewijs luchtvaartexploitant (Air Operator’s Certificate of AOC) in hun bezit hebben overeenkomstig deel I van bijlage 6 bij de Conventie van Chicago. Een vliegtuigexploitant zonder bewijs luchtvaartexploitant is geen commerciële luchtvervoersonderneming.


Voor de toepassing van de de-minimis-regel, is de voorwaarde commercieel te zijn, gekoppeld aan de vliegtuigexploitant en niet aan de vluchten in kwestie. Dat betekent in het bijzonder dat rekening wordt gehouden met de vluchten, uitgevoerd door een commerciële luchtvervoersonderneming om te beslissen of de vliegtuigexploitant boven of onder de uitzonderingsdrempels valt, zelfs als die vluchten niet tegen een vergoeding worden uitgevoerd.


Alleen vluchten die vertrekken van of aankomen in een luchtvaartterrein op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, komen in aanmerking om te beslissen of de vliegtuigexploitant boven of onder de uitzonderingsdrempels van de de-minimis-regel valt. Vluchten, die worden uitgesloten op basis van punt 1° tot en met punt 10°, zullen niet in beschouwing genomen worden voor dezelfde doeleinden.


Vluchten, uitgevoerd door een commerciële vliegtuigexploitant die minder dan 243 vluchten gedurende drie opeenvolgende periodes van vier maanden uitvoert, zijn uitgesloten. De perioden van vier maanden zijn: januari tot en met april, mei tot en met augustus, september tot en met december. De lokale tijd van vertrek van de vlucht bepaalt in welke periode van vier maanden de vlucht in rekening wordt genomen om te beslissen of de vliegtuigexploitant boven of onder de uitzonderingsdrempels van de de-minimis-regel valt.


Een commerciële vliegtuigexploitant die 243 vluchten per periode of meer uitvoert, valt onder het toepassingsgebied van het Europese emissiehandelssysteem voor het volledige kalenderjaar waarin de drempel van 243 vluchten bereikt of overschreden wordt.


Een commerciële vliegtuigexploitant die vluchten uitvoert met jaarlijkse emissies gelijk aan of hoger dan 10.000 ton per jaar, valt onder het toepassingsgebied van het Europese emissiehandelssysteem voor het kalenderjaar waarin de drempel van 10.000 ton bereikt of overschreden wordt.

 

10° met ingang van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020, vluchten die zonder dit punt onder deze activiteit zouden vallen, en die worden uitgevoerd door een niet-commerciële vliegtuigexploitant die vluchten uitvoert met een totale emissie van minder dan 1000 ton per jaar.


Bijlage IIbis. Informatie op te nemen in het project-MER als vermeld in artikel 4.3.7, § 1

1° een beschrijving van het project, met in het bijzonder:
  a) een beschrijving van de locatie van het project;
  b) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project, en, als dat relevant is, met inbegrip van de vereiste sloopwerken, en de eisen met betrekking tot landgebruik tijdens de bouw en bedrijfsfasen;
  c) een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de bedrijfsfase van het project (met name productieprocessen), bijvoorbeeld energievraag en energieverbruik, aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen (waaronder water, land, bodem en biodiversiteit);
  d) een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (zoals water, lucht, bodem
en ondergrondverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling) en de hoeveelheden en soorten
afvalstoffen die geproduceerd zijn tijdens de bouw en bedrijfsfasen;
een beschrijving van de door de opdrachtgever onderzochte redelijke alternatieven (bijvoorbeeld met betrekking tot het projectontwerp, de technologie, de locatie, de omvang en de schaal) die relevant zijn voor het voorgestelde project en de specifieke kenmerken ervan, en een opgave van de belangrijkste redenen voor de selectie van de gekozen optie, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten;
een beschrijving van de relevante aspecten van de huidige toestand van het milieu (referentiescenario) en een schets van de mogelijke ontwikkeling daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen van het referentiescenario redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van milieuinformatie en wetenschappelijke kennis;
een beschrijving van de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, waarop het project van aanzienlijke invloed kan zijn: bevolking, menselijke gezondheid, biodiversiteit (bijvoorbeeld fauna en flora), land (bijvoorbeeld ruimte-beslag), bodem (bijvoorbeeld organisch materiaal, erosie, verdichting, afdekking), water (bijvoorbeeld hydromorfologische veranderingen, kwantiteit en kwaliteit), lucht, klimaat (bijvoorbeeld broeikasgasemissies, effecten die van belang zijn voor adaptatie), materiële goederen, cultureel erfgoed, inclusief architectonische en archeologische aspecten, en het landschap;
een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van, onder meer:
  a) de bouw en het bestaan van het project, met inbegrip van, als dat relevant is, sloopwerken;
  b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van die hulpbronnen;
  c) de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen;
  d) de risico’s voor de menselijke gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen of rampen);
  e) de cumulatie van effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen met betrekking tot gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
  f) het effect van het project op het klimaat (bijvoorbeeld de aard en de omvang van emissies van broeikasgassen) en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering;
  g) de gebruikte technologieën en stoffen;
een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden;
een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een postproject analyse). In die beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, zowel in de bouwfase als in de bedrijfsfase;
een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Daarvoor kan gebruikgemaakt worden van beschikbare relevante informatie die is verkregen met toepassing van het samenwerkingsakkoord van 5 juni 2015 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken of de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle of overeenkomstig andere uitgevoerde relevante beoordelingen die zijn gemaakt met toepassing van titel IV of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving, als aan de vereisten, vermeld in titel IV, hoofdstuk III, wordt voldaan. In voorkomend geval moet de beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, alsook details over de paraatheid en het voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties;
een niet-technische samenvatting van de informatie die verstrekt is conform punt 1° tot en met 8°;
10° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.


De beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten, vermeld in punt 5°, op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, moet betrekking hebben op de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte termijn, middellange termijn en lange termijn, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve effecten van het project. De aanzienlijke milieueffecten worden onder meer beoordeeld in het licht van de conform titel II, hoofdstuk II, vastgestelde milieukwaliteitsnormen.