Mestdecreet
Decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.

Hoofdstuk I.
Algemene bepalingen


Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2.

Dit decreet heeft tot doel de bescherming van het leefmilieu door de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen, verdere verontreiniging van die aard te voorkomen, bij te dragen tot de realisatie van een goede toestand van de watersystemen en de beperking van de luchtverontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen.

 

Dit doel wordt ondermeer gerealiseerd door bepalingen inzake de productie, de verhandeling, het gebruik, de bewerking en de verwerking van meststoffen, en dit zowel in het kader van de goede landbouwpraktijken als in het kader van de zorg voor de goede kwaliteit van het water en de bodem.

 

Dit decreet bevat de maatregelen uitgewerkt met het oog op het behalen van de doelstellingen in het kader van de Nitraatrichtlijn en de aan het mestbeleid gerelateerde doelstellingen van de kaderrichtlijn Water. Afhankelijk van het resultaat van de analyse, die zal worden gemaakt om de afstand tot het doel van de kaderrichtlijn Water in te schatten, kunnen er bijkomende maatregelen voor de diffuse vervuiling door fosfor uit landbouwbronnen opgenomen worden in dit decreet.


Art. 3.

§ 1.

Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gelden de hierna opgenomen definities. Deze zijn thematisch gerangschikt.

 

§ 2.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “wetgeving en de waterkwaliteit”. Het betreft de volgende definities:

eutrofiėring: een verrijking van het water door stikstof- of fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;
grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
kaderrichtlijn Water: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 (2000/60/EG) tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
kwetsbare zone water: een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Nitraatrichtlijn aangewezen stuk land;
Nitraatrichtlijn: de richtlijn van de Raad van 12 december 1991 (91/676/EEG) inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
verordening nr. 1013/2006: de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
verordening nr. 1069/2009: de verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten);
VHA-zone: sub-hydrografische eenheid, die de captatiezone van een waterloop of deel van een waterloop voorstelt. De ligging van de grenzen van de VHA-zones is onder andere gebaseerd op de afwatering via oppervlaktewater, reliėf en op vergelijkbare oppervlaktes van deze zones en is opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA);
waterverontreiniging: het direct of indirect lozen van stikstof- of fosforverbindingen uit agrarische bronnen in het aquatisch milieu ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de aquatische ecosystemen kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd;
10° zoet water: van nature voorkomend water met een laag gehalte aan zouten, dat in veel gevallen aanvaard wordt als zijnde geschikt voor onttrekking en behandeling voor de bereiding van drinkwater.

 

§ 3.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “landbouwbedrijf”. Het betreft de volgende definities:

bedrijf: bedrijf als vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
exploitant: exploitant als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
exploitatie: exploitatie als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
groeimedium: materiaal in vaste of vloeibare vorm niet zijnde landbouwgrond dat wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten;
landbouwer: landbouwer als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
landbouwgrond: landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
tot het bedrijf behorende landbouwgronden: de landbouwgronden die op 1 januari tot de exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf behoren. De Vlaamse Regering kan, in afwijking hiervan, een ander criterium vaststellen voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende landbouwgronden;
verzamelaanvraag: de verzamelaanvraag als vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het mestbeleid en het landbouwbeleid.

 

§ 4.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “het opslaan, verwerken, bewerken en verhandelen van mest”. Het betreft de volgende definities:

bewerken: het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de nutriėnten vervat in de dierlijke mest of andere meststoffen op Vlaamse landbouwgrond worden opgebracht;
bewerkingseenheid: een inrichting waar dierlijke mest of andere meststoffen bewerkt wordt;
erkende mestvoerder: een door de Mestbank erkende mestvoerder als vermeld in artikel 48, § 1;
erkend verzender: een door de Mestbank erkende aanbieder van meststoffen als vermeld in artikel 60;
exporteren: dierlijke mest of andere meststoffen vervoeren naar een bestemming buiten het Vlaamse Gewest;
mestverzamelpunt: permanente opslagplaats van dierlijke mest of andere meststoffen afkomstig van verschillende landbouwers of uitbatingen en bestemd voor verschillende landbouwers of uitbatingen;
mestvoerder: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die dierlijke mest of andere meststoffen vervoert;
producent van andere meststoffen: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die andere meststoffen produceert;
verhandelen: het afleveren van meststoffen aan een mestvoerder, aan een uitbater van een mestverzamelpunt, aan een uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid of aan een landbouwer, alsmede het met het oog daarop aanbieden of vervoeren ervan;
10° verwerken:
  a) het exporteren van pluimveemest of paardenmest;
  b) het exporteren van andere dierlijke mest dan pluimveemest of paardenmest, op basis van een expliciete en voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van het land of de regio van bestemming;
  c) het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de stikstof en de fosfor, die aanwezig is in de dierlijke mest of in de andere meststoffen, een van de volgende behandelingen ondergaat:
    1) de stikstof wordt niet opgebracht op landbouwgrond in het Vlaamse Gewest, behalve in tuinen, parken en plantsoenen;
    2) de stikstof wordt behandeld tot stikstofgas;
    3) de stikstof wordt behandeld tot kunstmest;
11° verwerkingseenheid: een inrichting waar dierlijke mest of andere meststoffen verwerkt wordt.

 

§ 5.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “de meststoffen en de wijze van toediening van meststoffen”. Het betreft de volgende definities:

andere meststoffen: alle meststoffen die noch kunstmest, noch dierlijke mest zijn. Deze meststoffen omvatten onder meer spuistroom en zuiveringsslib;
arm aan ammoniakale stikstof: een gehalte aan ammoniakale stikstof dat lager is dan 20 % van het totale stikstofgehalte van de meststof;
boerderijcompost: product ontstaan uit een composteringsproces dat op het bedrijf plaatsvindt waarbij bedrijfseigen organische restproducten al dan niet vermengd met stalmest gecomposteerd worden. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan een meststof moet voldoen om als boerderijcompost beschouwd te worden;
champost: afgeoogste champignoncompost die overblijft na het telen van champignons;
dierlijke mest: excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook producten daarvan, met inbegrip van champost en van afval van visteeltbedrijven;
drainwater: overtollig voedingswater afkomstig van de teelt van planten op groeimediums;
drassig land: een plaats waar de grond op het ogenblik van de bemesting op minder dan twintig centimeter onder het maaiveld met water verzadigd is;
effluenten: de meststoffen die ontstaan zijn uit de biologische behandeling door middel van nitrificatie en denitrificatie van dierlijke mest of andere meststoffen, met uitzondering van het ontstane slib van de biologische verwerking
gecertificeerde gft- en groencompost: gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest of waarvan aangetoond wordt dat de kwaliteit gelijkwaardig is aan de kwaliteit van gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop aangetoond kan worden dat de kwaliteit van gft- of groencompost gelijkwaardig is aan de kwaliteit van gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest;
10° inwerken van mest: de werkzaamheid waarbij mest na het uitspreiden ervan ofwel door grond wordt bedekt ofwel intensief met de grond wordt vermengd zodat de mest niet langer als zodanig op de grondoppervlakte ligt;
11° kunstmest: elke met een industrieel proces vervaardigde meststof, met inbegrip van het (NH4)2 SO4 uit spuiwater;
12° meststof: elke één of meer stikstof- of fosforverbindingen bevattende stof die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei, met inbegrip van dierlijke mest, afval van visteeltbedrijven en zuiveringsslib;
13° meststoffen type 1: stalmest, champost of traagwerkende meststof;
14° meststoffen type 2: alle meststoffen andere dan meststoffen type 1 of meststoffen type 3;
15° meststoffen type 3: alle mestsoorten, vermeld in tabel 1, in 27°, met 100 % werkzame stikstof;
16° op of in de bodem brengen: het toevoegen van meststoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met de oppervlaktelagen;
   
17° spuistroom
17° spuistroom : drainwater dat niet hergebruikt wordt als voedingswater;
18° spuiwater: vloeistof die niet hergebruikt wordt als waswater in een luchtwassysteem dat lucht reinigt van de aanwezige ammoniak (NH3) die ontstaat in een stal, of bij verwerking of bewerking van dierlijke mest;
19° stalmest: mengsel van stro en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen, geiten of varkens, met een drogestofgehalte van het mengsel van minimum 20 %, en waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro. Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest, ongeacht het drogestofgehalte of de ontstaanswijze;
20° steile helling: landbouwgronden met een hellingsgraad van meer dan 8 %;
21° stikstofverbinding: elke stikstof bevattende stof, uitgezonderd gasvormige moleculaire stikstof;
22° traagwerkende meststoffen: gecertificeerde gft- en groencompost of bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast om te bepalen welke meststoffen als traagwerkende meststof beschouwd worden en aangaande de wijze waarop aangetoond wordt dat een meststof een traagwerkende meststof is;
23° vaste andere meststoffen: gecertificeerde gft- en groencompost en andere meststoffen met een drogestofgehalte van minimum 20 %;
24° vaste dierlijke mest: champost, stalmest, vaste fractie na het scheiden van dierlijke mest of dierlijke mest met een drogestofgehalte van minimum 20 %;
25° vloeibare andere meststoffen: andere meststoffen die geen vaste andere meststoffen zijn;
26° vloeibare dierlijke mest: dierlijke mest die geen vaste dierlijke mest is en geen dierlijke mest is die is opgebracht door bemesting door begrazing van vee;
27° werkzame stikstof: stikstof onder de vorm van nitraatstikstof of ammoniumstikstof of snel vrijkomende organische stikstof. Voor het bepalen hoeveel nutriėnten, uitgedrukt in kg werkzame N, een meststof bevat, moet de totale inhoud aan stikstof van de meststof in kwestie vermenigvuldigd worden met het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof. Het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof is vermeld in tabel 1, met dien verstande dat voor traagwerkende meststoffen andere dan gecertificeerde gft- en groencompost, het percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof, 30 % is.


Tabel 1. Percentages werkzame stikstof volgens mestsoort

 

Mestsoort Percentage werkzame stikstof
ten opzichte van de totale inhoud
aan stikstof
Kunstmest, spuistroom en effluenten 100 %
Vloeibare dierlijke mest en andere meststoffen uitgezonderd:
1° spuistroom;
2° effluenten.
60 %
Vaste dierlijke mest en boerderijcompost 30 %
Bemesting door begrazing van vee 20 %
Gecertificeerde gft- en groencompost 15 %

 

§ 6.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “de verschillende soorten teelten en bemesting”. Het betreft de volgende definities:

akkers: landbouwgronden, die geen grasland zijn en gebruikt worden voor land- of tuinbouwteelten in ruime zin zoals akkerbouw, fruitteelt, groententeelt, sierteelt of graszodenteelt;
blijvende teelt: een blijvende teelt als vermeld in artikel 4, eerste lid, g), van verordening nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;
braak: spontane bedekking of niet ingezaaide akkers;
3°/1 fosfaatbindend vermogen: de capaciteit van een bodem om oxalaat extraheerbaar fosfaat te fixeren, uitgedrukt in mmol P per kg luchtdroge grond;
fosfaatverzadigingsgraad: de hoeveelheid oxalaat extraheerbaar fosfaat in een bodem, uitgedrukt als percentueel aandeel van het fosfaatbindend vermogen;
graslanden Hp*, Hpr*, Hpr+Da, Hr: de volgende gras- en weilanden:
  a) Hp*: soortenrijk permanent cultuurgrasland;
  b) Hpr*: soortenrijk weiland met veel sloten en/of microreliėf;
  c) Hpr+Da: zilte graslanden met in de depressies vegetaties gebonden aan zilte invloed;
  d) Hr: geruderaliseerd, verlaten mesofiel grasland;
graslanden Hpr* met elementen van Mr, Mc, Hu, Hc: soortenrijk weiland met veel sloten en/of microreliėf met elementen van moerassige vegetaties of halfnatuurlijke graslanden;
groenten van groep I: bloemkool, groene selder, witte kool, boerenkool, spitskool, prei, broccoli, romanescokool, rodekool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, bladselder of andere kolen met uitzondering van voederkool en spruitkool. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen;
groenten van groep II: spinazie, courgettes, sla, knolselder, peterselie, bieslook, basilicum, augurken, pompoenen, knolvenkel, koolrabi, paksoi, of andere groenten die niet vallen onder een teeltgroep, andere dan groenten van groep II, vermeld in de tabel in artikel 13, § 2, eerste lid. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen;
10° groenten van groep III: wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas met uitzondering van bladrammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen;
11° halfnatuurlijke graslanden: de volgende graslanden:
  a) Ha: struisgrasvegetatie op zure bodem of graslanden van droge, zeer voedselarme zure gronden;
  b) Hc: vochtig, niet tot weinig bemest grasland, genoemd ″dotterbloemhooilanden″;
  c) Hd: kalkrijk duingrasland;
  d) Hf: natte ruigte met moerasspirea;
  e) Hj: vochtige tot natte graslanden met hoge abundantie van Juncus spec;
  f) Hk: kalkgrasland of grasland van droge, mineralenrijke maar stikstof- en fosforarme gronden;
  g) Hm: onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland, genoemd “blauwgraslanden″, vochtige tot venige graslanden 
van zeer voedselarme zandgronden;
  h) Hn: zure borstelgrasvegetatie of heischrale graslanden; 
  i) Hu: mesofiel hooiland;
  j) Hv: zinkgrasland;
12° hoofdteelt: de teelt die op 31 mei van een jaar op het perceel aanwezig is of in afwezigheid van een teelt op deze datum, de eerstvolgende teelt die op het perceel wordt ingezaaid;
13° huiskavel: kadastraal perceel of kadastrale percelen gelegen in de gebieden, bedoeld in artikel 41bis in zoverre tot het bedrijf behorend of die ofwel behoren bij de vergunde woning ofwel behoren bij de stal of stallen van het bedrijf en met de vergunde woning, stal of stallen een ononderbroken ruimtelijk geheel vormen. De begrenzing van de huiskavel vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar specifiek gebruik of op basis van een in het landschap duidelijk herkenbaar element;
14° intensief grasland: grasland dat niet valt onder de definities, bedoeld in 5°, 6°, 7°, 11° en 19°;
15° maļs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge: een teeltcombinatie waarbij op hetzelfde perceel in hetzelfde jaar een hoofdteelt maļs voorafgegaan wordt door een voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt of een voorteelt snijrogge. De voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt mag niet vóór 1 april gemaaid worden. De voorteelt snijrogge, mag niet vóór 15 maart geoogst worden. Het gemaaide gras of de geoogste snijrogge moet vervolgens van het perceel verwijderd worden;
16° nateelt: de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt;
17° nitraatresidudrempelwaarde: de nitraatresidudrempelwaarde als vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid;
18° plantbeschikbare fosfaat: de hoeveelheid fosfaat extraheerbaar met een gebufferde oplossing van ammoniumlactaatazijnzuur, uitgedrukt in mg P per 100 g luchtdroge grond;
19° potentieel belangrijke graslanden: de volgende graslanden:
  a) Hp+K: cultuurgrasland met waardevolle kleine landschapselementen in de grasland-, moeras- of waterrijke sfeer, b.v. Hp+Mr, Hp+Kn, Hp+Hc, Hp+K(Ae), Hp+K(Hc), Hp+K(Mr);
  b) Hp+ fauna: overdruk;
  c) Hp-graslanden op lemige en kleiige, relatief vochtige bodems in valleien met een hoge ecologische prioriteit (Hpriv); 
  d) Hpr: weilandcomplex met veel sloten en/of microreliėf;
20° specifieke teelt: fruit, sierteelt of boomkweek, aardbeien, groenten van groep I, groenten van groep II, groenten van groep III, spruitkool of graszoden. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen;
21° teelt met lage stikstofbehoefte: cichorei, sjalotten, ui, vlas, witloof of fruit met uitzondering van aardbeien. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen;
22° vanggewas: een groenbedekker uit de teeltenlijst, zoals van toepassing in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die niet-vlinderbloemig is, een mengsel van dergelijke groenbedekkers of een mengsel van gras en klaver. De Vlaamse Regering kan deze teeltenlijst wijzigen en nadere regels bepalen;
23° voorteelt: de teelt die vóór de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt.

 

§ 7.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “de bodemeigenschappen”. Het betreft de volgende definities:

landbouwstreek: landbouwstreek als vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk;
textuurklasse P: textuurklasse Licht Zandleem als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;
textuurklasse S: textuurklasse Lemig Zand als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;
textuurklasse Z: textuurklasse Zand als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;
zandgronden: de landbouwgronden die gelegen zijn in de landbouwstreek Vlaamse Zandstreek of de landbouwstreek Kempen, met uitzondering van de landbouwgronden die zowel gelegen zijn in de provincie Vlaams-Brabant als in de landbouwstreek Vlaamse Zandstreek. In afwijking hiervan wordt een perceel landbouwgrond niet aanzien als een zandgrond, als de landbouwer door een textuuranalyse van het betreffende perceel aantoont dat de textuurklasse van dat perceel niet textuurklasse P, S of Z is. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels aangaande de wijze waarop landbouwers kunnen aantonen dat percelen geen zandgronden zijn;
zure zandgrond: een bodem met een textuurklasse P, S of Z en een pH-KCl van maximum 6;
zware kleigronden: al de landbouwgronden die gelegen zijn in de landbouwstreek Polders en de landbouwgronden gelegen in een door de Vlaamse Regering afgebakend gebied, waarvan de landbouwer aantoont dat deze vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben. De Vlaamse Regering stelt nadere regels aangaande wat onder vergelijkbare bodemkarakteristieken wordt verstaan en aangaande de wijze waarop landbouwers uit het afgebakende gebied kunnen aantonen dat landbouwgronden vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben.

 

§ 8.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “de dierlijke productie”. Het betreft de volgende definities:

diercategorie: een onderverdeling van een diersoort als vermeld in de tabel in artikel 27;
diersoort: verzameling van dieren als vermeld in de tabel in artikel 27. Hierbij worden de volgende diersoorten onderscheiden:
  a) rundvee;                                                                                                                
  b) varkens;
  c) pluimvee;
  d) paarden;
  e) andere;
gemiddelde veebezetting: het gemiddeld aantal dieren dat op jaarbasis aanwezig is;
GVE: grootvee-eenheid: een landbouwkundige omrekeningsfactor voor dieren. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, en stelt voor elke diercategorie de omrekeningsregels vast;
vee: alle voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren die voorkomen op de lijst in artikel 27.

 

§ 9.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan andere aspecten van dit decreet. Het betreft de volgende definities:

erkend laboratorium: een laboratorium dat krachtens artikel 61, § 7, erkend is;
Mestbank: de afdeling Mestbank van de bij decreet van 21 december 1988 opgerichte Vlaamse Landmaatschappij;
Meststoffendecreet: het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;
onlinepositiebepaling: een systeem dat op een geautomatiseerde wijze een plaatsbepaling van voorwerpen of personen verricht en deze informatie onmiddellijk ter beschikking stelt;
productiejaar: het jaar waarin de meststoffen werden geproduceerd, gebruikt of ingevoerd;
waterkwaliteitsgroep: een duurzaam samenwerkingsverband tussen landbouwers dat erop gericht is binnen de betrokken VHA-zone, VHA-zones of delen ervan de realisatie van de doelstellingen van dit decreet mogelijk te maken.

 

 


Art. 4.

§ 1

De Vlaamse Landmaatschappij wordt belast met volgende taken:

ondersteunende taken:
a) in het kader van een klantvriendelijke en oplossingsgerichte administratie, het informeren van land- en tuinbouwers over hun mestproductie en over het gebruik van meststoffen op hun bedrijf. Deze begeleiding wordt gedaan in een partnerschap met het oog op het bereiken van de milieudoelstellingen;
b) het geven van voorlichting over de productie van dierlijke mest en over de opbrenging op of in de bodem, het vervoer, de opslag, de bewerking en de verwerking van meststoffen;
c) het bemiddelen in de verhandeling, het afnemen, het vervoer, de opslag, het bewerken of het verwerken van dierlijke mest;
d) het stimuleren van de vraag naar een ecologisch verantwoord gebruik van meststoffen. De Vlaamse Landmaatschappij kan hiertoe, evenals voor de ontwikkeling van bijkomende infrastructuur voor mestopslag en voor het stimuleren van het gebruik van online-informaticatoepassingen in het kader van het mestinternetloket, overeenkomstig de Europese regels inzake staatsteun, toelagen verlenen onder meer aan landbouwers en mestvoerders;
e) het verrichten, laten verrichten en stimuleren van toegepast wetenschappelijk onderzoek met het oog op een ecologisch, technologisch en economisch verantwoorde vermindering van het mestoverschot, oordeelkundige bemesting, de relatie tussen bemesting, bodem, lucht en water en de mestbewerking en ook ter ondersteuning van het beleid inzake normering en controle;
f) het verstrekken van adviezen aan de Vlaamse Regering over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de productie van dierlijke mest en op het gebruik, de bewerking, de verwerking en de opslag van meststoffen;
g) het uitreiken van mestverwerkingscertificaten als vermeld in artikel 29 en het registreren van de overdracht van deze mestverwerkingscertificaten;

h)

de toewijzing van nutriėntenemissierechten aan landbouwers, de registratie van de melding van overdracht van nutriėntenemissierechten en de aktename van de annulatie van nutriėntenemissierechten;
i) het informeren van landbouwers over de door de Mestbank geregistreerde mestverhandelingen;
controletaken:
a) het registreren van de aangegeven gegevens, onder meer ter bepaling van de mestoverschotten evenals het registreren van de gegevens aangaande het mestvervoer;
b) de uitbouw en het beheer van een databank met betrekking tot de mestproblematiek en de uitbouw van een mestinternetloket;
c) het erkennen van mestvoerders;
d) het toezicht op en de controle van de naleving van de bepalingen van dit decreet;
e) het optreden door de Mestbank als bevoegde autoriteit voor het Vlaamse Gewest in het kader van de verordening nr. 1013/2006, wat de in- en uitvoer van dierlijke mest betreft;
f) het uitoefenen door de Mestbank van de taken en bevoegdheden, in het kader van de verordening nr. 1069/2009 en als vermeld in hoofdstuk II van de Overeenkomst van 16 januari 2014 tussen de Federale Staat en de Gewesten inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, wat meststoffen betreft;
g) het opleggen en het innen van de administratieve geldboetes, vermeld in dit decreet;
h) het uitoefenen van toezicht op de krachtens artikel 61, § 7, erkende laboratoria;
begeleidende taken:
a) bedrijfsspecifieke begeleiding met betrekking tot het milieu- en landbouwkundig optimaal gebruik van meststoffen op bedrijfsniveau en het toepassen van bemestingstechnieken en -adviezen, in functie van water- en bodemkwaliteit. Deze begeleiding gebeurt vrijwillig op vraag van de landbouwer;
b) het aanreiken van en het begeleiden rond technische tools en rekenprogramma’s voor een bemestingsmanagement op bedrijfsniveau, inzonderheid met betrekking tot nutriėnten- en bodembeheer;
c) breed informeren en sensibiliseren rond aspecten van oordeelkundige bemesting teneinde een goede water- en bodemkwaliteit te bekomen of te behouden.

 

§ 2

De Mestbank is belast met het verlenen van erkenningen, in het kader van de verordening nr. 1069/2009, aan installaties die meststoffen bewerken of verwerken. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor deze erkenningen, en aangaande de manier waarop deze erkenningen worden aangevraagd, verleend, geschorst en geheel of gedeeltelijk kunnen worden ingetrokken.

 

[...]

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan de Vlaamse Landmaatschappij met bijkomende taken belasten in het kader van de doelstellingen van dit decreet.

 

§ 4.

De Vlaamse Landmaatschappij kan voor de uitoefening van haar taken, als vermeld in § 1, in overeenstemming met de bepalingen van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, met administratieve overheden, diensten of andere derden gegevens uitwisselen of opvragen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze taken.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer met betrekking tot de aard van de gegevens die uitgewisseld of opgevraagd kunnen worden, tot de vorm waarin en de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en uitgewisseld.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, voor bepaalde verplichtingen in het kader van dit decreet, zoals onder meer het bijhouden van registers, of voor bepaalde vormen van communicatie tussen de Vlaamse Landmaatschappij en de betrokken burgers, die gebeurt in het kader van dit decreet, bepalen dat deze verplichtingen of deze communicatie mag of moet gebeuren via e-mail, een internetloket of een andere vorm van gegevensuitwisseling.


Hoofdstuk II.
De vaststelling van de verontreinigde en potentieel verontreinigde wateren en de aanwijzing van de kwetsbare zones water


Afdeling I.
De vaststelling van de verontreinigde en potentieel verontreinigde wateren


Art. 5.

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de nitraatrichtlijn worden alle wateren in het Vlaamse Gewest aangeduid als wateren die door verontreiniging worden beļnvloed of zouden kunnen worden beļnvloed indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 van de nitraatrichtlijn achterwege blijven.

In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering, overeenkomstig de criteria van bijlage I van de nitraatrichtlijn, wateren aanduiden die geen wateren zijn die door verontreiniging worden beļnvloed of zouden kunnen worden beļnvloed indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 van de nitraatrichtlijn achterwege blijven.


Afdeling II.
De aanwijzing van de kwetsbare zones water


Art. 6.
Het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt als kwetsbare zone water aangeduid. In afwijking van het eerste lid wordt door de Vlaamse Regering wanneer zulks dienstig is, doch ten minste om de vier jaar, de aanduiding van het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest als kwetsbare zone water opnieuw bezien en zo nodig herzien, teneinde rekening te houden met veranderingen en met bij de inwerkingtreding van dit decreet onvoorziene factoren.

Art. 7.

§ 1

Dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten bevatten voor de aangewezen kwetsbare zone water het actieprogramma met het oog op :

  1. een vermindering van de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen;
  2. het voorkomen van verdere verontreiniging van die aard.

 

 

§ 2

Om de doeltreffendheid van de actieprogramma's te beoordelen stelt de Vlaamse Regering passende controleprogramma's op en voert die uit.

 

§ 3

De Vlaamse Regering kan overeenkomstig de nitraatrichtlijn, nadere regels vaststellen met betrekking tot :

  1. de opstelling van de actieprogramma's;
  2. de opstelling en uitvoering van controleprogramma's;
  3. de opstelling van een code of codes van goede landbouwpraktijken;
  4. het opzetten van een programma, dat opleiding en voorlichting voor landbouwers omvat, om de toepassing van de code(s) van goede landbouwpraktijken te bevorderen;
  5. de informatie die aan de Europese Commissie dient meegedeeld te worden, alsook de wijze waarop dit dient te gebeuren.

Hoofdstuk III.
Maatregelen van bijlage II en bijlage III van de nitraatrichtlijn


Afdeling I.
Periodes die niet geschikt zijn voor het op of in de bodem brengen van meststoffen


Art. 8.

§ 1

Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 1 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden vanaf 16 november tot en met 15 januari.


De hoeveelheid meststoffen type 1 die in een bepaald jaar opgebracht mag worden na 31 augustus is beperkt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare.

 

§ 2

Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 2 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden:

op akkers op zware kleigronden vanaf 16 oktober tot en met 15 februari. De hoeveelheid meststoffen type 2 die in een bepaald jaar na 31 augustus opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare;
op andere percelen dan vermeld in 1°, vanaf 1 september tot en met 15 februari.


Op akkers op zware kleigronden is het verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 2 op te brengen, tenzij na de oogst van de hoofdteelt en uiterlijk op 31 augustus, een nateelt ingezaaid wordt. Als de meststoffen opgebracht worden, na 16 augustus, moet uiterlijk de veertiende dag na het opbrengen van de meststoffen een nateelt ingezaaid worden of aanwezig zijn.

 

Op andere percelen dan akkers op zware kleigronden is het verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 2 op te brengen, tenzij na de hoofdteelt:

hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;
hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een vanggewas of een specifieke teelt ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 2 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare.

 

 

§ 3

Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 3 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden vanaf 1 september tot en met 15 februari.


Het is verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 3 op te brengen, tenzij na de hoofdteelt:

a) hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;
b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een vanggewas ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare;
c) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt.

 

§ 4

In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen:



 
in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
a) de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare;
b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies;
vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare.

 

In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 1 september tot en met 15 november op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare.


In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om deze op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari, op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging. In afwijking hiervan mogen er in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en bepaalt welke meststoffen een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is.

 

Op een akker op een niet-zware kleigrond, waarop na de oogst van de hoofdteelt en na 31 juli een vanggewas is ingezaaid, is de hoeveelheid meststoffen type 2 en type 3, die na de oogst van de hoofdteelt mag opgebracht worden, beperkt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare.

 

§ 5

Het op of in de bodem brengen van meststoffen is tevens verboden:

op alle zon- en feestdagen. Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest;
voor zonsopgang en na zonsondergang.

 

 

§ 6.

Het op of in de bodem brengen van stikstof uit meststof type 3 op overkapte landbouwgronden is steeds toegelaten.

 

§ 7

De opslag van vaste dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond is toegestaan, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

de meststof is opgeslagen om te worden uitgespreid op het perceel waarop de mest opgeslagen is;
de afstand van de opslag tot de perceelsgrens en oppervlaktewater bedraagt ten minste 10 meter;
de afstand van de opslag tot woningen van derden bedraagt ten minste 100 meter.


De opslag van vaste dierlijke mest:

is verboden in de periode van 16 november tot en met 15 januari;
gebeurt maximaal gedurende twee maanden vóór het spreiden.


Opslag van dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond die niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf is verboden.


De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen.


De Vlaamse Regering kan in afwijking van het tweede lid, na verder onderzoek en mits goedkeuring van de Europese Commissie, bepalen dat de opslag van vaste dierlijke mest op landbouwgrond in de periode van 16 november tot en met 15 januari toegelaten wordt of toegelaten wordt voor een langere periode dan vermeld in het tweede lid, 2°, en kan aan deze toelating voorwaarden verbinden.

 

§ 8.

Voor de toepassing van dit artikel wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt.


Voor de toepassing van dit artikel worden percelen grasland, waar het grasland geteeld wordt voor zaaizaadvermeerdering, als akkers beschouwd.

 

§ 9.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.


In afwijking van § 2, derde lid, 2°, en § 3, tweede lid, b), kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat het vanggewas of de specifieke teelt slechts moet worden ingezaaid uiterlijk op 10 september van hetzelfde jaar.


In afwijking van § 2, eerste lid, 2°, en § 3, eerste lid, kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat voor de betreffende types meststoffen, het toegestaan wordt om deze op te brengen tot en met 10 september. De Vlaamse Regering kan aan deze verlenging van de bemestingsperiode voorwaarden verbinden.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat in geval van maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen, er afgeweken mag worden van de bepalingen van dit artikel en van artikel 14, § 9.


De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden.


Afdeling II.
De capaciteit van de opslagtanks voor dierlijke mest en andere maatregelen ter voorkoming van waterverontreiniging


Art. 9.

§ 1

Een bedrijf beschikt over een mestopslagcapaciteit voor de opslag van dierlijke mest :

  1. van ten minste 9 maanden voor dieren die steeds op stal staan;
  2. van ten minste 6 maanden voor dieren met buitenloop;
  3. van ten minste 3 maanden voor stalmest.

De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. Voor pluimvee waarvan de mest in de stal blijft en afgevoerd wordt na elke ronde geldt deze verplichting niet. De minimale opslagcapaciteit uitgedrukt in m3 wordt door de Vlaamse Regering bepaald in volume-eenheden naargelang de diersoort en het staltype.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn.

 

§ 2

Landbouwers die voor de teelt onder permanente overkapping gebruik maken van een groeimedium, dienen [...] te beschikken over een opslagcapaciteit minstens overeenstemmend met de spuistroom geproduceerd gedurende 6 maanden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid spuistroom boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd.


Art. 10.

De mestopslag kan op de volgende wijze gerealiseerd worden :

  1. door overeenkomsten met landbouwers, die over voldoende mestopslagcapaciteit beschikken;
  2. door het plaatsen van inrichtingen, waarin dierlijke mest of spuistroom, kan opgeslagen worden, individueel of op basis van een samenwerkingsovereenkomst;
  3. door overeenkomsten met mestverwerkingseenheden, waarbij gewaarborgd wordt dat de hoeveelheid dierlijke mest of spuistroom, die zou moeten opgeslagen worden verwerkt wordt;
  4. door zelf de mest of spuistroom te verwerken en daarvan het bewijs te leveren.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.


Art. 11.

De Vlaamse Regering stelt de bouwvoorschriften van de gebouwen, inrichtingen of installaties die bestemd zijn voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, of voor de opslag van dierlijke mest, spuistroom of plantaardig materiaal zoals kuilvoeder, vast met het oog op het voorkomen van luchtverontreiniging door vervluchtiging van stikstofverbindingen en van waterverontreiniging veroorzaakt door het wegstromen en weglekken in grond- en oppervlaktewater van vloeistoffen die dierlijke mest, spuistroom of afvalwater van opgeslagen plantaardig materiaal zoals kuilvoeder bevatten.


Afdeling III.
De beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen overeenkomstig de goede landbouwpraktijken en rekening houdend met de kenmerken van de betrokken kwetsbare zone water


Onderafdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 12.

§ 1

Meststoffen mogen enkel opgebracht worden op landbouwgrond of groeimedium en mogen niet geloosd of gestort worden in openbare rioleringen, in oppervlaktewateren, in grondwater, op openbare wegen, op bermen en op alle andere plaatsen die geen landbouwgrond of groeimedium zijn. De meststoffen moeten op landbouwgrond of op groeimedium op een milieukundig verantwoorde manier opgebracht worden overeenkomstig de codes van goede landbouwpraktijken.

 

In afwijking van het eerste lid mogen bij de bemesting van de plantput bij aanplantingen langs wegen of bij bosaanplantingen volgende meststoffen toch opgebracht worden:

stalmest;
champost;
traagwerkende meststoffen.

 

In afwijking van het eerste lid mogen bij het aanleggen en het onderhouden van tuinen, parken en plantsoenen, volgende meststoffen toch opgebracht worden:

stalmest;
champost;
kunstmest;
traagwerkende meststoffen;
andere vaste dierlijke meststoffen dan stalmest en champost, mits ze gehygiėniseerd werden en afkomstig zijn uit installaties die erkend zijn overeenkomstig verordening nr. 1069/2009;
gedroogde andere meststof afkomstig van een vergistingsinstallatie.

 

In de gevallen, vermeld in het tweede en het derde lid, is de hoeveelheid meststoffen die mag opgebracht worden, voor stikstof beperkt tot 170 kg N/ha en voor wat betreft fosfaat beperkt tot de overeenkomstige bemestingsnorm voor “Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas” als vermeld in artikel 13, § 3, twaalfde lid.

 

In afwijking van het eerste lid is bemesting toegestaan op bermen en andere percelen die geen landbouwgrond zijn, op voorwaarde dat bemesting beperkt wordt tot bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, waarbij maximaal twee GVE per hectare op jaarbasis worden toegestaan.

 

De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden verbinden aan de afwijkingen, vermeld in het tweede, derde en vijfde lid. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke meststoffen bedoeld zijn in het derde lid, 5° en 6°. De Vlaamse Regering kan nader bepalen op welke wijze landbouwers die gebruikmaken van de afwijking, vermeld in het vijfde lid, dat aan de Mestbank moeten melden.

 

§ 2

In afwijking van paragraaf 1 kan de Mestbank, bij gemotiveerd verzoek, de opbrenging van dierlijke mest toestaan bij de heraanleg van de bouw voor in het kader van infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 3

Het gebruik van slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties op landbouwgrond is verboden.


Onderafdeling II.
Beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen


Art. 13.

§ 1

De hoeveelheid nutriėnten die met meststoffen per jaar op landbouwgrond mag opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij begrazing, moet zodanig beperkt worden dat de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen zowel in grond- als in oppervlaktewater kleiner blijft dan 50 mg nitraat per liter en de eutrofiėring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa’s, estuaria, kustwater en zeewater vermeden wordt en verdere verontreiniging van die aard voorkomen wordt.


De hoeveelheid nutriėnten die met meststoffen mag opgebracht worden, met inbegrip van de rechtstreekse uitscheiding door dieren bij begrazing, moet rekening houden met de bodemvoorraad en de mineralisatie.


Per jaar mag op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond maximaal een hoeveelheid nutriėnten opgebracht worden, die overeenkomt met de som van de maximale hoeveelheid nutriėnten die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

 

§ 2

De stikstofbemestingsnormen, uitgedrukt respectievelijk in kg N uit dierlijke mest per hectare en per jaar en in kg werkzame N per hectare en per jaar voor teelten op zandgronden of op niet-zandgronden worden vermeld in onderstaande tabel:


Tabel 2. Stikstofbemestingsnormen voor teeltgroepen

 

Teeltgroep

Op zandgronden Op niet-zandgronden
  kg N kg kg N kg
  uit dierlijke werkzame uit dierlijke werkzame
  mest/ha N/ha mest/ha N/ha
Grasland dat enkel gemaaid wordt, met inbegrip van de graszodenteelt 170 300 170 310
Grasland dat niet enkel gemaaid wordt 170 235 170 245
Wintertarwe of triticale 100 160 100 175
Wintergerst of andere granen 100 110 100 125
Suikerbieten   170 135  170 150 
Voederbieten  170  235  170  260 
Aardappelen  170 190  170  210 
Maļs  170  135  170  150 
Groente van groep I  170  225  170 250 
Groente van groep II  170 160  170  180 
Groente van groep III  170 115  170  125 
Sierteelt en boomkweek  170 160  170  180 
Aardbeien  170  160  170 160
Spruitkool  170 225 170 250
Teelten met lage stikstofbehoefte  125  115 125 125
Leguminosen met uitzondering van erwten en bonen 120  70  125 75
Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas 170 130 170 145

 

In afwijking van het eerste lid kunnen voor de teeltcombinaties, vermeld in de onderstaande tabel, de stikstofbemestingsnormen, uitgedrukt respectievelijk in kg N uit dierlijke mest per hectare en per jaar en in kg werkzame N per hectare en per jaar op zandgronden of op niet-zandgronden, verhoogd worden tot de hoeveelheden vermeld in onderstaande tabel:


Tabel 3. Stikstofbemestingsnormen voor teeltcombinaties

 

Teeltcombinatie Op zandgronden Op niet-zandgronden
  kg N kg kg N kg
  uit dierlijke werkzame uit dierlijke werkzame
  mest/ha N/ha mest/ha N/ha
Wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt 170 180  170 195
Wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt 170 130  170 145
Maļs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge  170  200 170 230 
2 teelten groenten van groep I  170  315  170  350 
Een groente van groep I en een groente van groep II  170  270  170  300 
Een groente van groep I en een groente van groep III  170  250  170  275 
2 teelten groenten van groep II  170  250  170  275 
Een groente van groep II en een groente van groep III 170 205 170  225 
2 teelten groenten van groep III  170  180 170  200
3 teelten groenten waarvan minstens een groente van groep II  170 250 170  275 
3 teelten groenten waarvan geen enkele een groente van groep II  170  180 170 200

 

§ 3.

Landbouwgronden worden ingedeeld in vier klassen, afhankelijk van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem uitgedrukt in mg P per 100 gr luchtdroge grond. Voor de indeling in klassen maakt men een onderscheid tussen akkers en grasland. Voor elk van de verschillende klassen worden de volgende criteria onderscheiden:

 

Klasse Plantbeschikbare fosfaat in akker
(mg P per 100 g luchtdroge grond)
Plantbeschikbare fosfaat in grasland
(mg P per 100 g luchtdroge grond)
I kleiner dan of gelijk aan 12 kleiner dan of gelijk aan 19
II groter dan 12 en kleiner dan of gelijk aan 18 groter dan 19 en kleiner dan of gelijk aan 25
III groter dan 18 en kleiner dan of gelijk aan 40 groter dan 25 en kleiner dan of gelijk aan 50
IV groter dan 40 groter dan 50

 

De hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem wordt bepaald via een bodemanalyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, in opdracht van de Mestbank of van de betrokken landbouwer. De bodemanalyse moet de X-Y-coördinaten vermelden van het perceel dat geanalyseerd is.


De bodemanalyse wordt aan de Mestbank overgemaakt via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket. De bodemanalyse is op het moment dat ze overgemaakt wordt aan de Mestbank maximaal vijf jaar oud.  Voor bodemanalyses uitgevoerd in het kalenderjaar 2017 of later, wordt enkel rekening gehouden met de analyseresultaten van de monsternemingen die voorafgaand zijn aangemeld bij de Mestbank, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Het erkend laboratorium bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank.


De kosten van de bodemanalyse zijn ten laste van de overheid, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:

de bodemanalyse is uitgevoerd in het kalenderjaar 2015 of later;
op basis van de bodemanalyse wordt het perceel in klasse I of II als vermeld in het eerste lid, ingedeeld;

het perceel wordt, in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd, op basis van de betreffende bodemanalyse, ingedeeld in een klasse die lager is dan de klasse waarin het, zonder deze bodemanalyse, ingedeeld zou zijn.


De Vlaamse Regering stelt nadere regels en kan onder meer de kosten van de bodemanalyse forfaitair bepalen.


Op basis van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem, die op basis van de bodemanalyse is bepaald, en op basis van de hoofdteelt die in het jaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd, op het perceel werd geteeld, wordt het perceel in één van de vier klassen als vermeld in het eerste lid, ingedeeld. Als voor eenzelfde perceel er meerdere bodemanalyses ter bepaling van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat zijn uitgevoerd, gebeurt de indeling in één van de vier klassen op basis van de meest recente analyse.


De indeling in één van de vier klassen gaat in:

als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald jaar, vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd;
als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald jaar, vanaf het tweede jaar dat volgt op het jaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd.

 

De indeling in één van de vier klassen volgt op het jaar waarin de bodemanalyse door de Mestbank werd gevalideerd.


In afwijking van het achtste lid, wordt, als een perceel op basis van de bodemanalyse was ingedeeld in klasse I als vermeld in het eerste lid, dat perceel:

in het zesde tot en met het tiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse I is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse II als vermeld in het eerste lid;
in het elfde tot en met het vijftiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse I is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse III als vermeld in het eerste lid.


In afwijking van het achtste lid, wordt, als een perceel op basis van de bodemanalyse was ingedeeld in klasse II als vermeld in het eerste lid, dat perceel in het zesde tot en met het tiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse II is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse III als vermeld in het eerste lid.


Landbouwgronden die niet ingedeeld zijn in een klasse, op basis van een bodemanalyse, worden in de jaren 2015 en 2016 als klasse III beschouwd en vanaf het jaar 2017 als klasse IV beschouwd.

 

De fosfaatbemestingsnormen, uitgedrukt in kg P2O5 per hectare en per jaar voor teelten en teeltcombinaties worden vermeld in de onderstaande tabel:


Tabel 4. Fosfaatbemestingsnormen

 

Teeltgroep
of teeltcombinatie

Toegestane
hoeveelheid,
uitgedrukt in kg
P2O5 per ha en
per jaar voor
klasse I
gronden 
Toegestane
hoeveelheid,
uitgedrukt in kg
P2O5 per ha en
per jaar voor
klasse II
gronden 
Toegestane
hoeveelheid,
uitgedrukt in kg
P2O5 per ha en
per jaar voor
klasse III
gronden 
Toegestane
hoeveelheid,
uitgedrukt in kg
P2O5 per ha en
per jaar voor
klasse IV
gronden 
Grasland dat enkel gemaaid wordt, met inbegrip van graszodenteelt  115 95 90 70 
Grasland dat niet enkel gemaaid wordt 115 95  90  70
Wintertarwe of triticale  95 75  70 55
Wintergerst of andere granen  95 75 70  55
Suikerbieten  85  65 55 45
Voederbieten  85 65 55 45
Aardappelen 95  75 70  55
Maļs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge  115  95 90 70
Maļs niet voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge  100 80  70 55 
Groente van groep I  85  65 55 45
Groente van groep II  85  65 55  45 
Groente van groep III  85  65 55 45
Sierteelt en boomkweek  85  65  55  45 
Aardbeien  85 65 55 45
Spruitkool  85 65 55 45
Teelten met lage stikstofbehoefte  85 65 55 45
Leguminosen met uitzondering van erwten en bonen  85 65 55 45
Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas  85 65 55 45

 

§ 4

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van dit artikel, en ter uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat Belgiė op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie, de stikstofbemestingsnormen voor dierlijke mest wijzigen onder de voorwaarden bepaald in de beschikking van de Commissie. Deze voorwaarden kunnen afwijken van de bepalingen van dit decreet.

 

§ 5

Als de landbouwer gecertificeerde gft- of groencompost op een perceel gebruikt, wordt, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van de gecertificeerde gft- of groencompost, als opgebracht beschouwd.


Op landbouwgronden die, overeenkomstig paragraaf 3, als klasse I of klasse II zijn ingedeeld, wordt in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van stalmest of boerderijcompost, als opgebracht beschouwd.

 

§ 6

Een niet-focusbedrijf als vermeld in artikel 14, § 3, kan in het jaar X een aanvraag indienen voor een verhoging van de bemestingsnormen, uitgedrukt in kg werkzame N/ha, vermeld in paragraaf 2.


Een niet-focusbedrijf kan enkel een aanvraag voor een verhoging van de stikstofbemestingsnormen, vermeld in paragraaf 2, indienen, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

in het geval dat het bedrijf in het jaar X-1 verplicht was om een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren in uitvoering van artikel 14 of omdat het bedrijf in het jaar X-1 eveneens een aanvraag had ingediend als vermeld in deze paragraaf, moet het bedrijf, bij de beoordeling van deze nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau op basis van de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul beoordeeld zijn als vermeld in artikel 15;


 
in het jaar X-1, is:
a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van de artikelen 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5, opgelegd.


De landbouwer die een verhoging van de stikstofbemestingsnormen wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. In afwijking hiervan, worden landbouwers die in het jaar X-1 een verhoging van de stikstofbemestingsnormen hebben verkregen, in uitvoering van deze paragraaf, en die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, van rechtswege geacht om terug een aanvraag in te dienen voor het jaar X.


De landbouwer kan tot uiterlijk 1 juni van het jaar X zijn aanvraag, vermeld in het derde lid, intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.


Na 1 juni duidt de Mestbank de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarop de landbouwer de nitraatresidubepalingen moet laten uitvoeren. Een landbouwer die uiterlijk op 1 juni van het jaar X zijn aanvraag tot verhoging van de stikstofbemestingsnormen niet heeft ingetrokken, is verplicht om de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15.


Voor landbouwers die een niet-ingetrokken aanvraag ingediend hebben en voldoen aan de voorwaarden, wordt, in afwijking van dit artikel, op de tot het betrokken bedrijf behorende landbouwgronden, de hoeveelheid werkzame stikstof die in het jaar X mag opgebracht worden, overeenkomstig dit artikel, met 10 % verhoogd.


Voor de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt enkel rekening gehouden met feiten begaan in het jaar 2015 of later.

 

§ 7

Voor percelen waarop in volle grond sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, geldt de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, enkel als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren.

 

Als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, in een bepaald jaar, niet de nodige stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren, wordt voor de betreffende landbouwer het volgende jaar, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, met 20 % verminderd, voor percelen waarop in dat volgende jaar sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld. In afwijking hiervan wordt, voor percelen waarop in dat volgende jaar een teeltcombinatie geteeld wordt waarbij minstens één van de teelten van deze teeltcombinatie sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien betreft, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, verminderd tot de hoeveelheid die op basis van tabel 2, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op dat perceel mag opgebracht worden op basis van de hoofdteelt die op dat perceel geteeld wordt.

 

De Vlaamse Regering bepaalt hoeveel staalnames met bijhorend bemestingsadvies een voldoende aantal zijn als vermeld in het eerste lid, en kan, in afwijking van deze paragraaf, een regeling uitwerken waarbij landbouwers kunnen kiezen om zich te laten begeleiden in plaats van een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies te laten uitvoeren. De Vlaamse Regering kan bepalen dat deze paragraaf niet van toepassing is voor bepaalde, door de Vlaamse Regering aan te duiden, specifieke teeltmethodes.

 

§ 8

Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor het bepalen van de stikstofbemestingsnorm van een perceel:

een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep groente van groep I, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van twee teelten behorende tot de teeltgroep groente van groep I;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep II of aardbeien, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep I en een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep II;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep groente van groep III, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep I en een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep III.

 

De gelijkstelling, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor percelen landbouwgrond waar de bemesting beperkt wordt, in toepassing van paragraaf 7, tweede lid.


Als op een perceel, een hoofdteelt die behoort tot de teeltgroep “wintertarwe of triticale” of “wintergerst of andere granen” gevolgd wordt door een teelt behorende tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep I, groente van groep II, groente van groep III of aardbeien, geldt de regeling vermeld in deze paragraaf en zijn de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties “wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt” en voor “wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt” niet van toepassing. In afwijking hiervan geldt voor een dergelijk perceel dat de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties “wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt” en voor “wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt” van toepassing zijn in het jaar waarin er voor de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort, een bemestingsbeperking als vermeld in paragraaf 7, tweede lid, van toepassing is.

 

§ 9

Het is verboden om in een bepaald jaar meststoffen op te brengen op percelen landbouwgrond die gedurende dat volledige jaar braak liggen.


Op een individueel perceel landbouwgrond, mag een hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg werkzame stikstof per hectare en in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, opgebracht worden, die maximaal gelijk is aan het dubbele van de hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg werkzame stikstof per hectare en in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, die op dat perceel mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. In afwijking hiervan wordt, op percelen landbouwgrond waar de hoeveelheid nutriėnten die opgebracht mag worden, beperkt wordt door de toepassing van de artikelen 16, 41bis of 41ter of door een beheerovereenkomst, de hoeveelheid nutriėnten die opgebracht mag worden, beperkt tot de hoeveelheid die overeenkomstig de artikelen 16, 41bis of 41ter of overeenkomstig de op dat perceel van toepassing zijnde beheerovereenkomst, op dat perceel mag opgebracht worden.

 

§ 10.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.


De Vlaamse Regering kan de teelt of teelten bepalen die onder een bepaalde teeltgroep of teeltcombinatie vallen. De Vlaamse Regering kan hierbij een onderscheid maken op basis van de teeltmethode of de bijkomende bestemmingen. De op een perceel toegelaten hoeveelheid meststoffen wordt bepaald op basis van de teeltgroep waartoe de hoofdteelt, die op dat perceel wordt verbouwd, behoort.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de teelt op groeimedium die gebeurt op niet permanent overkapte landbouwgronden, onder bepaalde voorwaarden, afgeweken kan worden van de bemestingsnormen voor kunstmest, vermeld in dit artikel.


De Vlaamse Regering kan, in afwijking van paragraaf 3, derde lid, een andere werkwijze opleggen voor de bepaling van het perceel dat geanalyseerd wordt.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden die permanent overkapt zijn, er, in afwijking van dit artikel, kunstmest opgebracht mag worden tot de hoeveelheden opgenomen in de bemestingsadviezen, opgemaakt voor de percelen landbouwgrond in kwestie.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden met een beperkte oppervlakte, er onder bepaalde voorwaarden mag afgeweken worden van de bepalingen van paragraaf 3.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet.

 

De Vlaamse Regering kan de datum van 31 augustus, als vermeld in paragraaf 3, zevende lid, wijzigen in een latere datum.

 

§ 11.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van voorgaande paragrafen.

 

§ 12.

In afwijking van § 2 en § 3, kan voor aardappelen, met uitzondering van vroege aardappelen, per perceel, afgeweken worden van de hoeveelheden stikstof die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mogen worden, als voldaan is aan de volgende voorwaarden :

de landbouwer moet aantonen dat een minimale gewasopbrengst van 55 ton aardappelen per hectare wordt overschreden, rekening houdend met de opbrengst van alle percelen aardappelen die tot zijn bedrijf behoren;
voor alle percelen aardappelen, moet in het voorjaar een bodemanalyse worden uitgevoerd door een erkend laboratorium en een hierop gesteund bemestingsadvies worden opgemaakt door een erkend laboratorium;
voor alle percelen aardappelen moet de landbouwer, in ieder kalenderjaar waarin gebruik wordt gemaakt van deze afwijking, door een erkend laboratorium het nitraatresidu laten bepalen in de periode van 1 oktober tot en met 15 november.

 

De op basis van deze afwijking toegestane hoeveelheden stikstof die per hectare landbouwgrond en per jaar mogen opgebracht worden, mogen de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame kg N per hectare niet overschrijden en :

als de landbouwer op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in § 2, toepast, is :
a) de toegestane kg totale N per hectare maximaal 10 % hoger dan de op grond van § 2 toegestane kg totale N per hectare voor aardappelen, met uitzondering van vroege aardappelen;
b) de toegestane kg kunstmest per hectare maximaal de toegestane kg totale N per hectare, overeenkomstig a), verminderd met de op grond van § 2 toegestane kg dierlijke mest per hectare voor aardappelen, met uitzondering van vroege aardappelen; 
als de landbouwer op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de opgebrachte hoeveelheid werkzame stikstof, als vermeld in § 3, toepast, is de toegestane kg werkzame N maximaal 10 % hoger dan de op grond van § 3 toegestane kg werkzame N per hectare voor aardappelen, met uitzondering van vroege aardappelen.

 

Als op een perceel waarop deze afwijking wordt toegepast, de nitraatresidudrempelwaarde, vastgesteld op basis van de staalname als vermeld in het eerste lid, 3°, de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarde voor aardappelen zoals bepaald in uitvoering van artikel 14, overschrijdt, kan de landbouwer voor het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin gebruik werd gemaakt van deze afwijking, op geen enkel tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond gebruik maken van deze afwijking.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer over de wijze waarop de landbouwer deze afwijking op de bemestingsnormen aan de Mestbank aanvraagt, de wijze waarop de gewasopbrengst moet worden aangetoond, het aantal staalnames en bodemanalyses en het systeem en de waarden waarop de advisering gestoeld moet zijn.

 

§ 13.

In afwijking van §§ 2 en 3, kan, per perceel, afgeweken worden van de hoeveelheden stikstof die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mogen worden, als voldaan is aan de volgende voorwaarden :

per teelt waarop deze afwijking zal worden toegepast, moet de landbouwer aantonen dat een door de Vlaamse Regering, voor de betrokken teelt, vast te stellen minimum gewasopbrengst wordt overschreden;
op elk tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond waarop hij dezelfde hoofdteelt verbouwt als het perceel waarop hij de afwijking vermeld in deze paragraaf toepast, moet in het voorjaar een bodemanalyse en een hierop gesteund bemestingsadvies worden opgemaakt door een erkend laboratorium; 
op drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, door de Mestbank aangeduid, moet de landbouwer, in ieder kalenderjaar waarin gebruik wordt gemaakt van de afwijking, door een erkend laboratorium het nitraatresidu laten bepalen in de periode van 1 oktober tot en met 15 november.

 

De op basis van deze afwijking toegestane hoeveelheden stikstof die per hectare landbouwgrond en per jaar mogen opgebracht worden, mogen de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame kg N per hectare niet overschrijden en :

als de landbouwer op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in § 2, toepast, is :
a) de toegestane kg totale N per hectare maximaal 10 % hoger dan de voor de overeenkomstige teelt op grond van § 2 toegestane kg totale N per hectare;
b) de toegestane kg kunstmest per hectare maximaal de toegestane kg totale N per hectare, overeenkomstig a), verminderd met de op grond van § 2 toegestane kg dierlijke mest per hectare voor de overeenkomstige teelt; 
als de landbouwer op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de opgebrachte hoeveelheid werkzame stikstof, als vermeld in § 3, toepast, is de toegestane kg werkzame N maximaal 10 % hoger dan de op grond van § 3 toegestane kg werkzame N per hectare voor de overeenkomstige teelt.

 

Voor geen enkel tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond mag de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof worden overschreden.

 

Als op een perceel de nitraatresidudrempelwaarde, vastgesteld op basis van de staalname als vermeld in het eerste lid, 3°, de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarde zoals bepaald in uitvoering van artikel 14, overschrijdt, kan de landbouwer voor het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin gebruik werd gemaakt van deze afwijking, op geen enkele tot het bedrijf behorende landbouwgrond waarop hij dezelfde hoofdteelt verbouwt als het perceel waarop het te hoge nitraatresidu werd gemeten, gebruik maken van deze afwijking.

 

Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, worden graslanden die enkel gemaaid worden en graslanden die niet enkel gemaaid worden, als twee verschillende teelten beschouwd.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer over de wijze waarop de landbouwer deze afwijking op de bemestingsnormen aan de Mestbank aanvraagt, de wijze waarop de gewasopbrengst moet worden aangetoond, het aantal staalnames en bodemanalyses en het systeem en de waarden waarop de advisering gestoeld moet zijn en kan het toepassingsgebied van de afwijking, vermeld in deze paragraaf, beperken.

 

§ 14.

In afwijking van § 1, § 2 en § 3, is het op of in de bodem brengen van meststoffen op percelen waarop groenten van groep I of groenten van groep II worden geteeld, met uitzondering van vroege aardappelen en spruitkool, vanaf 1 januari 2013 verboden, tenzij de landbouwer zich laat adviseren door een erkend laboratorium, een producentenorganisatie of een erkend praktijkcentrum.

 

In het kader van die advisering moet elke landbouwer die groenten van groep I of groenten van groep II teelt, met uitzondering van vroege aardappelen en spruitkool, stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laten uitvoeren. De stikstofanalyses, als vermeld in dit lid, moeten worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in een voor de teelt in kwestie relevante periode. De in het bemestingsadvies geadviseerde bemestingspraktijk moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit decreet en de in het bemestingsadvies opgenomen maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare mag de overeenkomstige toegelaten bemestingsnorm, vermeld in dit artikel, niet overschrijden.

 

Als de landbouwer beschikt over een verplicht bemestingsadvies, als vermeld in het tweede lid, dan is de hoeveelheid nutriėnten die de landbouwer voor het perceel in kwestie maximaal mag opbrengen beperkt tot enerzijds de voor de teelt in kwestie overeenkomstige bemestingsnorm, als vermeld in dit artikel, en anderzijds tot de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare. De landbouwer die op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in § 2, toepast, moet hiervoor de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare omrekenen naar totale stikstof, op basis van de uitgevoerde bemesting.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer over de wijze waarop de landbouwer deze afwijking op de bemestingsnormen aan de Mestbank aanvraagt, het minimum aantal staalnames per landbouwer, de periode waarin de laatste stikstofanalyse moet plaatsvinden en het systeem en de waarden waarop de advisering gestoeld moet zijn.

 

De Vlaamse Regering kan afwijkingen voorzien op het bemestingsverbod, vermeld in deze paragraaf, in geval het een perceel betreft dat in de loop van een kalenderjaar overgedragen wordt naar een andere landbouwer.

 

§ 15.

Voor de toepassing van dit artikel wordt :

een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III, is met anderzijds een nateelt groente van groep I, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van 2 teelten groente van groep I;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III, is met anderzijds een nateelt groente van groep II, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een groente van groep I en een groente van groep II;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III, is met anderzijds een nateelt groente van groep III, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een groente van groep I en een groente van groep III.

 

Vanaf het kalenderjaar 2013 kan de gelijkstelling vermeld in het eerste lid enkel toegepast worden als de landbouwer voor het betrokken perceel een stikstofanalyse laat nemen en een bijhorend bemestingsadvies laat opmaken.

 

Als de landbouwer beschikt over een verplicht bemestingsadvies, als vermeld in het tweede lid, dan is de hoeveelheid nutriėnten die de landbouwer voor het perceel in kwestie maximaal mag opbrengen beperkt tot enerzijds de voor de teelt in kwestie overeenkomstige bemestingsnorm, als vermeld in dit artikel, en anderzijds tot de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare. De landbouwer die op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in § 2, toepast, moet hiervoor de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare omrekenen naar totale stikstof, op basis van de uitgevoerde bemesting.

 

Als een hoofdteelt wintertarwe, triticale, wintergerst of andere granen gevolgd wordt door een groente van groep I, een groente van groep II of een groente van groep III, geldt de regeling vermeld in deze paragraaf en zijn de bemestingsnormen voor « Wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt » en voor « Wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt » niet van toepassing.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 16.

Voor de toepassing van dit artikel wordt :

een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III is, met een voorteelt groente van groep I gezaaid of geplant in hetzelfde kalenderjaar, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van 2 teelten groente van groep I;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III is, met een voorteelt groente van groep II gezaaid of geplant in hetzelfde kalenderjaar, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een groente van groep I en een groente van groep II; 
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III is, met een voorteelt groente van groep III gezaaid of geplant in hetzelfde kalenderjaar, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een groente van groep I en een groente van groep III.

 

Vanaf het kalenderjaar 2013 kan de gelijkstelling vermeld in het eerste lid enkel toegepast worden als de landbouwer voor het betrokken perceel een stikstofanalyse laat nemen en een bijhorend bemestingsadvies laat opmaken.

 

Als de landbouwer beschikt over een verplicht bemestingsadvies, als vermeld in het tweede lid, dan is de hoeveelheid nutriėnten die de landbouwer voor het perceel in kwestie maximaal mag opbrengen beperkt tot enerzijds de voor de teelt in kwestie overeenkomstige bemestingsnorm, als vermeld in dit artikel, en anderzijds tot de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare. De landbouwer die op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in paragraaf 2, toepast, moet hiervoor de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare omrekenen naar totale stikstof, op basis van de uitgevoerde bemesting.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. 


Art. 14.

§ 1

Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72 worden, met het oog op het begeleiden van landbouwers tot het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen geformuleerd in artikel 2, nitraatresidudrempelwaarden vastgesteld.


De volgende 9 types nitraatresidudrempelwaarden worden onderscheiden:

Nitraatresidu
type
 
Teelttype Bodemtype Focusbedrijf Niet-focusbedrijf
    eerste tweede
drempelwaarde
eerste
drempelwaarde

tweede
drempelwaarde
1 Gras Zand of
Niet-zand
70 200 90 260
2 Maļs Zand 70 140 90 180
3 Maļs Niet-Zand 80 160 90 180
4 Granen Zand 70 155 90 200
5 Granen Niet-Zand 80 180 90 200
6 Aardappelen Zand of
Niet-zand
85 155 90 165
7 Specifieke
teelten
Zand of
Niet-zand
85 190 90 200
8 Overige teelten met inbegrip
van voederkool en
bladrammenas
Zand 70 155 90 200
9 Overige teelten met inbegrip
van voederkool en
bladrammenas
Niet-zand 80 180 90 200

 

Het teelttype als vermeld in de tabel in het tweede lid betreft de hoofdteelt die op het betrokken perceel, overeenkomstig de verzamelaanvraag, geteeld zal worden, tenzij de hoofdteelt in dat jaar wordt gevolgd door een specifieke teelt of door de teelt van aardappelen. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, rekening gehouden met de specifieke teelt of de teelt van aardappelen, die op dat perceel als nateelt uitgevoerd zal worden.


Jaarlijks worden er, op basis van de gegevens aangaande de waterkwaliteit, focusgebieden aangeduid. De aanduiding van focusgebieden is van belang om te bepalen of een bedrijf focusbedrijf is.


De bemonsteringen voor de nitraatresidubepalingen, uitgevoerd in toepassing van dit decreet, gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november. De nitraatresidubepalingen worden uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, overeenkomstig de bepalingen van het methodenboek als vermeld in artikel 61, § 8.

 

§ 2

De Mestbank laat jaarlijks het nitraatresidu bepalen op percelen landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest.


De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort minstens een week voor de bemonstering in kennis wordt gesteld van de dag waarop de bemonstering zal uitgevoerd worden en van het perceel waarop de nitraatresidubepaling zal gebeuren. Bij betwistingen aangaande deze inkennisstelling kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde nitraatresidubepaling niet inroepen.


De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten door een erkend laboratorium naar zijn keuze een nitraatresidubepaling laten uitvoeren op het perceel waarop een nitraatresidubepaling wordt uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. Deze nitraatresidubepaling moet gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november in hetzelfde jaar als de nitraatresidubepaling in opdracht van de Mestbank.


Onverminderd de nitraatresidubepalingen opgelegd in uitvoering van § 4, § 5, § 6, § 7 en § 8, kan de Mestbank een landbouwer opleggen in opdracht en op kosten van de landbouwer in kwestie door een erkend laboratorium op één of meerdere percelen landbouwgrond die behoren tot zijn bedrijf, een nitraatresidubepaling te laten uitvoeren.


De Mestbank kan de verplichting tot het laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen of van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau opleggen aan de volgende landbouwers:

landbouwers die op hun bedrijf gebruikmaken van de mogelijkheden die voortvloeien uit de uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat Belgiė op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie;
landbouwers aan wie één of meerdere administratieve geldboetes of strafrechtelijke veroordelingen zijn opgelegd wegens overtreding van één of meerdere bepalingen van dit decreet;
landbouwers van wie het bedrijf niet beschikt over voldoende mestopslagcapaciteit als vermeld in artikel 9;
landbouwers aan wie een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, werd opgelegd, of één of meerdere administratieve geldboetes als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5.

 

§ 3

Een bedrijf is hetzij een focusbedrijf, hetzij een niet-focusbedrijf. Er zijn drie types van focusbedrijven, met name een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, een focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 en een focusbedrijf met maatregelen van categorie 3.


Een bedrijf wordt in een betreffend jaar omwille van zijn ligging als focusbedrijf gekwalificeerd als vermeld in het derde lid, 1°, als meer dan 50 % van de in het vorige jaar tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond gelegen is in een gebied dat in het betreffende jaar als focusgebied is afgebakend. Voor het bepalen van het percentage van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die gelegen is in focusgebied, wordt geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een teelt van de teeltgroep houtachtige gewassen wordt verbouwd.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, hetzij:

omwille van zijn ligging in focusgebied, tenzij het bedrijf over een niet ingetrokken vrijstelling als vermeld in paragraaf 5 beschikt;
omdat het betrokken bedrijf in het betrokken jaar als categorie I is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
omdat het betrokken bedrijf in het vorige jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest uitvoeren, en deze niet uitgevoerd heeft;
omdat het een bedrijf als vermeld in paragraaf 4, derde lid, betreft;
omwille van het in het voorgaande jaar niet-laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen die het in uitvoering van paragraaf 2 of paragraaf 4 moest uitvoeren of omwille van het hinderen in het voorgaande jaar van de uitvoering van één of meerdere nitraatresidubepalingen.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 2, omdat het betrokken bedrijf hetzij:

in het betrokken jaar als categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 was, en in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 6, niet uitgevoerd heeft;
in het vorige jaar en in het betrokken jaar als categorie I is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 was, dat in het vorige jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest uitvoeren in toepassing van paragraaf 4, en deze nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau niet uitgevoerd heeft.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 3, omdat het betrokken bedrijf hetzij:

in het betrokken jaar als categorie III is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 was, en:
  a) ofwel in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 7, niet uitgevoerd heeft;
  b) ofwel in het betrokken jaar in categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 was, en:
  a) ofwel in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 8, niet uitgevoerd heeft;
  b) ofwel in het vorige jaar en in het betrokken jaar in categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5.

 

Als een bedrijf, in een bepaald jaar, meerdere van bovenstaande kwalificaties krijgt, geldt enkel de hoogste kwalificatie.

 

§ 4

Als op een niet-focusbedrijf in een bepaald jaar X op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten op één door de Mestbank aangeduid perceel S een nitraatresidubepaling laten uitvoeren. Als het nitraatresidu van het perceel landbouwgrond in jaar X meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen.


Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, laten uitvoeren.


Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde, of als de landbouwer de nitraatresidubepaling die hij in het jaar X+1 moet laten uitvoeren, niet uitvoert, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren en is het bedrijf in het jaar X+2 focusbedrijf.


Als in een bepaald jaar X op een niet-focusbedrijf op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde of als op een focusbedrijf op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, laten uitvoeren.


Als in een bepaald jaar op een bedrijf een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moet gebeuren, is deze paragraaf niet van toepassing.


Als het nitraatresidu van het perceel S in jaar X+1 meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen.

 

§ 6

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

als de teelt en de bodem in kwestie het toelaten moet de landbouwer een vanggewas telen op elk perceel landbouwgrond dat tot zijn bedrijf behoort. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
als het bedrijf, in toepassing van § 3, derde lid, 2°, 3°, 4° of 5°, als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 is gekwalificeerd, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren.

 

§ 7

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
als de teelt en de bodem in kwestie het toelaten moet de landbouwer een vanggewas telen op elk perceel landbouwgrond dat tot zijn bedrijf behoort. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de toegelaten bemesting in kg N uit dierlijke mest en in kg werkzame N wordt beperkt tot 90 % van de hoeveelheid die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mogen opgebracht worden verminderen;
elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een tot het bedrijf behorende exploitatie of naar een tot het bedrijf behorende exploitatie, dat gebeurt in uitvoering van artikel 49, § 1, 3°, b), c), d), e), f) of g), moet voorgemeld en nagemeld worden bij de Mestbank;
een bemestingsplan bijhouden;
een verplichte bodembalans voor tuinbouw.

 

§ 8.

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
een vanggewas telen op al de tot het bedrijf behorende landbouwgronden waarvan de teelt en de bodem in kwestie het telen van een vanggewas toelaten en minimaal op 20 % van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wordt geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een blijvende teelt wordt verbouwd. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de toegelaten bemesting in kg N uit dierlijke mest en in kg werkzame N wordt beperkt tot 80 % van de hoeveelheid die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mogen opgebracht worden verminderen;
elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een tot het bedrijf behorende exploitatie of naar een tot het bedrijf behorende exploitatie, met inbegrip van het vervoer vanuit een bepaalde exploitatie naar de landbouwgronden van dezelfde exploitatie, gebeurt door een erkende mestvoerder;
een bemestingsplan bijhouden;
een verplichte bodembalans voor tuinbouw.

 

Als een bedrijf twee of meer jaren na elkaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, wordt het percentage van de toegelaten bemesting als vermeld in het eerste lid, 4°, telkens met 10 verlaagd ten opzichte van het vorige jaar en wordt het percentage van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond waarop een vanggewas geteeld moet worden telkens met 10 verhoogd ten opzichte van het vorige jaar.


Als een bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, en op dat bedrijf één of meerdere beheerovereenkomsten gelden als vermeld in artikel 42, die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, verminderen, worden deze beheerovereenkomsten van rechtswege beėindigd.

 

§ 9.

Voor focusbedrijven geldt, in afwijking van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, de onderstaande regeling.


Op niet permanent overkapte landbouwgronden is het verboden om meststoffen type 2 op te brengen:

op akkers op zware kleigronden vanaf 16 oktober tot en met 28 februari. De hoeveelheid meststoffen type 2 die in een bepaald jaar na 31 augustus opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare;
op andere percelen dan vermeld in 1°, vanaf 16 augustus tot en met 28 februari;
na de oogst van de hoofdteelt, tenzij na de oogst van de hoofdteelt en uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt.

 

In afwijking van het tweede lid, 1° en 2°, is het voor grasland en beteeld akkerland toegelaten om meststoffen type 2 op te brengen vanaf 16 februari.


Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 3 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden:

op akkers vanaf 16 augustus;
op grasland vanaf 1 september;
op grasland, beteelde akkers en niet-beteelde akkers waar als eerstvolgende teelt een specifieke teelt ingezaaid wordt, tot en met 15 februari;
op niet-beteelde akkers, met uitzondering van niet-beteelde akkers waar als eerstvolgende teelt een specifieke teelt ingezaaid wordt, tot en met 28 februari;

 
na de oogst van de hoofdteelt, tenzij na de hoofdteelt:
a) hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;
b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 15 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt.


In afwijking van het vierde lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen:



 
in de periode vanaf 16 augustus tot en met 15 november op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
a) de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare;
b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 16 augustus tot en met 15 november opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies;
vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare.

 

In afwijking van het vierde lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 16 augustus tot en met 15 november op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare.


In afwijking van het vierde lid, is het voor een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 toegelaten op akkerland met meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof op te brengen in een van de volgende twee gevallen:

na de oogst van de hoofdteelt en ten laatste op 31 augustus, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 augustus een vanggewas ingezaaid wordt. In afwijking hiervan kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat het vanggewas slechts moet worden ingezaaid uiterlijk op 10 september van hetzelfde jaar;
in de periode van 16 augustus tot en met 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is. In afwijking hiervan mogen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober deze meststoffen opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen.


In afwijking van het vierde lid, is het voor een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 toegelaten meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is op te brengen op grasland in de periode van 1 september tot 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof.


Voor de toepassing van deze paragraaf wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt.


Voor de toepassing van deze paragraaf worden percelen grasland, waar het grasland geteeld wordt voor zaaizaadvermeerdering, als akkers beschouwd.

 

§ 5

Een bedrijf, waartoe landbouwgrond behoort, kan een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf krijgen.


De landbouwer die een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 1 juni van het jaar bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. In afwijking hiervan wordt elke landbouwer die in een bepaald jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moet uitvoeren, van rechtswege aanzien als een landbouwer die een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wil verkrijgen.


Een landbouwer kan tot uiterlijk 1 juni een ingediende aanvraag intrekken. Elke landbouwer die op 2 juni een niet-ingetrokken aanvraag tot het bekomen van een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf heeft, is verplicht om de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. Na 1 juni duidt de Mestbank de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarop de landbouwer de nitraatresidubepalingen moet laten uitvoeren. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15.

 

Een bedrijf ontvangt een vrijstelling als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

bij de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, wordt het bedrijf, bij een beoordeling op basis van de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul beoordeeld als vermeld in artikel 15;
in het jaar van de aanvraag of in het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, is:
a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5 opgelegd.

 

Als voldaan is aan al de voorwaarden, vermeld in het vierde lid, krijgt het bedrijf een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitgevoerd is.


De vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wordt in de volgende situaties ingetrokken:

het bedrijf wordt bij een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau niet als categorie nul beoordeeld als vermeld in artikel 15;


 
in het jaar van vrijstelling of in het jaar voorafgaand aan het jaar van vrijstelling, is:
a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, een overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
b) aan de betrokken landbouwer een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd of een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5, opgelegd.


De intrekking van de vrijstelling gebeurt op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin:

de nitraatresidubepalingen in het kader van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau die niet als categorie nul is beoordeeld als vermeld in artikel 15, zijn genomen of hadden moeten worden genomen;
een proces-verbaal of inspectieverslag werd opgemaakt wegens één of meerdere van de feiten, vermeld in het zesde lid, 2°, a);
een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking, reductie of boete als vermeld in het zesde lid, 2°, b), werd opgelegd.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen en kan bepalen dat een vrijstelling ook ingetrokken wordt als deze niet langer representatief is voor het betrokken bedrijf.


Voor het beoordelen van een aanvraag, vermeld in het vierde lid, wordt enkel rekening gehouden met feiten als vermeld in het zevende lid, die zich voordeden in het jaar 2015 of later.

 

Een aanvraag tot vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf is onontvankelijk als er geen landbouwgronden behoren tot het bedrijf dat de vrijstelling wil bekomen.

 

§ 10.

De kwalificaties als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, van categorie 2 of van categorie 3 als vermeld in paragraaf 3, en de toekenning van vrijstellingen als vermeld in paragraaf 5 gebeuren van rechtswege. De Mestbank vermeldt de kwalificaties en de vrijstellingen op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze kwalificaties en deze vrijstellingen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de kwalificatie of vrijstelling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de kwalificatie of vrijstelling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per aangetekende brief gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank.


Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

§ 11.

De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de inhoud van de verschillende maatregelen, vermeld in paragraaf 6 tot en met 8, en de wijze waarop de naleving van deze maatregelen gestaafd moet worden, de wijze waarop een bemestingsplan als vermeld in paragraaf 7, 6°, en paragraaf 8, 6°, en een bodembalans voor tuinbouw als vermeld in paragraaf 7, 7°, en paragraaf 8, 7°, moet opgemaakt, onderbouwd en bijgehouden worden, en op welke wijze de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat, in het kader van de verplichting van het inzaaien van een vanggewas als vermeld in paragraaf 8, 3°, voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, er ook geen rekening gehouden wordt met andere types landbouwgrond dan landbouwgronden die permanent overkapt zijn of waarop een blijvende teelt wordt verbouwd.

 

§ 12.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf, de kwalificaties als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, van categorie 2 of van categorie 3 als vermeld in paragraaf 3, en de toekenning van een vrijstelling als vermeld in paragraaf 5, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven toegekend worden.

 

Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar.


Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers van wie de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden, over verschillende jaren heen significant wijzigt.


Art. 15.

§ 1

Voor het uitvoeren van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moeten er in een bepaald jaar op een minimaal aantal tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden. De resultaten van de in dat jaar uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden vervolgens getoetst aan drie criteria. Op basis van deze drie toetsingscriteria wordt het bedrijf in een bepaalde categorie ingedeeld.


De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op alle nitraatresidu-evaluaties op bedrijfsniveau die uitgevoerd moeten worden in uitvoering van dit decreet.

 

§ 2

Een bedrijf dat, in een bepaald jaar, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar:

op minimaal drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, het nitraatresidu bepalen. Voor bedrijven met minder dan drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond [...] volstaat het om het nitraatresidu te bepalen op alle tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond;
minimaal op één perceel het nitraatresidu bepalen, per nitraatresidutype als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is.


Een bedrijf dat, in een bepaald jaar, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar een aantal nitraatresidubepalingen uitvoeren dat minimaal gelijk is aan de vierkantswortel van het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffend jaar tot het bedrijf behoren. Als het resultaat van de vierkantswortel geen geheel getal is wordt er afgerond naar het lagere gehele getal.

 

§ 3

De Mestbank duidt de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarvan het nitraatresidu moet bepaald worden.


Voor het beoordelen van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau wordt enkel rekening gehouden met de resultaten van de door de Mestbank aangeduide percelen en met de resultaten van de nitraatresidubepalingen die de Mestbank heeft laten uitvoeren op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond. Als bij een landbouwer het nitraatresidu is bepaald van al zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, wordt, in afwijking hiervan, voor het beoordelen van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, rekening gehouden met de resultaten van al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond.


Als op een door de Mestbank aangeduid perceel meerdere nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden, dan wordt met al deze nitraatresidubepalingen rekening gehouden bij de evaluatie.

 

§ 4.

De resultaten van de uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden beoordeeld op basis van de volgende drie criteria:

het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen vergeleken met het gewogen gemiddelde van de eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarden overeenkomstig de nitraatresidutypes als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn;
het aantal nitraatresidubepalingen die de tweede nitraatresidudrempelwaarde overschrijden;
het aantal teelttypes als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, waarvoor het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen voor het betreffende teelttype de tweede nitraatresidudrempelwaarde overschrijdt.

 

Voor elk nitraatresidutype dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met het resultaat van de nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype van toepassing is. Als voor één nitraatresidutype er meerdere nitraatresidubepalingen zijn uitgevoerd op percelen waarop dit nitraatresidutype van toepassing is, wordt eerst het gemiddelde bepaald van de verschillende nitraatresidumetingen, alvorens dit te vermenigvuldigen met het aantal betrokken hectares. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen als vermeld in het eerste lid, 1°.


Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid, 1°.


Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid, 1°.


Als er voor een nitraatresidutype dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, geen resultaat van een nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype van toepassing is, beschikbaar is, wordt voor het bepalen van het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen en van de gewogen gemiddelde eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken bedrijf, geen rekening gehouden met het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is.


Als er voor eenzelfde teelttype twee nitraatresidutypes op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen, uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is, bepaald. Vervolgens wordt voor elk van beide nitraatresidutypes, het aantal nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop het betreffende nitraatresidutype van toepassing is, vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde. Beide getallen worden opgeteld en gedeeld door het aantal nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is. Als het resultaat van deze deling lager is dan het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is, is er voor het betreffende teelttype een overschrijding van de tweede nitraatresidudrempelwaarde.

 

§ 5.

De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, op basis van de drie criteria, vermeld in paragraaf 4, leidt tot een classificatie van de betrokken bedrijven, in vier categorieėn, met name categorie nul, categorie I, categorie II en categorie III.


Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie nul geclassificeerd als het gewogen gemiddelde van de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu ’s kleiner dan of gelijk is aan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf.


Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie I geclassificeerd als, voor wat betreft de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu’s, voldaan is aan de volgende voorwaarden:

het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen is groter dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf;
maximaal een derde van de nitraatresidubepalingen overschrijden de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde en voor maximaal één teelttype overschrijdt het gemiddelde van de overeenkomstige nitraatresidubepalingen de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde.


Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie II geclassificeerd als, voor wat betreft de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu’s, voldaan is aan de volgende voorwaarden:

het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen is groter dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf;
er is niet voldaan aan de voorwaarde, vermeld in het vorige lid, 2°.


Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie III geclassificeerd als het gewogen gemiddelde van de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu’s groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf.

 

§ 6.

De classificaties in de categorieėn nul, I, II en III als vermeld in paragraaf 5, gebeuren van rechtswege. De Mestbank vermeldt de classificaties op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze classificaties bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de classificatie nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen, verlengd tot de dertigste dag nadat de classificatie voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per aangetekende brief gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank.


Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

§ 7.

Voor de toepassing van de artikelen 14 en 15 wordt rekening gehouden met alle nitraatresidubepalingen die, in uitvoering van dit decreet of een andere wetgeving, uitgevoerd zijn op een perceel of op percelen waarop, in toepassing van de artikelen 14 en 15, een nitraatresidubepaling wordt genomen of moet worden genomen.

 

Het erkend laboratorium dat een nitraatresidubepaling uitvoert, in toepassing van de artikelen 14 en 15, stelt de Mestbank, uiterlijk de werkdag voor de bemonstering, hiervan in kennis, via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie.

 

§ 8.

De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de wijze waarop de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf, de classificaties in de categorieėn nul, I, II en III als vermeld in paragraaf 5, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven toegekend worden.

 

Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar.


Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers van wie de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden, over verschillende jaren heen significant wijzigt.


Onderafdeling III.
Gebiedsgerichte maatregelen aangaande het op of in de bodem brengen van meststoffen


Art. 16.

In de beschermingszone type I van de waterwingebieden afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer is het op of in de bodem brengen van meststoffen verboden.
 


Art. 17.

§ 1

De fosfaatbemestingsnorm voor landbouwgronden gelegen in fosfaatverzadigde gebieden bedraagt 40 kg P2O5 per hectare en per jaar.

 

§ 2

De Vlaamse Regering bakent de fosfaatverzadigde gebieden af op basis van een inventarisatie van de bemonstering van percelen waarvoor met een probabiliteit van 95 % de kritische grenswaarde voor fosfaatdoorslag van 35 % profielgemiddelde fosfaatverzadigingsgraad overschreden is.

 

§ 3

Voor een perceel gelegen in een fosfaatverzadigd gebied waarvan op grond van een analyse zou blijken dat het niet fosfaatverzadigd is, gelden de bepalingen van paragraaf 1 niet. In dit geval vallen de kosten van de analyse ten laste van de Mestbank.

 

§ 4

Als voor een perceel gelegen in een fosfaatverzadigd gebied, een bodemanalyse is uitgevoerd, voor de bepaling van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem, op basis waarvan het betreffend perceel als klasse III of lager is ingedeeld, overeenkomstig artikel 13, § 3, wordt het perceel als niet fosfaatverzadigd beschouwd en gelden de bepalingen van paragraaf 1 niet.

 

§ 5

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast en bepaalt de wijze waarop de resultaten van de analyse als vermeld in paragraaf 3, aan de Mestbank overgemaakt moeten worden.


Art. 18.

§ 1

Op landbouwgronden die volledig gelegen zijn in meerdere gebieden, met verschillende bemestingsregels of bemestingsnormen, gelden voor de beperkingen voor difosforpentoxide, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, afzonderlijk, de strengste bepalingen van de overeenkomstige gebieden.

 

Op landbouwgronden die voor een deel gelegen zijn in meerdere gebieden met verschillende bemestingsregels of bemestingsnormen of die in verschillende klassen als vermeld in artikel 13, § 3, ingedeeld zijn, worden voor het bepalen van de van toepassing zijnde bemestingsregels en voor de beperkingen voor fosfaat, werkzame stikstof, stikstof, stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit andere meststoffen en stikstof uit kunstmest, de bepalingen die van toepassing zijn op het grootste gedeelte van het perceel van toepassing op het volledige perceel.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast.

 

§ 2

Bij nieuwe afbakeningen [...] van fosfaatverzadigde gebieden, vermeld in artikel 17, gelden de overeenkomstige bemestingsnormen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe afbakening.


Onderafdeling IV.
Het op of in de bodem brengen van meststoffen op steile hellingen


Art. 19.

Op steile hellingen moeten meststoffen op de volgende wijze op of in de bodem gebracht worden:

op beteelde steile hellingen is voor het op of in de bodem brengen van vloeibare dierlijke mest of vloeibare andere meststoffen, zode-injectie of mestinjectie verplicht;
op niet-beteelde steile hellingen is voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest, mestinjectie of directe onderwerking in één werkgang verplicht. In afwijking hiervan moeten vaste dierlijke mest, vaste andere meststoffen en kunstmest in vaste vorm binnen het uur na de aanwending ondergewerkt worden.


Het op of in de bodem brengen van meststoffen, met uitzondering van rechtstreekse uitscheiding door begrazing, is verboden op percelen landbouwgrond met een hellingsgraad hoger dan of gelijk aan 15 %.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen.


Onderafdeling V.
Het op of in de bodem brengen van meststoffen op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land


Art. 20. Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land.

Onderafdeling VI.
Het op of in de bodem brengen van meststoffen in de nabijheid van waterlopen


Art. 21.

Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing:

  1. tot 5 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop;
  2. tot 10 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
  3. tot 10 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop, als een steile helling grenst aan een waterloop.

De waterlopen, vermeld in het eerste lid, zijn de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen.


Onderafdeling VII.
Methoden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen


Art. 22.

§ 1

Bij bemesting mogen de opgebrachte meststoffen niet afspoelen.


Bij bemesting worden dierlijke mest en andere meststoffen emissiearm als volgt opgebracht:

op grasland met zode-injectie, sleepslangtechniek of sleufkouter;
op beteelde landbouwgronden die geen grasland zijn, met mestinjectie of sleepslangtechniek;
op niet-beteelde landbouwgrond met mestinjectie of met het in twee opeenvolgende werkgangen uitspreiden en inwerken van de mest, waarbij de mest binnen twee uur na het uitspreiden moet zijn ingewerkt op het perceel in kwestie. Op zaterdagen is het verplicht om de dierlijke mest onmiddellijk in te werken.

 

In afwijking van het tweede lid, worden de volgende meststoffen niet-emissiearm opgebracht:

spuistroom, gft-compost of groencompost;
vloeibare dierlijke mest en vloeibare andere meststoffen met een drogestofgehalte van maximaal 2 % die een lager gehalte hebben aan ammoniakale stikstof dan 1 kg NH4-N per 1 000 l of 1 kg NH4-N per 1 000 kg;



 
stalmest of champost die:
a) op grasland opgebracht wordt;
b) gebruikt wordt voor bepaalde houtige teelten;
c) in het voorjaar opgebracht wordt op landbouwgronden waarop wintergranen geteeld worden;
vaste dierlijke mest arm aan ammoniakale stikstof en vaste andere meststoffen arm aan ammoniakale stikstof die gebruikt wordt voor bepaalde houtachtige teelten.

 

In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de vaste dierlijke mest en vaste andere meststoffen die arm zijn aan ammoniakale stikstof binnen 24 uur na de opbrenging ingewerkt.


Om gebruik te maken van de afwijking, vermeld in het derde lid, 2°, moet de Mestbank een attest hebben afgegeven dat bij de toediening van de meststoffen aanwezig is. Het attest wordt alleen afgegeven voor meststoffen waarvan het gehalte aan ammoniakale stikstof, vermeld in het derde lid, 2°, bewezen is volgens een analyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium. De kosten van de analyse zijn voor rekening van de aanvrager.


De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen ter uitvoering van dit artikel.

 

§ 2

[...]

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van voorgaande paragrafen.


Hoofdstuk IV.
De aangifte en de berekening van de productie van dierlijke mest


Afdeling I.
De aangifte


Art. 23.

§ 1

De volgende personen doen elk jaar, met toepassing van dit decreet, een aangifte:




 
de landbouwer die:
a) een bedrijf heeft met een productie aan dierlijke mest groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5;
b) een bedrijf heeft waarvan op de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het jaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk meer dan 300 kg P2O5 uit dierlijke mest opgeslagen was;
c) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het kalenderjaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een oppervlakte landbouwgrond groter dan of gelijk aan 2 ha in gebruik hebben;
d) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het kalenderjaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een effectieve oppervlakte groeimedium voor het telen van gewassen groter dan of gelijk aan 50 a hebben;
e) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het jaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een oppervlakte permanent overkapte landbouwgrond groter dan of gelijk aan 50 a in gebruik hebben;
f) als actieve landbouwer gekend is in het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en geen verklaring heeft ingediend als vermeld in paragraaf 3, waaruit blijkt dat zijn bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in a) tot en met e);
de uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5;
de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5 per jaar;
eenieder die andere meststoffen produceert, verdeelt, importeert of exporteert, en die minstens 300 kg P2O5 laat afzetten op landbouwgrond in het Vlaamse Gewest;
eenieder die minstens 10.000 kg N per jaar uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en die levert aan verdelers of aan landbouwers als vermeld in punt 1°;
eenieder die diervoeders produceert, invoert of verkoopt;
eenieder die het vorige jaar, ter uitvoering van punt 1° tot en met 7°, een aangifte heeft ingediend bij de Mestbank en niet aan de Mestbank heeft gemeld dat hij zijn bedrijf of uitbating heeft stopgezet, of die geen verklaring heeft afgelegd als vermeld in paragraaf 3;
de erkende mestvoerder, vermeld in artikel 48, die op een of meer documenten, opgesteld ter uitvoering van artikel 47 tot en met 60, als aanbieder of afnemer van meststoffen vermeld is.

 

De productie aan dierlijke mest van een bedrijf als vermeld in het eerste lid, 1°, a), wordt berekend als de som van de productie aan dierlijke mest van elke exploitatie van het bedrijf. De productie aan dierlijke mest van een exploitatie wordt berekend als het product, uitgedrukt in kg P2O5, van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende het voorbije kalenderjaar, met de overeenkomstige productie per dier, vermeld in artikel 27, § 1.

 

Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van de effectieve oppervlakte groeimedium voor het telen van gewassen, vermeld in het eerste lid, 1°, d), worden de rijpaden en de ruimtes tussen de teelten meegerekend. Als er verschillende teeltlagen zijn, wordt de oppervlakte van elke teeltlaag opgeteld voor het verkrijgen van de effectieve oppervlakte. Als het maximum aantal lagen dat op enig moment in het kalenderjaar in kwestie in de desbetreffende bedrijfsruimte of op het desbetreffende perceel aanwezig was, groter is dan 1, wordt het resultaat van de optelling met 10 percent verminderd.

 

§ 2

Eenieder die dierlijke mest of andere meststoffen invoert in het Vlaamse Gewest of exporteert uit het Vlaamse Gewest is verplicht hiervan telkens aangifte te doen aan de Mestbank, door middel van de documenten die het vervoer van mest dienen te vergezellen, vermeld in de artikelen 48 tot en met 60. Deze documenten gelden als aangifte.

 

§ 3

De Vlaamse Regering kan bepaalde landbouwers, die niet aangifteplichtig zijn overeenkomstig paragraaf 1, verplichten om een verklaring af te leggen.

 

De landbouwers moeten zich daarvoor identificeren in het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en een aantal gegevens meedelen, onder meer over de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, de tot het bedrijf behorende oppervlakte groeimedium en de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in P2O5.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de wijze waarop de verklaring, vermeld in het eerste lid, moet afgelegd worden en betreffende de gegevens die de landbouwers moeten meedelen en bepaalt welke landbouwers een verklaring moeten afleggen als vermeld in het eerste lid.

 

§ 4

Wanneer de aangifteplichtige overleden is of failliet verklaard rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator.

 

§ 5

Elke aangifteplichtige landbouwer als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, doet elk jaar, per exploitatie, aangifte van de volgende gegevens:

het aantal standplaatsen van de dieren, vermeld in artikel 27, die konden gehouden worden op 1 januari van het lopende kalenderjaar;
per diercategorie, het gemiddeld aantal dieren vermeld in artikel 27, die gehouden zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De dieren die behoren tot de diersoort rundvee moeten niet vermeld worden;
de opslagcapaciteit van mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3;
de opgeslagen hoeveelheid mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;
het gebruik van kunstmest op eigen landbouwgronden gelegen in het Vlaamse Gewest, in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;
de aanduiding op cartografisch materiaal van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, woningen, inrichtingsgebouwen en daarbij horende voorzieningen;
een aanduiding, in de verzamelaanvraag, van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, van de gebouwen en andere verharde oppervlakten, en van de volledige tot de exploitatie behorende oppervlakte groeimedium;
alle elementen die nodig zijn voor de onderbouwing van de nutriėntenbalans met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaand aan de aangifte, als de landbouwer, in dat kalenderjaar, gebruikgemaakt heeft van een nutriėntenbalansstelsel als vermeld in artikel 25;
de hoeveelheid dierlijke mest, inclusief rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, andere meststoffen en kunstmest, uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide, die in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte, is afgezet op eigen landbouwgrond buiten het Vlaamse Gewest;
10° de productie aan voedingswater uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte;
11° de productie aan spuistroom uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen.

 

§ 6

De personeelsleden van de Vlaamse Landmaatschappij, de door haar erkende mestvoerders, de derden waarop de Vlaamse Landmaatschappij voor de uitoefening van haar taken een beroep doet, alsmede eenieder die in welke hoedanigheid ook kennis krijgen van de gegevens en inlichtingen, verzameld in uitvoering van dit decreet, zijn gehouden tot geheimhouding ervan. Deze geheimhoudingsverplichting doet geen afbreuk aan de regeling inzake openbaarmaking van milieu-informatie, vermeld in hoofdstuk II Passieve Openbaarheid, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. Deze geheimhoudingsverplichting is niet van toepassing voor uitwisselingen van gegevens met instanties als vermeld in artikel 4, § 1, 2°, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.


De Vlaamse Landmaatschappij mag de gegevens met betrekking tot de gemiddelde veebezetting als vermeld in paragraaf 1, 1°, overmaken aan de OVAM, die deze gegevens mag gebruiken in het kader van haar bevoegdheden rond de ophaling en verwerking van krengen.

 

§ 7

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast betreffende de aangifte, vermeld in dit artikel, en stelt onder meer vast welke gegevens aangegeven dienen te worden, de wijze waarop deze gegevens aangegeven dienen te worden en de wijze waarop de gemiddelde veebezetting berekend wordt. De Vlaamse Regering kan hiervoor ook binnen eenzelfde type van aangifteplichtigen als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een onderscheid maken. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte als vermeld in paragraaf 1, 6°, beperken tot bepaalde producenten, invoerders of verkopers van diervoeders. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte als vermeld in paragraaf 1, 5°, beperken tot bepaalde producenten, verdelers, importeurs of exporteurs van kunstmest.


Art. 24.

§ 1

Elke landbouwer als vermeld in artikel 23, § 1, die dieren houdt is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de veestapel. In afwijking van het voorgaande moet voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE geen register bijgehouden worden.

 

Het register, vermeld in het eerste lid, wordt gebruikt voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting. Voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE wordt de gemiddelde veebezetting bepaald op basis van de cijfergegevens over de dierenaantallen, vermeld in de databank van Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw.

 

In afwijking van het eerste en het tweede lid kan de Vlaamse Regering ook voor andere dieren dan runderen bepalen dat er geen of slechts een beperkt register moet bijgehouden worden of dat voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting andere informatiebronnen dan louter het register, vermeld in het eerste lid, gebruikt worden.

 

§ 2

Eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en deze levert aan verdelers of landbouwers, is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de hoeveelheden en soorten meststoffen, inzonderheid hun gehalte aan N en P2O5 die hij importeert, exporteert, verdeelt of levert aan landbouwers.


[...]

 

§ 3

Elke uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit van meer dan 300 kg P2O5, en elke uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen, van meer dan 300 kg P2O5 per jaar dient een register bij te houden met betrekking tot de in zijn uitbating verhandelde dierlijke mest en andere meststoffen.

 

§ 4

De in dit artikel bedoelde registers moeten gedurende vijfjaar op de plaats van uitbating ter inzage worden gehouden van de met het toezicht op de naleving van dit decreet belaste ambtenaren.

 

§ 5

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in dit artikel bedoelde registers, en kan eveneens het bijhouden van een bemestingsregister opleggen. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het bijhouden van de in dit artikel bedoelde registers, beperken tot bepaalde types registerplichtigen als vermeld in dit decreet.


Afdeling II.
De berekening van de productie van dierlijke mest


Art. 25.

Voor de berekening van de productie van dierlijke mest heeft de landbouwer de keuze tussen :

  1. het forfaitaire stelsel, waarbij de landbouwer de forfaitaire uitscheidingshoeveelheden, vermeld in artikel 27, in rekening brengt;
  2. het nutriėntenbalansstelsel. In dit geval mag de landbouwer de reėle uitscheidingshoeveelheden, vermeld in artikel 26, in rekening brengen.

In afwijking van het eerste lid moeten landbouwers wiens bedrijf een gemiddelde veebezetting van meer dan 200 dieren van de diercategorie andere varkens, heeft, gebruik maken van een nutriėntenbalansstelsel, voor alle op het bedrijf gehouden dieren van de diersoort 2° VARKENS.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen


Art. 26.

§ 1.

De landbouwer die opteert voor het nutriėntenbalansstelsel moet dat kenbaar maken aan de Mestbank aan de hand van de bijgevoegde stavings-stukken naar aanleiding van de aangifte, vermeld in artikel 23, betreffende het productiejaar waarop de aangifte betrekking heeft en naar aanleiding van een controle voor het lopende productiejaar. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer voor wat betreft de bepaling van de aan- en afvoerposten van de nutriėntenbalans.

 

§ 2.

Wanneer de landbouwer heeft geopteerd voor het nutriėntenbalansstelsel, kan voor de berekening van de productie van dierlijke mest de reėle P2O5 -of reėle N-uitscheiding per dier en per jaar worden gehanteerd voor :

  1. de dieren die gedurende een bepaalde periode uitsluitend met voeders werden gevoederd waarvan de fabrikanten in het kader van de productnormering een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding hebben gewaarborgd.
    Deze berekeningswijze, gesteund op reėle waarden, geldt enkel voor exploitaties die gedurende een bepaalde periode uitsluitend voormelde voeders gebruiken voor alle dieren van de beschouwde diercategorie.
    Voor de toepassing van deze reėle uitscheidingshoeveelheden moet de landbouwer jaarlijks aan de Mestbank het bewijs leveren dat bedoelde dieren gedurende de beschouwde periode uitsluitend met het voeder, bedoeld in het eerste lid, werden gevoederd. Als bewijs geldt een attest afgeleverd door de voeder leverancier. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer met betrekking tot de gegevens die op het attest dienen vermeld te worden;
  2. alle dieren die gehouden worden op een exploitatie waar gedurende het hele kalenderjaar voedertechnieken of voeders werden gebruikt die een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding tot gevolg hebben. Deze berekeningswijze, gesteund op reėle waarden, geldt enkel voor exploitaties die uitsluitend voormelde voedertechnieken of voeders gebruiken. De bewijslast voor deze reėle P2O5- of reėle N-uitscheiding per dier en per jaar ligt bij de landbouwer.

 

§ 3.

De landbouwer die het nutriėntenbalansstelsel toepast, moet de jaarlijks opgemaakte balansen, alsook de geėigende bescheiden ter staving van de aan-en afvoerposten, gedurende 5 jaar ter inzage houden van de toezichthoudende ambtenaren. De bewijslast van de aan- en afvoerposten van de balans of balansen ligt bij de landbouwer.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot de wijze van opstelling van de bedoelde nutriėntenbalans, het bepalen van de werkelijke mineraleninhoud van de diervoeders en de stukken die zij nodig acht ter staving van de voormelde nutriėntenbalans.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende het gebruik door rundveebedrijven van een specifiek nutriėntenbalanssysteem.


Art. 27.

§ 1

Wanneer de landbouwer kiest voor het forfaitair stelsel, vermeld in artikel 25, wordt uitgegaan van de

volgende forfaitaire uitscheidingsnormen per dier en per jaar :

 

Diersoort P2O5 -uitscheiding (kg/dier, jaar) N-uitscheiding (kg/dier, jaar)
1° RUNDVEE:    
a) Melkvee:    
Melkkoeien met een melkproductie van maximaal 4000 kg melk/jaar 26 81
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4000 tot maximaal 4250 kg melk/jaar 26,5 83
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4250 tot maximaal 4500 kg melk/jaar 27 85
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4500 tot maximaal 4750 kg melk/jaar 27,5 87
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4750 tot maximaal 5000 kg melk/jaar 28 59
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5000 tot maximaal 5250 kg melk/jaar 28,5 91
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5250 tot maximaal 5500 kg melk/jaar 29 93
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5500 tot maximaal 5750 kg melk/jaar 29,5 95
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5750 tot maximaal 6000 kg melk/jaar 30 97
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6000 tot maximaal 6250 kg melk/jaar 31 99
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6250 tot maximaal 6500 kg melk/jaar 31,5 101
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6500 tot maximaal 6750 kg melk/jaar 32,5 103
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6750 tot maximaal 7000 kg melk/jaar 33 105
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7000 tot maximaal 7250 kg melk/jaar 34 107
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7250 tot maximaal 7500 kg melk/jaar 34,5 109
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7500 tot maximaal 7750 kg melk/jaar 35,5 111
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7750 tot maximaal 8000 kg melk/jaar 36 113
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8000 tot maximaal 8250 kg melk/jaar 37 115
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8250 tot maximaal 8500 kg melk/jaar 37,5 117
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8500 tot maximaal 8750 kg melk/jaar 38,5 119
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8750 tot maximaal 9000 kg melk/jaar 39 121
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9000 tot maximaal 9250 kg melk/jaar 40 123
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9250 tot maximaal 9500 kg melk/jaar 40,5 125
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9500 tot maximaal 9750 kg melk/jaar 41,5 127
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9750 tot maximaal 10.000 kg melk/jaar 42 129

Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 10.000 kg melk/jaar

43 131
Vervangingsvee jonger dan 1 jaar 10 33
Vervangingsvee van 1 jaar tot 2 jaar 19,2 58
b) Mestvee:    
Zoogkoeien 25 65
Mestkalveren 3,6 10,5
Runderen jonger dan 1 jaar 7 22,3
Runderen van 1 jaar tot jonger dan 2 jaar 19,2 58
c) Andere runderen 29,5 77

2° VARKENS:

   
Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg 1,38 2,18
Beren 15,25 29,61
Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg 15,25 29,61
Andere varkens:    
van 20 tot 110 kg 4,97 12,68
van 110 kg of meer 15,25 29,61
3° PLUIMVEE    
a) Legrassen:    
Legkippen 0,45 0,81
(Groot)ouderdieren 0,45 0,81
Opfokpoeljen van legkippen 0,18 0,34
b) Vleesrassen:    
Slachtkuikens 0,26 0,61
Slachtkuikenouderdieren 0,69 1,31
Opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren 0,26 0,52
c) struisvogels:    
Struisvogels fokdieren 9,8 18

Struivogels slachtdieren

4,5 8,6
Struisvogels (van 0 tot 3 maand)  1,7  3,5
d) Kalkoenen:    
Kalkoenen slachtdieren 1,05 1,70
Kalkoenen ouderdieren 1,47 2
e) Ander pluimvee  0,19 0,24
4° PAARDEN:    
Paarden (> 600 kg) 30 65
Paarden en pony’s (200-600 kg) 21 50
Paarden en pony’s (< 200 kg) 12 35
5° ANDERE:    
a) Konijnen    
Gesloten bedrijven (per vrouwelijk konijn) 3,91 7,22
Vetmesterij (per dier) 0,368 0,621
Kwekerij (per volwassen dier) 1,619 3,06
b) Geiten en schapen    
Geiten en schapen jonger dan 1 jaar 1,72 4,36
Geiten en schapen ouder dan 1 jaar 4,14 10,5
c) Nertsen    
Gesloten bedrijven (per moederdier) 1,3 2,3
Vetmesterij (per dier) 0,4 0,7
Kwekerij (per volwassen dier) 0,5 0,9

 

[...]

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan de lijst, vermeld in paragraaf 1, aanvullen of wijzigen.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, onder meer met betrekking tot het vaststellen van de mineraleninhoud van de verschillende soorten dierlijke mest, met betrekking tot de analyse van verhandelde meststoffen en van het bedrijfsmatige dierlijke mestoverschot en met betrekking tot het vaststellen van het aantal kg geproduceerde melk per jaar,en kan de diercategorieėn, vermeld in § 1, nader definiėren.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering stelt de stikstofverliezen uit de stal, de opslag en het vervoer vast voor de omrekening van het bruto-gehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het netto-gehalte van stikstof in de dierlijke mest op het ogenblik van de afzet. Dit netto-gehalte wordt de forfaitaire netto-inhoudsnorm stikstof genoemd.


Afdeling III.
De berekening van de bedrijfsmatige mestoverschotten


Art. 28.

§ 1

Als de landbouwer overeenkomstig de bepalingen van artikel 25, heeft geopteerd voor het forfaitaire stelsel, wordt voor een bepaald kalenderjaar, voor een bedrijf het mestoverschot bepaald als de som van de mestoverschotten van de verschillende exploitaties die tot het bedrijf behoren. Hierbij houdt men eveneens rekening met de negatieve mestoverschotten van de exploitaties.


Het mestoverschot van een bepaalde exploitatie:

uitgedrukt in kg P2O5, wordt bepaald als de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, verminderd met de hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet. De op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, is het product van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende dat kalenderjaar met de overeenkomstige productie per dier, berekend overeenkomstig artikel 27, uitgedrukt in kg P2O5. Bij het bepalen van de hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet, wordt eveneens rekening gehouden met beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken;
uitgedrukt in kg N, wordt bepaald als de netto op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, verminderd met de hoeveelheid N uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet. De netto op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, is de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, verminderd met de stikstofverliezen, bepaald overeenkomstig artikel 27, § 5. De op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest is het product van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende dat kalenderjaar met de overeenkomstige productie per dier, berekend overeenkomstig artikel 27, uitgedrukt in kg N. Bij het bepalen van de hoeveelheid N uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet, wordt eveneens rekening gehouden met beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken.


Als in de loop van een bepaald kalenderjaar een exploitatie overgelaten wordt met bijhorende gronden kunnen de overlatende landbouwer en de overnemende landbouwer overeenkomen dat voor dat kalenderjaar het bedrijf van de overlatende landbouwer en het bedrijf van de overnemende landbouwer als één gemeenschappelijk bedrijf worden beschouwd om:

het vervoer van meststoffen vast te leggen;
het aantal kg geproduceerde melk per jaar per melkkoe vast te stellen;
de administratieve geldboete, vermeld in artikel 63, § 1, en de straffen, vermeld in artikel 71, § 2, 1° en 2°, op te leggen.

 

De overnemende en de overlatende landbouwer kunnen bepalen dat een van hen aansprakelijk is voor het gemeenschappelijk bedrijf. Bij gebrek aan een dergelijke bepaling zijn zij allebei hoofdelijk aansprakelijk voor het gemeenschappelijk bedrijf.

 

Als in de loop van een bepaald kalenderjaar een exploitatie of bedrijf met bijbehorende gronden overgelaten wordt, kunnen de overlater en overnemer overeenkomen dat voor de berekening van het mestoverschot van dat kalenderjaar een bepaald deel van de mogelijkheden tot opbrenging van dierlijke mest op de overgelaten gronden in het bedrijf van de overlater in rekening wordt gebracht en een bepaald deel in het bedrijf van de overnemer in rekening wordt gebracht.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en kan de situaties waarvoor twee bedrijven kiezen om als één gemeenschappelijk bedrijf te worden beschouwd als vermeld in het derde lid, 1° tot en met 3°, uitbreiden.

 

§ 2

Als de landbouwer heeft geopteerd voor het nutriėntenbalansstelsel, wordt het mestoverschot van een bedrijf voor een bepaald kalenderjaar berekend overeenkomstig de methode bepaald in paragraaf 1, met dien verstande dat nu de reėle uitscheidingshoeveelheden, bepaald overeenkomstig artikel 26, of de reėle stikstofverliezen in rekening worden gebracht.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

 

§ 3

De Mestbank maakt jaarlijks, voor elk bedrijf, voor de nutriėnten N en P2O5, een mestbalans op, op basis van de berekening als vermeld in artikel 62bis.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.


Hoofdstuk V.
De mestverwerking


Art. 29.

§ 1

Er wordt een mestverwerkingsplicht opgelegd, die berekend wordt in functie van de gemeentelijke productiedruk van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N per hectare, van de gemeente of gemeenten waar het bedrijf, geheel of gedeeltelijk, gelegen is.


De Vlaamse Regering stelt de gemeentelijke productiedruk vast op basis van de netto productie van stikstof uit dierlijke mest en de afzetmogelijkheden van dierlijke mest.

 

§ 2

Het bedrijf verwerkt een percentage van het netto stikstofoverschot, berekend overeenkomstig artikel 28, § 1, 2°, of § 2. Bij de berekening van het netto stikstofoverschot wordt geen rekening gehouden met de bijkomende productie, die ingevolge artikel 35, eerste lid, 2°, volledig moet verwerkt worden.


Het te verwerken percentage in een bepaald jaar bedraagt 0,60 % per volle schijf van 1000 kg netto stikstofoverschot van het bedrijf van dat jaar, vermeerderd met volgende percentages:

in gemeenten met een gemeentelijke productiedruk kleiner of gelijk aan 170 kg N per hectare: 10 %;
in gemeenten met een gemeentelijke productiedruk groter dan 170 kg stikstof per hectare en lager of gelijk aan 340 kg stikstof per hectare: 20 %;
in gemeenten met een gemeentelijke productiedruk groter dan 340 kg stikstof per hectare: 30 %.


Het te verwerken percentage in een bepaald jaar is maximaal gelijk aan 60 % van het netto stikstofoverschot van het bedrijf van dat jaar.


Indien de te verwerken hoeveelheid per bedrijf minder dan 5000 kg netto stikstof bedraagt is het bedrijf van deze verplichting ontheven.


Voor bedrijven die in meer dan één gemeente zijn gelokaliseerd, geldt een globale verwerkingsplicht die bepaald wordt op basis van het gewogen gemiddelde van de verwerkingsplicht overeenkomstig de dierlijke mestproductie in elke gemeente en de in die gemeente geldende mestverwerkingsplicht.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 3

Voor de verwerking van stikstof wordt een systeem van mestverwerkingscertificaten vastgesteld.


De Mestbank reikt mestverwerkingscertificaten uit aan verwerkingseenheden voor de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die ze hebben verwerkt.


De Mestbank reikt eveneens mestverwerkingscertificaten uit aan bedrijven die hun productie van dierlijke mest, geheel of gedeeltelijk, exporteren, en aan mestverzamelpunten, die dierlijke mest die in hun mestverzamelpunt opgeslagen is, exporteren. Er worden geen mestverwerkingscertificaten uitgereikt voor het exporteren van meststoffen vanuit een bepaald bedrijf naar landbouwgronden die behoren tot datzelfde bedrijf en die meegerekend worden voor het berekenen van het bedrijfsmatig mestoverschot, vermeld in artikel 28.


De mestverwerkingscertificaten als vermeld in het tweede en derde lid worden enkel toegekend voor de verwerking of de export van dierlijke mest, die geproduceerd werd op een in het Vlaamse Gewest gelegen exploitatie.


De door de Mestbank uitgereikte mestverwerkingscertificaten als vermeld in het tweede en derde lid, zijn overdraagbaar. Deze overdrachten van mestverwerkingscertificaten worden geregistreerd bij de Mestbank.


De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast.

 

§ 4

Om in een bepaald productiejaar aan de mestverwerkingsplicht, vermeld in paragraaf 2, te voldoen, moet het bedrijf mestverwerkingscertificaten verkrijgen. Deze mestverwerkingscertificaten dienen afgeleverd te zijn voor mest die in dat productiejaar verwerkt werd. De mestverwerkingscertificaten mogen voor maximaal 5 000 kg netto stikstof afkomstig zijn van pluimveemest die werd geproduceerd door een ander bedrijf.

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het eerste lid, vaststellen dat in bepaalde gevallen mestverwerkingscertificaten gebruikt mogen worden die afgeleverd zijn voor mest die na dat productiejaar, verwerkt werd.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast.


Hoofdstuk VI.
De ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven


Afdeling I.
De nutriėntenemissierechten


Art. 30.

§ 1

De nutriėntenhaltes, vermeld in de artikelen 33bis en 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, worden vervangen door de nutriėntenemissierechten. Deze vervanging gebeurt op zo'n manier dat het totaal aantal dieren op Vlaams niveau niet aangroeit zonder afbreuk te doen aan de aan individuele bedrijven toegekende rechten.

 

§ 2

De nutriėntenemissierechten beperken het aantal dieren van elke diersoort die op een bedrijf mogen worden gehouden, tot het aantal dieren van die bepaalde diersoort dat overeenkomt met het aantal dieren van die diersoort, vermeld op het berekeningsblad van de nutriėntenhalte.
De Vlaamse Regering kan afwijkingen vaststellen op de wijze waarop de nutriėntenemissierechten worden berekend ondermeer indien de soorten dieren vermeld op het berekeningsblad van de nutriėntenhalte niet meer overeenkomen met de naderhand daadwerkelijk gehouden soorten dieren, of indien een deel van de nutriėntenhalte enkel is uitgedrukt in kg P2O5 en kg N.
De Mestbank wijst ambtshalve de nutriėntenemissierechten uitgedrukt in NER-D toe aan de betrokken landbouwers. De door de Mestbank op grond van dit artikel toegewezen nutriėntenemissierechten gelden vanaf 1 januari 2007.
Voor de omzetting van de nutriėntenhalte in nutrientenemissierechten uitgedrukt in NER-D maakt de Mestbank gebruik van de tabel in de bij dit decreet gevoegde bijlage.
Hiertoe wijst de Mestbank eerst de nutriėntenhaltes toe aan de verschillende landbouwers, door de som te nemen van de nutriėntenhaltes van de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf van een betrokken landbouwer. Onder de nutriėntenhalte van een exploitatie wordt verstaan de nutriėntenhalte die op basis van artikel 33bis en 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, toegekend is voor een inrichting of deel van een inrichting, als vermeld in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, die gelegen is op dezelfde plaats als de exploitatie.
Wanneer de producent, als vermeld in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, meent dat de nutriėntenhaltes van zijn inrichting of deel van een inrichting aan een andere landbouwer moeten worden toegewezen, dan kan hij bij de Mestbank bezwaar indienen tegen de toewijzing. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 3

Voor de daaropvolgende berekeningen en omzettingen wordt uitgegaan van volgende waarden per dier uitgedrukt in NER-D gespecificeerd naar de betrokken diercategorie.

 

Diersoort

Waarde

 

Nutriėnten-emissierechten

 

1° RUNDVEE :

 

 

a) Melkvee : Melkkoeien ongeacht de

127,00

NER-DR

melkproductie Vervangingsvee jonger

43,00

NER-DR

dan 1 jaar Vervangingsvee van 1 jaar tot 2 jaar

73,00

NER-DR

b) Mestvee : Zoogkoeien Mestkalveren

127,00

NER-DR

Runderen jonger dan 1 jaar Runderen van

14,10

NER-DR

1 jaar tot jonger dan 2 jaar

31,70

NER-DR

 

83,00

NER-DR

c) Andere runderen

106,50

NER-DR

2° VARKENS :

 

 

Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg Beren Zeugen

4,48

NER-DV

inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg Andere

38,50

NER-DV

varkens :

38,50

NER-DV

van 20 tot 110 kg (tweefazig of driefazig) van 110 kg en meer

18,33 38,50

NER-DV NER-DV

Diersoort

Waarde

Nutriėn ten-emissierech ten

3° PLUIMVEE :

 

 

a) Legrassen : Legkippen [inclusief

1,18

NER-DP

(groot)ouderdieren] Opfokpoeljen van

0,57

NER-DP

legkippen

 

 

b) Vleesrassen : Slachtkuikens Slach

0,91

NER-DP

tkuikenouderdieren Opfokpoeljen van

1,91

NER-DP

slachtkuikenouderdieren

0,74

NER-DP

c) Struisvogels : Struisvogels

27,80

NER-DP

fokdieren Struisvogels slachtdieren Struisvogels (van 0

13,10

NER-DP

tot 3 maand)

5,20

NER-DP

d) Kalkoenen :

2,99

NER-DP

Kalkoenen slachtdieren

3,47

NER-DP

Kalkoenen ouderdieren

 

 

e) Ander pluimvee

0,43

NER-DP

4° PAARDEN :

 

 

Paarden (> 600 kg) Paarden en

95,00

NER-DA

pony's (200-600 kg) Paarden

71,00

NER-DA

en pony's (< 200 kg)

47,00

NER-DA

5° ANDERE :

 

 

a) Konijnen Gesloten bedrijven (per

12,18

NER-DA

vrouwelijk konijn) Vetmesterij (per dier) Kwekerij (per volwassen dier)

1,11 5,03

NER-DA NER-DA

b) Geiten en schapen

 

 

Geiten en schapen jonger dan 1 jaar Geiten en schapen ouder dan 1 jaar

6,08 14,64

NER-DA NER-DA

c) Nertsen

 

 

Gesloten bedrijven (per moederdier)

4,82

NER-DA

Vetmesterij (per dier)

1,56

NER-DA

Kwekerij (per volwassen dier)

1,78

NER-D 4

 

De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen.

 

§ 4

Het gemiddeld aantal dieren op een bedrijf uitgedrukt in NER-D en berekend overeenkomstig het bepaalde in § 3 mag op jaarbasis niet hoger zijn dan de toegekende nutriėntenemissierechten en het aantal dieren op bedrijfsniveau uitgedrukt in NER-D en berekend overeenkomstig het bepaalde in § 3 mag op geen enkel ogenblik meer bedragen dan een door de Vlaamse Regering per diersoort te bepalen percentage van de toegekende nutriėntenemissierechten.

 

§ 5

Binnen de perken van de nutriėntenemissierechten heeft de landbouwer de vrijheid de diersoort te houden die hij verkiest of binnen dezelfde diersoort wijzigingen door te voeren.

 

§ 6

De omzetting naar een andere diersoort of wijziging binnen dezelfde diersoort gebeurt op basis van een door de Vlaamse Regering vastgestelde omrekeningstabel.

 

 

§ 7

De Mestbank kan tijdelijke nutriėntenemissierechten, uitgedrukt in TNER-D, toewijzen aan een landbouwer voor het houden van dieren voor doeleinden in het kader van natuurbeheer, wetenschappelijk onderzoek, onderwijs, en beheer van onroerende goederen in opdracht van openbare besturen. De tijdelijke nutriėntenemissierechten zijn niet overdraagbaar.

 

De tijdelijke nutriėntenemissierechten, uitgedrukt in TNER-D worden berekend in functie van het aantal dieren nodig voor het verwezenlijken van de doelstelling vermenigvuldigd met de waarde bepaald in de tabel van § 3.

 

Voor zover aan de landbouwer voor de in het eerste lid vermelde doeleinden een nutriėntenhalte of nutriėntenemissierechten werden toegekend, worden deze door de Mestbank omgezet in tijdelijke nutriėntenemissierechten, uitgedrukt in TNER-D, die niet overdraagbaar zijn.

 

Indien de dieren niet meer gehouden worden in functie van de aangegeven doelstelling of indien de landbouwer zijn activiteiten in het kader van de doelstelling gestaakt heeft, wordt het deel van de tijdelijke nutriėntenemissierechten toegekend in toepassing van § 7, uitgedrukt in TNER-D, door de Mestbank geannuleerd.

 

Indien dieren worden gehouden zonder TNER-D of waarvoor de TNER-D geannuleerd werden, wordt aan de landbouwer de geldboete opgelegd voorzien in artikel 63, § 4.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen dat er ook tijdelijke nutriėntenemissierechten, uitgedrukt in TNER-D, toegewezen kunnen worden voor dieren die opgevangen worden in dierenasielen, voor dieren die gehouden worden in kinderboerderijen, voor dieren die gehouden worden met het oog op het verlenen van zorg in zorgboerderijen of andere zorginstellingen, of voor dieren die gehouden worden met het oog op het nastreven van sociale of andere doeleinden van algemeen nut. De Vlaamse Regering kan de extra voorwaarden daarvoor bepalen. De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij de berekening van het aantal tijdelijke nutriėntenemissierechten dat toegekend zal worden, er alleen voor een gedeelte van de gehouden dieren tijdelijke nutriėntenemissierechten toegekend zullen worden als de gehouden dieren, naast de doeleinden, vermeld in dit lid, ook gehouden worden om economische of andere redenen.

 

§ 8.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot dit artikel en kan afwijkingen bepalen voor landbouwers van wie het bedrijf een productie aan dierlijke mest heeft kleiner dan 300 kg P2O5, als vermeld in artikel 23, § 1, 1°.


Art. 31.

§ 1

De nutriėntenemissierechten zijn geheel of gedeeltelijk overdraagbaar vanaf een door de Vlaamse Regering vast te stellen aantal nutriėntenemissierechten.

 

§ 2

De overdrager moet de mestproductie die op het bedrijf voor de drie gekende aan de overname voorafgaande kalenderjaren werd geproduceerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet hebben afgezet. Is dit niet het geval dan worden de overgedragen nutriėntenemissierechten proportioneel geannuleerd ten belope van de niet correct afgezette mestproductie.


Ingeval de overdrager beschikt over ingevulde nutrientenemissierechten en over niet-ingevulde nutrientenemissierechten wordt de annulering van de in artikel 34, § 1, eerste lid, 1°, voorziene 25 % als volgt doorgevoerd :

de volledige nutriėntenemissierechten worden in aanmerking genomen in voorkomend geval na de proportionele annulering op grond van het eerste lid;
daarvan wordt 25 % geannuleerd;
ten slotte, indien er bij de over te dragen nutriėntenemissierechten nog een deel niet ingevuld zijn wordt ook dit deel geannuleerd. De niet-ingevulde nutriėntenemissierechten worden bepaald op grond van de invulling van de nutriėntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren voorafgaand aan de datum waarop de overname van de nutriėnten-emissierechten ingaat, ongeacht een mogelijke overdracht van de nutriėntenemissierechten tussen landbouwers tijdens deze drie kalenderjaren. Een annulatie wegens niet-ingevulde nutriėntenemissierechten op grond van een gegeven kalenderjaar, kan niet leiden tot een verdere annulatie na overdracht op grond van eenzelfde kalenderjaar.

 

 

§ 3

[...]

 

§ 4

De overdracht wordt gemeld aan de Mestbank die akte neemt van deze overdracht en in voorkomend geval van de annulatie van het percentage nutriėntenemissierechten.

 

§ 5

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot dit artikel.


Art. 32.

De landbouwer kan aan de Vlaamse Regering de herziening vragen van de berekening van de toegewezen nutriėntenemissierechten en kan bij de Vlaamse Regering beroep aantekenen tegen alle beslissingen van de Mestbank inzake de nutriėntenemissierechten en de tijdelijke nutriėntenemissierechten.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot dit artikel.


Art. 33.

Ingeval in een exploitatie de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt het voor de betreffende diersoort toegekende aandeel in de nutriėntenemissierechten van rechtswege geannuleerd.

De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden en regels vaststellen met betrekking tot de annulatie van het toegekende aandeel van de nutriėntenemissierechten.


Afdeling II.
Bedrijfsontwikkeling door overname van nutriėntenemissierechten


Art. 34.

§ 1

Bedrijfsontwikkeling is mogelijk door :

de overname van nutriėntenemissierechten met annulering van een 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten;

 

De overnemer kan ervoor opteren om 25 percent van de overgenomen nutriėntenemissierechten te verwerken door verwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf in plaats van deze te laten annuleren. De verwerking van 25 percent nutriėntenemissierechten gebeurt in voorkomend geval, bovenop de mestverwerkingsplicht, zoals bepaald in artikel 29 [...].

de overname van nutriėntenemissierechten zonder annulering :
a) ofwel indien alle nutriėntenemissierechten van een bepaald bedrijf overgenomen worden in het kader van een eerste installatie waarbij de overnemer jonger is dan 40 jaar en nog niet beschikt of beschikt heeft over een eigen bedrijf. De nutriėntenemissierechten die in het kader van een eerste installatie worden overgenomen, zijn gedurende drie kalenderjaren volgend op die overname slechts verder overdraagbaar op grond van 1° of op grond van 2°, a) [...]; Als de nutriėntenemissierechten worden overgenomen door een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, moeten de bij de vennootschap betrokken personen samen minstens 51 % van de aandelen van die rechtspersoon bezitten. Als binnen de drie jaar na de datum waarop de overname van de nutriėntenemissierechten ingaat, de aandelen van de vennootschap met rechtspersoonlijkheid geheel of gedeeltelijk worden overgedragen, waardoor na de overdracht van die aandelen, niet minstens 51 % van de aandelen van die vennootschap nog eigendom zijn van de bij de vennootschap betrokken personen, of als de functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder wordt toegewezen aan een derde die niet jonger is dan 40 jaar of aan een derde die beschikt of beschikt heeft over een eigen bedrijf, dan wordt alsnog ambtshalve een annulering van 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de aangetekende kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als de nutriėntenemissierechten tijdens die tijdsspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriėntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriėntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriėntenemissierechten.
b) ofwel indien de nutriėntenemissierechten worden overgedragen aan een landbouwer, waarvan elke persoon die deel uitmaakt van de overnemende landbouwer :
hetzij zelf deel uitmaakt van de overlatende landbouwer;
hetzij een bloed- of aanverwant in de nederdalende lijn is van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de overlatende landbouwer;
hetzij een bloed- of aanverwant is in de tweede graad in de zijlijn van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de overlatende landbouwer;
hetzij de echtgenoot of echtgenote is van een natuurlijke persoon, die deel uitmaakt van de overlatende landbouwer;
hetzij een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid is onder de volgende voorwaarden :
minstens 80% van de aandelen van de personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid moet eigendom zijn van één of meerdere personen vermeld in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6°;
de zaakvoeder, beherende vennoot of bestuurder van de personenvennootschap moet een persoon zijn, vermeld in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6°.

Deze nutriėntenemissierechten zijn gedurende de periode van vijf jaar die volgt op de overnamedatum, alleen verder overdraagbaar op grond van punt 1° of op grond van punt 2°, a) [...], of op grond van een inbreng als vermeld in het derde lid. Als binnen vijf jaar na de datum waarop de overdracht van de nutriėntenemissierechten ingaat, de aandelen van de personenvennootschap geheel of gedeeltelijk worden overgedragen, waardoor, na de overdracht van die aandelen niet minstens 80 % van de aandelen van de personenvennootschap nog eigendom zijn van een of meer personen als vermeld in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6°, of als na de datum waarop de overdracht van de nutriėntenemissierechten ingaat, een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder van de overnemende personenvennootschap toch wordt toegewezen aan een derde die niet vermeld is in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6°, dan wordt alsnog ambtshalve een annulering van 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de aangetekende kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als deze nutriėntenemissierechten tijdens die tijdsspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriėntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25 % van de nutriėntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriėntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriėntenemissierechten.

 

Indien de nutriėntenemissierechten door de personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid worden overgedragen aan de landbouwer die de inbreng ervan heeft gedaan of aan één of meerdere personen als vermeld in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6° gebeurt de overname eveneens zonder annulering;

hetzij een bloed- of aanverwant in opgaande lijn is van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een overlatende landbouwer in het geval deze laatste wegens geattesteerde ziekte van lange duur of overlijden niet meer in staat is de exploitatie te voeren. Onder « deel uitmaken van een landbouwer » wordt verstaan : het als persoon of als lid van een groepering van personen uitbaten van een exploitatie van de landbouwer;
c) [...]
d) [...]
e) [...]
f)

ofwel indien de nutriėntenemissierechten worden overgedragen van een landbouwer bestaande uit een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid aan een landbouwer waarvan elke persoon die deel uitmaakt van de overnemende landbouwer een persoon is die voldoet aan een van de voorwaarden beschreven in 1° tot en met 6° en die tegelijk eveneens voldoet aan een van de voorwaarden beschreven in 7° tot en met 12° :

het betreft een natuurlijke persoon die op 1 januari 2007 of sedert minstens de drie laatste jaren voorafgaand aan de overdrachtsdatum, ononderbroken zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder was van de overlatende vennootschap;
het betreft een bloed- of aanverwant in de nederdalende lijn van de persoon vermeld in 1°;
het betreft een bloed- of aanverwant in de tweede graad in de zijlijn van de persoon vermeld in 1°;
het betreft de echtgenoot of echtgenote van de persoon vermeld in 1°;
het betreft een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid waarvan elke zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder een persoon is als vermeld in 1° tot en met 4° of 6°. De nutrientenemissierechten zijn gedurende de periode van vijf jaar die volgt op de overnamedatum, alleen verder overdraagbaar op grond van punt 1° of op grond van punt 2°, a) [...]. Als binnen de vijf jaar na de datum waarop de overname van de nutriėntenemissierechten ingaat, toch een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder wordt toegewezen aan een derde die niet vermeld is in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6°, dan wordt alsnog een ambtshalve annulering van 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de aangetekende kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als de nutriėntenemissierechten tijdens die tijdsspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriėntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25 % van de nutriėntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriėntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriėntenemissierechten.
het betreft een bloed- of aanverwant in opgaande lijn van de persoon vermeld in 1°, als de persoon, vermeld in 1°, wegens geattesteerde ziekte van lange duur of overlijden niet meer in staat is een exploitatie uit te baten;
het betreft een natuurlijk persoon die aandeelhouder is in de overlatende vennootschap en die sedert 1 januari 2007, of sedert minstens de drie laatste jaren voorafgaand aan de overdrachtsdatum, ononderbroken, zelf of samen met zijn bloed- of aanverwanten in de nederdalende lijn, zijn bloed- of aanverwanten in de tweede graad in de zijlijn, zijn echtgenoot of echtgenote, en zijn bloed- of aanverwanten in opgaande lijn, alle aandelen van de overlatende vennootschap bezit;
het betreft een bloed- of aanverwant in de nederdalende lijn van een aandeelhouder als vermeld in 7°;
het betreft een bloed- of aanverwant in de tweede graad in de zijlijn van een aandeelhouder als vermeld in 7°
10° het betreft de echtgenoot of de echtgenote van een aandeelhouder als vermeld in 7°;
11° het betreft een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid waarbij alle aandelen van de overnemende personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid eigendom zijn van één of meerdere personen vermeld in 7° tot en met 10° of 12°. De nutriėntenemissierechten zijn gedurende de periode van vijf jaar die volgt op de overnamedatum, alleen verder overdraagbaar op grond van punt 1° of op grond van punt 2°, a) [...]. Als binnen de vijf jaar na de datum waarop de overdracht van de nutriėntenemissierechten ingaat, de aandelen van de personenvennootschap toch geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan een derde die niet vermeld is in punt 7° tot en met punt 10° of punt 12°, dan wordt alsnog een ambtshalve annulering van 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten doorgevoerd. De annulering gaat in op de eerste dag van de derde maand die volgt op de aangetekende kennisgevingsbrief van de Mestbank. Als deze nutriėntenemissierechten tijdens die tijdsspanne verder worden overgedragen, dan gaat, in afwijking van de bepalingen van de vorige zin, de annulering in op de dag van de verdere overdracht. De annulering van de niet-ingevulde nutriėntenemissierechten die gepaard gaat met de annulering met 25 % van de nutriėntenemissierechten, wordt bepaald op grond van de invulling van de nutriėntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum van de overname van de nutriėntenemissierechten.
12° het betreft een bloed- of aanverwant in opgaande lijn van een aandeelhouder vermeld in 7° als deze aandeelhouder wegens geattesteerde ziekte van lange duur of overlijden niet meer in staat is een exploitatie uit te baten;

 

Een aanvraag op grond van dit artikel wordt ongegrond verklaard als blijkt dat op de overdrachtsdatum of in de tijdsspanne tussen de overdrachtsdatum en de datum van de definitieve akteneming van de overdracht, niet voldaan is aan een van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.

 

De landbouwer brengt met een aangetekende brief de Mestbank op de hoogte van de toewijzing van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder, of van een aandelenoverdracht, waarvoor in het eerste lid, 2°, a), b), 5°, f), 5° of 11°, een annulering met 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten is opgenomen. De melding kan alleen geldig worden gedaan binnen de negentig dagen na de toewijzing van de functie en binnen de negentig dagen na de overdracht van de aandelen.

 

In het eerste lid, 2°, a), wordt verstaan onder bij de vennootschap betrokken personen: de zaakvoerders, beherende vennoten of bestuurders van de vennootschap.

 

De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze voldaan wordt aan de voorwaarde dat de overnemer jonger moet zijn dan 40 jaar, als vermeld in het eerste lid, 2°, a), wanneer de overnemer een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid is.

 

Voor de toepassing van dit artikel wordt een kapitaalsvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn, gelijkgesteld met een personenvennootschap. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitzonderingen, vermeld in het eerste lid.

 

§ 2

Een verhoging van de mestproductie of een nieuwe mestproductie is uitgesloten voor bedrijven waarvoor geheel of gedeeltelijk een stopzettingsvergoeding werd bekomen in het kader van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten.


Afdeling III.
Bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking


Art. 35.

Bedrijven kunnen groeien nadat ze, aan de Mestbank, het bewijs geleverd hebben van mestverwerking onder de volgende voorwaarden :

de nutriėntenbalans in het Vlaamse Gewest moet in evenwicht zijn zoals ook moet blijken uit een significante verbetering van de resultaten van de metingen van de relevante parameters. De Vlaamse Regering stelt nadere voorwaarden met betrekking tot de te bereiken milieuresultaten vast.

 

De Vlaamse Regering kan uitzonderingen toestaan voor een bedrijf dat in het jaar X aan haar mestverwerkingsplicht als vermeld in artikel 29, heeft voldaan en dat daarenboven 25 % van de netto uitbreiding heeft verwerkt en in de mate dat er in het Vlaamse Gewest meer dan 13 miljoen kg N wordt verwerkt, zoals vastgesteld op basis van de door de Mestbank uitgereikte mestverwerkingscertificaten als vermeld in artikel 29, § 3. Zij kunnen deze mestverwerking niet invullen door het verwerken of laten verwerken van mest afkomstig van een ander bedrijf. Vanaf het jaar X+1 kent de Mestbank niet-overdraagbare nutriėnten-emissierechtenmestverwerking toe, uitgedrukt in NER-MVWr, NER-MVWv, NER-MVWp of NER-MVWa, die alleen kunnen worden aangewend voor de diersoort waarin ze zijn gespecificeerd, uitgezonderd de NER-MVWa, die ook kunnen worden gehouden voor de diersoort paarden. Vanaf het jaar X+1 moet het bedrijf zijn mestverwerkingsplicht als vermeld in artikel 29 voldoen en daarenboven 25 % van de gehele uitbreiding plus de gehele uitbreiding, verwerken;
de bedrijven dienen de bijkomende mestproductie volledig te verwerken of te laten verwerken. Zij kunnen deze mestverwerking niet invullen door het verwerken of laten verwerken van mest afkomstig van een ander bedrijf of van andere op het bedrijf geproduceerde mest dan de bijkomende mestproductie;
zij mogen geen nutriėntenemissierechten hebben overgedragen;
zij mogen in de toekomst ook geen nutriėntenemissierechten overdragen, tenzij in het kader van een bedrijfsovername van het volledige bedrijf. De mestverwerkingsplicht met betrekking tot de nutriėntenemissierechten-MVW blijft onverkort gelden;
indien de mestverwerking van de uitbreiding niet gebeurt, vervalt de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit betreffende het uitgebreide deel.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast.


Art. 36.

Voor de exploitatie van de bijkomende mestproductie mits mestverwerking wijst de Mestbank nutriėntenemissierechten-MVW toe die niet overdraagbaar zijn. Deze niet-overdraagbare nutriėntenemissierechten-MVW kunnen maar worden toegewezen indien de landbouwer aan de Mestbank het bewijs levert over voldoende mestverwerkingscertificaten te beschikken om te voldoen aan de voorwaarden van artikel 35.


Art. 37.

De Mestbank annuleert de nutriėntenemissierechten-MVW in de volgende gevallen :

  1. indien blijkt dat de mestverwerking niet gebeurt;
  2. indien nutriėntenemissierechten of nutriėntenemissierechten-MVW werden overgedragen, tenzij die overdracht deel uitmaakt van een bedrijfsovername van het volledige bedrijf.
  3. op vraag van de landbouwer in kwestie. De mestverwerkingsplicht met betrekking tot de nutriėntenemissierechten-MVW blijft gelden tot op het ogenblik dat de annulatie van de nutriėntenemissierechten-MVW ingaat. De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen.

Hoofdstuk VII.
Gebiedsgericht beleid


Art. 38. De Vlaamse Regering kan in bepaalde VHA-zones of delen ervan in functie van de waterkwaliteit de verbodsbepalingen betreffende het op of in de bodem brengen van meststoffen verstrengen.

Art. 39. De Vlaamse Regering kan vaststellen dat ingeval van overname van nutriėn tenemissierechten die betrekking hebben op bepaalde diersoorten de omzetting naar andere door de Vlaamse Regering te bepalen diersoorten niet mogelijk is.

Art. 40. De Vlaamse Regering kan een regeling voor het opkopen van nutriėntenemissierechten vaststellen. Het opkopen van nutriėntenemissierechten kan gebiedsgericht in functie van milieuresultaten plaatsvinden.

Art. 41. De Vlaamse Regering kan, in functie van de nitraat-en fosfaatconcentratie in de oppervlaktewateren en in het grondwater, de afzet van dierlijke mest en van mestoverschotten door invoer, of de vestiging of uitbreiding van veeteeltbedrijven, in bepaalde gemeenten regelen of beperken.

Art. 41bis.

§ 1.

Met het oog op het behoud en de versterking van natuurwaarden is op landbouwgronden gelegen ingebieden, aangewezen op gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur”, definitief vastgesteld met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, elke vorm van bemesting verboden met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, waarbij twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare op jaarbasis worden toegelaten. Dit bemestingsverbod geldt :

in de voor 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden, vanaf 1 januari 2009;
in de na 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden :
a) als het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, een gefaseerde inwerkingtreding voorziet, vanaf 1 januari van het jaar vanaf wanneer de bestemming die sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur”, gerealiseerd moet zijn;
b) als het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, geen gefaseerde inwerkingtreding voorziet, vanaf 1 januari van het jaar volgende op de datum van de definitieve vaststelling van het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. 

 

Tot de vaststelling van plannen, vermeld in paragraaf 5, kan in afwijking van het eerste lid op de potentieel belangrijke graslanden een supplementaire bemesting van maximaal 100 kg stikstof uit kunstmest per ha per jaar toegestaan worden, op voorwaarde dat daarover een beheersovereenkomst wordt afgesloten tussen de betrokken landbouwer en de Vlaamse Landmaatschappij, na advies van het Agentschap Natuur en Bos. Die beheersovereenkomst kan nog nadere beperkingen specificeren omtrent de toedieningsperiode van de kunstmest.

 

Als op percelen waar een bemestingsverbod als vermeld in het eerste lid geldt, geen grasland als hoofdteelt of als nateelt aanwezig is, wordt voor de toepassing van dit decreet, voor het betrokken perceel nul als bemestingsnorm toegekend.

 

De Mestbank slaat in de databank van de Mestbank de digitale ruimtelijke inventarisatie op van de landbouwgronden gelegen in de gebieden vermeld in het eerste lid.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen.

 

§ 2.

In afwijking van § 1 wordt aan bedrijven ontheffing van het verbod van bemesting gegeven voor die landbouwgronden binnen deze gebieden die :

  • conform de aangifte op cartografisch materiaal in 2008 voor de voor 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden;
  • conform de aangifte op cartografisch materiaal in het jaar voorafgaand aan het jaar van definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de na 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden behoorden tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden voor zover het akkers of intensief grasland betreft.

In geval van deze ontheffing gelden de bemestingsnormen zoals bedoeld in artikel 13[...].

 

§ 3.

De Mestbank geeft :

  • voor de landbouwgronden gelegen in de voor 1 januari 2009 aangeduide gebieden binnen de negentig dagen na 1 januari 2009;
  • voor de landbouwgronden gelegen in de na 1 januari 2009 aangeduide gebieden binnen de zestig dagen na de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan de landbouwers kennis van de landbouwgronden die worden beschouwd als grasland dat valt onder de toepassing van de definities, bedoeld in artikel 3, § 6, 5°, 6°, 7°, 11° en 19°.

De landbouwers kunnen binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving per aangetekend schrijven een aanvraag tot correctie richten tot de Mestbank, die binnen de zestig dagen na ontvangst van de aanvraag tot correctie een beslissing neemt na advies van de Verificatiecommissie.
De Mestbank of de Verificatiecommissie kan de termijn van zestig dagen verlengen als blijkt dat voor de behandeling van de aanvraag tot correctie een plaatsbezoek aan het betreffende perceel of de betreffende percelen aangewezen is. Het plaatsbezoek moet gebeuren in een periode waarin de vegetatie herkenbaar is. In geval van verlenging van de termijn van zestig dagen, is er geen bemestingsverbod tot 31 december van het kalenderjaar waarin de Mestbank haar beslissing over de aanvraag tot correctie heeft genomen. De beslissing van de Mestbank moet genomen zijn :

vóór 31 december 2010 als het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld is vóór 31 december 2009; 
vóór 31 december van het jaar volgend op het jaar van de definitieve vaststelling van het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan als het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld is na 31 december 2009. 

 

De Verificatiecommissie bestaat uit :

  1. twee vertegenwoordigers van de Mestbank die respectievelijk het voorzitterschap en het secretariaat verzekeren; de secretaris heeft geen stemrecht;
  2. een vertegenwoordiger van het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij;
  3. een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Natuur en Bos;
  4. een door de Mestbank aangeduide MER-deskundige erkend in de discipline fauna en flora.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de modaliteiten inzake de inventarisatie, de kennisgeving, de aanvraag tot correctie alsook de oprichting, en de werking van de Verificatiecommissie.

 

§ 4.

Bij overdracht van een perceel landbouwgrond waarop een ontheffing geldt, vervalt de ontheffing.

In afwijking van het eerste lid, blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht overgedragen wordt aan de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de gebruiker.

In afwijking van het eerste lid, blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen naar een landbouwer waarvan elke persoon die deel uitmaakt van deze landbouwer :

 

a)  hetzij zelf deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen;  
b)  hetzij de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner is van een persoon die zelf deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen.  

 

In afwijking van het eerste lid wordt de ontheffing eenmalig overgedragen aan de nieuwe gebruiker, als het een overdracht betreft die behoort tot een van de volgende types overdrachten :

 

het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen aan de afstammelingen of aangenomen kinderen van een persoon die deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen, de afstammelingen of aangenomen kinderen van de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van deze persoon of de echtgenoten of wettelijk samenwonende partners van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen;  
2°  het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen naar een rechtspersoon waarvan deze natuurlijke persoon zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder is;  
3°  het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen naar een rechtspersoon waarvan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, of de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder zijn;  
het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen naar een landbouwer waarvan elke persoon die deel uitmaakt van deze landbouwer :
a)  hetzij zelf deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen;  
b)  hetzij de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner is van een persoon die zelf deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen; 
c)  hetzij met een persoon die deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen, een overeenkomstige band, als vermeld in 1° tot en met 3°, heeft. 

 

Na een overdracht, als vermeld in het vierde lid, 2°, vervalt de ontheffing zodra de gebruiker die het perceel in gebruik had voor de overdracht, zijn mandaat van bestuurder, beherende vennoot of zaakvoerder beėindigt. De ontheffing vervalt evenwel niet indien hij als bestuurder, beherende vennoot of zaakvoerder opgevolgd wordt door zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of door de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, of door de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. In dat laatste geval vervalt de ontheffing wanneer het mandaat als zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder van de opvolger van de zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder beėindigd wordt.

 

Na een overdracht, als vermeld in het vierde lid, 3°, vervalt de ontheffing zodra het mandaat van bestuurder, beherende vennoot of zaakvoerder, van de in het vierde lid, 3°, vermelde personen, beėindigd wordt.

 

In afwijking van de voorgaande leden wordt, als, na een overdracht, als vermeld in het vierde lid, 2° of 3°, het gebruiksrecht van de landbouwgrond terug overgedragen wordt aan de natuurlijke persoon, die de oorspronkelijke overdrager van de landbouwgrond aan de rechtspersoon was, de ontheffing eenmalig overgedragen.

 

Als een ontheffing van het bemestingsverbod vermeld in § 2 gegeven wordt aan een rechtspersoon, vervalt deze ontheffing zodra het mandaat van één van de zaakvoerders, beherende vennoten of bestuurders als zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder beėindigd wordt. De ontheffing vervalt evenwel niet indien hij als zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder opgevolgd wordt door zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, of de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. In dat laatste geval vervalt de ontheffing als het mandaat als zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder van de opvolger van de zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder beėindigd wordt.

 

De overdracht van het gebruik wordt gemeld bij de aangifte, als vermeld in artikel 23, § 5.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder :

1°   overdracht :   de overdracht van het gebruiksrecht op een perceel, met uitzondering van de overdracht van het gebruiksrecht ten gevolge van een seizoenspacht; 
2°   deel uitmaken van een landbouwer :   het als persoon of als lid van een groepering van personen uitbaten van een exploitatie van de landbouwer. Een rechtspersoon wordt niet beschouwd als een groepering van personen. 

 

§ 5.

In plannen conform artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan in functie van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu, gemoduleerd ontheffing worden verleend van het verbod op bemesting zoals bedoeld in § 1 tot maximum de bemestingsnormen, vermeld in artikel 13.


In deze plannen kunnen de bemestingsnormen ter stimulering van verdergaande stappen inzake het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu mits vergoeding van de inkomstenverliezen, gemoduleerd verstrengd worden.

 

§ 6.

Ontheffing van het verbod, bedoeld in § l, wordt gegeven op de huiskavel, die bestaat op het ogenblik van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan.

 

§ 7.

[...]

 

§ 8.

Als een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een gebied aanduidt binnen de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur”, terwijl dat gebied reeds sorteerde onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur” in het gewestplan of in een vorig gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, dan:

1°   wordt voor de landbouwgronden, gelegen in dat gebied geen nieuwe ontheffing, als vermeld in § 2, toegekend; 
2°  blijft voor de landbouwgronden, gelegen in dat gebied de op deze landbouwgronden bestaande ontheffing behouden en kan deze ontheffing overeenkomstig de bepalingen van § 4, overgedragen worden, met dien verstande dat voor het bepalen van de overdrachtsmogelijkheden, overeenkomstig § 4, er rekening wordt gehouden met eventuele vroegere overdrachten van deze ontheffing;  
3°  is § 3 niet van toepassing. 

 

§ 9.

Als met het oog op de realisatie van natuurbehoudsdoelstellingen een inrichtingsproject uitgevoerd wordt in een gebied dat volgens een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan“sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur”, dan kan, in afwijking van dit artikel, tot het aflopen van het inrichtingsproject voor dat gebied de opbrenging van meststoffen tijdelijk worden geregeld via een gebruiksovereenkomst die het Agentschap Natuur en Bos, de NV Waterwegen en Zeekanaal of een andere Vlaamse overheidsinstelling, heeft opgemaakt met de betrokken landbouwer.

 

Deze mogelijkheid is uitsluitend toepasbaar voor inrichtingsprojecten waarvan de realisatie om dwingende redenen van openbaar belang noodzakelijk is en waarbij het bovendien gaat om :

 

1°   hetzij inrichtingsprojecten die betrekking hebben op een gebied dat volgens een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan als bosgebied, natuurgebied, natuurreservaat, natuurontwikkelingsgebied of daarmee vergelijkbaar gebied, is aangeduid terwijl dat gebied in het gewestplan of in een vorig gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet sorteerde onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur;
2°  hetzij het ruilen van gronden in uitvoering van een inrichtingsproject.  

 

Deze gebruiksovereenkomst :

 

1°   heeft steeds betrekking op gronden waarvan de voormelde overheidsinstelling eigenaar is of op basis van een definitief onteigeningsbesluit in uitvoering van het door de Vlaamse Regering goedgekeurde ruimtelijk uitvoeringsplan eigenaar zal worden;  
2°  kadert in het gefaseerd uitvoeren van een inrichtingsproject in uitvoering waarvan de Vlaamse Regering of de Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, voor de betrokken overheidsinstelling de mogelijkheid heeft voorzien om gebruiksovereenkomsten te sluiten met de betrokken landbouwers; 
3°  moet door de voormelde overheidsinstelling onverwijld overgemaakt worden aan de Mestbank; 
4°  bepaalt het kalenderjaar of de kalenderjaren waarop ze betrekking heeft;  
5°  bevat een aanduiding, op cartografisch materiaal, van het perceel of de percelen waarop de gebruiksovereenkomst betrekking heeft. Een gebruiksovereenkomst kan nooit betrekking hebben op een perceel waarop reeds een bemestingsverbod van toepassing was, overeenkomstig dit artikel of overeenkomstig artikel 15ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen. In geval van ruil van gronden is een gebruiksovereenkomst enkel toegestaan als op beide gronden die in de ruil betrokken zijn, voor de ruil geen bemestingsverbod van toepassing was; 
6°  bepaalt de bemestingsnormen die op het betrokken perceel of de betrokken percelen van toepassing zullen zijn. Deze bemestingsnormen kunnen echter niet hoger zijn dan de bemestingsnormen die overeenkomstig de artikelen 13, 16, 17 of 18, op het betrokken perceel of de betrokken percelen van toepassing zijn;  
7°   is door het Agentschap Natuur en Bos expliciet goedgekeurd. Hierbij beoordeelt het Agentschap voor Natuur en Bos ondermeer of de overeenkomst compatibel is met de natuurdoelstellingen voor het betrokken gebied. 

 

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder definitief onteigeningsbesluit verstaan, een onteigeningsbesluit waarvoor de termijn voor het instellen van een vordering bij de Raad van State verstreken is en waartegen geen vordering bij de Raad van State meer hangende is.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud en de wijze van opmaak van de gebruiksovereenkomst, vermeld in het derde lid, en met betrekking tot de wijze waarop en de termijnen waarbinnen deze gebruiksovereenkomst aan de Mestbank overgemaakt moet worden.


Art. 41ter.

§ 1.

Met het oog op het behoud en de versterking van natuurwaarden is op niet-intensieve graslanden in bosgebieden, zoals aangeduid op de plannen, vastgesteld met toepassing van het decreet
betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en op landbouwgronden gelegen in natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden of natuurreservaten zoals aangeduid op de plannen vastgesteld met toepassing van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, elke vorm van bemesting verboden met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, waarbij twee grootvee-eenheden (GVE)per ha op jaarbasis worden toegelaten.


Als op percelen waar een bemestingsverbod als vermeld in het eerste lid geldt, geen grasland als hoofdteelt of als nateelt aanwezig is, wordt voor de toepassing van dit decreet, voor het betrokken perceel nul als bemestingsnorm toegekend.


Tot de vaststelling van de plannen, vermeld in paragraaf 4, kan in afwijking van het eerste lid op de potentieel belangrijke graslanden een supplementaire bemesting van maximaal 100 kg stikstof uit kunstmest per ha per jaar toegestaan worden, op voorwaarde dat daarover een beheerovereenkomst wordt afgesloten tussen de betrokken landbouwer en de Vlaamse Landmaatschappij, na advies van het Agentschap Natuur en Bos. Die beheerovereenkomst kan nog nadere beperkingen specificeren omtrent de toedieningsperiode van de kunstmest.

 

§ 2.

Er wordt ontheffing van het verbod, bedoeld in paragraaf 1, gegeven voor die percelen die op 1 januari 2015 een ontheffing hadden, in uitvoering van artikel 15ter, § 2, van het meststoffendecreet. Deze ontheffingen zijn eenmalig overdraagbaar, overeenkomstig de bepalingen van artikel 41bis, § 4, met dien verstande dat voor het beoordelen van de overdraagbaarheid van de ontheffingen rekening wordt gehouden met overdrachten van de ontheffingen die in het verleden gebeurd zijn, in toepassing van artikel 15ter van het meststoffendecreet.

 

§ 3.

Voor landbouwgronden in natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden of natuurreservaten, zoals aangeduid op de plannen, vastgesteld met toepassing van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, wordt er ontheffing van het verbod, vermeld in paragraaf 1, gegeven voor die percelen die een huiskavel, als vermeld in artikel 15ter, § 7, van het Meststoffendecreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 23 december 2010, zijn.

 

§ 4.

In plannen conform artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan gemoduleerd ontheffing worden verleend van het verbod op bemesting zoals bedoeld in paragraaf 1 tot maximum de bemestingsnormen, bedoeld in artikel 13.


In deze plannen kunnen de bemestingsnormen ter stimulering van verdergaande stappen inzake het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu mits vergoeding van de inkomstenverliezen, gemoduleerd verstrengd worden.


Hoofdstuk VIII.
Het flankerend beleid


Afdeling I.
Beheersovereenkomsten


Art. 42.

In de kwetsbare zone water, vermeld in artikel 6, kan de Vlaamse Regering beheerovereenkomsten met landbouwers sluiten ter stimulering van verdere maatregelen ter verbetering van de milieukwaliteit. Het betreft de beheerovereenkomsten gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit.

Deze maatregelen betreffen maatregelen die verder gaan dan de dwingende voorschriften, vermeld in artikel 28, derde lid, van de verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad.


Binnen de perimeter van de speciale beschermingszones aangewezen door de Vlaamse Regering in toepassing van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand en van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna en binnen de kwetsbare zone water kan de Vlaamse Regering beheerovereenkomsten sluiten ter stimulering van bemestingspraktijken die een positieve impact hebben op de milieukwaliteit.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast.


Afdeling II.
Steunmaatregelen


Art. 43.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering, overeenkomstig de Europese regels inzake staatssteun, stimulerende maatregelen nemen betreffende :

  1. de uitbouw en de werking van mestverwerkingsinstallaties;
  2. de vergroting van de mestopslagcapaciteit;
  3. de uitbouw van de mestbewerking;
  4. de opslag van drainwater in de tuinbouw;
  5. het ondersteunen van waterkwaliteitsgroepen;
  6. de opleiding, vorming en begeleiding van landen tuinbouwers om de toepassing van de codes van goede landbouwpraktijken te bevorderen;
  7. het wetenschappelijk onderzoek betreffende :
    1. de mestbewerking en de mestverwerking;
    2. de oordeelkundige bemesting;
    3. de relatie bemesting-bodem-oppervlaktewa ter en grondwater;
    4. de uitscheiding van nutriėnten door de dier soorten, vermeld in artikel 27;
  8. het laten uitvoeren van bodem- en mestanalyses;
  9. het vragen en opvolgen van bemestingsadviezen;
  10. het gebruik van dierlijke mest.

Hoofdstuk IX.
Realisatierapportage


Art. 44.

§ 1

De Vlaamse Landmaatschappij maakt jaarlijks een digitaal rapport op dat een stand van zaken geeft van het voorbije kalenderjaar voor wat betreft:

de nutriėntenemissierechten op niveau van het Vlaamse Gewest;
de invulling van de nutriėntenemissierechten op niveau van het Vlaamse Gewest;
de nutriėntenaanpak aan de bron;
de verwerkingscapaciteit van dierlijke mest en andere meststoffen;
de hoeveelheid dierlijke mest die verwerkt is geworden;
de export van dierlijke mest;
de uitgevoerde controles;
de uitgevoerde begeleiding;
de oplegging en inning van de boetes;
10° de kwaliteit van het oppervlakte- en het grondwater;
11° de evolutie van de gemeten nitraatresiduwaarden in de landbouwgronden;
12° de evolutie van de ammoniakemissies en de ammoniakdeposities.


Het rapport, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks te laatste op 15 oktober van het betreffende jaar aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu voorgelegd, waarna de minister de goedkeuring geeft om het rapport te publiceren op de website van de Vlaamse Landmaatschappij.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 2

Het voortgangsrapport, bedoeld in § 1, wordt jaarlijks voorgelegd aan de in artikel 45 vermelde Technische Werkgroep Nutriėnten en aan het Vlaams Parlement.


Hoofdstuk X.
Technische Werkgroep Nutriėnten


Art. 45. [...]

Art. 46. [...]

Hoofdstuk XI.
De afzet en het vervoer van meststoffen


Afdeling I.
Afzet


Art. 47.

§ 1

De landbouwer moet de meststoffen op een milieukundig verantwoorde wijze en overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten afzetten.

In het kader van haar knipperlichtfunctie geeft de Mestbank via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan de betrokken personen een overzicht van de verschillende bij de Mestbank geregistreerde mestverhandelingen. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

De exploitant kan een aantal van zijn dieren gedurende een bepaalde periode op landbouwgronden van een andere exploitant laten grazen. In dat geval moet er een overeenkomst, het inscharingscontract, opgemaakt worden tussen beide exploitanten. Dit inscharingscontract geldt als bewijs van mestafzet ten gunste van de exploitant, wiens dieren op landbouwgronden van een andere exploitant grazen en als bewijs van mestafname voor de exploitant, die op zijn landbouwgronden dieren van een andere exploitant laat grazen. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast.

 

§ 2

Indien de landbouwer niet bij machte is om de op zijn bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest overeenkomstig dit decreet af te zetten heeft hij ondermeer de keuze om :

  1. ofwel de exploitatie geheel of gedeeltelijk een tijdlang stop te zetten zonder dat dit het verval van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit tot gevolg heeft op voorwaarde van melding aan de Mestbank van zowel de tijdelijke stopzetting als de herneming van de exploitatie.
    Indien echter de exploitatie gedurende 5 jaar is stopgezet en niet hernomen, worden de dienovereenkomstige nutriėntenemissierechten van rechtswege geannuleerd;
  2. ofwel in voorkomend geval beroep te doen op de stopzettingsregeling, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest afkomstig van één of meerdere diersoorten.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot de wijze waarop de melding, vermeld in 1°, dient te gebeuren.

 

§ 3

Alle landbouwers dienen ervoor te zorgen dat op de gronden die zij in gebruik hebben de bemestingregels, vermeld in dit decreet, nageleefd worden.

 

§ 4

De producenten van andere meststoffen, de uitbaters van een mestverzamelpunt, een bewerkings-of een verwerkingseenheid zijn ertoe gehouden de in hun bedrijf geproduceerde, verhandelde of overgedragen dierlijke mest en andere meststoffen af te zetten of te exporteren overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

 

§ 5.

De landbouwer die meststoffen vanuit zijn exploitatie overbrengt naar een naast gelegen mestverwerker, zonder dat deze meststoffen over de openbare weg vervoerd worden, moet hiervoor een overdrachtsdocument opmaken en overmaken aan de Mestbank.

 

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels, onder meer wat betreft de inhoud van dit overdrachtsdocument en de wijze waarop dit overgemaakt moet worden aan de Mestbank.


Afdeling II.
Het mestvervoer


Art. 48.

§ 1

Het vervoer van dierlijke mest of van andere meststoffen mag enkel gebeuren door daartoe door de Mestbank erkende mestvoerders.


De Vlaamse Regering stelt de criteria en de voorwaarden voor de erkenning vast.


De Vlaamse Regering kan tevens een bedrag aan de aanvrager van de erkenning opleggen ter delging van de administratieve kosten.


De Mestbank kan de erkenning van mestvoerders, die de bepalingen van dit decreet overtreden of verzuimen na te leven, schorsen of intrekken.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot het indienen van een beroep tegen deze maatregel en met betrekking tot het verhalen van de kosten van dit beroep

 

§ 2

Voor elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen moet de erkende mestvoerder een mest-afzetdocument, waarvan de inhoud, de vorm en het gebruik door de Vlaamse Regering worden bepaald, opmaken.


[...]


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 3

Elk vervoer door een erkende mestvoerder moet vooraf, door de erkende mestvoerder, aan de Mestbank worden gemeld, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Behoudens uitdrukkelijke afmelding, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, door de erkende mestvoerder, moet elk gemeld transport ook effectief worden uitgevoerd.


Elk vervoer door een erkende mestvoerder moet uiterlijk de zevende dag volgend op de dag waarop het transport plaatsvond, nagemeld worden, door de erkende mestvoerder, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.


De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de melding, de afmelding en de namelding nadere regels vaststellen.


De Vlaamse Regering kan, in afwijking van deze paragraaf, bepalen dat in uitzonderlijke omstandigheden de melding, de namelding of de afmelding niet dient te gebeuren via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, en stelt nadere regels vast.

 

Voor elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen moet de erkend mestvoerder gebruik maken van een systeem van onlinepositiebepaling. De gegevens van het systeem van onlinepositiebepaling worden door de AGR-GPS-dienstverlener aan de Mestbank overgemaakt.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer betreffende de wijze waarop het systeem van onlinepositiebepaling gebruikt moet worden.

 

§ 4

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de controle van het vervoer.


Art. 49.

§ 1.

Artikel 48 is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen voor zover tegelijk aan de volgende voorwaarden voldaan wordt :

de oorsprong en de bestemming van het vervoer zijn gelegen binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
het vervoer gebeurt door een mestvoerder die noch door de Mestbank erkend is, noch in opdracht rijdt van een erkend mestvoerder; 
het vervoer behoort tot één van de volgende types :
a) het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een bepaalde exploitatie naar de landbouwgronden van dezelfde exploitatie of het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een bepaalde exploitatie naar landbouwgronden van een andere exploitatie op voorwaarde dat beide exploitaties deel uitmaken van hetzelfde bedrijf en dat bedrijf maximaal drie verschillende exploitaties heeft;
b) het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een exploitatie naar een opslag van een andere exploitatie, op voorwaarde dat beide exploitaties deel uitmaken van hetzelfde bedrijf en dit bedrijf maximaal drie verschillende exploitaties heeft;
c) het vervoer van dierlijke mest geproduceerd op een exploitatie gelegen in een bepaalde gemeente naar een andere exploitatie, die gelegen is in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente;
d) het vervoer van champost geproduceerd op een uitbating gelegen in een bepaalde gemeente naar een exploitatie die gelegen is in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente;
e) het vervoer van spuistroom geproduceerd op een exploitatie gelegen in een bepaalde gemeente naar een exploitatie die gelegen is in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente;
f) vervoer van dierlijke mest geproduceerd op een exploitatie gelegen in een bepaalde gemeente naar een verwerkingseenheid gelegen in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente, waarbij elk transport bij aankomst op de verwerkingseenheid gewogen wordt;
g) vervoer van effluent geproduceerd op een verwerkingseenheid gelegen in een bepaalde gemeente naar een exploitatie gelegen in dezelfde gemeente of in een aangrenzende gemeente, waarbij elk transport bij vertrek op de verwerkingseenheid gewogen wordt.

 

In de gevallen vermeld in het eerste lid, b), c), d), e), f), en g), dient tevens te worden voldaan aan de volgende voorwaarden :

het verhandelen van dierlijke mest of spuistroom heeft vooraf het voorwerp uitgemaakt van een schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken partijen. De Vlaamse Regering stelt de inhoud van die overeenkomst vast;
deze schriftelijke overeenkomst werd ten laatste één week voor het vervoer gemeld aan de Mestbank;
tijdens elk vervoer heeft de bestuurder van het transportmiddel een bewijs van verzending of overhandiging van de overeenkomst aan de Mestbank bij zich, dat op eenvoudig verzoek van de met toezicht belaste ambtenaar onmiddellijk wordt voorgelegd;
indien de overeenkomst niet of niet volledig wordt uitgevoerd, dient dit steeds te worden gemeld aan de Mestbank; 
het vervoer gebeurt door de aanbieder of de afnemer met een trekkend voertuig waarvan hij eigenaar is;
elk vervoer als vermeld in het eerste lid, f) en g), dat uitgevoerd wordt in het kader van de schriftelijke overeenkomst moet uiterlijk de dag voorafgaand aan het vervoer door de aanbieder of de afnemer aan de Mestbank gemeld worden.

 

In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan de Mestbank aan een aanbieder of afnemer die met toepassing van het eerste lid, 3°, a), b), c), d), e), f), en g), dierlijke mest of andere meststoffen vervoert of laat vervoeren en aan wie één of meerdere administratieve geldboetes of strafrechtelijke veroordelingen werden opgelegd wegens overtreding van één of meerdere bepalingen van dit decreet of aan wie na een doorlichting als vermeld in artikel 62, één of meerdere maatregelen opgelegd worden als vermeld in artikel 62, voor het vervoer van deze dierlijke mest of andere meststoffen de verplichting opleggen dit vervoer te laten uitvoeren door een erkende mestvoerder.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast en bepaalt de voorwaarden waaraan de weging, als vermeld in het eerste lid, 3°, f), en g), moet voldoen.

 

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het eerste lid, 3°, c) tot en met g), voor één of meerdere van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 3°, c) tot en met g), een ander afstandscriterium bepalen.

 

De Vlaamse Regering kan de types van vervoer als vermeld in het eerste lid, 3°, uitbreiden met het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een exploitatie naar een andere exploitatie en bepaalt de voorwaarden die nageleefd moeten worden opdat dit type van vervoer niet uitgevoerd moet worden door een erkende mestvoerder. Voor dit type van vervoer zijn de beide exploitaties gelegen in dezelfde gemeente of een aangrenzende gemeente, tenzij de Vlaamse Regering een ander afstandscriterium bepaalt. De Vlaamse Regering kan deze uitbreiding beperken tot bepaalde soorten dierlijke mest of andere meststoffen.


Art. 50.

§ 1.

Artikel 48 is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen voor zover tegelijk aan de volgende drie voorwaarden voldaan wordt :

  1. de oorsprong en de bestemming van het vervoer zijn gelegen binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
  2. het vervoer gebeurt door een mestvoerder die noch door de Mestbank erkend is, noch in opdracht rijdt van een erkend mestvoerder;
  3. het vervoer gebeurt met een transportmiddel waarvan het nuttig laadvermogen lager is dan 500 kg. De Vlaamse Regering kan een grenswaarde vaststellen voor wat betreft de maximale mest-hoeveelheid die op deze wijze jaarlijks per landbouwer mag worden afgevoerd of aangevoerd.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 2.

Artikel 48 is niet van toepassing op het vervoer van groencompost, gft-compost , gedroogde andere meststof afkomstig van een vergistingsinstallatie of bewerkte dierlijke producten die voldoen aan de microbiologische vereisten van verordening nr. 1069/2009 of gehygiėniseerde eindproducten afkomstig uit installaties die erkend zijn overeenkomstig verordening nr. 1069/2009 voor zover tegelijk aan de volgende vier voorwaarden voldaan wordt :

  1. de oorsprong en de bestemming van het vervoer zijn gelegen binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
  2. de meststoffen zijn bestemd om afgezet te worden in tuinen, parken of plantsoenen;
  3. het vervoer gebeurt door een mestvoerder die noch door de Mestbank erkend is, noch in opdracht rijdt van een erkend mestvoerder;
  4. het vervoer gebeurt met een transportmiddel waarvan het nuttig laadvermogen lager is dan 3 500 kg of het betreft enkel verpakte goederen die maximaal per 50 kg verpakt zijn. De Vlaamse Regering kan een grenswaarde vaststellen voor wat betreft de maximale mesthoeveelheid die op deze wijze jaarlijks per aanbieder mag worden afgevoerd of per afnemer mag worden aangevoerd.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.


Art. 51.

De Vlaamse Regering kan onder de door haar te bepalen voorwaarden voor het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen, afwijkingen toestaan op de bepalingen van artikel 48 voor zover tegelijk aan de volgende drie voorwaarden voldaan wordt :

  1. de oorsprong en de bestemming van het vervoer zijn gelegen binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
  2. het vervoer gebeurt door een erkend mestvoerder of in opdracht van een erkend mestvoerder;
  3. het vervoer behoort tot een van de types, vermeld in artikel 49, eerste lid, 3°.

Art. 52.

De Vlaamse Regering kan onder de door haar te bepalen voorwaarden, voor het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen, afwijkingen toestaan op de bepalingen van artikel 48 voor zover tegelijk aan de volgende twee voorwaarden voldaan wordt :

  1. het betreft uitvoer van dierlijke mest of andere meststoffen uit het Vlaamse Gewest, of invoer van dierlijke mest of andere meststoffen in het Vlaamse Gewest;
  2. het vervoer behoort tot een van de volgende twee types :
    1. de invoer of uitvoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een bepaald bedrijf naar landbouwgronden die behoren tot dat zelfde bedrijf;
    2. de invoer of uitvoer van dierlijke mest of andere meststoffen die valt onder het toepassingsgebied van de Verordening nr. 1013/2006. De Vlaamse Regering kan tevens een bedrag opleggen ter delging van de administratieve kosten die hiermee gepaard gaan.

Art. 53. De Vlaamse Regering kan door een met redenen omklede beslissing individuele of collectieve afwijkingen toestaan voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling in geval van algemene of bijzondere maatregelen die genomen zijn met toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 ter voorkoming en bestrijding van dierenziekten, voor het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest of delen ervan.

Art. 54.

De Mestbank kan het transport verbieden als zij vaststelt dat de dierlijke mest of andere meststoffen zullen worden afgezet of vervoerd in strijd met de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, van de verordening nr. 1069/2009, van de regelgeving van de plaats van bestemming voor wat betreft mesttransporten waarvan de plaats van bestemming buiten het Vlaamse Gewest is gelegen of van de Verordening nr. 1013/2006. Dit transportverbod wordt door de Mestbank ter kennis gebracht van de betrokken mestvoerder en wordt steeds gemotiveerd.

 

Als de Mestbank vermoedt dat op een bedrijf, mestverzamelpunt, bewerkingseenheid of verwerkingseenheid de bepalingen van dit decreet niet correct nageleefd worden of dat de meststoffen op een onoordeelkundige wijze gebruikt worden, kan ze opleggen dat elke aanvoer of afvoer van dierlijke mest of andere meststoffen naar dat bedrijf, mestverzamelpunt, bewerkingseenheid of verwerkingseenheid verboden is, behalve na voorafgaande en schriftelijke toestemming van de Mestbank.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen omtrent de wijze waarop dit transportverbod wordt opgelegd.


Het niet opleggen van een transportverbod door de Mestbank voor een bepaald transport van meststoffen, houdt geen bevestiging in van de Mestbank dat het transport wel overeenkomstig hoger genoemde bepalingen werd uitgevoerd. De mestvoerder is steeds gehouden de dierlijke mest of andere meststoffen te vervoeren en af te zetten overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, van de verordening nr. 1069/2009, van de regelgeving van de plaats van bestemming voor wat betreft mesttransporten waarvan de plaats van bestemming buiten het Vlaamse Gewest is gelegen of van de Verordening nr. 1013/2006.


Art. 55.

§ 1.

Invoer van dierlijke mest of andere meststoffen, die niet valt onder het toepassingsgebied van .

Verordening nr. 1013/2006, kan slechts gebeuren mits voorafgaande toestemming van de Mestbank.

 

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels aangaande deze voorafgaande toestemming vast. De Vlaamse Regering kan tevens een bedrag opleggen ter delging van de administratieve kosten die hiermee gepaard gaan.

 

§ 2.

Uitvoer van dierlijke mest of andere meststoffen, die niet valt onder het toepassingsgebied van Verordening nr. 1013/2006, kan door de Vlaamse Regering onderworpen worden aan de voorafgaande toestemming van de Mestbank.


Art. 56.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot het vervoer van meststoffen dat valt onder het toepassingsgebied van verordening nr. 1069/2009. De Vlaamse Regering kan bij het vaststellen van nadere regels afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk.


Art. 57. De Vlaamse Regering kan voor de afzet van mestoverschotten die uitsluitend bestaan uit een effluent na bewerking of verwerking van dierlijke mest, andere regels stellen op basis van de samenstelling van de dierlijke mest waarvan het effluent de bewerkingsrest of verwerkingsrest is.

Art. 58. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor het vervoer, de afzet en het gebruik van spuistroom en spuiwater.

Art. 59.

Op de documenten die het transport van meststoffen steeds moeten vergezellen, vermeld in deze afdeling, dient meegedeeld te worden hoeveel kilogram meststoffen er vervoerd worden en wat de stikstof- en fosforsamenstelling van de vervoerde meststoffen is.


Voor het bepalen van de stikstof- en fosforsamenstelling van meststoffen, zijn er verschillende mogelijkheden. Men kan gebruik maken van forfaitaire stikstof- en fosforsamenstellingcijfers. Men kan de analyseresultaten van een of meerdere mestanalyses, uitgevoerd door een krachtens artikel 61, § 7, erkend laboratorium, gebruiken.


In afwijking van het eerste lid kan, als de stikstof- en fosforsamenstelling van de meststoffen bepaald wordt op basis van een analyse van de betrokken meststoffen, uitgevoerd door een krachtens artikel 61, § 7, erkend laboratorium, waarvan de resultaten op het moment van het transport nog niet bekend waren, op het document dat altijd gevoegd is bij het transport van meststoffen, vermeld worden dat de stikstof- en fosforsamenstelling van de vervoerde meststoffen later meegedeeld wordt.


De Vlaamse Regering kan voor het bepalen van de samenstelling van meststoffen andere methodes voor het bepalen van de mestsamenstelling mogelijk maken. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de toepassing van dit artikel, met inbegrip van een regeling voor het bepalen van de forfaitaire samenstellingscijfers, en kan in bepaalde omstandigheden of voor bepaalde aanbieders of afnemers van meststoffen één of meerdere van hoger vermelde mogelijkheden voor het bepalen van de samenstelling van de vervoerde meststoffen, verplicht maken en kan hieraan extra voorwaarden verbinden. De Vlaamse Regering kan bepalen dat analyseresultaten die extreem afwijken van de forfaitaire samenstellingscijfers niet of slechts onder bepaalde voorwaarden gebruikt kunnen worden. De Vlaamse Regering kan de mogelijkheid voorzien om gebruik te maken van een bedrijfsforfaitaire mestsamenstelling en kan de nadere regels hieromtrent vaststellen.


Art. 60.

§ 1

In afwijking van artikel 48, kunnen aanbieders van bepaalde meststoffen, een aanvraag indienen bij de Mestbank, om voor het vervoer van bepaalde meststoffen geen beroep te moeten doen op een erkende mestvoerder.


Voor elk vervoer als vermeld in het eerste lid moet de aanbieder van de meststoffen een verzenddocument, waarvan de inhoud, de vorm en het gebruik door de Vlaamse Regering worden vastgesteld, opmaken.


Dit verzenddocument, dat bestaat uit drie luiken, dient het transport steeds te vergezellen. Elk luik moet door elk van de bij het vervoer betrokken partijen ondertekend worden. Uiterlijk zestig dagen na de datum van vervoer, moet een ondertekend luik van het verzenddocument aanwezig zijn bij elk van de drie bij het vervoer betrokken partijen, zijnde de aanbieder van de meststoffen, de afnemer van de meststoffen en de mestvoerder.

 

De regeling, vermeld in dit artikel, kan enkel gebruikt worden door aanbieders van meststoffen die daartoe door de Mestbank erkend zijn.

 

De Vlaamse Regering stelt de criteria en de voorwaarden voor de erkenning vast.

 

De Vlaamse Regering kan tevens een bedrag aan de aanvrager van de erkenning opleggen ter delging van de administratieve kosten.

 

De Mestbank kan de erkenning van aanbieders, die de bepalingen van dit decreet overtreden of verzuimen na te leven, schorsen of intrekken.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot het indienen van een beroep tegen deze maatregel en met betrekking tot het verhalen van de kosten van dit beroep. 


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, en bepaalt welke meststoffen niet vervoerd moeten worden door erkende mestvoerders.

 

§ 2

Elk vervoer als vermeld in § 1 moet vooraf, door de aanbieder van de meststoffen, aan de Mestbank worden gemeld, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Behoudens uitdrukkelijke afmelding, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, door de aanbieder van de meststoffen, moet elk gemeld transport ook effectief worden uitgevoerd.


Elk vervoer als vermeld in § 1 moet uiterlijk de zevende dag volgend op de dag waarop het transport plaatsvond, nagemeld worden, door de aanbieder van de meststoffen, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.


De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de melding, de afmelding en de namelding nadere regels vaststellen.

 

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van dit artikel, bepalen dat in uitzonderlijke omstandigheden de melding, de namelding of de afmelding niet dient te gebeuren via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, en stelt de nadere regels vast.


Hoofdstuk XII.
Handhaving


Afdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 60bis. [...]

Afdeling Ibis.
Toezicht


Art. 61.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van § 2, worden voor dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten het uitoefenen van toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, het onderzoeken van milieu-inbreuken, het opleggen van bestuurlijke geldboeten, het innen en invorderen van verschuldigde bedragen, het opsporen van milieumisdrijven, het strafrechtelijk bestraffen van milieumisdrijven en het opleggen van veiligheidsmaatregelen, uitgevoerd volgens de regels in hoofdstuk III, IV, V, Vbis, VI en VII van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 2.

In afwijking van wat in paragraaf 1 bepaald is, zijn de artikelen 16.3.22 tot en met 16.6.5 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid niet van toepassing op de personen die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 63.

 

§ 3.

De toezichthouders, die in uitvoering van artikel 16.3.9, § 2, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid aangewezen zijn om toezicht te houden op het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, zijn bevoegd om in geval van overtreding proces-verbaal met bewijswaarde tot het tegendeel bewezen is, op te stellen.

 

§ 4.

Als de in § 3 vermelde toezichthouders vaststellen dat dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten dreigt overtreden te worden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen.

 

§ 5.

Als de in § 3 vermelde toezichthouders bij de uitoefening van hun toezichtopdracht een overtreding op dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze overtreding te beėindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.

 

§ 6.

De in § 3 vermelde toezichthouders kunnen een bevel geven aan de vermoedelijke overtreder om maatregelen te nemen om de overtreding te beėindigen, de gevolgen ervan ongedaan te maken of herhaling te voorkomen.

 

§ 7.

Alle staalnames en analyses, die ter uitvoering van dit decreet verricht worden, moeten gebeuren door daartoe erkende laboratoria. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria en de manier waarop deze erkenning wordt aangevraagd, verleend en geheel of gedeeltelijk kan worden opgeheven of geschorst. De Vlaamse Regering kan ook een bedrag aan de aanvrager van de erkenning opleggen ter delging van de kosten.

 

§ 8.

De staalnames en de analyses in het kader van dit decreet moeten gebeuren overeenkomstig het door de Mestbank beheerde “methodenboek met bemonsterings- en analysemethodes voor meststoffen, bodem en diervoeders in het kader van het Mestdecreet”. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop de staalnames en de analyses, die ter uitvoering van dit decreet verricht worden, moeten uitgevoerd worden.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat een erkend laboratorium dat een staalname of een analyse uitvoert, in het kader van dit decreet, de Mestbank uiterlijk de werkdag voor de staalname of de analyse hiervan in kennis stelt via een door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie.


Art. 62.

§ 1

De Mestbank kan bij eenieder die activiteiten uitoefent die vallen onder het toepassingsgebied van dit decreet, een doorlichting uitvoeren.


De Mestbank kan bij de uitvoering van deze doorlichting maatregelen opleggen aan betrokkenen, onder meer om een betere opvolging te krijgen van de activiteiten van betrokkenen, om de meststoffen op een meer oordeelkundige manier te gebruiken of om de naleving van het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten te verzekeren.


De Mestbank kan de betrokkene uitnodigen om de voorlopige resultaten van de doorlichting en in voorkomend geval de voorgenomen maatregelen, te bespreken. De Mestbank beslist vervolgens, in voorkomend geval rekening houdend met de aspecten die tijdens de bespreking met betrokkene werden aangehaald, welke maatregelen worden opgelegd.

 

§ 2

Als de Mestbank, in het kader van een doorlichting, vermoedt dat de gegevens, vermeld op de aangifte, vermeld in artikel 23, of vermeld op de documenten, vermeld in hoofdstuk XI, die de aanvoer of afvoer naar de betreffende exploitatie of uitbating regelen, niet correct zijn, kan ze de betrokkene hiermee confronteren en extra stavingsstukken en gegevens vragen bij de betrokkene of bij derden die over nuttige gegevens beschikken.


De Mestbank kan, op basis van al de bekomen gegevens, de aangiftegegevens, zoals onder meer de gemiddelde veebezetting, of de gegevens, vermeld op de documenten, vermeld in hoofdstuk XI, die de aanvoer of afvoer naar de betreffende exploitatie of uitbating regelen, corrigeren.

 

§ 3

Als de Mestbank, in het kader van een doorlichting, vermoedt dat voor een exploitatie of een uitbating, in de aangifte, vermeld in artikel 23, of op een van de documenten, vermeld in hoofdstuk XI, die de aanvoer of afvoer naar de betreffende exploitatie of uitbating regelen, een mestsamenstelling wordt vermeld die niet representatief is, kan de Mestbank een andere mestsamenstelling opleggen voor één of meerdere van de volgende gevallen:

voor toepassing in de aangifte, vermeld in artikel 23;
voor toepassing op alle of bepaalde van de documenten, vermeld in hoofdstuk XI, die de aanvoer of afvoer naar de betreffende exploitatie of uitbating regelen. Deze andere mestsamenstelling kan enkel naar de toekomst uitwerking hebben;
voor de gehele of gedeeltelijke herrekening van de aanvoer of de afvoer.

 

§ 4

Als de Mestbank, in het kader van een doorlichting, op basis van de gegevens, vermeld op de documenten, vermeld in hoofdstuk XI, vaststelt dat er vanuit een bepaalde exploitatie of uitbating voor een bepaalde mestsoort meer afvoer is van deze mestsoort dan er op basis van de gegevens uit de aangifte, vermeld in artikel 23, en uit de documenten, vermeld in hoofdstuk XI, aanwezig is op deze exploitatie of uitbating, dan kan de afvoer van deze mestsoort voor de betreffende exploitatie of uitbating beperkt worden tot de hoeveelheid die op deze exploitatie of uitbating aanwezig was.


Voor het bepalen van de hoeveelheid die van een bepaalde mestsoort op een exploitatie of uitbating aanwezig was, wordt rekening gehouden met de hoeveelheden van deze mestsoort die, op basis van de gegevens uit de aangifte, vermeld in artikel 23, en uit de documenten, vermeld in hoofdstuk XI, in voorkomend geval na aanpassing van de gegevens overeenkomstig paragraaf 3 of 4, naar de betrokken exploitatie of uitbating aangevoerd werden en op de betrokken exploitatie of uitbating geproduceerd of opgeslagen werden.

 

§ 5

De Mestbank kan een bijkomende mestverwerkingsplicht opleggen, aan het bedrijf waarvoor in het kader van een doorlichting is gebleken dat in de aangifte, vermeld in artikel 23, een te lage gemiddelde veebezetting is vermeld. De bijkomende mestverwerkingsplicht is van toepassing in het jaar volgend op het jaar waarin het bedrijf een administratieve geldboete, vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, heeft gekregen, die onder meer het gevolg was van het vermelden van een te lage gemiddelde veebezetting in de aangifte.


Als er een bijkomende mestverwerkingsplicht opgelegd wordt, moet het bedrijf 125 % verwerken van de netto dierlijke stikstofproductie die niet aangegeven werd.


Om aan deze bijkomende mestverwerkingsplicht te voldoen, moet het bedrijf mestverwerkingscertificaten verkrijgen. Deze mestverwerkingscertificaten zijn afgeleverd voor mest die in dat productiejaar verwerkt werd. De verwerking moet gebeuren met dierlijke mest, geproduceerd op het eigen bedrijf, tenzij de volledige bedrijfseigen productie reeds verwerkt wordt. In voorkomend geval mag de verwerking betrekking hebben op dierlijke mest afkomstig van een ander bedrijf.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 6

Als een bedrijf, na een doorlichting, een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, opgelegd heeft gekregen, en binnen de vijf jaar na de oplegging van deze boete, na een nieuwe doorlichting, terug een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, opgelegd krijgt voor haar activiteiten in een ander jaar, kunnen één of meerdere van de volgende maatregelen opgelegd worden:

een gehele of gedeeltelijke reductie van de nutriėntenemissierechten waarover de betrokken landbouwer beschikt;
een gehele of gedeeltelijke reductie van de hoeveelheid nutriėnten die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.


De reducties, vermeld in het eerste lid, zijn hetzij tijdelijk, voor één of meerdere kalenderjaren, hetzij permanent. De hoogte van de reducties, de keuze om één van beide of beide reducties tegelijk op te leggen, en de beslissing aangaande het permanente of tijdelijke karakter van de reducties, gebeurt proportioneel, rekening houdend met de ernst van de betreffende inbreuken als vermeld in het eerste lid.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 7

De betrokkene wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van het opleggen van maatregelen als vermeld in paragraaf 1, van het corrigeren van de gegevens als vermeld in paragraaf 2, van het opleggen van een andere mestsamenstelling als vermeld in paragraaf 3, van het opleggen van een beperking van de afvoer als vermeld in paragraaf 4, van het opleggen van een bijkomende mestverwerking als vermeld in paragraaf 5, en van het opleggen van een reductie, vermeld in paragraaf 6.

Binnen een termijn van dertig kalenderdagen, vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief, vermeld in het eerste lid, aan de postdiensten werd overhandigd, kan de betrokkene per aangetekend schrijven, bezwaar indienen. Dit bezwaar is gericht aan de ambtenaren, vermeld in artikel 67, § 1.


De behandeling van dit bezwaar gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, § 2 en § 3.


De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

§ 8.

De Vlaamse Regering kan een regeling uitwerken zodat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf of een uitbating, waaraan maatregelen, vermeld in paragraaf 1, een bijkomende mestverwerkingsplicht, vermeld in paragraaf 5, of een reductie, vermeld in paragraaf 6, zijn opgelegd, deze maatregelen, bijkomende mestverwerkingsplicht of reducties, ofwel aan beide bedrijven of uitbatingen toegekend worden, ofwel verdeeld worden tussen beide bedrijven of uitbatingen.

 

§ 9.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.


Afdeling II.
De administratieve geldboeten


Art. 62bis.

§ 1.

De Mestbank gaat in het kader van een doorlichting, vermeld in artikel 62, na of de betrokkene de nutriėnten uitgedrukt in werkzame stikstof, stikstof uit dierlijke mest en fosfaat, heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.


Ze houdt hierbij, in voorkomend geval, rekening met de toepassing van een correctie, een andere mestsamenstelling, een beperking van de afvoer, een bijkomende mestverwerking of een reductie als vermeld in artikel 62.

 

§ 2.

Voor een landbouwer wordt de hoeveelheid werkzame stikstof die niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend door de som te maken van de netto dierlijke mest, uitgedrukt in kg werkzame N als vermeld in paragraaf 3, de netto andere meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N als vermeld in paragraaf 8, en de netto kunstmest, uitgedrukt in kg werkzame N. Deze som wordt vervolgens verminderd met de afzetmogelijkheid op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg werkzame N.


De netto kunstmest, uitgedrukt in kg werkzame N als vermeld in het eerste lid, is de hoeveelheid kunstmest, uitgedrukt in kg N, die de landbouwer op basis van zijn aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat productiejaar, gebruikt heeft.


De afzetmogelijkheid op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg werkzame N als vermeld in het eerste lid, is de hoeveelheid werkzame N die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat productiejaar op de oppervlakte landbouwgronden van het bedrijf, mocht worden opgebracht, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. Hierbij wordt eveneens rekening gehouden met beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken.

 

§ 3.

Voor het berekenen van de netto dierlijke mest, uitgedrukt in kg werkzame N, worden eerst de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N als vermeld in paragraaf 4, de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N als vermeld in paragraaf 5, de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N als vermeld in paragraaf 6, en de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N als vermeld in paragraaf 7, bepaald.


Als de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N en de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, allen een positief getal zijn, bedraagt de netto dierlijke mest, uitgedrukt in kg werkzame N, de som van de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, vermenigvuldigd met 100 %, de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, vermenigvuldigd met 60 %, de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, vermenigvuldigd met 30 % en de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, vermenigvuldigd met 20 %.


Als de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N of de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, een negatief getal is, en de som van deze vier getallen, eveneens een negatief getal is, dan bedraagt de netto dierlijke mest nul.


Als de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N of de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, een negatief getal is, terwijl de som van deze vier getallen, een positief getal is, dan wordt eerst het negatieve getal of de negatieve getallen verrekend. De verrekening gebeurt als volgt:

als de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, negatief is, dan wordt dit getal eerst in mindering gebracht op de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N. Als het resultaat negatief is, dan wordt het resultaat vervolgens in mindering gebracht op de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N. Als het resultaat nog steeds negatief is, dan wordt het resultaat ten slotte in mindering gebracht op de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N;
als de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, negatief is, dan wordt dit getal eerst in mindering gebracht op de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N. Als het resultaat negatief is, dan wordt het resultaat vervolgens in mindering gebracht op de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N. Als het resultaat nog steeds negatief is, dan wordt het resultaat ten slotte in mindering gebracht op de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N;
als de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, negatief is, dan wordt dit getal eerst in mindering gebracht op de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N. Als het resultaat negatief is, dan wordt het resultaat vervolgens in mindering gebracht op de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N. Als het resultaat nog steeds negatief is, dan wordt het resultaat ten slotte in mindering gebracht op de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N;
als de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, negatief is, dan wordt dit getal eerst in mindering gebracht op de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N. Als het resultaat negatief is, dan wordt het resultaat vervolgens in mindering gebracht op de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N. Als het resultaat nog steeds negatief is, dan wordt het resultaat ten slotte in mindering gebracht op de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N.

 

Na verrekening van de negatieve getallen wordt er vervolgens omgerekend naar werkzame stikstof. Dit gebeurt door het resterende getal of de resterende getallen te vermenigvuldigen met de overeenkomstige percentages aan werkzame stikstof, zijnde 20 % voor de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, 30 % voor de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, 60 % voor de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, en 100 % voor de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest. Het resultaat van deze vermenigvuldiging of van deze vermenigvuldigingen wordt vervolgens opgeteld en dit resultaat is de netto dierlijke mest, uitgedrukt in kg werkzame N.

 

§ 4.

De netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, worden berekend overeenkomstig deze paragraaf.

 

De netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de som van de netto geproduceerde effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto aangevoerde effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N en het opslagverschil effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N.


De netto geproduceerde effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, is de hoeveelheid effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, die overeenkomstig de aangifte, vermeld in artikel 23, op het bedrijf werd geproduceerd door het bewerken of verwerken van dierlijke mest.


De netto aangevoerde effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de totale aanvoer van effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N, via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer van effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N, via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60.


Het opslagverschil van effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest is de hoeveelheid effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende
productiejaar.

 

§ 5.

De netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, wordt berekend overeenkomstig deze paragraaf.

 

De netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de som van de netto geproduceerde vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto aangevoerde vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N en het opslagverschil vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N.


De netto geproduceerde vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, is de som van de geproduceerde vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, van elk van de diercategorieėn, vermeld in artikel 27, § 1, waarvan de betrokken landbouwer in het betrokken jaar dieren heeft gehouden.


De geproduceerde vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, van een diercategorie, wordt berekend door de geproduceerde dierlijke mest in stallen, uitgedrukt in kg N, van de betrokken diercategorie te vermenigvuldigen met het percentage van deze productie dat overeenkomstig de gegevens, vermeld in de aangifte als vermeld in artikel 23, gebeurd is onder de vorm van vloeibare dierlijke mest.


De netto aangevoerde vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de totale aanvoer van vloeibare dierlijke mest andere dan effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N, via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer van vloeibare dierlijke mest andere dan effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N, hetzij via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60 hetzij via het verwerken in dat productiejaar van vloeibare dierlijke mest andere dan effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest op het eigen bedrijf, vermeld in artikel 29 en volgende, en eveneens verminderd met de hoeveelheid vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, bekomen na het bewerken van vloeibare dierlijke mest andere dan effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest op het eigen bedrijf als vermeld op de aangifte, vermeld in artikel 23.


Het opslagverschil van vloeibare dierlijke mest andere dan mestverwerkings-effluenten is de hoeveelheid vloeibare dierlijke mest andere dan effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid vloeibare dierlijke mest andere dan effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar.

 

De geproduceerde dierlijke mest in stallen, uitgedrukt in kg N, van een diercategorie, wordt berekend door eerst de gemiddelde veebezetting van de betrokken diercategorie in het betrokken jaar te vermenigvuldigen met de overeenkomstige productie per dier, als vermeld in artikel 26 of 27, en met het percentage van de tijd dat de dieren van de betrokken diercategorie in het betrokken jaar in een stal hebben doorgebracht. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt vervolgens verminderd met de stikstofverliezen bepaald overeenkomstig artikel 27, § 5.

 

§ 6.

De netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, wordt berekend overeenkomstig deze paragraaf.

 

De netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de som van de netto geproduceerde vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto aangevoerde vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N en het opslagverschil vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N.


De netto geproduceerde vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, is de som van de geproduceerde vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, van elk van de diercategorieėn, vermeld in artikel 27, § 1, waarvan de betrokken landbouwer in het betrokken jaar dieren heeft gehouden.


De geproduceerde vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, van een diercategorie, wordt berekend door de geproduceerde dierlijke mest in stallen, uitgedrukt in kg N, van de betrokken diercategorie te vermenigvuldigen met het percentage van deze productie dat overeenkomstig de gegevens, vermeld in de aangifte als vermeld in artikel 23, gebeurd is onder de vorm van vaste dierlijke mest.


De netto aangevoerde vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de totale aanvoer van vaste dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N, via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, vermeerderd met de hoeveelheid vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, bekomen na het bewerken van vloeibare dierlijke mest op het eigen bedrijf als vermeld op de aangifte vermeld in artikel 23, en verminderd met de totale afvoer van vaste dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N, hetzij via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60 hetzij via het verwerken in dat productiejaar van vaste dierlijke mest op het eigen bedrijf, vermeld in artikel 29 en volgende.


Het opslagverschil van vaste dierlijke mest is de hoeveelheid vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar.

 

De geproduceerde dierlijke mest in stallen, uitgedrukt in kg N, van een diercategorie, wordt berekend door eerst de gemiddelde veebezetting van de betrokken diercategorie in het betrokken jaar te vermenigvuldigen met de overeenkomstige productie per dier, als vermeld in artikel 26 of 27, en met het percentage van de tijd dat de dieren van de betrokken diercategorie in het betrokken jaar in een stal hebben doorgebracht. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt vervolgens verminderd met de stikstofverliezen bepaald overeenkomstig artikel 27, § 5.

 

§ 7.

De netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, wordt berekend overeenkomstig deze paragraaf.


De netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N is de som van de netto geproduceerde bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N en de netto aangevoerde bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N.


De netto geproduceerde bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, is de som van de geproduceerde bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, van elk van de diercategorieėn, vermeld in artikel 27, § 1, waarvan de betrokken landbouwer in het betrokken jaar dieren heeft gehouden.


De geproduceerde bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, van een diercategorie, wordt berekend door de gemiddelde veebezetting van de betrokken diercategorie in het betrokken jaar te vermenigvuldigen met het overeenkomstige uitscheidingscijfer, in voorkomend geval verminderd met de overeenkomstige stikstofverliezen bepaald overeenkomstig artikel 27, § 5, en met het percentage van de tijd dat de dieren van de betrokken diercategorie in het betrokken jaar grazend hebben doorgebracht, overeenkomstig de aangifte als vermeld in artikel 23.


De netto aangevoerde bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N, is de ontvangen dierlijke mest door inscharingscontracten als vermeld in artikel 47, § 1, tweede lid, verminderd met de afgevoerde dierlijke mest door inscharingscontracten als vermeld in artikel 47, § 1, tweede lid.

[...]

 

§ 8.

De netto andere meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N, worden berekend overeenkomstig deze paragraaf.


De netto andere meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N, de netto effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de som van de netto rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N, de netto effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, de netto gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg werkzame N, de netto effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N en de netto traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N, de netto effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N.


Rest andere meststoffen zijn alle andere meststoffen met uitzondering van gecertificeerde gft- en groencompost en met uitzondering van traagwerkende andere meststoffen.


De netto rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N, wordt berekend door de bruto rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg N te vermenigvuldigen met 60 %. Dit getal is minstens nul.


De bruto rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg N is de som van de netto-aanvoer van rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg N, en van het opslagverschil van rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg N.


De nettoaanvoer van rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg N is de totale aanvoer van rest andere meststoffen in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, vermeerderd met de productie van andere meststoffen op het bedrijf, overeenkomstig de aangifte als vermeld in artikel 23 verminderd met de totale afvoer van rest andere meststoffen in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N hetzij via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, hetzij via het verwerken in dat productiejaar van rest andere meststoffen op het eigen bedrijf als vermeld in artikel 29 en volgende.


Het opslagverschil van rest andere meststoffen is de hoeveelheid rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid rest andere meststoffen, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar.


De netto gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg werkzame N, wordt berekend door de bruto gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg N te vermenigvuldigen met 15 %. Dit getal is minstens nul.


De bruto gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg N is de som van de nettoaanvoer van gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg N, en van het opslagverschil van gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg N.


De nettoaanvoer van gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg N is de totale aanvoer van gecertificeerde gft- en groencompost in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer van gecertificeerde gft- en groencompost in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N hetzij via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, hetzij via het verwerken in dat productiejaar van gecertificeerde gft- en groencompost op het eigen bedrijf als vermeld in artikel 29 en volgende.


Het opslagverschil van gecertificeerde gft- en groencompost is de hoeveelheid gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar.


De netto traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg werkzame N, wordt berekend door de bruto traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg N te vermenigvuldigen met 30 %. Dit getal is minstens nul.


De bruto traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg N is de som van de nettoaanvoer van traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg N, en van het opslagverschil van traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg N.


De nettoaanvoer van traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg N is de totale aanvoer van traagwerkende andere meststoffen in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N via documenten als vermeld in artikel 47 tot en met 60, vermeerderd met de productie van andere meststoffen op het bedrijf, overeenkomstig de aangifte als vermeld in artikel 23, verminderd met de totale afvoer van traagwerkende andere meststoffen in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N hetzij via documenten als vermeld in artikel 47 tot en met 60, hetzij via het verwerken in dat productiejaar van traagwerkende andere meststoffen op het eigen bedrijf als vermeld in artikel 29 en volgende.


Het opslagverschil van traagwerkende andere meststoffen is de hoeveelheid traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid traagwerkende andere meststoffen, uitgedrukt in kg N die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar.

 

De netto effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de som van de netto aangevoerde effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N en het opslagverschil van effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N.


De netto aangevoerde effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N is de totale aanvoer van effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N, via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer van effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest in dat productiejaar, uitgedrukt in kg N, via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60.


Het opslagverschil van effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest is de hoeveelheid effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die op het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid effluenten die niet afkomstig zijn van dierlijke mest, uitgedrukt in kg N die op het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar.

 

§ 9.

Het aantal kg stikstof uit dierlijke mest die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet is de som van de netto effluenten die afkomstig zijn van dierlijke mest als vermeld in paragraaf 4, de netto vloeibare dierlijke mest, uitgedrukt in kg N als vermeld in paragraaf 5, de netto vaste dierlijke mest, uitgedrukt in kg N als vermeld in paragraaf 6, en de netto bemesting door begrazing van vee, uitgedrukt in kg N als vermeld in paragraaf 7, verminderd met de afzetmogelijkheid van dierlijke mest op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg N.


De afzetmogelijkheid van dierlijke mest op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg N, is de hoeveelheid N uit dierlijke mest, die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat productiejaar op de oppervlakte landbouwgronden van het bedrijf, mocht worden opgebracht, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. Hierbij wordt eveneens rekening gehouden met beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken.

 

§ 10.

Het aantal kg P2O5 die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, is de som van de dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg P2O5, de nettoaanvoer van dierlijke mest en andere meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, de gebruikte hoeveelheid kunstmest, uitgedrukt in kg P2O5, het opslagverschil van dierlijke mest, uitgedrukt in kg P2O5, en het opslagverschil van andere meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, verminderd met de afzetmogelijkheid op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg P2O5.


Als een landbouwer gecertificeerde gft- en groencompost gebruikt, wordt het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, verminderd met de helft van het nettogebruik van gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg P2O5. Het nettogebruik van gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg P2O5, is de som van de totale aanvoer in dat productiejaar van gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg P2O5 via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer in dat productiejaar van gecertificeerde gften groencompost, uitgedrukt in kg P2O5 via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, vermeerderd met de hoeveelheid gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg P2O5, die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar en verminderd met de hoeveelheid gecertificeerde gft- en groencompost, uitgedrukt in kg P2O5, die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar. Dit getal is minstens nul.


Als een landbouwer stalmest of boerderijcompost gebruikt, wordt het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval na een vermindering als vermeld in het tweede lid, verminderd met de helft van het netto-gebruik van stalmest en boerderijcompost, uitgedrukt in kg P2O5. Het nettogebruik van stalmest en boerderijcompost, uitgedrukt in kg P2O5, is de som van de totale productie van stalmest en boerderijcompost, op het eigen bedrijf, overeenkomstig de gegevens van de aangifte als vermeld in artikel 23, de totale aanvoer in dat productiejaar van stalmest en boerderijcompost, uitgedrukt in kg P2O5, via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer van stalmest en boerderijcompost in dat productiejaar, uitgedrukt in kg P2O5 via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, vermeerderd met de hoeveelheid stalmest en boerderijcompost, uitgedrukt in kg P2O5, die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar en verminderd met de hoeveelheid stalmest en boerderijcompost uitgedrukt in kg P2O5, die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar. Dit getal is minstens nul en maximaal gelijk aan het aantal kg P2O5 die overeenkomstig de bepalingen van dit decreet op basis van de gegevens in de verzamelaanvraag voor dat productiejaar mocht worden opgebracht, op de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden, die overeenkomstig artikel 13, § 3, als klasse I of klasse II ingedeeld zijn.


Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

de berekende dierlijke mestproductie, uitgedrukt in kg P2O5: de in dat productiejaar, op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, berekend overeenkomstig artikel 28;
nettoaanvoer van dierlijke mest en andere meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5: de totale aanvoer van dierlijke mest en andere meststoffen in dat productiejaar, uitgedrukt in kg P2O5 via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, verminderd met de totale afvoer van dierlijke mest en andere meststoffen in dat productiejaar uitgedrukt in kg P2O5 hetzij via documenten als vermeld in de artikelen 47 tot en met 60, hetzij via het verwerken in dat productiejaar van dierlijke mest en andere meststoffen op het eigen bedrijf als vermeld in artikel 29 en volgende;
het opslagverschil van dierlijke mest: de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg P2O5 die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg P2O5 die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar;
het opslagverschil van andere meststoffen: de hoeveelheid andere meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5 die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van dat productiejaar verminderd met de hoeveelheid andere meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5 die in het bedrijf gestockeerd was op 1 januari van het volgende productiejaar;
de gebruikte hoeveelheid kunstmest, uitgedrukt in kg P2O5: de hoeveelheid kunstmest, uitgedrukt in kg P2O5, die de landbouwer op basis van zijn aangifte als vermeld in artikel 23, voor dat productiejaar, gebruikt heeft;
afzetmogelijkheid op eigen landbouwgronden, uitgedrukt in kg P2O5: de hoeveelheid P2O5 die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat productiejaar op de oppervlakte landbouwgronden van het bedrijf, mocht worden opgebracht, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. Hierbij wordt eveneens rekening gehouden met beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken.

 

§ 11.

Het aantal nutriėnten dat een landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, is de som van:



 
het aantal kg stikstof dat niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. Dit getal is minstens nul. Dit aantal is het hoogste van twee aantallen, zijnde:
a) het aantal kg werkzame stikstof die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig paragraaf 2, eerste lid;
b) het aantal kg stikstof uit dierlijke mest die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig paragraaf 9;
het aantal kg P2O5 die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig paragraaf 10. Dit getal is minstens nul.

 

§ 12.

Als de doorlichting betrekking heeft op een persoon die geen landbouwer is, wordt het aantal nutriėnten, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, bepaald die niet zijn afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.


Voor de berekening van het aantal nutriėnten, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die niet zijn afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, zijn de bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 11, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

voor een producent, verdeler, importeur of exporteur van andere meststoffen, ook de hoeveelheid geproduceerde, verdeelde, geļmporteerde of geėxporteerde, andere meststoffen in rekening worden gebracht;
voor een uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, ook de hoeveelheid bewerkte of verwerkte meststoffen in rekening worden gebracht;
voor een producent, verdeler, importeur of exporteur van kunstmest, ook de hoeveelheid geproduceerde, verdeelde, geļmporteerde of geėxporteerde, kunstmest in rekening wordt gebracht.

Art. 62ter.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de personen, vermeld in artikel 61, § 2.


Art. 63.

§ 1

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt een administratieve geldboete opgelegd aan elke landbouwer, die de nutriėnten niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.


Het aantal nutriėnten dat niet is afgezet overeenkomstig dit decreet, is de som van het aantal kg stikstof dat niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet als vermeld in artikel 62bis, § 11, 1°, en het aantal kg P2O5 die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet als vermeld in artikel 62bis, § 11, 2°.


De hoogte van de administratieve geldboete verschilt naargelang de soort mest die niet correct is afgezet. De administratieve geldboete bedraagt:

5 euro voor elke op het bedrijf geproduceerde kg P2O5 of N uit rundermengmest die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
2 euro voor elke op het bedrijf geproduceerde kg P2O5 of N uit rundermest andere dan rundermengmest die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
3 euro voor elke op het bedrijf geproduceerde kg P2O5 of N uit varkensmest die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
0,4 euro voor elke op het bedrijf geproduceerde kg P2O5 of N uit pluimveemest die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
2,5 euro voor elke op het bedrijf geproduceerde kg P2O5 of N, andere dan deze vermeld onder 1° tot en met 4°, die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;

2 euro voor elke niet op het bedrijf geproduceerde kg P2O5 of N, die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.


Als uit de doorlichting niet duidelijk is geworden, welke soort mest als vermeld in het derde lid, niet afgezet is overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, wordt het gedeelte van het aantal kg stikstof dat niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet als vermeld in artikel 62bis, § 11, 1°, en het gedeelte van het aantal kg P2O5 die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet als vermeld in artikel 62bis, § 11, 2°, waarvoor niet duidelijk is op welke soort mest als vermeld in het derde lid, het betrekking heeft, toegewezen aan een of meerdere van de soorten mest als vermeld in het derde lid.


Voor het toewijzen aan een soort mest als vermeld in het derde lid, wordt voor elke mestsoort, vermeld in het derde lid, 1° tot en met 5°, een balans gemaakt, voor respectievelijk N en P2O5, door de berekende dierlijke mestproductie, uitgedrukt respectievelijk in kg P2O5 en in kg N, van deze mestsoort, te vermeerderen met het opslagverschil, uitgedrukt respectievelijk in kg P2O5 en in kg N, van deze mestsoort en de nettoaanvoer van deze mestsoort, uitgedrukt respectievelijk in kg P2O5 en in kg N, met dien verstande dat de nettoaanvoer maximaal nul is. Men bekomt zo twee rundermengmestbalansen, twee rundermest-andere dan mengmestbalansen, twee varkensmestbalansen, twee pluimveemestbalansen en twee andere-mestbalansen, die uitgedrukt zijn respectievelijk in kg P2O5 en in kg N. Als het resultaat van een balans lager is dan nul, wordt het tot nul herleid. Het opslagverschil en de nettoaanvoer worden bepaald conform artikel 62bis.


Het gedeelte van het aantal kg stikstof dat niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet als vermeld in artikel 62bis, § 11, 1°, en het gedeelte van het aantal kg P2O5 die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet als vermeld in artikel 62bis, § 11, 2°, waarvoor niet duidelijk is op welke soort mest als vermeld in het derde lid, het betrekking heeft, wordt in de volgende volgorde, aan een of meerdere van de soorten mest als vermeld in het derde lid, toegewezen:

eerst aan de mestsoort, vermeld in het derde lid, 1°, voor het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de rundermengmestbalans. In voorkomend geval wordt het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de rundermengmestbalans verminderd met het aantal kg rundermengmest, uitgedrukt in kg P2O5 respectievelijk kg N, waarvan bij de doorlichting al was gebleken dat deze niet correct was afgezet;
dan aan de mestsoort, vermeld in het derde lid, 3°, voor het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de varkensmestbalans. In voorkomend geval wordt het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de varkensmestbalans verminderd met het aantal kg varkensmest, uitgedrukt in kg P2O5 respectievelijk kg N, waarvan bij de doorlichting al was gebleken dat deze niet correct was afgezet;
daarna aan de mestsoort, vermeld in het derde lid, 5°, voor het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de andere-mestbalans. In voorkomend geval wordt het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de andere-mestbalans verminderd met het aantal kg mest, andere dan deze vermeld in het derde lid, 1° tot en met 4°, uitgedrukt in kg P2O5 respectievelijk kg N, waarvan bij de doorlichting al was gebleken dat deze niet correct was afgezet;
vervolgens aan de mestsoort, vermeld in het derde lid, 2°, voor het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de rundermest-andere dan mengmestbalans. In voorkomend geval wordt het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de rundermest-andere dan mengmestbalans verminderd met het aantal kg rundermest-andere dan mengmest, uitgedrukt in kg P2O5 respectievelijk kg N, waarvan bij de doorlichting al was gebleken dat deze niet correct was afgezet;
ten slotte aan de mestsoort, vermeld in het derde lid, 5°, voor het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de pluimveemestbalans. In voorkomend geval wordt het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N, dat het resultaat is van de pluimveemestbalans verminderd met het aantal kg pluimveemest, uitgedrukt in kg P2O5 respectievelijk kg N, waarvan bij de doorlichting al was gebleken dat deze niet correct was afgezet.


Als na de toewijzing, vermeld in het zesde lid, 5°, het aantal nutriėnten dat niet is afgezet overeenkomstig dit decreet als vermeld in het tweede lid, nog niet volledig is toegewezen aan één of meerdere mestsoorten als vermeld in het derde lid, wordt het aantal kg P2O5 respectievelijk kg N dat nog niet is toegewezen, toegewezen aan de mestsoort, vermeld in het derde lid, 6°.


Bij herhaling van een overtreding binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, wordt het bedrag van de administratieve geldboete, berekend overeenkomstig deze paragraaf, verdubbeld.

 

§ 2

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt aan elke landbouwer die op zijn bedrijf op jaarbasis gemiddeld meer dieren houdt dan de toegekende nutriėntenemissierechten en tijdelijke nutriėntenemissierechten op jaarbasis voor die diersoort gemiddeld toelaten te houden, een administratieve geldboete opgelegd voor de dieren waarvoor de landbouwer niet beschikt over nutriėntenemissierechten.


De administratieve geldboete wordt berekend volgens de volgende formule:
NER-D2 – NER-D1 x 1 euro = AGNER-D1;
waarbij:
NER-D2 = de som van de producten van het aantal gehouden dieren per diercategorie vermenigvuldigd met de waarden NER-D en TNER-D per diercategorie van de tabel voorzien in artikel 30, § 3;
NER-D1 = de som van de aan de landbouwer op basis van de artikelen 30, 32, 34 en 36 toegekende NER-D en TNER-D verminderd met de som van de overeenkomstig de artikelen 29, 31, 34, 37, 40, 47 en 62, geannuleerde of gereduceerde nutriėntenemissierechten;
AGNER-D1 = de administratieve geldboete.
Bij herhaling van een overtreding als vermeld in het eerste lid binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, bedraagt de administratieve geldboete:
NER-D2 - NER-D1 x 2 euro = AGNER-D2;
AGNER-D2 = de administratieve geldboete voor een tweede of volgende overtreding.

De landbouwer kan opschorting van inning van de geldboete vragen, volgens de procedure als vermeld in de artikelen 67 en 68. Hiertoe dient hij zich te verbinden om, ten einde de bedrijfsbalans over een periode van twee jaar in evenwicht te brengen, in het daaropvolgende productiejaar de te houden veestapel te verminderen zodanig dat over de twee productiejaren heen de overschreden nutriėntenemissierechten gecompenseerd zijn. De geldboete blijft in dit geval opgeschort totdat door de Mestbank is nagegaan of aan deze verbintenis is voldaan.


In geval aan deze verbintenis niet blijkt voldaan te zijn, is de administratieve geldboete AGNER-D2 op grond van de NER-D waarmee over de periode van de twee opeenvolgende productiejaren heen bekeken, de nutriėntenemissierechten zijn overschreden. Bovendien kan de landbouwer de procedure van de opschorting van de betaling van de geldboete zoals bedoeld in het vierde lid niet meer aanvragen voor het productiejaar waarvoor hij zich had verbonden de veestapel te verminderen.


In geval aan deze verbintenis wel blijkt voldaan te zijn, wordt de vastgestelde boete definitief kwijtgescholden.


Bij herhaling van een overtreding als vermeld in het eerste lid binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, houdt men echter rekening met de definitief kwijtgescholden boete, en bedraagt de administratieve geldboete bijgevolg AGNER-D2.

 

§ 3

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt aan het bedrijf dat niet voldoet aan de mestverwerkingplicht, vermeld in artikel 29, aan de verwerking van de 25 % nutriėntenemissierechten als vermeld in artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, of aan de bijkomende mestverwerkingsplicht, vermeld in artikel 62, § 5, een administratieve geldboete opgelegd.


Deze administratieve geldboete bedraagt 2 euro per kg stikstof, die niet is verwerkt overeenkomstig artikel 29.


Bij de vaststelling van een tweede en volgende overtreding, binnen de vijf jaren na het jaar waarin een eerdere overtreding werd begaan als vermeld in het eerste lid, bedraagt de administratieve geldboete 4 euro per kg stikstof.

 

§ 4

Lastens de producent, verdeler, importeur of exporteur van andere meststoffen, de uitbater van een mestverzamelpunt, een bewerkings- of een verwerkingseenheid, de erkende mestvoerder of de producent, verdeler, importeur of exporteur van kunstmest, die de door hen geproduceerde, verhandelde of overgedragen meststoffen niet afgezet of geėxporteerd hebben overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt een administratieve geldboete opgelegd van 5 euro per kg N en 5 euro per kg P2O5, waarvan op basis van de berekening, opgemaakt overeenkomstig artikel 62bis, § 12, niet blijkt dat deze afgezet is overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.


Bij herhaling van een overtreding binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, wordt de administratieve geldboete berekend overeenkomstig de voorgaande leden, verdubbeld.

 

§ 5

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt een administratieve geldboete opgelegd aan eenieder bij wie tijdens een vaststelling ter plaatse wordt vastgesteld dat hij op een perceel meer meststoffen opbrengt of laat opbrengen dan toegelaten overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.


De administratieve geldboete bedraagt 600 euro vermenigvuldigd met het aantal hectares landbouwgrond waarop er meer meststoffen opgebracht zijn dan toegelaten overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, met inbegrip van de verdubbeling die toegelaten is overeenkomstig artikel 13, § 9, tweede lid, met dien verstande dat de administratieve geldboete steeds minimaal 600 euro bedraagt.


In afwijking van het tweede lid, wordt, als men enkel meer heeft opgebracht of heeft laten opbrengen dan op dat perceel toegelaten overeenkomstig de artikelen 16, 41bis en 41ter van dit decreet, de administratieve geldboete berekend door het aantal hectares landbouwgrond waarop er meer meststoffen opgebracht zijn, dan toegelaten, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 16, 41bis en 41ter, te vermenigvuldigen met 300, met dien verstande dat de administratieve geldboete steeds minimaal 300 euro bedraagt.


Bij herhaling van een overtreding binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, wordt het bedrag van de administratieve geldboete, berekend overeenkomstig het tweede lid, verdubbeld.

 

§ 6

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt een administratieve geldboete van 250 euro opgelegd, aan:

elke aangifteplichtige als vermeld in artikel 23 die, op de veertigste dag nadat de aangifte uiterlijk moest ingediend zijn en nadat hij werd herinnerd aan zijn aangifteplicht, nog steeds geen aangifte heeft ingediend;
eenieder die de aangifte, vermeld in artikel 23, foutief heeft ingediend;
eenieder die een register als vermeld in artikel 24, niet of foutief bijhoudt;
eenieder die de balansen en de bijhorende stavingsstukken, vermeld in artikel 26, § 3, niet of foutief bijhoudt.


De administratieve geldboete bedraagt 250 euro per aangifte, register of balans, die niet of foutief ingediend of bijgehouden wordt.


Bij herhaling van een overtreding binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, bedraagt de administratieve geldboete 500 euro.

 

§ 7

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt aan de landbouwer, die voor een of meerdere exploitaties, en voor een of meerdere diercategorieėn, het nutriėntenbalansstelsel als vermeld in artikel 26, toepast en de nutriėntenbalans en de bijhorende stavingsstukken van deze balans niet kan voorleggen, een administratieve geldboete opgelegd.


Voor het berekenen van de administratieve geldboete wordt het verschil gemaakt tussen de forfaitaire uitscheiding, uitgedrukt respectievelijk in kg N en in kg P2O5, en de berekende uitscheiding, uitgedrukt respectievelijk in kg N en in kg P2O5.


De forfaitaire uitscheiding wordt bepaald door de gemiddelde veebezetting van de betrokken diercategorie of diercategorieėn, te vermenigvuldigen met de overeenkomstige forfaitaire uitscheidingscijfers, vermeld in artikel 27, § 1. Voor de forfaitaire uitscheiding, uitdrukt in kg N, wordt het bekomen resultaat vervolgens verminderd met de stikstofverliezen, bepaald overeenkomstig artikel 27, § 5.


De berekende uitscheiding wordt bepaald door de gemiddelde veebezetting van de betrokken diercategorie of diercategorieėn te vermenigvuldigen met de reėle uitscheidingscijfers, bepaald overeenkomstig artikel 26. In afwijking hiervan wordt, als de reėle uitscheidingscijfers in toepassing van artikel 62, § 2, gecorrigeerd zijn, de gemiddelde veebezetting van de betrokken diercategorie of diercategorieėn, vermenigvuldigd met de in toepassing van artikel 62, § 2, gecorrigeerde uitscheidingscijfers. Voor de forfaitaire uitscheiding, uitdrukt in kg N, wordt het bekomen resultaat vervolgens verminderd met de stikstofverliezen, bepaald overeenkomstig artikel 27, § 5.


Voor de diersoort pluimvee bedraagt de administratieve geldboete 0,4 euro vermenigvuldigd met de som van:

het verschil tussen de forfaitaire uitscheiding, uitgedrukt in kg N, van de betrokken diercategorieėn van de diersoort pluimvee en de berekende uitscheiding, uitgedrukt in kg N, van de betrokken diercategorieėn van de diersoort pluimvee;
het verschil tussen de forfaitaire uitscheiding, uitgedrukt in kg P2O5, van de betrokken diercategorieėn van de diersoort pluimvee en de berekende uitscheiding, uitgedrukt in kg P2O5, van de betrokken diercategorieėn van de diersoort pluimvee.

 

Voor de diersoorten, andere dan de diersoort pluimvee, bedraagt de administratieve geldboete 3 euro vermenigvuldigd met de som van:

het verschil tussen de forfaitaire uitscheiding, uitgedrukt in kg N, van de betrokken diercategorieėn die niet behoren tot de diersoort pluimvee en de berekende uitscheiding, uitgedrukt in kg N, van de betrokken diercategorieėn die niet behoren tot de diersoort pluimvee;
het verschil tussen de forfaitaire uitscheiding, uitgedrukt in kg P2O5, van de betrokken diercategorieėn die niet behoren tot de diersoort pluimvee en de berekende uitscheiding, uitgedrukt in kg P2O5, van de betrokken diercategorieėn die niet behoren tot de diersoort pluimvee.


Bij herhaling van een overtreding binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, wordt het bedrag van de administratieve geldboete, berekend overeenkomstig deze paragraaf, verdubbeld.

 

§ 8

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt aan de landbouwer, vermeld in artikel 26, tweede lid, die voor een of meerdere exploitaties, en voor een of meerdere diercategorieėn van de diersoort varkens, het nutriėntenbalansstelsel als vermeld in artikel 26, niet toepast of die het toepast en de nutriėntenbalans en de bijhorende stavingsstukken van deze balans niet kan voorleggen, een administratieve geldboete opgelegd.


De administratieve geldboete bedraagt 1 euro, vermenigvuldigd met de gemiddelde veebezetting van het aantal dieren van de diersoort varkens, die op de betrokken exploitatie of de betrokken exploitaties gedurende dat jaar werden gehouden.


Bij herhaling van een overtreding binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, bedraagt de administratieve geldboete 2 euro, vermenigvuldigd met de gemiddelde veebezetting van het aantal dieren van de diersoort varkens, die op de betrokken exploitatie of de betrokken exploitaties gedurende dat jaar werden gehouden.

 

§ 9

Lastens elke landbouwer die één of meerdere van de aan hem, in uitvoering van artikel 13, § 6, 14, § 2, vierde lid, § 4, § 5, derde lid, § 6, 3°, § 7, 1°, § 8, eerste lid, 1°, opgelegde nitraatresidubepalingen niet laat uitvoeren, wordt een administratieve geldboete opgelegd van 150 euro per nitraatresidubepaling, die hij niet of niet correct heeft laten uitvoeren.


Bij herhaling van een overtreding binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, bedraagt de administratieve geldboete 300 euro per aan hem, in uitvoering van artikel 13, § 6, 14, § 2, vierde lid, § 4, § 5, derde lid, § 6, 3°, § 7, 1°, § 8, eerste lid, 1°, opgelegde nitraatresidubepalingen die hij niet of niet correct heeft laten uitvoeren.

 

§ 10

Lastens elke landbouwer die de maatregelen, hem opgelegd in uitvoering van artikel 14, § 6, § 7, of § 8, of opgelegd in uitvoering van artikel 62, § 1, niet of niet correct heeft nageleefd, wordt een administratieve geldboete opgelegd.


De administratieve geldboete bedraagt:

250 euro voor elk bemestingsplan als vermeld in artikel 14, § 7, 6°, of § 8, 6°, en elke bodembalans als vermeld in artikel 14, § 7, 7°, en § 8, 7°, die niet of niet correct is opgemaakt. Als voor de opmaak van een bemestingsplan of een bodembalans analyses vereist waren en de vereiste analyses niet genomen werden, wordt de boete verhoogd met 250 euro voor elke ontbrekende analyse;
250 euro per hectare voor het aantal hectares landbouwgrond waar geen vanggewas ingezaaid werd hoewel er, in uitvoering van artikel 14, § 8, 3°, een vanggewas ingezaaid moest worden;
250 euro per keer dat een bedrijf, waaraan een verstrenging van de uitrijregeling werd opgelegd als vermeld in artikel 14, § 6, 2°, § 7, 2°, en 5°, of § 8, 2° of 5°, of een verstrenging van de vervoerregeling als vermeld in artikel 14, § 7, 5°, of § 8, 5°, deze verstrenging niet respecteerde;
250 euro per maatregel, opgelegd in uitvoering van artikel 62, § 1, die niet of niet correct is nageleefd. Als voor een maatregel, opgelegd in uitvoering van artikel 62, § 1, analyses vereist waren en de vereiste analyses niet genomen werden, wordt de boete verhoogd met 250 euro voor elke ontbrekende analyse. Als een maatregel, opgelegd in uitvoering van artikel 62, § 1, moet toegepast worden op een bepaald aantal hectares, bedraagt de boete 250 euro vermenigvuldigd met het aantal hectares, waarop de maatregel niet is toegepast, met dien verstande dat de boete minstens 250 euro bedraagt.


Bij herhaling van een overtreding binnen de 5 jaar na het opleggen, via het aangetekend schrijven, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, wordt de administratieve geldboete berekend overeenkomstig het tweede lid, verdubbeld.

 

§ 11

Onverminderd artikel 71 en 72 wordt aan iedere landbouwer aan wie een annulering met 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten wordt opgelegd en die geen geldige melding doet als vermeld in artikel 34, § 1, derde lid, een administratieve geldboete opgelegd.


De administratieve geldboete, vermeld in het eerste lid, wordt berekend volgens de volgende formule:
X: [(het aantal NER-Dred vermenigvuldigd met 2) vermenigvuldigd met M] en gedeeld door 365;
waarbij:
X = het bedrag van de administratieve geldboete, uitgedrukt in euro;
NER-Dred: het aantal NER-D dat met toepassing van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, door de Mestbank werd gereduceerd;
M: het aantal kalenderdagen tussen de datum van de toewijzing van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder, of van een aandelenoverdracht, waarvoor met toepassing van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, een annulering met 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten wordt opgelegd en de datum waarop de Mestbank de overgenomen nutriėntenemissierechten effectief heeft geannuleerd met toepassing van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°.

 

§ 12

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt een administratieve geldboete opgelegd aan eenieder die hetzij als aanbieder, hetzij als ontvanger, hetzij als vervoerder, hetzij als AGR-GPS dienstverlener, hetzij in enige andere hoedanigheid betrokken is bij een transport van meststoffen, en een zware overtreding op de in het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten opgenomen bepalingen rond het vervoer en het gebruik van meststoffen begaat.


De volgende personen begaan een zware overtreding op de in het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten opgenomen bepalingen rond het vervoer en het gebruik van meststoffen als vermeld in het eerste lid:

de twee exploitanten die betrokken zijn bij een inscharing waarvoor geen inscharingscontract als vermeld in artikel 47, § 1, werd opgemaakt;  
de erkende mestvoerder die een transport foutief nameldt of afmeldt of die op de zestigste dag na de dag waarop er, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, uiterlijk een namelding of afmelding van een transport moet gebeurd zijn, nog geen namelding of afmelding gedaan heeft;  
de erkend verzender die een transport foutief nameldt of afmeldt of die op de zestigste dag na de dag waarop er, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, uiterlijk een namelding of afmelding van een transport moet gebeurd zijn, nog geen namelding of afmelding gedaan heeft;  
de landbouwer die een transport, vermeld in artikel 52, 2°, a), foutief nameldt of afmeldt of die op de zestigste dag na de dag waarop er, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, uiterlijk een namelding of afmelding van een transport moet gebeurd zijn, nog geen namelding of afmelding gedaan heeft;  
de aanbieder en de afnemer van een vervoer als vermeld in artikel 49, § 1, eerste lid, f) en g), die een transport foutief nameldt of afmeldt of die op de zestigste dag na de dag waarop er, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, uiterlijk een namelding of afmelding van een transport moet gebeurd zijn, nog geen namelding of afmelding gedaan heeft;  
de mestvoerder die meststoffen vervoert zonder dat de in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten vereiste documenten opgemaakt zijn of zonder dat het transport voorafgaandelijk aan het transport aan de Mestbank gemeld is; 
de aanbieder en de afnemer van een vervoer als vermeld in artikel 49, § 1, eerste lid, b) tot en met g), waarvoor de in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten vereiste documenten niet opgemaakt zijn of waarvoor de overeenkomst, vermeld in artikel 49, § 1, tweede lid, 1°, niet voorafgaandelijk aan het transport aan de Mestbank gemeld is;  
de erkend verzender die meststoffen aanbiedt zonder dat de in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten vereiste documenten opgemaakt zijn of zonder dat het transport voorafgaandelijk aan het transport aan de Mestbank gemeld is;  
de aanbieder of de afnemer, die niet valt onder het toepassingsgebied van 7° of 8°, die meststoffen aanbiedt of ontvangt en die op het moment van het aanbieden of ontvangen wist of behoorde te weten dat de in dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten vereiste documenten niet opgemaakt zijn of dat het transport niet aan de Mestbank gemeld is voorafgaandelijk aan het transport;  
10°   de erkende mestvoerder die een transport uitvoert waarvoor een systeem van onlinepositiebepaling moet gebruikt worden en waarbij:  
a) hetzij geen systeem van onlinepositiebepaling gebruikt wordt; 
b)  hetzij het systeem van onlinepositiebepaling niet of niet correct gebruikt wordt, waardoor de traceerbaarheid van het transport niet langer gewaarborgd is; 
11° de AGR-GPS-dienstverlener die de gegevens van het systeem van online-positiebepaling niet of incorrect aan de Mestbank overmaakt;  
12° de aanbieder respectievelijk de afnemer die verplicht was om een bepaalde methode voor het bepalen van de samenstelling van de aangeboden respectievelijk afgenomen meststoffen toe te passen als vermeld in artikel 59, en waarbij op een transportdocument waarop hij als aanbieder, respectievelijk afnemer, vermeld is, de vermelde mestsamenstelling niet op basis van deze methode bepaald is; 
13° de mestvoerder die een transport uitvoert waarvan hij wist of behoorde te weten dat voor dat transport de mestsamenstelling op basis van een bepaalde methode bepaald moest worden en die op het betrokken transportdocument de vermelde mestsamenstelling niet op basis van deze methode bepaalt;  
14° de aanbieder of de afnemer die op een transportdocument waarop hij als aanbieder, respectievelijk afnemer, vermeld is, een mestsamenstelling laat vermelden die gebaseerd is op een niet-geldige analyse;  
15° de mestvoerder die een transport uitvoert waarbij op het bijhorende transportdocument een mestsamenstelling vermeld wordt, gebaseerd op een analyse, waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze analyse niet geldig was;  
16° de aanbieder en de afnemer van een vervoer als vermeld in artikel 49, § 1, eerste lid, b) tot en met g), die meststoffen vervoeren of laten vervoeren met een trekkend voertuig waarvan noch de aanbieder, noch de afnemer, eigenaar is.  
17° de mestvoerder die meststoffen vervoert zonder dat hij beschikt over een erkenning als erkende mestvoerder, terwijl het betreffende transport uitgevoerd moet worden door een erkende mestvoerder;
18° de erkende mestvoerder die meststoffen vervoert in een voertuig dat niet opgenomen is in zijn erkenning.


Deze administratieve geldboete bedraagt 100 euro per vracht en per overtreding als vermeld in het tweede lid die werd begaan, met dien verstande dat:

voor overtredingen vermeld in het tweede lid, 6° tot en met 9°, en 10°, a), de administratieve geldboete 400 euro bedraagt per document, dat overeenkomstig dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten moest opgemaakt worden en niet opgemaakt is;
de administratieve geldboete per transportdocument, begrensd wordt tot maximaal 400 euro.

 

In afwijking van het derde lid bedraagt de administratieve geldboete per vracht en per overtreding:

2500 euro voor de overtreding, vermeld in het tweede lid, 17°;
800 euro voor de overtreding, vermeld in het tweede lid, 18°.


Bij herhaling van een overtreding binnen de vijf jaar na het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, wordt het bedrag van de administratieve geldboete, berekend overeenkomstig het derde en het vierde lid, verdubbeld.

 

§ 13

Onverminderd de bepalingen van artikel 71 en 72 wordt een administratieve geldboete opgelegd aan eenieder die hetzij als aanbieder, hetzij als ontvanger, hetzij als vervoerder, hetzij als AGR-GPS-dienstverlener, hetzij in enige andere hoedanigheid betrokken is bij een transport van meststoffen, en die in deze hoedanigheid een lichte overtreding op de in het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten opgenomen bepalingen rond het vervoer en het gebruik van meststoffen begaat.

Elke overtreding op de in het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten opgenomen bepalingen rond het vervoer en het gebruik van meststoffen, die niet vermeld is in paragraaf 12, tweede lid, wordt als een lichte overtreding op de in het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten opgenomen bepalingen rond het vervoer en het gebruik van meststoffen als vermeld in het eerste lid, beschouwd.


Deze administratieve geldboete bedraagt 50 euro per vracht en per overtreding als vermeld in het eerste lid die werd begaan, met dien verstande dat de administratieve geldboete per transportdocument, begrensd wordt tot maximaal 200 euro.


Bij herhaling van een overtreding binnen de twee jaar na het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in deze paragraaf, wordt het bedrag van de administratieve geldboete, berekend overeenkomstig het derde lid, verdubbeld.


Art. 64.

§ 1

De administratieve geldboetes, vermeld in dit decreet, worden opgelegd door de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren. De administratieve geldboetes, vermeld in artikel 63, § 5 tot en met § 10, § 12 en § 13, worden opgelegd voor 1 november van het jaar volgend op het productiejaar waarin de overtreding werd begaan.


De betrokkene wordt van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete in kennis gesteld bij aangetekend schrijven.


De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast.

 

§ 2

De administratieve geldboetes, vermeld in dit decreet, worden geļnd door de Mestbank voor orde van het Minafonds. De opbrengst van de administratieve geldboetes wordt integraal aangewend voor landbouwers, meer bepaald in het kader van dit decreet.

 

§ 3

Als de administratieve geldboete wordt opgelegd aan een landbouwer die uit twee of meer exploitanten bestaat, dan zijn elk van deze exploitanten hoofdelijk gehouden tot het betalen van de gehele schuld. Als de exploitant op zijn beurt bestaat uit twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen, dan zijn elk van deze personen hoofdelijk gehouden tot het betalen van de gehele schuld.

 

§ 4

De ambtenaren, vermeld in paragraaf 1, houden bij de oplegging van de administratieve geldboete desgevallend rekening met de straf die de strafrechter voorafgaandelijk voor het feit in kwestie heeft opgelegd.

 

§ 5

Bij de oplegging van een administratieve geldboete, kan de ambtenaar, vermeld in paragraaf 1, aan de persoon of personen aan wie de administratieve geldboete wordt opgelegd, voorstellen om de gehele of de gedeeltelijke boete te laten vervallen mits de naleving van één of meerdere maatregelen of maatregelenpakketten.


De ambtenaar vermeldt:

de maatregelen of maatregelenpakketten die nageleefd moeten worden;
voor elk van de maatregelen of maatregelenpakketten, vermeld in 1°, de termijn waarbinnen de naleving moet geschieden;
voor elk van de maatregelen of maatregelenpakketten, vermeld in 1°, het gedeelte van de boete dat komt te vervallen bij naleving van de maatregel of het maatregelpakket.


Als de persoon of personen aan wie de administratieve geldboete wordt opgelegd, ingaan op een voorstel, vermeld in het eerste lid, wordt de inning geschorst voor het gedeelte van de boete dat kan komen te vervallen, als de voorgestelde maatregelen of maatregelenpakketten worden nageleefd.


Als wordt vastgesteld dat een maatregel of maatregelenpakket niet correct wordt nageleefd, komt de schorsing van de inning, vermeld in het derde lid, geheel of gedeeltelijk te vervallen.


Als wordt vastgesteld dat een maatregel of maatregelenpakket correct is nageleefd, komt het overeenkomstige gedeelde van de boete te vervallen.


De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen.


Art. 65.

Een administratieve geldboete vervalt vijf jaar na de vaststelling van de overtreding. De vaststelling van de overtreding gebeurt op het moment van de betekening van het dwangbevel, vermeld in artikel 68.


De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.


Art. 66. De ambtenaren daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering beslissen over de gemotiveerde verzoeken om kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de in dit decreet bedoelde administratieve geldboeten die de betrokkene per aangetekend schrijven tot hen richt.

Art. 67.

§ 1

De in artikel 66 bedoelde verzoeken dienen gericht te worden aan de daartoe door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren binnen een termijn van dertig kalenderdagen. De termijn van dertig kalenderdagen begint te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief, vermeld in artikel 64, § 1, tweede lid, aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de landbouwer het tegendeel bewijst.

 

§ 2

De door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren nemen een beslissing binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van het in § 1 bedoelde verzoek.


De beslissing van de bevoegde ambtenaren wordt bij aangetekend schrijven,[...] ter kennis gebracht van de indiener van het verzoekschrift.


Bij met redenen omkleed aangetekend schrijven, gericht aan de indiener van het verzoekschrift, kan de bevoegde ambtenaar de voormelde termijn eenmalig verlengen met een periode van zes maanden.

 

§ 3

Bij gebreke aan een beslissing door de bevoegde ambtenaren, binnen de in § 2 gestelde termijn, wordt het verzoekschrift geacht te zijn ingewilligd.

 

§ 4.

In zijn beslissing, vermeld in paragraaf 2, kan de ambtenaar, vermeld in artikel 66, voorstellen om de gehele of de gedeeltelijke boete te laten vervallen mits de naleving van één of meerdere maatregelen of maatregelenpakketten.


De ambtenaar vermeldt:

de maatregelen of maatregelenpakketten die nageleefd moeten worden;
voor elk van de maatregelen of maatregelenpakketten, vermeld in 1°, de termijn waarbinnen de naleving moet geschieden;
voor elk van de maatregelen of maatregelenpakketten, vermeld in 1°, het gedeelte van de boete dat komt te vervallen bij naleving van de maatregel of het maatregelpakket.


Als de persoon of personen aan wie de administratieve geldboete wordt opgelegd, ingaan op een voorstel, vermeld in het eerste lid, wordt de inning geschorst voor het gedeelte van de boete dat kan komen te vervallen, als de voorgestelde maatregelen of maatregelenpakketten worden nageleefd.


Als wordt vastgesteld dat een maatregel of maatregelenpakket niet correct wordt nageleefd, komt de schorsing van de inning, vermeld in het derde lid, geheel of gedeeltelijk te vervallen.


Als wordt vastgesteld dat een maatregel of maatregelenpakket correct is nageleefd, komt het overeenkomstige gedeelde van de boete te vervallen.


De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen.


Art. 68.

§ 1

Bij gebreke aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren, wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd.
Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar.

 

§ 2

De betekening van het dwangbevel gebeurt bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij aangetekend schrijven.


Art. 69.

§ 1

Op het dwangbevel zijn de bepalingen toepasselijk van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.

 

§ 2

Binnen een termijn van 30 dagen na betekening van het dwangbevel kan de betrokkene bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet doen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement van de standplaats van de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.
Hiertoe kiest het Vlaamse Gewest woonplaats bij de Mestbank.

 

§ 3

Dit verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

 

§ 4

De met de invordering belaste ambtenaar kan, vóór de definitieve beslechting van het geschil bedoeld in § 2, een procedure in kortgeding inleiden bij de voorzitter van de rechtbank waar dit geschil in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt, teneinde betrokkene te doen veroordelen tot betaling van een provisie op het bij dwangbevel gevorderde bedrag.


Art. 70.

§ 1

Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de administratieve geldboeten, vermeld in dit decreet, de bijhorende kosten en de andere kosten en vergoedingen die voortvloeien uit dit decreet, heeft de Vlaamse Landmaatschappij een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van betrokkene en kan het een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van betrokkene.

 

§ 2

Het voorrecht bedoeld in § 1 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.

 

§ 3

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel.

 

§ 4

De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, bedoeld in artikel 68, § 1, tweede lid.


De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat door die ambtenaar eensluidend wordt verklaard en dat melding maakt van de betekening ervan.

 

De ambtenaar, vermeld in artikel 68, § 1, tweede lid, is bevoegd om een ingeschreven hypotheek te laten handlichten of doorhalen.

 

§ 5

Artikel 447, tweede lid, van boek III van het Wetboek van Koophandel met betrekking tot het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde administratieve geldboete waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan betrokkene is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.


Afdeling III.
Strafbepalingen


Art. 70bis. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de personen, vermeld in artikel 61.

Art. 71.

§ 1

Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van honderd euro tot honderdduizend euro of met een van die straffen, wordt gestraft:

eenieder die de in uitvoering van artikel 14 of artikel 62, opgelegde maatregelen in meerdere jaren niet heeft nageleefd;
eenieder die zich verzet tegen de uitvoering van de opdrachten van controle, toezicht en opsporing waarmee de in artikel 61, § 3, bedoelde personen belast zijn;
eenieder die opzettelijk de bevelen opgelegd door de toezichthoudende ambtenaar, vermeld in artikel 61, § 3, niet uitvoert of de administratieve geldboeten niet betaalt.

 

§ 2

Met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van honderd euro tot honderdduizend euro, of met één van die straffen alleen, wordt gestraft:

eenieder die met overtreding van dit decreet de in zijn bedrijf geproduceerde dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest niet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet afzet, of het bewijs niet levert dat dit is geschied;
eenieder die op landbouwgrond een hoeveelheid dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest opbrengt of laat opbrengen, groter dan de in dit decreet toegelaten hoeveelheden.

 

§ 3

Met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van honderd euro tot honderdduizend euro, of met één van die straffen alleen, wordt gestraft :

  1. eenieder die met overtreding van dit decreet de in zijn bedrijf geproduceerde dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest niet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet afzet, of het bewijs niet levert dat dit is geschied;
  2. eenieder die op landbouwgrond een hoeveelheid dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest opbrengt of laat opbrengen, groter dan de in dit decreet toegelaten hoeveelheden;
  3. [...]
  4. [...]

 


Art. 72. De werkgever is burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de gerechtskosten, waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.

Hoofdstuk XIII.
Slotbepalingen


Art. 73. Aan artikel 28, § 1, 3°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning wordt de volgende tekst toegevoegd :
« uitgezonderd de inrichtingen, vermeld onder de rubriek 9. Dieren van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben. » .

Art. 74. Artikel 1bis, § 2, 2°, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, wordt opgeheven.

Art. 75. In artikel 5 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 7 mei 2004, wordt het woord « Meststoffendecreet » vervangen door de woorden « Mestdecreet van 22 december 2006. »

Art. 76. In artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 7 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1. het woord « Meststoffendecreet » wordt telkens vervangen door de woorden « Mestdecreet van 22 december 2006 »;
  2. het 7° en het 9° worden opgeheven.

Art. 77.

In artikel 5, § 2, 1°, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, vervangen bij het decreet van 11 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

  1. tussen de woorden « de dieren die » en de woorden « uitsluitend met voeders » worden de woorden « gedurende een bepaalde periode » ingevoegd;
  2. tussen de woorden « delen hiervan die » en de woorden « uitsluitend voormelde voeders » worden de woorden « gedurende een bepaalde periode » ingevoegd;
  3. worden de woorden « en dit gedurende het volledige kalenderjaar » geschrapt;
  4. tussen de woorden « dat bedoelde dieren » en de woorden « uitsluitend met het voeder » worden de woorden « gedurende de beschouwde periode » ingevoegd.

Art. 78. In artikel 33bis, § 2, (5), tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 3 maart 2000, 8 december 2000, 9 maart 2001, 28 maart 2003 en 22 april 2005, wordt de zin "Het deel van de nutriėntenhalte dat toegekend werd voor diersoorten waarvoor een herberekening werd toegestaan, mag enkel gebruikt worden voor de productie afkomstig van deze diersoorten" opgeheven met ingang van 1 januari 2005.

Art. 79. In artikel 33ter, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 3 maart 2000, 8 december 2000, 9 maart 2001, 28 maart 2003 en 22 april 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1. in 1°, worden de woorden "tot en met 31 december 2006" vervangen door de woorden "tot en met 31 december 2007";
  2. in 1° worden a) en b) opgeheven;
  3. het 2° wordt opgeheven.

Art. 80. Hetzelfde decreet wordt opgeheven met uitzondering van :
  1. artikel 2, 49°, 50°, 51°, 52°, 53°, 54°, 56°, 57°, en de artikelen 15bis en 15ter ;
  2. artikel 33ter en haar bestaande reglementaire uitvoeringsbepalingen, die worden opgeheven vanaf 31 december 2007.

Art. 81.

[...]


Art. 82. Voor de toepassing van artikel 31, § 2, wordt voor de vaststelling van de kalenderjaren 2004, 2005 en 2006 waarvoor de mestafzet overeenkomstig de bepalingen van het decreet moet zijn gebeurd, het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, bedoeld.

Art. 83.

§ 1

Alle heffingen en administratieve geldboetes voorzien in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals gewijzigd blijven, indien hun grondslag betrekking heeft op een kalenderjaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit decreet, inbaar rekening houdend met de grondslag zoals voorzien door het hoger vermeld decreet van 23 januari 1991 en worden afgehandeld volgens de procedures van berekening, inning, invordering en beroep zoals voorzien in het hoger vermeld decreet van 23 januari 1991.

 

§ 2

Onverminderd de eerste paragraaf geldt voor de administratieve geldboete als bedoeld in artikel 25, § 3 van hoger vermeld decreet van 23 januari 1991, dat deze boete oplegbaar blijft indien haar grondslag betrekking heeft op het kalenderjaar 2007.

 

§ 3

De aangifte voor het productiejaar 2006 dient te gebeuren overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van hetzelfde decreet van 23 januari 1991, en door de personen daarin vernoemd, rekening houdend met alle bepalingen en uitvoeringsbepalingen van dat decreet die betrekking hebben op de aangifteplicht.

 

§ 4.

Aan landbouwers, die in de loop van 2004, 2005 of 2006 een inrichting hebben overgenomen en nog geen nutriėntenhalte hadden toegekend gekregen terwijl de overlater voor die dieren beschikte over een nutriėntenhalte, wordt alsnog de nutriėntenhalte als bedoeld in artikel 33bis van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, omgezet in nutriėntenemissierechten overgedragen op voorwaarde dat ze de overname van de milieuvergunning lieten of laten acteren door de vergunningverlenende overheid en op voorwaarde dat deze overnemers dieren hebben geproduceerd op de inrichting in 2004, 2005, 2006 of 2007 en die tijdig hebben aangegeven aan de Mestbank. De overdracht gebeurt met terugwerkende kracht tot de datum zoals overeengekomen door overlater en overnemer.

 

Producenten die een beroep kunnen doen op de toepassing van het eerste lid en aan wie de superheffing werd opgelegd voor het produceren van meer dierlijke mest dan de nutriėntenhalte, kunnen de betaalde superheffing terugvorderen of de kwijtschelding vragen van de opgelegde superheffing in de mate dat ze niet meer geproduceerd hebben dan de in het eerste lid bedoelde nutriėntenhalte zonder daartoe over een bijkomende nutriėntenhalte of bijkomende nutriėntenemissierechten te beschikken.

 

Zij dienen daartoe per aangetekend schrijven een verzoekschrift in bij de ambtenaar door de Vlaamse Regering aangewezen voor de inning en de invordering van de superheffing.

 

De ambtenaar neemt binnen de drie maanden na afgifte ter post van het verzoekschrift een beslissing betreffende deze terugvordering of vraag tot kwijtschelding. Bij gebreke van beslissing van de ambtenaar binnen de termijn van drie maanden wordt het verzoek geacht ingewilligd te zijn. De producent kan bij de minister bevoegd voor het leefmilieu beroep aantekenen tegen de beslissing van de ambtenaar binnen de drie maanden na afgifte ter post van de beslissing. De minister beslist binnen de 60 dagen over het beroep.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen.

 

§ 5.

Producenten, als vermeld in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals gewijzigd, die in uitvoering van artikel 40bis van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals gewijzigd, een uitstel van superheffing mestverwerking hebben gekregen, en waarbij het kalenderjaar waarin, overeenkomstig artikel 40bis van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals gewijzigd, beoordeeld dient te worden of de uitgestelde superheffing al of niet opgeheven en niet geļnd wordt, het kalenderjaar 2007 of 2008 is, dienen, om een opheffing en niet-inning van de uitgestelde superheffing te bekomen :

in het kalenderjaar waarin beoordeeld dient te worden of de uitgestelde superheffing al of niet opgeheven en niet geļnd wordt, te behoren tot een bedrijfsgroep die voldaan heeft aan de mestverwerkingsplicht, overeenkomstig artikel 29;
een extra hoeveelheid mestverwerkingscertificaten te bezitten, die betrekking heeft op het kalenderjaar waarin beoordeeld dient te worden of de uitgestelde superheffing al of niet opgeheven en niet geļnd wordt.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels en bepaalt ondermeer hoeveel mestverwerkingscertificaten men extra moet bezitten om een opheffing en niet-inning van de uitgestelde superheffing te bekomen.

 

§ 6.

Aan producenten als vermeld in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen die op 31 december 2006 beschikten over een nutriėntenhalte, maar sedert het in voege treden van onderhavig decreet geen landbouwactiviteiten meer uitoefenen en derhalve geen landbouwer zijn, worden bij wijze van overgangsmaatregel nutriėntenemissierechten toegekend volgens de regels van artikel 30, mits voldaan is aan volgende voorwaarde : er werden in de productiejaren 2004, 2005 of 2006 dieren gehouden door de producent die tijdig werden aangegeven.

 

Deze bij wijze van overgangsmaatregel aan de vroegere producent toegekende nutriėntenemissierechten dienen ten laatste op 31 december 2009 volgens de regels van artikel 31 te worden overgedragen aan een landbouwer. Indien deze op 31 december 2009 niet zijn overgedragen aan een landbouwer worden deze bij wijze van overgangsmaatregel toegekende nutriėntenemissierechten geannuleerd door de Mestbank.

 

§ 7.

Producenten als vermeld in het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals gewijzigd, kunnen een verlenging van het uitstel, toegekend overeenkomstig artikel 40bis, van voormeld decreet, evenals nieuw uitstel van de superheffing mestverwerking, als vermeld in artikel 21, § 6, 2°, van voormeld decreet, krijgen, als ze aan een van volgende voorwaarden voldoen :

  1. de producent heeft de milieuvergunning en de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning voor een mestverwerkingsinstallatie of een mestbewerkingsinstallatie verkregen na 31 december 2002;
  2. de producent heeft een contract gesloten met een derde die de milieuvergunning en de bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning voor een mestverwerkingsinstallatie of een mestbewerkingsinstallatie heeft verkregen na 31 december 2002. 

Aan producenten als vermeld in het eerste lid kan uitstel verleend worden voor het tweede en het derde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de laatste nodige vergunning voor de betrokken installatie is verleend, als :

  1. de betrokken installatie in die kalenderjaren nog niet operationeel was;
  2. de betrokken producent overeenkomstig artikel 40bis, van voormeld decreet, al een uitstel is verleend, op basis van de betrokken installatie, tenzij ze niet verwerkingsplichtig waren of de superheffing hebben betaald voor het kalenderjaar waarin de laatste nodige vergunning voor de betrokken installatie is verleend en het daaropvolgende kalenderjaar.

De som van de gecontracteerde mestvolumes op jaarbasis voor de betrokken installatie kan nooit hoger zijn dan de vergunde capaciteit op jaarbasis.

 

Een superheffing waarvoor in uitvoering van artikel 40bis van voormeld decreet of in uitvoering van het eerste en het tweede lid, uitstel is verleend, kan opgeheven en niet geļnd worden als de betrokken producent aantoont dat hij in een bepaald kalenderjaar meer heeft verwerkt dan zijn mestverwerkingsplicht en dan de mestverwerkingsplicht van de bedrijfsgroep waartoe hij behoort. Die extra verwerking moet plaatsvinden in het tweede kalenderjaar na het kalenderjaar waarin de laatste nodige vergunning voor de betrokken installatie is verleend of in het kalenderjaar waarin de betrokken installatie operationeel wordt. Als aan de betrokken installatie de laatste nodige vergunning is in 2007. Als aan de betrokken installatie de laatste nodige vergunning is verleend in 2004 of later en deze installatie is nog niet operationeel in 2008 moet de verwerking ten laatste plaatsvinden in het kalenderjaar 2008.

 

Een producent die in uitvoering van artikel 40bis van voormeld decreet, voor twee opeenvolgende jaren, uitstel van de superheffing mestverwerking heeft verkregen, kan ook één maal aan de Mestbank vragen om voor de oudste van de twee betrokken superheffingen, het kalenderjaar volgend op het jaar van de jongste van de twee betrokken superheffingen in aanmerking te nemen als het kalenderjaar waarin meer verwerkt moet worden om een opheffing en niet-inning van de betrokken superheffing te bekomen.

 

Als het kalenderjaar waarin beoordeeld moet worden of een uitgestelde superheffing al of niet opgeheven en geļnd wordt, het kalenderjaar 2006 of een vorig kalenderjaar is, worden de opheffing en de niet-inning van de superheffing mestverwerking beoordeeld, overeenkomstig het uitvoeringsbesluit bij artikel 40bis van voormeld decreet.

 

Als het kalenderjaar waarin beoordeeld moet worden of een uitgestelde superheffing al of niet opgeheven en geļnd wordt, het kalenderjaar 2007 of het kalenderjaar 2008 is, moet de betrokken producent :

  1. voor dat kalenderjaar behoren tot een bedrijfsgroep die voldaan heeft aan de mestverwerkingsplicht, overeenkomstig artikel 29;
  2. een extra hoeveelheid mestverwerkingscertificaten bezitten die betrekking hebben op het kalenderjaar waarin beoordeeld moet worden of de uitgestelde superheffing al of niet opgeheven en geļnd wordt.

De producent die een uitstel wil verkrijgen of die een bestaand uitstel wil verlengen, dient hiervoor een aanvraag in bij de Mestbank. Als blijkt dat een reeds geheel of gedeeltelijk betaalde superheffing, overeenkomstig dit artikel, opgeheven en niet meer geļnd wordt, dan worden de door de producent reeds betaalde bedragen door de Mestbank teruggestort.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf, wordt het operationeel zijn van een installatie bepaald overeenkomstig artikel 40bis van voormeld decreet en zijn uitvoeringsbesluit.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het bepalen van de kalenderjaren voor uitstel en voor opheffing en niet inning, met betrekking tot het aantal mestverwerkingscertificaten dat men extra moet bezitten om een opheffing en niet-inning van de uitgestelde superheffing te bekomen en met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag, vermeld in het achtste lid, ingediend en afgehandeld wordt.

 

§ 8.

De administratieve geldboetes, opgelegd ter uitvoering van artikel 14, § 4, op basis van een nitraatresidubepaling uitgevoerd in het kalenderjaar 2007, worden van rechtswege ingetrokken. Landbouwers die de boete reeds betaald hebben, krijgen ze door de Mestbank teruggestort.


Art. 84.

§ 1.

Een attest waaruit blijkt dat een perceel niet fosfaatverzadigd is, afgeleverd op grond van artikel 15quater, § 4 van hetzelfde decreet van 23 januari 1991, heeft dezelfde rechtsgevolgen als een attest afgeleverd op grond van artikel 17, § 5.

 

§ 2.

Percelen gelegen in zandgronden, waarvan de landbouwer, in uitvoering van artikel 13, § 2, zoals het gold op 31 december 2010, door een textuuranalyse van het betreffende perceel reeds aangetoond heeft dat de textuurklasse van dat perceel niet textuurklasse P, S of Z is, worden in afwijking van artikel 3, 72°, niet aanzien als zandgrond.

 

§ 3.

Aan landbouwers die in het kalenderjaar 2011 maatregelen opgelegd kregen, in uitvoering van artikel 38, en de opgelegde maatregelen in 2011 niet volledig hebben nageleefd, worden in 2012 de volgende maatregelen opgelegd :


de maatregelen vermeld in artikel 14, § 4, als de landbouwer in 2011 de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg;

de maatregelen vermeld in artikel 14, § 5, als de landbouwer in 2011, de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 2, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg;

de maatregelen vermeld in artikel 14, § 6, als de landbouwer in 2011, de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 3, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg.

 

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan voor een periode tot en met 1 september 2011, afwijkingen voorzien op artikel 8, als blijkt dat de landbouwers niet bij machte zijn om de wijzigingen die aan dit decreet in 2011 zijn ingevoerd, uit te voeren.

 

§ 5.

Voor overdrachten van nutriėntenemissierechten, als vermeld in artikel 34, gelden de volgende bepalingen:

in afwijking van de annulering met 25 %, vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, a), wordt geen annulering van de nutriėntenemissierechten toegepast als de toewijzing van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder, of de aandelenoverdracht, waarvoor anders een annulering met 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten door die bepaling is vastgesteld, wordt gedaan vóór de dag van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur;
in afwijking van de annulering met 25 %, vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°, wordt geen annulering van de nutriėntenemissierechten toegepast als de toewijzing van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder waarvoor anders een annulering met 25 % van de overgenomen nutriėntenemissierechten door die bepaling is vastgesteld, wordt gedaan vóór de dag van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur;
in afwijking van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°, tweede lid, eerste zin, § 1, eerste lid, 2°, f), 5°, tweede zin, en § 1, eerste lid, 2°, f), 11°, tweede zin, zijn de nutriėntenemissierechten op grond van alle overdrachtsmogelijkheden, vermeld in artikel 34, overdraagbaar, als de akteneming van de overgenomen nutriėntenemissierechten is gedaan vóór de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur.



 

§ 6.

Voor alle overdrachten van nutriėntenemissierechten, vermeld in artikel 34, waarvan de datum van overname van de nutriėntenemissierechten is vastgesteld vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, waarbij de overname werd goedgekeurd op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°, of § 1, eerste lid, 2°, f), en waarbij de datum van de aandelenoverdrachten of de toewijzingen van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder, vermeld in punt 2°, zich situeert vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, gelden volgende overgangsregelingen:

in afwijking van artikel 34, § 1, derde lid, kan tot zes maanden na de datum van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, een geldige melding worden gedaan;
in afwijking van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°, laatste zin, § 1, eerste lid, 2°, f), 5°, laatste zin, en § 1, eerste lid, 2°, f), 11°, laatste zin, worden de niet-ingevulde nutriėntenemissierechten bepaald op grond van de invulling van de nutriėntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum waarop:
a) een aandelenoverdracht werd gedaan waardoor niet meer voldaan is aan de voorwaarde dat minstens 80 % van de aandelen van de personenvennootschap nog eigendom moet zijn van een of meer personen als vermeld in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6° van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°;
b) de functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder is toegewezen aan een derde die niet vermeld is in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6° van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, f), 5°, of een aandelenoverdracht is gedaan aan een of meer personen die niet vermeld zijn in punt 7° tot en met punt 10° of punt 12° van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, f), 11°;
in afwijking van artikel 31, § 2, wordt, als een annulering wordt toegepast op grond van artikel 34, § 1, 2°, b), 5°, of § 1, eerste lid, 2°, f), de niet correct afgezette mestproductie bepaald op grond van de mestafzet op het bedrijf gedurende de drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum waarop een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder is toegewezen of waarop een aandelenoverdracht, als vermeld in punt 2°, a) of b), is gedaan.



 

§ 7.

In afwachting van een vaststelling door de Vlaamse Regering van de nadere regels om vast te stellen welke meststoffen als traagwerkende meststof beschouwd worden en aangaande de wijze waarop aangetoond wordt dat een meststof een traagwerkende meststof is als vermeld in artikel 3, § 5, 22°, worden als traagwerkende meststof beschouwd, de andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten, dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging als vermeld in artikel 8, § 4, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

 

§ 8.

In afwachting van een bepaling door de Vlaamse Regering van de meststoffen die een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is als vermeld in artikel 8, § 4, derde lid, worden als meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is beschouwd, de andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest waarvan de stikstofinhoud laag is als vermeld in artikel 8, § 4, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, met dien verstande dat bij het gebruik van deze meststoffen, er moet op toegezien worden dat de opgebrachte hoeveelheid in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 8, § 4, derde lid, van dit decreet.

 

§ 9.

Voor het jaar 2015 wordt voor de toepassing van artikel 8, § 4, derde lid, 15 november gelezen als 31 december.

 

§ 10.

In afwijking van artikel 13, § 1 en § 2, kunnen landbouwers in het jaar 2015 nog opteren voor een systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof als vermeld in artikel 13, § 1, vijfde lid, 1°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014. Een landbouwer die hiervoor opteert moet in het jaar 2015 zijn stikstofbemesting beperken tot de hoeveelheden, vermeld in artikel 13, § 2, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, met dien verstande dat voor het bepalen van de toegelaten hoeveelheden, sierteelt en boomkweek als een groente van groep II en dat aardbeien op zandgronden of op niet-zandgronden, aanzien worden als een groente van groep II op zandgronden.


De landbouwer die voor het jaar 2015 kiest voor het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, deelt dit in het jaar 2016 mee bij de aangifte, vermeld in artikel 23.


Voor de landbouwer die in het jaar 2015 kiest voor het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof als vermeld in artikel 13, § 1, vijfde lid, 1°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, wordt voor de berekening van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 63, § 1, voor het kalenderjaar 2015, het aantal nutriėnten dat niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, bepaald als de som van het aantal kg N die niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, § 1, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, en het aantal kg P2O5 die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, § 2, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

 

§ 11.

In afwijking van artikel 13, § 3, tweede lid, kan de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem ook bepaald worden op basis van een bodemanalyse die uitgevoerd is vóór 1 augustus 2015 en waarbij, hoewel de X-Y-coördinaten niet vermeld zijn, het geanalyseerde perceel toch op een eenduidige manier geļdentificeerd kan worden.

 

§ 12.

In afwijking van artikel 13, § 3, derde lid, worden, in afwachting van de aanpassing van het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, mogen de bodemanalyses, vermeld in artikel 13, § 3, op een andere wijze aan de Mestbank overgemaakt worden.

 

§ 13.

In afwachting van een bepaling door de Vlaamse Regering, van het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies dat in een bepaald jaar minimaal uitgevoerd moet worden opdat er een voldoende aantal staalnames als vermeld in artikel 13, § 7, eerste lid, zou zijn, wordt het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies dat in een bepaald jaar minimaal uitgevoerd moet worden bepaald als de som, afgerond naar het hogere geheel getal, van de volgende twee getallen:

één zesde van het aantal hectares landbouwgrond dat tot het bedrijf behoort, en waarop in het betreffende jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag, een blijvende teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II;
de helft van het aantal hectares landbouwgrond dat tot het bedrijf behoort, en waarop in het betreffende jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag, een teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien en die geen blijvende teelt is.

 

Het aantal hectares waarop in een bepaald jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag, zowel een teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien en die geen blijvende teelt is, als een teelt die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien en die een blijvende teelt is, wordt enkel meegerekend voor het bepalen van het getal, vermeld in het eerste lid, 2°.


Als de som, vermeld in het eerste lid, groter is dan het aantal percelen waarop een teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien, dan wordt het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies beperkt tot het aantal percelen waarop een teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien.

 

§ 14.

Voor het jaar 2015 zijn de focusgebieden als vermeld in artikel 14, § 1, vierde lid, de focusgebieden, aangeduid op de kaart die als bijlage opgenomen is bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2012 tot bepaling van de nitraatresidudrempelwaarde, vermeld in artikel 14, § 1, vijfde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006.

 

§ 15.

In afwijking van artikel 14, § 5, tweede lid, moeten de aanvragen tot vrijstelling in het jaar 2015 uiterlijk op 1 augustus bij de Mestbank ingediend worden.

 

§ 16.

In het jaar 2015 is de maatregel, vermeld in artikel 14, § 6, 2°, niet van toepassing.

 

§ 17.

In afwachting van een vaststelling door de Vlaamse Regering van de nadere regels aangaande het bemestingsplan als vermeld in artikel 14, § 7, 6°, en § 8, eerste lid, 6°, is het bemestingsplan dat bijgehouden moet worden, een bemestingsplan als vermeld in artikel 14, § 4, eerste lid, 3°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

 

§ 18.

In het jaar 2015 moet een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 uitgevoerd worden door:

de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 4, § 5 of § 6, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg;
de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 3, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg, en in het jaar 2015 omwille van zijn ligging, beschouwd wordt als een focusbedrijf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, § 4, tweede lid, 1°.

 

In het jaar 2015 moet een nitraatresidu-evaluatie uitgevoerd worden op één door de Mestbank aangeduid perceel landbouwgrond door de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 3, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg, en in het jaar 2015 omwille van zijn ligging, niet beschouwd wordt als een focusbedrijf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, § 4, tweede lid, 1°.

 

§ 19.

Percelen die beschikken over een attest als vermeld in artikel 17, § 6, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, worden ingedeeld in klasse IV als vermeld in artikel 13, § 3, tenzij ze beschikken over een analyse op basis waarvan ze, in toepassing van artikel 13, § 3, in een lagere klasse ingedeeld worden.

 

§ 20.

Voor het kalenderjaar 2015 of een eerder kalenderjaar wordt de mestverwerkingsplicht, vermeld in artikel 29, opgelegd aan bedrijfsgroepen als vermeld in artikel 29 van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, en wordt, bij het niet voldoen aan deze mestverwerkingsplicht, aan de bedrijfsgroep een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 21, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd.

 

§ 21.

Voor feiten, gepleegd in het kalenderjaar 2015 of een eerder kalenderjaar, worden de administratieve geldboetes opgelegd op basis van de bepalingen van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.


In afwijking hiervan worden gedragingen of feiten die betrekking hebben op het jaar 2015 en die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 63, § 1, § 2, § 4, § 7, § 8 en § 9, opgelegd op basis van de bepalingen van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015 tot wijziging van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.


Art. 85. [...]

Art. 86. [...]

Art. 87. Dit decreet wordt aangehaald als : het Mestdecreet.

Art. 88.

§ 1

De bepalingen van dit decreet treden in werking op 1 januari 2007, met uitzondering van :

  1. artikelen 30, § 6, 31, en 34 tot en met 37, die in werking treden op de data, die door de Vlaamse Regering worden bepaald, en ten laatste op 1 januari 2008;
  2. artikel 77, dat in werking treedt op 1 juni 2006.

 

§ 2

De bestaande reglementaire bepalingen die onder het toepassingsgebied van dit decreet vallen en die niet strijdig zijn met dit decreet, blijven van kracht totdat ze worden gewijzigd, opgeheven of vervangen door besluiten genomen ter uitvoering van dit decreet.
Overtredingen op de in het eerste lid bedoelde reglementaire bepalingen na het van kracht worden van dit decreet worden gestraft met straffen bepaald bij dit decreet.


Bijlage.

Omrekeningstabel van de dieren vermeld op het berekeningsblad nutriėntenhalte naar nutriėntenemissierechten NER-D, als vermeld in artikel 30, § 2

 

Diercategorie conform berekeningsblad

Waarde

Nutriėnten emissierechten

Runderen

   

< 1 jaar

43,00

NER-DR

Runderen 1 - 2 jaar

83,00

NER-DR

Melkkoeien

127,00

NER-DR

Mestkalveren

14,10

NER-DR

Andere Runderen

127,00

NER-DR

Compensatie biggen

17,92

NER-DV

Compensatie opfokzeugen

5,90

NER-DV

Biggen (< 10 weken)

4,48

NER-DV

Beer & zeug (geen biggen)

38,50

NER-DV

Zeugen (inclusief biggen)

38,50

NER-DV

Andere warkens

18,33

NER-DV

Leghennen (+ moederdieren)

1,18

NER-DP

Slachtkuikens

0,91

NER-DP

Opfokpoeljen

0,57

NER-DP

Ander pluimvee

0,43

NER-DP

Kalkoenen -ouderdieren

3,47

NER-DP

Kalkoenen -slachtdieren

2,99

NER-DP

Struisvogels 0-3 maanden

5,20

NER-DP

Struisvogels slachtdieren (3-14 maanden)

13,10

NER-DP

Struisvogels fokdieren > 14 maanden

27,80

NER-DP

Slachtkuikenouderdieren

1,91

NER-DP

Opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren

0,74

NER-DP

Paarden

95,00

NER-DA

Schapen < 1 jaar

6,08

NER-DA

Schapen > 1 jaar

14,64

NER-DA

Geiten

14,64

NER-DA

Bertsen en konijnen

4,82

NER-DA

 

Voor de toepassing van deze tabel, worden de op het berekeningsblad van de nutriėntenhalte vermelde dieren evenals het deel van de nutriėntenhalte dat enkel is uitgedrukt in kg P2O5 en kg N, omgezet in nutriėntenemissierechten NRD-D gespecificeerd volgens diersoort, zijnde NER-DR, NER-DV, BER-DP en NER-DA, die respectievelijk worden berekend door de op het berekeningsblad vermelde diercategorie te vermenigvuldigen met de overeenkomstige waarde als vermeld in bovenstaande omrekeningstabel, waarna de aldus bekomen waarden gesommeerd worden per diersoort.