Wet Mariene Milieu
Wet ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Hoofdstuk I.
Definities


Art. 2.

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

1° " zeegebieden ": de territoriale zee, de exclusieve economische zone en het continentaal plat, bedoeld in de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België

2° " mariene milieu ": de abiotische omgeving van de zeegebieden en de biota, hierin inbegrepen de fauna, de flora en de mariene habitats die zij innemen, alsook de ecologische processen werkzaam binnen dit milieu en de onderlinge wisselwerkingen tussen de abiotische en biotische componenten en de ecosysteemfuncties die zij vervullen

3° " bescherming ": het geheel van maatregelen nodig voor het behoud, de ontwikkeling, het herstel en het duurzaam beheer van het mariene milieu alsook de maatregelen nodig voor het handhaven en herstellen van de kwaliteit van het mariene milieu, met uitsluiting van de maatregelen inzake voorkoming en beperking van verontreiniging die moeten genomen worden bij punt- of diffuse bronnen gelegen op het vasteland

4° " mariene habitat ": een zone in zee met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken en die zowel geheel natuurlijk als halfnatuurlijk kan
zijn

5° " verontreiniging ": de rechtstreekse of onrechtstreekse inbrenging door de mens van stoffen en energie in de zeegebieden, die schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid kan hebben, zoals schade aan de levende rijkdommen van de zee en de mariene ecosystemen, gevaar voor de gezondheid van de mens, belemmering van activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere rechtmatige gebruiken van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater of vermindering van de recreatieve waarde

6° " schade ": elke beschadiging, verlies of nadeel, geleden door een aanwijsbaar natuurlijk persoon of rechtspersoon, voortvloeiende uit een aantasting van het mariene milieu, wat er ook de oorzaak van is

7° " milieuverstoring ": een nadelige beïnvloeding van het mariene milieu, voor zover deze geen schade uitmaakt

8° " schip ": elk vaartuig, van welk type of omvang ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder onder meer draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, afzinkbare vaartuigen, drijvende tuigen, alsmede vaste of drijvende platforms

9° " routeringssysteem ": elke maatregel ten aanzien van de scheepvaart met het oog op de verbetering van de navigatie, het verhogen van de verkeersveiligheid of het beschermen van het mariene milieu, uitgezonderd het beloodsen van schepen

10° " scheepvaartongeval " : een aanvaring of stranding van schepen of elk ander scheepvaartvoorval of gebeurtenis aan boord van een schip of daarbuiten, dat kan leiden tot schade of milieuverstoring

11° " scheepseigenaar ": de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant van een schip

12° " overheid met bevoegdheid op zee ": elke daartoe aangestelde met de scheepvaartcontrole ambtenaar, elke met de politie te water belaste federale politieambtenaar, elke gezagvoerder van een patrouillevaartuig, elke ambtenaar of agent van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee, elke daartoe door zijn hiërarchische overste gemandateerde officier of onderofficier van de Marine, elke ambtenaar van het Directoraat-Generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en elke door de minister aangewezen beëdigde ambtenaar

13° " offshore-activiteiten ": activiteiten uitgevoerd in de zeegebieden met het oog op de exploratie, evaluatie of exploitatie van vloeibare of gasvormige koolwaterstoffen

14° " offshore-installatie ": elke kunstmatige structuur, installatie of vaartuig of onderdeel ervan, zowel drijvend als op de zeebodem vastgemaakt, die in de zeegebieden opgesteld is en bedoeld is voor offshore-activiteiten

15° " storten ":
i. het lozen zoals bedoeld in de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging door schepen noch het zich overeenkomstig toepasselijke regels van internationaal recht, ontdoen van afval of andere materie gepaard gaande met, of voortvloeiende uit, de normale werking van luchtvaartuigen of offshore-installaties;
ii. het tot zinken brengen of het zich opzettelijk ontdoen in zee van schepen, luchtvaartuigen, offshore-installaties of pijpleidingen;
iii. het in zee achterlaten van offshore-installaties of andere kunstmatige structuren, geheel of gedeeltelijk in situ, met de loutere bedoeling zich ervan te ontdoen;
Onder " storten " wordt niet begrepen:
i. het zich overeenkomstig het MARPOL-Verdrag of andere toepasselijke regels van internationaal recht, ontdoen van afval of andere materie gepaard gaande met, of voortvloeiende uit, de normale werking van schepen, luchtvaartuigen of offshore-installaties;
ii. de plaatsing van materie met een ander doel dan er zich enkel en alleen van te ontdoen, mits deze plaatsing niet strijdig is met het doel van deze wet

16° " verbranding ": elke opzettelijke verbranding van afval of andere materie op zee met de bedoeling deze thermisch te vernietigen;

 

Onder “verbranding” wordt niet begrepen het lozen door verbranden zoals bedoeld in de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging door schepen, noch de thermische vernietiging, in overeenstemming met toepasselijke regels van internationaal recht, van afval of andere materie die gepaard gaat met, of voortvloeit uit de normale werking van, luchtvaartuigen of offshore-installaties;

17° " directe lozingen ":
i. de lozingen waarbij stoffen, energie, voorwerpen of verontreinigd water de zeegebieden rechtstreeks vanaf de kust bereiken en niet via het hydrografische net of de atmosfeer;
ii. de lozingen afkomstig van elke bron die verband houdt met een opzettelijke verwijdering onder de zeebodem, toegankelijk gemaakt vanaf het land via tunnels, pijpleidingen of op enige andere manier;
iii. de lozingen afkomstig van kunstmatige structuren die in de zeegebieden staan opgesteld en niet dienen voor offshore-activiteiten

18° " OSPAR-Verdrag ": het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu van de noordoostelijke Atlantische Oceaan, ondertekend te Parijs op 22 september 1992 en goedgekeurd bij wet van 11 mei 1995

[...]

20° " de minister ": de minister of staatssecretaris tot wiens bevoegdheid de bescherming van het mariene milieu behoort

21° "Gebruiker van beschermde mariene gebieden" : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon van privaatrechtelijke of publiekrechtelijke aard, die recreatieve of professionele activiteiten in de beschermde mariene gebieden uitoefent

22° "Gebruikersovereenkomst" : een overeenkomst tussen de minister en de gebruikers van een beschermd marien gebied houdende maatregelen ter bescherming van deze gebieden

23° « ecosysteemfuncties » : de functies die natuurlijke rijkdommen vervullen ten behoeve van andere natuurlijke rijkdommen of het publiek;

24° « exploitant » : een natuurlijke persoon of private of openbare rechtspersoon die een economische activiteit verricht in of met gevolgen voor het mariene milieu in de zeegebieden, ongeacht het al dan niet winstgevend karakter van die activiteit, met uitzondering van de scheepseigenaar;

25° «preventieve maatregelen » : maatregelen naar aanleiding van een gebeurtenis, handeling of nalatigheid waardoor een onmiddellijke dreiging van schade ontstaan is, teneinde die schade te voorkomen of tot een minimum te beperken;

26° « inperkingsmaatregelen » : dringende maatregelen die, na het intreden van de schade, genomen worden om de schade onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen;

27° « herstelmaatregelen » : niet-dringende maatregelen, gericht op het herstel, de rehabilitatie of de vervanging van het aangetaste mariene milieu of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor het aangetaste mariene milieu;

28° « onmiddellijke dreiging van schade » : een voldoende waarschijnlijkheid dat zich in de nabije toekomst schade zal voordoen;

29° « natuurlijke rijkdommen » : beschermde soorten en natuurlijke habitats, water en bodem.

30° « Marien ruimtelijk plan » : een plan dat de gewenste ruimtelijke driedimensionale en temporele structuur van de menselijke activiteiten organiseert, op basis van een langetermijnvisie en aan de hand van duidelijke economische, sociale en ecologische doelstellingen. Dit plan is gericht op de coördinatie van beslissingen die een ruimtelijke impact hebben op de zeegebieden en verzekert dat elke belanghebbende bij het proces betrokken wordt.


Hoofdstuk II.
Algemene doelstellingen en beginselen


Art. 3.

§ 1.

Deze wet beoogt het behoud van de eigen aard, de biodiversiteit en het ongeschonden karakter van het mariene milieu door middel van maatregelen tot bescherming ervan en door middel van maatregelen tot preventie, inperking en herstel van schade en milieuverstoring, in het bijzonder door middel van duurzame beheers- en handhavingsmaatregelen.

 

§ 2.

Deze wet beoogt de organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden.


Art. 4.

§ 1

De gebruikers van de zeegebieden en de overheid zullen bij het uitvoeren van hun activiteiten in de zeegebieden rekening houden met het beginsel van het preventief handelen, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het duurzaam beheer, het beginsel dat de vervuiler betaalt en het herstelbeginsel.

 

De overheid zal ook bij het opstellen van een marien ruimtelijk plan rekening houden met deze beginselen.

 

§ 2

Het beginsel van het preventief handelen impliceert dat moet worden opgetreden om milieuschade te voorkomen, veeleer dan de schade achteraf te moeten herstellen.

 

§ 3

Het voorzorgsbeginsel betekent dat preventieve maatregelen moeten worden getroffen, indien er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan voor verontreiniging van de zeegebieden, zelfs in de gevallen dat er geen overtuigend bewijs is van een oorzakelijk verband tussen het inbrengen van stoffen, energie en materialen in de zeegebieden en de schadelijke gevolgen.

 

§ 4

Het beginsel van duurzaam beheer in de zeegebieden impliceert dat de natuurlijke rijkdommen in voldoende mate beschikbaar worden gehouden voor toekomstige generaties en dat de effecten van het menselijk handelen de draagkracht van het milieu in de zeegebieden niet overschrijdt. Hiertoe zullen de ecosystemen en de ecologische processen noodzakelijk voor het goed functioneren van het mariene milieu worden beschermd, de biologische diversiteit ervan worden behouden en het natuurbehoud worden gestimuleerd.

 

§ 5

Het beginsel dat de vervuiler betaalt betekent dat de kosten voor maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging en voor het herstellen van schade voor rekening zijn van de vervuiler.

 

§ 6

Het herstelbeginsel impliceert dat bij schade of milieuverstoring in de zeegebieden het mariene milieu in de mate van het mogelijke wordt hersteld in zijn oorspronkelijke toestand.


Art. 5. Elke persoon die in de zeegebieden een activiteit uitoefent, heeft de verplichting de nodige voorzorgen te nemen ter voorkoming van schade en milieuverstoring. In het bijzonder heeft de scheepseigenaar de verplichting alle nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om verontreiniging te voorkomen en te beperken.

Hoofdstuk IIbis.
Organisatie van de mariene ruimtelijke planning


Art. 5bis.

§ 1.

De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een procedure vast voor de aanneming van een marien ruimtelijk plan voor de Belgische zeegebieden, overeenkomstig de Europese en internationale regelgeving, en inzonderheid met betrekking tot het overleg met de betrokken sectoren en instanties.

 

Deze procedure omvat minstens :

een planningsproces; 
een openbaar onderzoek;
het opstellen van een strategisch milieueffectenrapport;
de procedure tot wijziging.

 

§ 2.

Het marien ruimtelijk plan is bindend. Het wordt door de Koning vastgesteld, bij een besluit na overleg in de Ministerraad. Het marien ruimtelijk plan wordt zesjaarlijks geëvalueerd en gewijzigd waar nodig. De Koning kan ook een tussentijdse wijzigingsprocedure regelen.

 

§ 3.

De Koning stelt een raadgevende commissie in om in het kader van de procedure vermeld in paragraaf 1 een niet-bindend advies te formuleren.

 

§ 4.

Het marien ruimtelijk plan wordt opgesteld volgens de volgende structuur :

een ruimtelijke analyse van de Belgische zeegebieden;
een langetermijnvisie betreffende het ruimtelijk gebruik van de Belgische zeegebieden;
duidelijke economische, sociale, milieu- en veiligheidsdoelstellingen, die ten minste de volgende onderdelen omvatten :
a) de effectieve doelstellingen;
b) de indicatoren die een betrouwbare aanwijzing vormen voor het bereiken van de gewenste doelstelling of van een gewenste gedragswijziging;
de maatregelen, instrumenten en acties tot uitvoering van het marien ruimtelijk plan.

 


Hoofdstuk III.
Beschermde mariene gebieden en bescherming van soorten


Afdeling I.
Algemene bepaling


Art. 6.

De Koning kan alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die met betrekking tot de zeegebieden voortvloeien uit de hierna opgesomde richtlijnen en internationale verdragen:

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die met betrekking tot de bescherming van het marien milieu in de zeegebieden voortvloeien uit internationale verdragen en Europese verordeningen of richtlijnen, inzonderheid:
i. de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;
ii. de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora;
iii. de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt te Ramsar op 2 februari 1971 en goedgekeurd bij de wet van 22 februari 1979;
iv. het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa, opgemaakt te Bern op 19 september 1979 en goedgekeurd bij de wet van 20 april 1989;
v. het Verdrag inzake de bescherming van de trekkende wilde diersoorten, opgemaakt te Bonn op 23 juni 1979 en goedgekeurd bij de wet van 27 april 1990 en de Overeenkomsten gesloten ter uitvoering van artikel 4, lid 3, van het Verdrag;
vi. het Verdrag inzake biologische diversiteit, opgemaakt te Rio de Janeiro op 5 juni 1992 en goedgekeurd bij de wet van 11 mei 1995.
(vii) het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, inzonderheid artikel 303 en deel XI, alsmede de Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van deel XI van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee van 10 december 1982, gedaan te New-York op 28 juli 1994, beide goedgekeurd bij de wet van 18 juni 1998


Afdeling II.
Beschermde mariene gebieden


Art. 7.

§ 1

In de zeegebieden kan de Koning beschermde mariene gebieden instellen en, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, de maatregelen nemen die nodig zijn voor de bescherming ervan.

 

§ 2

De beschermde mariene gebieden kunnen de hoedanigheid aannemen van:

a. integrale mariene reservaten die worden opgericht met het doel er de natuurlijke verschijnselen naar eigen wetten te laten evolueren;
b. gerichte mariene reservaten waarvan een aangepast beheer de bestaande toestand tracht te behouden of te herstellen in de staat die hun ecologische functie hen toewijst;
c. speciale beschermingszones of speciale zones voor natuurbehoud bestemd voor de instandhouding van zekere mariene habitats of bijzondere soorten;
d. gesloten zones, waarin gedurende het jaar of een gedeelte ervan bepaalde activiteiten niet toegelaten zijn;
e. bufferzones die worden aangewezen voor de bijkomende bescherming van beschermde mariene gebieden en waarin de aan de activiteiten gestelde beperkingen minder streng zijn dan in de mariene reservaten.

 

§ 3

De Koning neemt de nodige maatregelen voor het duidelijk afbakenen en, in voorkomend geval, aangeven op de zeekaarten van de beschermde mariene gebieden en voor het informeren van het publiek over de daar geldende beperkingen.

 

§ 4

De maatregelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op militaire activiteiten. De militaire overheid stelt evenwel, in overleg met de minister, alles in het werk om schade en milieuverstoring te voorkomen, zonder dat het inzetten en het paraat stellen van de krijgsmacht in het gedrang worden gebracht en rekening houdend met het specifiek statuut van het militaire domein.


Art. 8.

§ 1

In de gerichte en integrale mariene reservaten zijn alle activiteiten verboden, behoudens:
i. toezicht en controle;
ii. monitoring en wetenschappelijk onderzoek door, in opdracht of met toestemming van de overheid;
iii. de scheepvaart, tenzij deze wordt beperkt krachtens artikel 20 van deze wet;
iv. de activiteiten vallend onder artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
v. de activiteiten behorend tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest zoals bepaald in artikel 6, § 1, X, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
vi. militaire activiteiten, onverminderd de bepalingen van artikel 7, § 4, tweede volzin.

 

§ 2

In afwijking van artikel 8, § 1, kan de Koning in de gerichte mariene reservaten mits grondige motivatie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, activiteiten toelaten die de bestaande toestand niet in het gedrang brengen.

 

§ 3

In de speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, activiteiten geheel of gedeeltelijk verbieden, behoudens volgende activiteiten :
(i) toezicht en controle;
(ii) monitoring en wetenschappelijk onderzoek door, in opdracht of met toestemming van de overheid;
(iii) de scheepvaart, tenzij deze worden beperkt krachtens artikel 20;
(iv) de activiteiten vallend onder artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
(v) de activiteiten behorend tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest zoals bepaald in artikel 6, § 1, X, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
(vi) militaire activiteiten, onverminderd de bepalingen van artikel 7, § 4, tweede zin.


Art. 8bis.

§ 1

Voor de beschermde mariene gebieden bedoeld in artikel 7, § 2, kan de minister per beschermd gebied een gebruikersovereenkomst sluiten.

 

§ 2

Een gebruikersovereenkomst voldoet aan de volgende minimumvoorwaarden :
(i) de gebruikersovereenkomst vervangt de geldende wetgeving of reglementering niet en wijkt er niet in minder strenge zin van af;
(ii) de gebruikersovereenkomst is een gepast middel om het beoogde marien gebied te beschermen; (iii) de gebruikersovereenkomst wordt gesloten voor een bepaalde termijn, ten laatste aflopend op de dag dat het overeenstemmend beleidsplan, conform artikel 9 van deze wet, afloopt.
De Koning bepaalt de verdere voorwaarden voor het sluiten van gebruikersovereenkomsten tussen de minister en de gebruikers van de beschermde mariene gebieden.

 

§ 3

De minister kan voor elk beschermd marien gebied een gebruikersovereenkomst sluiten met elke betrokken gebruiker of organisatie van gebruikers van dat beschermd marien gebied, op voorwaarde dat laatstgenoemde aantoont dat zij :
(i) rechtspersoonlijkheid bezit;
(ii) genoeg representatief is voor de gebruikers van de Belgische zeegebieden die tot eenzelfde belangengroep behoren;
(iii) statutair de bevoegdheid heeft om een gebruikersovereenkomst te sluiten of door minstens drie vierden van haar leden hiervoor gemandateerd is.
De Koning bepaalt de regels inzake sluiting, uitvoering en beëindiging van de gebruikersovereenkomst.


Art. 9.

§ 1


Voor de beschermde mariene gebieden bedoeld in artikel 7, § 2, wordt per beschermd marien gebied een beleidsplan opgesteld ter beoordeling van de van toepassing zijnde bescherming.
De Koning stelt de regels vast in verband met de procedure, inhoud, de voorwaarden, termijn en de vorm waaraan deze beleidsplannen dienen te voldoen.

 

§ 2

[...]


Afdeling III.
Bescherming van soorten in de zeegebieden


Art. 10.

§ 1

De Koning stelt een lijst op van beschermde soorten in de zeegebieden. Voor de in het wild levende populaties van deze soorten en voor de daarvan afkomstige specimens geldt een systeem van strikte bescherming, waarbij er een verbod is op :
i. het opzettelijk vangen, verwonden of doden van de dieren, onder voorbehoud van de in artikel 14 voorziene bijzondere gevallen;
ii. het opzettelijk verstoren van de dieren, in het bijzonder tijdens de periodes van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
iii. de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van de dieren;
iv. het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de planten;
v. het in bezit hebben en vervoeren, behoudens de in artikel 14 vermelde gevallen en de gevallen vermeld in de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst van Washington van 3 maart 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en in de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de
Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door de controle op het desbetreffende handelsverkeer
;
vi. het verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden, behoudens de bepalingen van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst van Washington van 3 maart 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door de controle op het desbetreffende handelsverkeer.

 

§ 2

De Koning kan, enkel in uitzonderlijke gevallen, een afwijking op de verbodsbepalingen in § 1 toestaan ten behoeve van de volksgezondheid, het wetenschappelijk onderzoek, het onderwijs, de herbevolking of de herintroductie van deze soorten. De Koning werkt daarbij de procedure uit voor het aanvragen en toekennen van de afwijkingen. De aanvraag dient gemotiveerd te zijn en het toekennen van een afwijking kan slechts gebeuren na gunstig wetenschappelijk advies van wetenschappelijke instellingen met expertise inzake natuurbehoud.


Art. 11.

§ 1

De opzettelijke introductie van niet-inheemse organismen in de zeegebieden is verboden, tenzij een vergunning wordt verleend door de Koning.
Een vergunning kan maar worden verleend na onderzoek van de gevolgen van de introductie in het mariene milieu van de bedoelde organismen op de inheemse biota en levensgemeenschappen en de verspreidingsrisico's in aangrenzende gebieden. De introductie mag geen invloed hebben op de plaatselijke biota.
De Koning bepaalt de procedure voor het aanvragen en het toekennen van de vergunning.

 

§ 2

De onopzettelijke introductie van niet-inheemse organismen in de zeegebieden via het ballastwater van schepen kan door de Koning worden verboden.

 

§ 3

Indien de bescherming van de inheemse biota het vereist, kan de Koning, na advies van de bevoegde wetenschappelijke instelling, alle maatregelen nemen om niet-inheemse organismen die onvrijwillig of in overtreding van deze wet in de zeegebieden werden geïntroduceerd, te bestrijden of te verwijderen.

 

§ 4

De opzettelijke introductie in de zeegebieden van genetisch gemodificeerde organismen, al dan niet inheems, is verboden.


Art. 12.

§ 1

De jacht op vogels en zeezoogdieren is verboden in de zeegebieden.

 

§ 2

De Koning kan op voordracht van de minister , maatregelen nemen om de sportvisserij te beperken in de zeegebieden.


Art. 13. Elk levend en niet gewond dier, behorende tot de groep van de Cetacea en Pinnipedia dat onopzettelijk wordt gevangen in de zeegebieden, onder meer als bijvangst, moet onmiddellijk worden vrijgelaten. De Koning voert een meldingsplicht in inzake de onopzettelijke vangst van zeezoogdieren en regelt de procedure voor de melding.

Art. 14. Gewonde of dode zeezoogdieren die gevangen zijn als bijvangst en de zeezoogdieren die in nood, gewond, ziek of dood zijn en in de zeegebieden gevonden worden of gestrand zijn in de territoriale zee, maken het voorwerp uit van een opvangprocedure en van maatregelen, die door de Koning bepaald worden met als doel de hulp, de verzorging en het wetenschappelijk onderzoek van die dieren mogelijk te maken.

Hoofdstuk IV.
Voorkoming en beperking van verontreiniging en milieuverstoring


Art. 15.

§ 1

De verbranding in de zeegebieden is verboden.

 

§ 2

De verbranding op zee, buiten de zeegebieden, is eveneens verboden voor Belgische onderdanen en schepen onder Belgische vlag of in België geregistreerd.


Art. 16.

§ 1

Het storten in de zeegebieden is verboden.

 

§ 2

Het storten in zee, buiten de zeegebieden, is eveneens verboden voor Belgische onderdanen en schepen onder Belgische vlag of in België geregistreerd.

 

§ 3

Het verbod is niet van toepassing voor het storten van:
i. as van verbrande menselijke lijken;
ii. de niet-verwerkte vis, visafval en bijvangst overboord gezet door vissersvaartuigen;
iii. baggerspecie;
iv. inerte materialen van natuurlijke oorsprong, bestaande uit vast, chemisch onbehandeld geologisch materiaal, waarvan de chemische bestanddelen niet in het mariene milieu vrijkomen.


Art. 17. Directe lozingen in de zeegebieden zijn verboden.

Art. 18. Onverminderd het samenwerkingsakkoord van 12 juni 1990 tussen de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest ter vrijwaring van de Noordzee van nadelige milieueffecten ingevolge baggerspecielossingen in de wateren die vallen onder de toepassing van het OSPAR-Verdrag, is het storten van baggerspecie en inerte materialen van natuurlijke oorsprong onderworpen aan een machtiging. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de voorafgaande aanvraag tot het bekomen van een machtiging alsook de voorwaarden waarin deze machtiging kan worden bekomen geschorst of ingetrokken.

Art. 19. De Koning stelt de bijzondere regels vast met betrekking tot de normale exploitatielozingen bij offshore-activiteiten.

Hoofdstuk V.
Het voorkomen en beperken van verontreiniging veroorzaakt door schepen en exploitanten


Afdeling I.
Routeringssystemen ter voorkoming van verontreiniging en ter vrijwaring van de beschermde mariene gebieden


Art. 20.

§ 1


De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijzondere routeringssystemen verplicht stellen ter voorkoming van verontreiniging of ter vrijwaring van de beschermde mariene gebieden.

 

§ 2

De instelling van beschermde mariene gebieden in de territoriale zee mag niet tot gevolg hebben dat aan vreemde schepen het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee wordt ontzegd of aangetast.

 

§ 3

Beschermde mariene gebieden, die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in de exclusieve economische zone, worden medegedeeld aan de Internationale Maritieme Organisatie. De maatregelen ter bescherming van deze gebieden kunnen slechts worden opgelegd aan vreemde schepen nadat de Internationale Maritieme Organisatie ermee heeft ingestemd.

 

§ 4

Bijzondere routeringssystemen kunnen worden opgelegd aan bepaalde categorieën van schepen, wegens de intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen of materialen die ze vervoeren, voor zover deze routeringsmaatregelen de veiligheid van deze schepen niet in het gedrang brengen. Deze systemen kunnen slechts worden opgelegd nadat de Internationale Maritieme Organisatie ermee heeft ingestemd.

 

§ 5

Bijzondere routeringssystemen mogen in geen geval aanleiding geven tot het uitvaardigen van normen inzake het ontwerp, de constructie, de bemanning of uitrusting van schepen, die strengere verplichtingen opleggen dan de binnen de Internationale Maritieme Organisatie internationaal aanvaarde normen.

 

§ 6

Bijzondere routeringssystemen vastgesteld ter uitvoering van deze wet, zijn niet van toepassing op oorlogsschepen en marine hulpschepen, in de mate dat zij het inzetten en het paraat stellen van de krijgsmacht in het gedrang brengen.


Afdeling II.
Scheepvaartongevallen, het voorkomen en inperken van verontreiniging en schade en het optreden van de overheid met bevoegdheid op zee


Art. 21.

§ 1

De kapitein van een schip dat betrokken is bij een scheepvaartongeval in de zeegebieden, of bij diens ontstentenis de scheepseigenaar, dient dit onverwijld te melden aan de door de Koning aangewezen instantie volgens de modaliteiten voorzien in artikel 11 van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van de verontreiniging van de zee door schepen. De kapitein of de scheepseigenaar treft elke redelijke preventieve maatregel of inperkingsmaatregel.

 

§ 2

De kapitein is verplicht alle in verband met het ongeval gevraagde gegevens terstond te verstrekken en desgevraagd onmiddellijk alle informatie te verschaffen over de maatregelen die door het schip in verband met het ongeval reeds zijn genomen.

 

§ 3

Deze meldingsplicht geldt niet voor oorlogsschepen, schepen in gebruik als marine-hulpschepen en andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die deze uitsluitend voor andere dan handelsdoeleinden gebruikt. Voor deze schepen blijft de interne reglementering van toepassing.


Art. 22.

§ 1

Indien bij een scheepvaartongeval de overheid met bevoegdheid op zee oordeelt dat de door de kapitein of scheepseigenaar genomen maatregelen de verontreiniging of het risico op verontreiniging niet voorkomen, in onvoldoende mate beperken of niet ongedaan maken, kan zij aan de kapitein, de scheepseigenaar of diegenen die hulp verlenen aan het desbetreffende schip, instructies geven tot het nemen van preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de Verontreiniging of het risico op verontreiniging veroorzaakt door het ongeval.

 

§ 2

De aan de kapitein of de scheepseigenaar te geven instructies kunnen betrekking hebben op:
i. de aanwezigheid op een bepaalde plaats of in een bepaald gebied van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
ii. het verplaatsen van het schip en de zaken die zich aan boord daarvan bevinden;
iii. het verlenen van hulp aan het schip.

 

§ 3

De instructies aan diegenen die hulp verlenen aan het schip kunnen geen verbod tot het uitvoeren van de overeengekomen hulpverlening of het voortzetten van de reeds aangevangen hulpverlening inhouden.


Art. 23.

§ 1

Indien de instructies in uitvoering van artikel 22 van deze wet niet tot gevolg hebben dat verontreiniging door het ongeval kan worden voorkomen, in voldoende mate worden beperkt of ongedaan worden gemaakt, kan de overheid met bevoegdheid op zee ambtshalve alle nodige preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen nemen tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de schadelijke gevolgen van het ongeval.
Deze maatregelen kunnen onder meer tot doel hebben :
(i) het verrichten van onderzoek naar de toestand aan boord van het schip en de aard en toestand van de zaken die zich aan boord bevinden;
(ii) het brengen van het schip naar een haven, indien daardoor de schadelijke gevolgen beter kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt.

 

§ 2

De maatregelen moeten evenredig zijn met de schadelijke of mogelijke schadelijke gevolgen van het scheepvaartongeval en mogen niet verder gaan dan redelijkerwijs noodzakelijk om die schadelijke gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

 

§ 3

De scheepseigenaar draagt de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen. De Koning bepaalt de regels en de procedures voor het vaststellen en verhalen op de scheepseigenaar van de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen.


Art. 24.

§ 1

De overheid met bevoegdheid op zee kan eisen dat de scheepseigenaar, betrokken bij een scheepvaartongeval met risico's voor verontreiniging in de zeegebieden, een borgsom in de Deposito- en Consignatiekas stort, ten belope van het maximum van de mogelijke aansprakelijkheidslimieten, zoals vastgelegd in internationale verdragen en in de Belgische wetgeving.

 

§ 2

Het storten van deze som kan zonder kosten voor de Staat worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank of een door de overheid met bevoegdheid op zee ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een " Protection and Indemnity Club ".

 

§ 3

Bij weigering tot het storten van een borgsom of het verstrekken van een bankgarantie kan de overheid overgaan tot het vasthouden van het schip.

 

§ 4

Indien het schip is gezonken, kan de bevoegde rechtbank worden verzocht de borgsom of bankgarantie af te dwingen door in de Belgische havens beslag te leggen op andere schepen van de scheepseigenaar, totdat de borgsom is gestort of totdat aan de garantie is voldaan.


Afdeling III.
Exploitanten, het voorkomen en inperken van verontreiniging en schade, en het optreden van de overheid met bevoegdheid op zee.


Art. 24bis.

§ 1

Ingeval van verontreiniging of schade in de zeegebieden :

meldt de exploitant dit onverwijld aan de door de Koning aangewezen instantie, volgens de door de Koning bepaalde procedure;
treft de exploitant elke redelijke preventieve maatregel of inperkingsmaatregel.

 

§ 2

Op elk moment kan de overheid met bevoegdheid op zee :

de exploitant verplichten aanvullende informatie te verstrekken over de verontreiniging of de schade;
de exploitant verplichten preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen te nemen;
de exploitant verplichten instructies te volgen voor het nemen van preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen;
zelf preventieve maatregelen of inperkingsmaatregelen nemen.

 

§ 3

De exploitant draagt de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen. De Koning bepaalt de regels en de procedures voor het vaststellen en verhalen op de exploitant van de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen.


Art. 24ter.

§ 1

De overheid met bevoegdheid op zee kan eisen dat de exploitant, betrokken bij een gebeurtenis met risico's op verontreiniging van de zeegebieden, een borgsom in de Deposito- en Consignatiekas stort, ten belope van het maximum van de mogelijke aansprakelijkheidslimieten, zoals vastgelegd in internationale verdragen en in de Belgische wetgeving.

 

§ 2

Het storten van deze som kan zonder kosten voor de Staat worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank of een door de overheid met bevoegdheid op zee ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een « Protection and Indemnity Club ».

 

§ 3

Bij weigering tot het storten van een borgsom of het verstrekken van een bankgarantie kan de overheid overgaan tot het opschorten of intrekken van de vergunning voor de activiteiten van de exploitant.


Hoofdstuk VI.
Vergunningen en machtigingen


Art. 25.

§ 1

In de zeegebieden zijn de hiernavermelde activiteiten onderworpen aan een voorafgaande vergunning of machtiging verleend door de minister:
i. de burgerlijke bouwkunde;
ii. het graven van sleuven en het ophogen van de zeebodem;
iii. het gebruik van explosieven en akoestische toestellen met een groot vermogen;
iv. het achterlaten en het vernietigen van wrakken en gezonken scheepsladingen;
v. industriële activiteiten;
vi. de activiteiten van publicitaire en commerciële ondernemingen.

 

§ 2

De Koning kan, met het oog op de bescherming van het mariene milieu, andere activiteiten in de zeegebieden dan deze vermeld in § 1 en in § 3 hieronder onderwerpen aan een voorafgaande vergunning of machtiging.

 

§ 3

De volgende activiteiten zijn niet onderworpen aan de in dit artikel bedoelde vergunning of machtiging:
i. de beroepsvisserij;
ii. het wetenschappelijk zee-onderzoek;
iii. de scheepvaart, uitgezonderd de in § 1, punt (iv), bedoelde activiteiten;
iv. de activiteiten bedoeld in de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België;
v. de niet-winstgevende individuele activiteiten;
vi. de activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest zoals bepaald in artikel 6, § 1, X, laatste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.


Art. 26.

De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de toekenning, de opschorting, de opheffing en de intrekking van de in artikel 25 bedoelde vergunningen of machtigingen. Hij kan ook nadere regels vaststellen inzake het toezicht waaraan deze activiteiten zijn onderworpen.


Art. 27.

In afwijking van het bepaalde in artikel 25, kunnen de militaire activiteiten enkel aan een vergunning of machtiging worden onderworpen door de Koning op gezamenlijke voordracht van de minister en de minister die de Landsverdediging onder zijn bevoegdheid heeft. In dat geval wordt de vergunning of machtiging gezamenlijk verleend door de minister en de minister die de Landsverdediging onder zijn bevoegdheid heeft.


Hoofdstuk VII.
Milieu-effectenrapport en milieu-effectenbeoordeling


Art. 28.

§ 1

Elke activiteit in de zeegebieden die, hetzij krachtens deze wet en de besluiten genomen ter uitvoering ervan, hetzij krachtens andere geldende wettelijke of reglementaire bepalingen, onderworpen is aan een vergunning of een machtiging, behoudens de vergunningen verleend op grond van de visserijwetgeving en de concessies verleend op grond van de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België, maakt het voorwerp uit van een milieu-effectenbeoordeling door de hiertoe door de minister aangeduide bevoegde overheid zowel voor het verlenen van de vergunning of de machtiging, als achteraf.
De milieueffectenbeoordeling moet de evaluatie van de effecten van deze activiteiten op het mariene milieu mogelijk maken.

 

§ 2

Degene die een in § 1 bedoelde activiteit wenst te ondernemen, moet een milieu-effectenrapport voegen bij zijn vergunnings- of machtigingsaanvraag. Dit rapport wordt opgesteld op initiatief en op kosten van de aanvrager volgens de door de Koning bepaalde regels.

 

§ 3

De overheid die bevoegd is om de vergunningen of machtigingen bedoeld in § 1 te verlenen, houdt rekening met de resultaten van de milieueffectenbeoordeling. In de motivering van haar beslissingen wordt naar die resultaten verwezen.

 

§ 4

Voor verschillende activiteiten van dezelfde aard die het voorwerp uitmaken van afzonderlijke vergunningen of machtigingen, kan de bevoegde overheid overgaan tot één enkele geïntegreerde milieueffectenbeoordeling. In dit geval houdt ze bij haar beoordeling rekening met de globale gevolgen voor het milieu van de beoogde activiteiten en de vastgestelde interacties.

 

§ 5

Wanneer verschillende activiteiten van dezelfde aard het voorwerp uitmaken van afzonderlijke vergunningen of machtigingen, kan de bevoegde overheid de aanvrager de toelating verlenen één geïntegreerd milieu-effectenrapport te laten opstellen.


Art. 29.

Na het verlenen van de vergunningen of machtigingen worden de activiteiten onderworpen aan toezichtsprogramma's en permanente milieu-effectenonderzoeken. De toezichtsprogramma's en permanente milieu-effectenonderzoeken worden uitgevoerd door of in opdracht van de in voormeld artikel 28, § 1, bedoelde overheid op kosten van de houder van de vergunningen of machtigingen. Indien uit dit onderzoek blijkt dat zich nieuwe nadelige gevolgen voor het mariene milieu hebben voorgedaan, kunnen de vergunningen of machtigingen opgeschort, opgeheven of ingetrokken worden overeenkomstig het hierop van toepassing zijnde opschortings-, opheffings- of intrekkingsregime.


Art. 30.

§ 1

De Koning stelt de regels vast in verband met de procedure, de inhoud, de voorwaarden en de vorm waaraan de in dit hoofdstuk bedoelde milieu-effectenrapport en milieueffectenbeoordeling dienen te voldoen.

 

§ 2

De Koning legt aan de aanvrager van een vergunningsplichtige activiteit of een activiteit onderworpen aan een machtiging een vergoeding op om de kosten van de in dit hoofdstuk vereiste onderzoeken en de administratieve kosten te dekken.
Met betrekking tot de militaire activiteiten die krachtens artikel 27 onderworpen zijn aan een vergunning of een machtiging, bepaalt de Koning de regels met betrekking tot de vergoeding op gezamenlijk voorstel van de minister en van de minister die de Landsverdediging tot zijn bevoegdheid heeft.


Hoofdstuk VIII.
Noodmaatregelen ter vrijwaring en bescherming van het mariene milieu


Art. 31.

§ 1

Bij een ernstig en dreigend gevaar voor aantasting, hinder of verstoring van het mariene milieu, mag de overheid met bevoegdheid op zee overgaan tot het voorstellen van de noodzakelijke opvorderingen, volgens de wijze die zij het meest geschikt acht. Zij stelt de bevoegde ministers en de gouverneur van de provincie waar de opvorderingen plaatsvinden, hiervan onmiddellijk in kennis.

 

§ 2

De gouverneur neemt alle opvorderingsmaatregelen die hij nodig acht, stelt de minister die de Binnenlandse Zaken tot zijn bevoegdheid heeft, ervan in kennis en waakt erover dat onmiddellijk gevolg wordt gegeven aan deze maatregelen, desnoods door een beroep te doen op de openbare macht.

 

§ 3

De krachtens § 2 genomen maatregelen houden op uitwerking te hebben tien dagen nadat ze genomen zijn, tenzij ze binnen die termijn zijn bekrachtigd door de minister die de Binnenlandse Zaken in zijn bevoegdheid heeft. De betrokkenen hebben het recht om vooraf gehoord te worden.

 

§ 4

De opvorderingsmaatregelen genomen bij toepassing van dit artikel worden vergoed volgens de door de Koning bepaalde regels.


Art. 32.

§ 1

De overheid met bevoegdheid op zee neemt ambtshalve de nodige noodmaatregelen op zee ter bescherming en ter vrijwaring van het mariene milieu van de zeegebieden tegen de mogelijke gevolgen van een verontreiniging of om het hoofd te bieden aan een dreigende verontreiniging. Zij kan daartoe een beroep doen op hulpverleners en experten.

 

§ 2

De minister, de minister tot wiens bevoegdheid de Binnenlandse Zaken behoort, de minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort, de minister tot wiens bevoegdheid Landsverdediging behoort en de minister tot wiens bevoegdheid de Scheepvaart behoort, stellen gezamenlijk operationele interventieplannen op ter voorkoming, vrijwaring, bescherming en bestrijding om het hoofd te kunnen bieden aan een verontreiniging of een dreigende verontreiniging van de zeegebieden. In deze plannen wordt bepaald welke overheid
verantwoordelijk is voor de coördinatie van de interventies.

 

§ 3

Wanneer de overheid met bevoegdheid op zee de doeltreffendheid van de operationele plannen in reële oefeningen test, zijn de bepalingen van artikel 36 in voorkomend geval van toepassing.


Art. 33. Wanneer de overheid tussenkomt in de zeegebieden ter voorkoming, vermindering of bestrijding van verontreiniging, handelt zij op een zodanige wijze dat geen schade of risico's, rechtstreeks of onrechtstreeks, worden overgebracht van één gebied naar een ander gebied en dat één soort verontreiniging niet wordt omgezet in een andere soort verontreiniging.

Art. 34. De overheid met bevoegdheid op zee kan het voorstel aanvaarden van de veroorzaker van een verontreiniging om zijn eigen interventiemiddelen te ontplooien teneinde het hoofd te bieden aan de verontreiniging of de effecten ervan te verminderen of te voorkomen. In dit geval, geeft zij geval per geval de toestemming voor het gebruik van de voorgestelde interventiemethodes. De overheid met bevoegdheid op zee blijft belast met de coördinatie van de interventie ter plaatse en houdt toezicht op de operaties. Haar beslissing ontslaat de veroorzaker van een verontreiniging niet van zijn aansprakelijkheid inzake de vergoeding van de kosten van de veroorzaakte schade.

Art. 35. Elke natuurlijke of rechtspersoon die een verontreiniging veroorzaakt waardoor de zeegebieden worden bedreigd of aangetast, of die een voorval heeft veroorzaakt met een ernstig risico op een dergelijke verontreiniging, werkt samen met de overheid om er het hoofd aan te bieden en om er de schade van te herstellen. Deze personen schikken zich naar de instructies van de overheid, belast met de coördinatie van deze interventies.

Art. 36.

§ 1

Geen enkel chemisch product mag, met het oog op de bestrijding van een verontreiniging, in zee worden geloosd of verspreid, en geen enkel voorwerp mag er na gebruik worden achtergelaten, zonder de toestemming van de daartoe door de minister gemachtigde overheid. Deze toestemming wordt geval per geval verleend en er kunnen voorwaarden aan verbonden worden.

 

§ 2

Om een verontreiniging door koolwaterstoffen te bestrijden, worden prioritair en in hoofdzaak mechanische middelen ingezet. Het gebruik van koolwaterstofdispersanten of andere chemische producten kan slechts worden toegestaan wanneer het onderzoek van de omstandigheden laat vermoeden dat de chemische behandeling een globale vermindering van de vooropgestelde nadelige effecten van de betrokken verontreiniging op het mariene milieu met zich zal meebrengen, ten opzichte van de natuurlijke processen en de andere bestrijdingsmethoden. In dat geval moet de hoeveelheid dispersant of ander product onder de 20 % van het te behandelen koolwaterstofvolume blijven en mag in geen geval 100 ton per verontreinigingsincident overschrijden.

 

§ 3

In zijn keuze van de meest aangewezen bestrijdingsmiddelen houdt de in § 1 bedoelde overheid rekening met de terzake opgebouwde ervaring van de bevoegde nternationale organisaties en in het kader van verdragen.

 

§ 4

De overheid die, op de plaats van de verontreiniging, belast werd met de coördinatie van de interventie, moet erover waken dat de bepalingen van § 1 worden nageleefd.


Hoofdstuk IX.
Herstel van schade en van milieuverstoring


Art. 37.

§ 1

Elke schade en elke milieuverstoring die de zeegebieden aantast ten gevolge van een ongeval of een inbreuk op de van kracht zijnde wetgeving, brengt voor diegene die de schade of milieuverstoring heeft veroorzaakt, de verplichting mee deze te herstellen, zelfs al heeft hij geen fout begaan.

 

§ 2

De veroorzaker van de schade of de milieuverstoring is niet aansprakelijk overeenkomstig § 1, indien hij aantoont dat de schade of milieuverstoring:
1. uitsluitend het gevolg is van oorlog, burgeroorlog, terrorisme of van activiteiten die hoofdzakelijk de landsverdediging of de internationale veiligheid dienen; of van activiteiten die uitsluitend tot doel hebben bescherming te bieden tegen natuurrampen of van een natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onafwendbare en onweerstaanbare aard; of
2. geheel en al werd veroorzaakt door een opzettelijk handelen of nalaten van derden met de bedoeling schade of milieuverstoring te veroorzaken en voor zover de betrokken derde geen vertegenwoordiger, aangestelde of uitvoeringsagent is van de aansprakelijke persoon; of
3.
het gevolg is van de opvolging van een dwingende opdracht of instructie van een overheid, tenzij het een opdracht of instructie betreft naar aanleiding van een verontreiniging, veroorzaakt door de activiteiten van de veroorzaker van de schade of milieuverstoring zelf.

 

§ 3

Het recht op herstel van schade bestaat in hoofde van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de schade heeft ondergaan. Natuurlijke personen of rechtspersonen die schade lijden, dan wel voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade kunnen bij de overheid opmerkingen indienen betreffende gevallen van schade waarvan zij kennis hebben en kunnen de overheid verzoeken herstelmaatregelen te treffen.
De Koning bepaalt de regels en de procedures betreffende in voorgaand lid bedoelde verzoeken om herstelmaatregelen. Het recht op herstel van milieuverstoring bestaat in hoofde van de Staat.

 

§ 4

Dit artikel laat het recht van diegene die een verontreiniging heeft veroorzaakt, onverlet om zijn aansprakelijkheid te beperken in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in de toepasselijke wetgeving

 

§ 5

De veroorzaker van de schade of de milieuverstoring draagt de kosten voor de overeenkomstig deze afdeling genomen maatregelen voor het herstel van schade of milieuverstoring. Maatregelen voor het herstel van schade of milieuverstoring die worden getroffen door anderen dan de veroorzaker van de schade of de milieuverstoring om componenten van het mariene milieu in natura te herstellen of om hen te vervangen door gelijkwaardige componenten, moeten door de aansprakelijke veroorzaker van de schade of de milieuverstoring worden vergoed, voorzover de kosten van deze maatregelen niet onredelijk zijn in het licht van de te bereiken resultaten op het vlak van de bescherming van het mariene milieu.

 

§ 6

De Koning bepaalt de regels en de procedures voor het vaststellen, uitvoeren en opleggen van herstelmaatregelen.


Art. 38. De kosten van de te herstellen schade of milieuverstoring bij verontreiniging omvat ook de kosten gedragen door de overheid en de personen die op haar verzoek tussenkwamen, voor het nemen van maatregelen ter voorkoming, beperking, vrijwaring, bescherming en bestrijding van verontreiniging of een dreigende verontreiniging van het mariene milieu.

Art. 39.

De Koning regelt, op de gezamenlijke voordracht van de ministers bedoeld in artikel 32, § 2, de regels inzake de bepaling en de invordering van de kosten van de acties en de prestaties die worden besteed door de overheid om het hoofd te bieden aan een verontreiniging, en door de personen die op haar verzoek tussenkwamen. Bij de berekening van deze kosten worden niet enkel de kosten, besteed aan de ondernomen acties in aanmerking genomen, maar ook de vaste kosten die rechtstreeks zijn verbonden aan de interventie en de kosten die bij voorbaat worden besteed om over de nodige actiemiddelen te beschikken.


Art. 40.

§ 1

De Koning kan criteria en nadere regels vaststellen volgens dewelke een milieuverstoring en de kosten van het herstel ervan moeten worden vastgesteld.

 

§ 2

Bij een milieuverstoring wordt het herstel gevorderd door de Staat, onverminderd het recht van de andere personen bedoeld in artikel 37, § 5, om, in voorkomend geval, vergoeding te vorderen van de door hen gemaakte kosten.

 

§ 3

De kostprijs voor het herstel van de milieuverstoring dient door degene die de verstoring veroorzaakt heeft, te worden gestort in het Fonds Leefmilieu, bedoeld in de tabel gevoegd als bijlage bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.


Art. 41. Wanneer verschillende personen op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk aansprakelijk zijn voor éénzelfde schade of éénzelfde milieuverstoring, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.

Art. 42.

§ 1

Teneinde ervoor te zorgen dat de personen, verantwoordelijk voor de in dit hoofdstuk voorziene vergoeding voor schade aan het mariene milieu zich niet kunnen onttrekken aan hun verplichtingen, kan de overheid, van zodra het risico voor verontreiniging is vastgesteld, eisen dat een borgsom wordt gestort in de Deposito- en Consignatiekas, waarvan de grootte volstaat om de verwachte schade te dekken, zonder evenwel de limieten vastgesteld door het internationaal recht te overschrijden. Het storten van deze som kan zonder kosten voor de Staat worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank of een door de overheid ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een "Protection and Indemnity Club ".

 

§ 2

Om het bedrag van de borgsom vast te stellen houdt de overheid niet alleen rekening met de reeds geleden schade, maar ook met de risico's en de toekomstige gevolgen, zoals geëvalueerd door de bevoegde diensten van de overheid.


Hoofdstuk X.
Toezicht en controle


Art. 43.

Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, worden inbreuken op de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, opgespoord en vastgesteld door de volgende personen:

1. de waterschouten en de ambtenaren en agenten van de Zeevaartpolitie;
2. de gezagvoerders en hun aangestelden van de patrouillevaartuigen en vliegtuigen van de Staat;
3. de ambtenaren en agenten van het ministerie van Economische Zaken, aangeduid door de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren;
4. de ambtenaren en agenten van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee en de ambtenaren van het Directoraat-Generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
5. de daartoe door hun hiërarchie gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine;
6. de ambtenaren van de dienst Zeevisserij van het ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de minister tot wiens bevoegdheid de Landbouw behoort, voor zover de inbreuken betrekking hebben op de visserij;
7. de beëdigde agenten aangeduid door de minister voor het toezicht op de beschermde mariene gebieden, opgericht krachtens artikel 7 van deze wet.


Onverminderd de op de onder het eerste lid bedoelde ambtenaren toepasselijke regelgeving, kunnen deze ambtenaren door de Koning, voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.


Art. 44.

§ 1

De processen-verbaal worden opgesteld in het Nederlands of het Frans.

 

§ 2

Bij verklaring in een andere taal op vraag van wie de verklaring aflegt, wordt een door hem in eigen taal geschreven verklaring bij het proces-verbaal gevoegd.

 

§ 3

Deze processen-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel. Binnen de vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding wordt aan de overtreders een afschrift betekend of, indien het buitenlandse overtreders betreft, aan hun vertegenwoordigers in België of bij ontstentenis, aan de diplomatieke vertegenwoordiging van de Staat waarvan zij onderdaan zijn.


Art. 45.

§ 1

De in artikel 43, 1° tot 7°, vermelde ambtenaren en agenten alsmede de officieren van gerechtelijke politie hebben in de uitoefening van hun functie dag en nacht vrije toegang tot de schepen, de installaties en bouwwerken die zich in de zeegebieden bevinden, voor zover dit noodzakelijk is om inbreuken op deze wet te kunnen vaststellen en mits inachtneming bij koopvaardijschepen van de terzake geldende procedures.

 

§ 2

De in artikel 43, 1° en 3°, vermelde ambtenaren en agenten alsmede de officieren van gerechtelijke politie hebben in de uitoefening van hun functie dag en nacht vrije toegang tot de opslagplaatsen, overslagruimtes, kantoren, magazijnen, handelsgebouwen, voertuigen en ondernemingen die zich op land bevinden, voor zover dit noodzakelijk is om inbreuken op deze wet te kunnen vaststellen. Zij kunnen de plaatsen die tot woning dienen, slechts bezoeken mits verlof van de rechter van de politierechtbank.

 

§ 3

In de uitoefening van hun functie kunnen de in artikel 43 vermelde ambtenaren en agenten alsmede de officieren van gerechtelijke politie zich doen bijstaan door deskundigen en hebben zij het recht inzage te eisen en afschrift te nemen van documenten.

 

§ 4

De toegang tot de schepen en installaties van de Krijgsmacht, op zee of op land, is slechts mogelijk na toelating hiertoe verleend door de terzake bevoegde militaire overheid.


Art. 46.

De in artikel 43 vermelde ambtenaren en agenten alsmede de officieren van gerechtelijke politie kunnen stalen nemen of laten nemen voor analyse. Van die staalname wordt proces-verbaal opgemaakt.


Art. 47.

De in artikel 43 vermelde ambtenaren en agenten alsmede de officieren van gerechtelijke politie kunnen een beroep doen op de openbare macht voor de vervulling van hun taak.


Art. 48.

§ 1

Indien de overheid met bevoegdheid op zee goede redenen heeft om aan te nemen dat een vreemd schip de wetten en reglementen van België heeft overtreden, kan zij de achtervolging inzetten op voorwaarde dat het schip of één van zijn boten zich in de territoriale zee bevindt of in de aansluitende zone die grenst aan de territoriale zee. Indien het echter gaat over een overtreding van de wetten en reglementen van toepassing in de exclusieve economische zone of op het continentaal plat, kan de achtervolging in het geheel van de zeegebieden worden ingezet.

 

§ 2

De achtervolging wordt uitgeoefend door Belgische oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen of door andere Belgische overheidsschepen of –luchtvaartuigen daartoe gemachtigd. De achtervolging wordt slechts ingezet indien het vreemd schip aan een zichtbaar of hoorbaar bevel tot stoppen geen gevolg geeft en wordt ononderbroken voortgezet voorbij de grenzen van de zeegebieden.

 

§ 3

Het achtervolgingsrecht houdt op zodra het achtervolgde schip de territoriale zee van zijn eigen land of van een derde Staat bereikt, tenzij een akkoord met deze Staat hierover anders beschikt.

 

§ 4

Onverminderd het door dit artikel ingestelde recht van achtervolging, kan de Koning de nadere regels vaststellen die de in § 2 bedoelde schepen en luchtvaartuigen dienen te volgen in het kader van de uitoefening van dit recht.


Hoofdstuk XI.
Strafbepalingen


Art. 49.

§ 1

De inbreuken op de bepalingen van de artikelen 6, 7, 8, 10, 11 en 12 of de uitvoeringsbesluiten ervan worden gestraft met een geldboete van vijfhonderd
EURtot honderdduizend EUR.

 

§ 2

De inbreuken op de bepalingen van de artikelen 13 en 14 of de uitvoeringsbesluiten ervan worden gestraft met een geldboete van honderd EUR tot tweeduizend EUR.

 

§ 3

In geval van herhaling van de inbreuken op de bepalingen van de artikelen 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13 en 14 of de uitvoeringsbesluiten ervan, binnen een termijn van drie jaar volgend op de veroordeling wegens hetzelfde misdrijf, wordt de strafmaat verdubbeld.

 

§ 4

De in dit artikel voorziene straffen worden verdubbeld wanneer de inbreuk is begaan tussen zonsondergang en zonsopgang.


Art. 50.

§ 1

De inbreuken op de bepalingen van de artikelen 15, 16 en 17 worden gestraft met een geldboete van honderdduizend EUR tot één miljoen EUR en met een gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar of met één van deze straffen alleen.

 

§ 1/1.

De inbreuken op de door de Koning vastgelegde bepalingen die bindend zijn voor de rechtsonderhorigen betreffende de mariene ruimtelijke planning, zoals bedoeld in artikel 5bis worden gestraft met een geldboete van honderd euro tot honderdduizend euro en met een gevangenisstraf van twee maanden tot een jaar of met een van deze straffen alleen.

 

§ 2

Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 52, worden de inbreuken op de bepalingen van de artikelen 18 en 19 of van de uitvoeringsbesluiten ervan gestraft met een geldboete van tienduizend EUR tot tweehonderdduizend EUR en met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden of met één van deze straffen alleen.

 

§ 3

In geval van herhaling van de inbreuken op de bepalingen van de artikelen 15, 16, 17, 18 en 19 of de uitvoeringsbesluiten ervan, binnen de termijn van drie jaar volgend op de veroordeling wegens hetzelfde misdrijf, wordt de strafmaat verdubbeld.

 

§ 4

De in dit artikel voorziene straffen worden verdubbeld wanneer de inbreuk is begaan tussen zonsondergang en zonsopgang.


Art. 51. Wordt gestraft met een geldboete van tienduizend EUR tot vijfentwintigduizend EUR, de kapitein die een inbreuk pleegt op artikel 20, § 1, of artikel 21, § 1, of de uitvoeringsbesluiten ervan.

Art. 52.

§ 1

Diegene die een activiteit uitoefent zonder een voorafgaandelijke geldige vergunning of machtiging zoals vereist in de artikelen 18 en 25 en de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt gestraft met een geldboete van vijftigduizend EUR tot vijfhonderdduizend EUR en met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar of met één van deze straffen alleen.

 

§ 2

In geval van herhaling van de inbreuken op de bepalingen van de artikelen 18 en 25 binnen een termijn van drie jaar volgend op de veroordeling wegens hetzelfde misdrijf wordt de strafmaat verdubbeld.


Art. 53. Diegene die de verplichting, bedoeld in artikel 36, § 1, niet heeft nageleefd of doen naleven, wordt gestraft met een geldboete van tienduizend EUR tot tweehonderdduizend EUR.

Art. 54. Wordt gestraft met een geldboete van tweeduizend EUR tot tienduizend EUR, hij die bij toepassing van artikel 28, § 2, of de uitvoeringsbesluiten van artikel 30, § 1, wetens en willens onjuiste gegevens in een milieu-effectenrapport aan de overheid heeft verstrekt, wanneer de juiste informatie van die aard is dat de vergunning of de machtiging niet zou worden toegekend of dat daardoor de milieueffectenbeoordeling verkeerd werd ingeschat.

Art. 55. Wordt gestraft met een geldboete van tweeduizend EUR tot tienduizend EUR, hij die bij het uitoefenen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten de regelmatig uitgevoerde opdrachten van controle, toezicht en opsporing verhindert of de instructies of de coördinatie door de overheid manifest negeert.

Art. 56.

§ 1

De rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de schadevergoedingen, kosten en geldboetes, voortspruitend uit veroordelingen uitgesproken tegen hun organen of aangestelden wegens inbreuken op de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

 

§ 2

De rechtspersonen, en in het bijzonder de scheepseigenaar, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de verplichtingen van hun organen, die voortvloeien uit de toepassing van artikel 37.

 

§ 3.

Onverminderd de toepassing van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en de artikelen 41bis en 85, kan de geïdentificeerde natuurlijke persoon, in afwijking van artikel 5, tweede lid, van hetzelfde wetboek, samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld wegens inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.


Art. 57. Twintig procent van het bedrag van de geldboetes uitgesproken op basis van de artikelen 49 tot 55 moeten door de veroordeelde rechtstreeks worden gestort in het Fonds Leefmilieu, voorzien bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.

Art. 58.

Artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de minnelijke schikkingen, is van toepassing met dien verstande dat:

· [...]
· twintig procent van het bedrag van deze minnelijke schikking door de dader rechtstreeks wordt gestort in het Fonds Leefmilieu voorzien bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.

 


Art. 59.

§ 1

De rechtbank beveelt, op vordering van de minister, de verwijdering van de voorwerpen, inrichtingen of bouwwerken die in de zeegebieden werden geplaatst in overtreding op deze wet, en het herstel in de oorspronkelijke staat. De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn die één jaar niet mag overschrijden.
De rechten van de burgerlijke partij zijn ingeval van rechtstreeks herstel beperkt tot de door de minister gekozen wijze van herstel, onverminderd het recht om vergoeding voor schade te eisen van de veroordeelde.

 

§ 2

Voor het geval dat de plaats niet in de vorige staat wordt hersteld, beveelt het vonnis dat de minister en eventueel de burgerlijke partij van ambtswege in de uitvoering ervan kunnen voorzien. De overheid of natuurlijke persoon die het vonnis uitvoert, is gerechtigd de van de herstelling van de plaats afkomende materialen en voorwerpen te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen. De veroordeelde is gehouden alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van de materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat, begroot en invorderbaar verklaard door de beslagrechter.

 

§ 3

De §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing bij gezonken schepen, scheepstuig en scheepslading ingevolge scheepvaartongevallen, zoals bedoeld in Hoofdstuk V van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse internationale akten inzake scheepvaart.


Art. 60. Alle bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing.

Hoofdstuk XII.
Wijzigingsbepalingen


Art. 61.

§ 1

In artikel 1 van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van de verontreiniging door schepen wordt het punt 4° als volgt gewijzigd:
" 4° " Schip " : elk vaartuig, van welk type ook, dat in het mariene milieu opereert waaronder begrepen pleziervaartuigen, draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, afzinkbare vaartuigen en drijvende tuigen, alsmede vaste en drijvende platforms;".

 

§ 2

Hetzelfde artikel wordt als volgt aangevuld:
" 8° " pleziervaartuig ": elk vaartuig met een lengte over alles van 2,5 tot 24 meter, met of zonder eigen voortstuwingsvermogen, dat louter bestemd is voor het genoegen en om aan watersport te doen; ".


Art. 62. Artikel 6 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt:
" De schepen die de Belgische havens aanlopen, moeten voorzien zijn van een identificatienummer verstrekt door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).
Dit identificatienummer moet duidelijk leesbaar zijn op de relevante scheepsdocumenten. "

Art. 63.

§ 1

Artikel 5 van dezelfde wet, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Het eerste lid is eveneens van toepassing op schepen die een vreemde vlag voeren, gedurende de periode dat die schepen zich onder de jurisdictie van België bevinden, overeenkomstig het internationaal recht, ongeacht waar de lozingsovertreding zich heeft voorgedaan. "

 

§ 2

Een artikel 5bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
" Art. 5bis. Alle middelen van bewijs kunnen door de overheid worden aangewend ter bevestiging van duidelijke redenen om aan te nemen dat een lozing heeft plaatsgevonden, inbegrepen ooggetuigenverslagen, foto- en filmbeelden, kleurschakeringen op het wateroppervlak en andere door België aanvaarde internationale of regionale beoordelingsstandaarden.
Elk zichtbaar spoor door een schip achtergelaten, op of onder het wateroppervlak, in zijn kielzog of zijn onmiddellijke nabijheid, maakt op zich een duidelijke reden uit om aan te nemen dat een lozing heeft plaatsgevonden. "


Art. 64.

Een artikel 11bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
" Art. 11bis. Ieder olietankschip met een bruto tonnage van 150 ton of meer en ieder ander schip, dat geen olietankschip is, met een bruto tonnage van 400 ton of meer, dient een noodplan voor koolwaterstoffenverontreiniging aan boord te hebben.
Een dergelijk plan moet in overeenstemming zijn met de door de Internationale Maritieme Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan omvat ten minste:

1. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of andere personen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging, zoals vereist volgens artikel 8 van het Protocol I van het Verdrag, aangevuld met de door de Internationale Maritieme Organisatie ontwikkelde richtlijnen;
2. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van koolwaterstoffenverontreiniging;
3. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van koolwaterstoffen als gevolg van het voorval te bestrijden of te beperken, en
4. de procedures en de contactpersonen aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van verontreiniging. "


 


Art. 65. Artikel 12 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt:
" Het is een schip dat aan boord niet beschikt over een noodplan voor koolwaterstoffenverontreiniging, conform met het Verdrag en met artikel 11bis, verboden een Belgische haven te verlaten. "

Art. 66.

In dezelfde wet wordt een artikel 17bis ingevoegd, luidend als volgt:
" Art. 17bis. § 1. De waterschouten en de agenten van de zeevaartpolitie kunnen in de Belgische havens aan boord van een schip dat een vreemde vlag voert, een onderzoek instellen, teneinde na te gaan of, in strijd met de bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, schadelijke stoffen zijn geloosd in de Belgische territoriale zee of in een andere maritieme zone waarover België juridictie kan uitoefenen, overeenkomstig het internationaal recht. Wanneer bewijselementen zulks vereisen, kan een rechtsvervolging worden ingesteld. Deze bevoegdheid wordt hen ook verleend, op eigen initiatief of op verzoek van een andere betrokken Staat, voor overtredingen van het Verdrag begaan op volle zee.
Deze bevoegdheid wordt tevens uitgebreid tot overtredingen van het Verdrag begaan in de maritieme zone waarover een andere kuststaat juridictie bezit, op uitsluitend verzoek van deze laatste of van de vlaggestaat.
§ 2.
De waterschouten, de agenten van de zeevaartpolitie, de gezagvoerders van patrouillevaartuigen en de daartoe gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine kunnen aan boord van een schip dat een vreemde vlag voert, een onderzoek instellen wanneer het schip zich bevindt in de Belgische territoriale zee of in een andere maritieme zone waarover België jurisdictie kan uitoefenen, overeenkomstig het internationaal recht, teneinde na te gaan of in strijd met de bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, schadelijke stoffen in zee zijn geloosd.
§ 3.
Een onderzoek op zee omvat in eerste instantie een controle van alle documenten vereist om de lozingsovertreding te kunnen bevestigen of te ontkrachten en een verhoor van de kapitein. Indien uit de documenten het bewijs van de lozingsovertreding onvoldoende blijkt, kan worden overgegaan tot een nadere feitelijke inspectie van de voor de lozing belangrijke delen van het schip en het nemen van monsters.
§ 4.
Wanneer zij op grond van § 2 of § 3 optreden ten opzichte van een schip dat een vreemde vlag voert, leven de bedoelde ambtenaren en agenten volgende regels na:

    1. bij duidelijke redenen om aan te nemen dat een schip, in de territoriale zee een overtreding heeft begaan, kunnen zij in de territoriale zee overgaan tot het onderzoek van het schip. Wanneer bewijselementen zulks vereisen, kan een rechtsvervolging worden ingesteld en kan het schip in de territoriale zee worden vastgehouden of naar een Belgische haven worden opgebracht. De vasthouding wordt opgeheven vanaf het ogenblik dat de borgsom voorzien in artikel 31, lid 2, van deze wet wordt gestort;
  2. bij duidelijke redenen om aan te nemen dat het schip in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan, kunnen zij het schip vragen alle informatie mee te delen die nodig is om vast te stellen of zich wel degelijk een overtreding heeft voorgedaan, alsook de identiteit van het schip, zijn haven van registratie, en zijn laatste en volgende aanloophaven;
  3. bij duidelijke redenen om aan te nemen dat het schip in de exclusieve economische zone tot een lozing, ernstig genoeg om in strijd te zijn met het Verdrag, is overgegaan, kunnen zij in de exclusieve economische zone of de territoriale zee overgaan tot het onderzoek van het schip indien het schip heeft geweigerd informatie te verstrekken of, indien de door het schip verstrekte informatie zeer duidelijk afwijkt van de feitelijke situatie en de omstandigheden een zodanig onderzoek rechtvaardigen;
  4. bij aanwezigheid van duidelijke objectieve bewijselementen dat het schip in de exclusieve economische zone is overgegaan tot een ernstige lozing, die aanleiding geeft tot grote schade of het risico op grote schade aan het mariene milieu of de Belgische kustbelangen, kan het schip in de exclusieve economische zone of de territoriale zee worden vastgehouden en naar een Belgische haven worden opgebracht en kan een rechtsvervolging worden ingesteld. De vasthouding wordt opgeheven vanaf het ogenblik dat de borgsom voorzien in artikel 31, lid 2, van deze wet wordt gestort;
  5. bij koolwaterstoffenlozingen is het bepaalde in 3° ambtshalve van toepassing van zodra zichtbare sporen van lozing in het water of aan het wateroppervlak te voorschijn komen in de onmiddellijke nabijheid van het schip of in zijn kielzog en is het bepaalde in 4° ambtshalve van toepassing van zodra uit een eerste schatting blijkt dat de lozing meer dan duizend liter koolwaterstoffen bevat.

§ 5.
Bij onderzoek aan boord van schepen op zee mag hun veiligheid en de veiligheid van de scheepvaart niet in het gedrang worden gebracht en mag het mariene milieu aan geen onredelijk risico worden blootgesteld. Schepen kunnen daartoe worden verplicht zich naar een veilige ankerplaats op zee te begeven en kunnen naar een haven worden opgebracht. "


Art. 67. Artikel 18 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Art. 18. De vlaggestaat wordt via zijn diplomatieke vertegenwoordigers onverwijld op de hoogte gebracht van de vasthouding van één van zijn schepen en van de mogelijke maatregelen die het gevolg kunnen zijn van strafrechtelijke vervolgingen, ingesteld op basis van artikel 17bis.
Een strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 17bis kan niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het misdrijf is gepleegd.
Een strafrechtelijke vervolging op basis van artikel 17bis, § 4, 4°, wordt op uitdrukkelijk verzoek van de vlaggestaat geschorst, op voorwaarde dat de vlaggestaat binnen de zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de oorspronkelijke rechtsvervolging, zelf tot de strafrechtelijke vervolging overgaat voor dezelfde aanklachten en hij, ten bewijze hiervan, aan de Belgische Staat een volledig dossier over de zaak en de akten van rechtsvervolging ter beschikking stelt. Wanneer de door de vlaggestaat ingestelde rechtsvervolging tot een einde is gebracht, wordt de geschorste rechtsvervolging in België beëindigd. Na aftrek van de door België gemaakte kosten inzake het onderzoek aan boord, het nemen van monsters met betrekking tot de lozing, de analyse van deze monsters en het instellen van een rechtsvervolging, wordt de in artikel 31 vermelde borgsom vrijgegeven.
Een strafrechtelijke vervolging in België kan niet worden geschorst in de gevallen van lozing die aanleiding geven tot grote schade aan de Belgische kustbelangen of in de gevallen waarin de vlaggestaat reeds eerder aan een verplichting tot vervolging van een overtreding begaan door zijn schepen geen gevolg heeft gegeven. "

Art. 68. Artikel 20, eerste lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld als volgt:
" 6° indien het schip niet beschikt over een noodplan aan boord in geval van koolwaterstoffenverontreiniging, zoals voorzien in het Verdrag en artikel 11bis van deze wet;
7° indien het schip niet is voorzien van een IMO-identificatienummer, zoals verplicht gesteld in artikel 6, vierde lid, van deze wet. "

Art. 69. Artikel 25 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid:
" Van de inbreuken op het artikel 5 en van het verzetten tegen een onderzoek of het zich onttrekken aan de vasthouding, als bedoeld in artikel 17bis wordt proces-verbaal opgemaakt dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift van dit proces-verbaal, met vermelding van de in deze wet voorziene strafmaat, wordt binnen de vierentwintig uren na de vaststelling van de inbreuk overgemaakt aan de kapitein, de schipper of de scheepseigenaar. "

Art. 70. Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Art. 29. Met geldboete van vijfhonderdduizend frank tot één miljoen frank wordt gestraft de eigenaar, bevrachter, beheerder of exploitant van een schip waarop de bepalingen van de artikelen 5 en 12 of de uitvoeringsbesluiten ervan niet werden nageleefd. Indien het schip een pleziervaartuig of een vissersvaartuig is, wordt de eigenaar, bevrachter, beheerder of exploitant van het pleziervaartuig of vissersvaartuig gestraft met een geldboete van tienduizend frank tot vijfentwintigduizend frank.
Indien de overtreding wordt begaan tussen zonsondergang en zonsopgang, wordt de geldboete verdubbeld.
In geval van herhaling binnen de termijn van drie jaar die op een veroordeling volgt, kunnen de hierboven voorziene geldboetes op het dubbel van het maximum worden gebracht.
Met geldboete van tienduizend frank tot vijfentwintigduizend frank wordt gestraft de kapitein van een schip ander dan een vissersvaartuig of een pleziervaartuig die de artikelen 5, 10, 11 en 12 van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan overtreedt of zich verzet tegen het bepaalde in de artikelen 14, 15 en 17bis of zich niet houdt aan de daarin opgelegde verplichtingen.
Met een geldboete van drieduizend frank tot vijfentwintig duizend frank wordt gestraft de schipper of voerder van een vissersvaartuig of een pleziervaartuig die het artikel 5 van deze wet overtreedt of zich verzet tegen het instellen van een onderzoek of zich onttrekt aan de vasthouding als bedoeld in artikel 17bis.
Met een geldboete van tweeduizend frank tot tienduizend frank worden gestraft de officieren van een schip die de artikelen 5, 10 en 12 van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan overtreden of zich verzetten tegen het bepaalde in de artikelen 14, 15 en 17bis of zich niet houden aan de daarin opgelegde verplichtingen. "

Art. 71. Een artikel 29bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
" Art. 29bis. Artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering met betrekking tot de minnelijke schikking is van toepassing met dien verstande dat het minimumbedrag van de minnelijke schikking niet minder mag bedragen dan één tiende van de bij deze wet bepaalde minimum geldboete, verhoogd met de opdeciemen. "

Art. 72. Artikel 30 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Art. 30. Diegene die wordt gestraft met een in artikel 29 bedoelde geldboete of instemt met de in artikel 29bis bedoelde minnelijke schikking, is ertoe gehouden twintig procent van het bedrag van de uitgesproken geldboete of van de minnelijke schikking rechtstreeks te storten in het Fonds Leefmilieu. "

Art. 73. Artikel 31 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
" Art. 31. Bij ernstige vermoedens van overtreding van de artikelen 5, 10, 11, 12, 14 en 15 kan de waterschout de kapitein verbieden om met zijn schip de Belgische havens te verlaten, tenzij in de Deposito- en Consignatiekas als borgsom een som wordt gestort ter grootte van het in artikel 29 omschreven maximum voor de overtredingen, verhoogd met de opdeciemen. Het storten van bedoelde som kan zonder kosten voor de overheid worden vervangen door een bankgarantie, verleend door een in België gevestigde bank.
Schepen die op zee of in Belgische havens worden vastgehouden krachtens artikel 17bis, worden onmiddellijk vrijgegeven nadat in de Deposito- en Consignatiekas als borgsom een som wordt gestort ter grootte van het in artikel 29 omschreven maximum voor de overtredingen, verhoogd met de opdeciemen. Het storten van bedoelde som kan zonder kosten voor de overheid worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank.
De geldboete die is opgelegd door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing of de minnelijke schikking, naar gelang het geval, wordt op de borgsom verhaald. Het overblijvende gedeelte wordt onmiddellijk terugbetaald.
De rente van de in consignatie gegeven som wordt bij de borgsom gevoegd. "

Art. 74.

In artikel 32 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede lid wordt vervangen door het volgende lid:

" Zijn eveneens belast met de opsporing en de vaststelling op zee van de inbreuken op artikel 5 van deze wet:

  1. de gezagvoerders van de patrouillevaartuigen en -vliegtuigen van de Staat en hun aangestelden;
  2. de ambtenaren en agenten van de Beheerseenheid van het Mathematisch Model van de Noordzee;
  3. de daartoe door hun hiërarchie gemandateerde officieren en onderofficieren van de Marine."

2. Het derde lid wordt vervangen door het volgende:
" De in het tweede lid, 2°, bedoelde ambtenaren en agenten worden eveneens belast met de opsporingstaken van de overtredingen van het Verdrag die volgens internationale overeenkomsten inzake het toezicht vanuit de lucht van de zeeverontreiniging aan de Belgische autoriteiten zijn toevertrouwd. ".
3. Het artikel wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt:
" Van de inbreuken op deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden door dezen die de feiten hebben vastgesteld processen-verbaal opgesteld, die bewijswaarde hebben tot het tegendeel is bewezen. "


Art. 75. In artikel 13 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart wordt vóór het zesde lid, het volgende lid ingevoegd:
" Bij risico op mogelijke verontreiniging van het mariene milieu van de territoriale zee of de exclusieve economische zone of in het geval de veiligheid van de scheepvaart in deze mariene zones in gevaar wordt gebracht, heeft de eigenaar van een vaartuig dat aan de grond is gelopen of gezonken is, de verplichting zijn wrak, de wrakstukken, de gezonken tuigen, de lading, de aan boord aanwezige schadelijke stoffen of voorwerpen te lichten en uit het mariene milieu te verwijderen, behoudens indien het achterlaten door de overheid is vergund met toepassing van de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder rechtsbevoegdheid van België. "

Art. 76. Artikel 14, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt:
" e) alle andere nodige maatregelen treffen ter bescherming van het mariene milieu van de territoriale zee en de exclusieve economische zone tegen mogelijke verontreiniging. "

Art. 77. In artikel 17 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. § 1, laatste lid wordt aangevuld met een 5° luidend als volgt:
" 5° schade in navolging van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België. "
2. § 5 wordt vervangen door de volgende bepaling:
" § 5. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar en met een geldboete van vijfhonderd frank tot twee miljoen frank of met één van deze straffen, degene die:
1. de artikelen 13 tot 16 van deze wet overtreedt;
2. de besluiten die ter uitvoering van de artikelen 13 tot 16 van deze wet zijn genomen, overtreedt. "

Art. 78. Artikel 85, eerste lid, van de wet van 24 december 1976 houdende budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt aangevuld als volgt:
" Wanneer de contaminatie of accidentele verontreiniging evenwel op zee plaatsvindt of afkomstig is van een zeeschip, vallen deze kosten ten laste van de persoon die voormelde contaminatie of verontreiniging heeft veroorzaakt, overeenkomstig het internationaal recht. In dit geval zijn de eigenaars van de eventueel betrokken schepen burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk. "

Art. 79.

Artikel 3 van de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België, wordt aangevuld als volgt:
" § 2. Elke aanvraag tot concessie of machtiging omvat een milieueffectenrapport. dat is opgesteld onder verantwoordelijkheid en op kosten van de aanvrager. De aanvraag wordt onderworpen aan een milieueffectenbeoordeling. Het milieueffectenrapport wordt opgesteld en de milieueffectenbeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de Koning, op gezamenlijke voordracht van de minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en de minister die Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, vastgestelde regels in verband met de procedure, de inhoud en de vorm.
De exploratie en de exploitatie worden onderworpen aan een continu onderzoek naar de invloed van de betrokken activiteiten op de sedimentafzettingen en op het mariene milieu.
§ 3. De minister die Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, brengt advies uit over het milieueffectenrapport en de resultaten van de milieueffectenbeoordeling.
Concessies, machtigingen, verlengingen of vernieuwingen kunnen slechts worden toegestaan mits het gunstig advies van de minister die Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft.
Bij aanvragen en aanvragen tot verlenging of vernieuwing van een concessie of machtiging zal worden rekening gehouden met de resultaten van het continu onderzoek.
Indien uit het continu onderzoek blijkt dat de betrokken activiteiten onaanvaardbare nadelige gevolgen voor de sedimentafzettingen of voor het mariene milieu hebben, kan de concessie of machtiging, geheel of gedeeltelijk, opgeheven of geschorst worden.
§ 4. De exploratie en de exploitatie worden onderworpen aan een vergoeding volgens de modaliteiten die bepaald worden in de concessiebesluiten, voor de uitvoering van het continu onderzoek naar de invloed van de betrokken activiteiten op de sedimentafzettingen en op het mariene milieu.
§ 5. De Koning stelt op gezamenlijke voordracht van de minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en de minister die Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, een raadgevende commissie in om de coördinatie te verzekeren tussen de administraties die betrokken zijn bij het beheer van de exploratie en de exploitatie van het continentaal plat en de territoriale zee.
Om de drie jaar wordt een overzichtsrapport met de resultaten van het continue onderzoek aan de commissie voorgelegd.
De commissie heeft onder andere volgende specifieke opdrachten:

   · het coördineren van de onderzoeken van de concessieaanvragen en het formuleren van een advies over deze aanvragen;
  · het opvolgen van de verschillende studies die uitgevoerd worden naar de invloed van de zandwinningen op het continentaal plat;
  · het onderzoek van het driejaarlijks rapport;
  · het adviseren van corrigerende maatregelen indien een negatieve invloed zou worden vastgesteld en
  · het formuleren van beleidsvoorbereidende adviezen in verband met alle aspecten die verband houden met de zandwinningen.

De Koning kan de werkingsmodaliteiten en werkingskosten van de commissie vaststellen. "


Art. 80. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt in de rubriek " 25-4 Fonds Leefmilieu " tussen de woorden " de geldboeten bedoeld in artikel 30 van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van de verontreiniging door schepen " en " Aard van de gemachtigde uitgaven " de woorden " het herstel bedoeld in artikel 40 van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en de geldsommen bedoeld in de artikelen 57 en 58 van dezelfde wet " ingevoegd.

Art. 81. De wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt opgeheven, in zoverre ze van toepassing is op de territoriale zee.

Art. 82. De wet van 8 februari 1978 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag ter voorkoming van de verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten vanaf schepen en luchtvaartuigen en van de Bijlagen, opgemaakt te Oslo op 15 februari 1972, en van het Protocol tot wijziging van dat Verdrag, opgemaakt te Oslo op 2 maart 1983 en zijn uitvoeringsbesluiten, worden opgeheven. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt..