Wet houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriėle elektriciteitsproductie
Wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriėle elektriciteitsproductie

Hoofdstuk I.
Algemeen


Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

[...]

2° « de wet van 15 april 1994 » : de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federale Agentschap voor Nucleaire Controle.


Hoofdstuk II.
Beginselen van geleidelijke uitstap uit de industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen en verbod van nieuwe kerncentrales


Art. 3. Geen enkele nieuwe nucleaire centrale bestemd voor de industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, kan worden opgericht en/of in exploitatie gesteld.

Art. 4.

§ 1.

De nucleaire centrales bestemd voor de industriėle elektriciteitsproductie door de splijting van kernbrandstoffen, worden gedesactiveerd op de volgende data en mogen vanaf dan geen elektriciteit meer produceren:

Doel 1 : 15 februari 2015;
Doel 2 : 1 december 2015;
Doel 3 : 1 oktober 2022;
Tihange 2 : 1 februari 2023;
Doel 4 : 1 juli 2025;
Tihange 3 : 1 september 2025;
Tihange 1 : 1 oktober 2025.

 

§ 2.

In de individuele vergunningen tot exploitatie en tot industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen, die door de Koning zonder tijdsbeperking werden toegekend,

a) krachtens de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren alsook op basis van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen en die van toepassing blijven krachtens artikel 52 van de wet van 15 april 1994;
b) op basis van artikel 16 van de wet van 15 april 1994, alsook krachtens de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen;

nemen de bepalingen betreffende de toelating tot industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen een einde op de datum vermeld in paragraaf 1. De overige bepalingen blijven onverkort van toepassing tot op het ogenblik dat ze worden aangepast krachtens de wet van 15 april 1994 of haar uitvoeringsbepalingen.

 

Deze wijziging is vernietigd door het AGrwH nr. 34/2020 van 05/03/2020 met handhaving van de gevolgen "tot het aannemen, door de wetgever, van een nieuwe wet die is voorafgegaan door de vereiste milieueffectbeoordeling en passende beoordeling, met inspraak van het publiek en een grensoverschrijdende raadpleging, en uiterlijk tot en met 31 december 2022".


Art. 4/1.

§ 1.

De eigenaars van de kerncentrale Tihange 1 storten aan de Staat, elk naar evenredigheid met zijn onverdeeld aandeel en zonder hoofdelijkheid onderling, een jaarlijkse vergoeding, berekend overeenkomstig paragraaf 2, bij wijze van tegenprestatie voor de verlenging van de exploitatieduur van de centrale tot 30 september 2025.

 

§ 2.

De jaarlijkse vergoeding bedoeld in paragraaf 1 wordt vastgesteld voor de periode van 1 oktober tot 31 december 2015, voor elk van de kalenderjaren van 2016 tot 2024 en voor de periode van 1 januari tot 30 september 2025. Zij is verschuldigd op 15 april van het jaar volgend op dat waarvoor zij is vastgesteld.
 

Voornoemde vergoeding stemt voor elke periode overeen met 70 procent van het positieve verschil tussen, enerzijds, de opbrengst van de verkoop van de elektriciteit van de kerncentrale Tihange 1, vastgesteld zoals bepaald in het derde lid, en, anderzijds, de som van volgende posten :

het geheel van de werkelijke kosten verbonden aan de exploitatie van de centrale, met inbegrip van de afschrijvingen van de vereiste investeringen voor levensduurverlenging, en
een globale netto vergoeding van 9,3 procent op de investeringen voor levensduurverlenging, tot dekking van de kost van het kapitaal aangewend voor die investeringen en van de specifieke risico’s van het project vergeleken in een internationale context.


De eigenaars van de kerncentrale Tihange 1 hebben de vrije beschikking over de elektriciteit geproduceerd door de centrale. Voor de berekening van voornoemde vergoeding wordt de opbrengst van de verkoop van de elektriciteit van de centrale vastgesteld op basis van de maximale productie van de centrale, aan een beschikbaarheid van 100 procent, die wordt geacht aan de marktprijs te worden verkocht voor één derde op termijn twee jaar op voorhand, voor één derde op termijn één jaar op voorhand en voor één derde de dag vóór de dag van productie. Deze opbrengst wordt geregulariseerd in functie van de werkelijk geproduceerde hoeveelheid door de prijs van de volumes, aangekocht ter compensatie van niet geproduceerde volumes tijdens perioden van onbeschikbaarheid, in rekening te brengen.


Wanneer voor enige periode de aldus vastgestelde verkoopopbrengst lager is dan de som van de posten bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, wordt het negatieve verschil in mindering gebracht van de verkoopopbrengst van de volgende perioden, met dien verstande dat een eventueel negatief saldo per 30 september 2025 ten laste blijft van de eigenaars.

 

§ 3.

Onverminderd de opdrachten die haar worden toevertrouwd door de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, is de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas belast met een bijzondere opdracht om de inkomsten en de werkelijke kosten bedoeld in paragraaf 2 te verifiėren. De eigenaars van de kerncentrale Tihange 1 verstrekken aan de Commissie alle gegevens die zij nodig heeft voor deze verificatie.

 

§ 4.

De vergoeding bedoeld in paragraaf 1 sluit alle andere heffingen ten voordele van de Staat uit (met uitzondering van de belastingen van algemene toepassing) die zouden zijn verbonden aan de eigendom of de exploitatie van de nucleaire centrale Tihange 1, aan de inkomsten, productie of productiecapaciteit van deze centrale of aan het gebruik van nucleaire brandstof door de centrale.

 

§ 5.

De Staat kan met de eigenaars van de kerncentrale Tihange 1 een overeenkomst aangaan teneinde :

de nadere regels te preciseren voor de berekening van elk van de bestanddelen van de vergoeding bedoeld in paragraaf 1, voor de aanrekening van eventuele negatieve verschillen op de inkomsten van de volgende perioden, en voor de verificatie van de inkomsten en kosten verbonden aan de exploitatie van de centrale; en
de schadeloosstelling van de eigenaars te regelen in geval van vroegtijdige definitieve stillegging van de centrale die door de overheid wordt opgelegd, of in geval van eenzijdige handelingen van de Federale Staat die ofwel de economische parameters zouden wijzigen die in de overeenkomst bepaald zijn, ofwel het vermogen zouden verminderen van de eigenaars om het verwachte rendement te halen uit de investeringen voor levensduurverlenging gedaan voor de verdere exploitatie van de kerncentrale Tihange 1.

Art. 4/2.

[...]

 

Deze invoeging is vernietigd door het AGrwH nr. 34/2020 van 05/03/2020 met handhaving van de gevolgen ""tot het aannemen, door de wetgever, van een nieuwe wet die is voorafgegaan door de vereiste milieueffectbeoordeling en passende beoordeling, met inspraak van het publiek en een grensoverschrijdende raadpleging, en uiterlijk tot en met 31 december 2022".


Hoofdstuk III.
Wijzigings- en slotbepalingen


Art. 5. In artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 15 april 1994 worden de woorden « De Koning verleent of weigert » vervangen door de woorden :
« Met uitzondering van de installaties voor industriėle elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriėle elektriciteitsproductie, niet meer het voorwerp van vergunningen kunnen uitmaken, verleent of weigert de Koning ».

Art. 6. In artikel 3 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een § 1bis ingevoegd luidende : « § 1bis. Vanaf 2015 wordt het indicatief programma jaarlijks opgemaakt »;
2° § 2 wordt aangevuld als volgt : "5° het evalueert de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit en formuleert, wanneer deze in het gedrang dreigt te komen, aanbevelingen dienaangaande".

Art. 7. In artikel 4, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « De bouw van nieuwe installaties voor electriciteitsproductie is onderworpen » vervangen door de woorden :
« Met uitzondering van de installaties voor de industriėle elektriciteits-productie door splijting van kernbrandstoffen die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriėle elektriciteitsproductie, niet meer het voorwerp van vergunningen kunnen uitmaken, is de bouw van nieuweinstallaties voor electriciteitsproductie onderworpen ».

Art. 8. Artikel 23, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 16 juli 2001 wordt aangevuld als volgt :
« 18° de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit opvolgen, eventuele problemen signaleren en, in voorkomend geval, aanbevelingen dienaangaande formuleren. »


Art. 9. [...]

Art. 10. Wanneer er tot sluiting van een nucleaire centrale overgegaan wordt, moet er in overleg met de sociale partners een sociaal begeleidingsplan voor de betrokken werknemers opgesteld worden.