Artikel 1.

[§ 1

In het Waalse Gewest wordt verstaan onder:
jachtbedrijf: de handeling die erin bestaat wild te vangen of te doden, alsook zijn opzoeking of achtervolging met hetzelfde doeleinde;
jachtjaar: periode van twaalf maanden waarvan de openings- en sluitingsdata door de Regering vastgelegd worden;
[Beleidsgroep Landelijke Aangelegenheden: de Beleidsgroep Landelijke Aangelegenheden, afdeling “Jacht”, bedoeld in artikel 2/6, §§ 1, 2 en 4 van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie;]
jachtraad: iedere door de Regering erkende rechtspersoon die voor het klein wild, het grof wild en het waterwild het jachtbeheer coördineert op een gebied waarvan de oppervlakte voldoende is ten opzichte van de biologische eigenschappen van het betrokkene wild en waarvan onder meer de houders van een jachtrecht op dit gebied lid zijn. De Regering bepaalt de algemene voorwaarden en de procedure voor de erkenning van de jachtraden;
loslaten: handeling die erin bestaat dieren als wild op een jachtgebied los te laten;
gebruiker: iedere persoon die een werkelijk belang heeft te verdedigen op de goederen zelf die hij gebruikt of uitbaat;
wildklem: instrument dat dient om een dier vast te houden of te vangen door middel van haken die om één of meer poten van het dier dichtklappen, waardoor het dier deze poot of poten niet uit de klem kan bevrijden;
afschotplan: beslissing tot vaststelling van het aantal dieren, verdeeld volgens hun soort, type, ouderdom en geslacht, die moeten of kunnen geschoten worden op een bepaald gebied tijdens één of meer jachtjaren;
jachtkansel: ieder platform of gelijk welke verheven zitplaats, die het mogelijk maakt het wild te schieten vanaf een punt gelegen boven het normaal niveau van de grond. Worden ermee gelijkgesteld de al dan niet ingerichte bomen, die gebruikt worden voor het schieten van het wild, alsmede iedere op de grond aangelegde constructie of inrichting gebruikt voor het schieten van het wild, uitgezonderd de drijfplaatsen tijdens een drijfjacht;
10°
[afgesloten gebied: onverminderd artikel 2ter, tweede lid, elke ruimte die geheel of gedeeltelijk voortdurend of tijdelijk afgebakend is met één of meer hindernissen waardoor het vrije verkeer van elk soort grof wild belet wordt.]

§ 2

[...]]