Art. 7.

[ 1 ]

[Op voorwaarde dat er geen bevredigende oplossing bestaat en zonder het voortbestaan van de betrokkene populatie te schaden, kan de Regering na advies van [de Beleidsgroep Landelijke Aangelegenheden], de vangst, de verdrijving of de bestrijding van wildsoorten toelaten [of bevelen]:
a.
in het belang van de bescherming van fauna en flora;
b.
om belangrijke schade aan teelten, veeteelt, bossen, visserijen, wateren te voorkomen;
c.
in het belang van de volksgezondheid en -veiligheid, alsook voor de luchtveiligheid;
d.
met het oog op vorsing en educatie, herbevolking, herinvoering alsook voor het kweken in verband met deze acties.
De Regering bepaalt de tijd- en plaatsomstandigheden, de middelen, installaties of methodes die kunnen gebruikt worden en welke personen bevoegd zijn voor de vangst, de verdrijving of de bestrijding, alsook de voorwaarden die zij moeten vervullen.
De inbreuken op de bepalingen van dit artikel worden gestraft met een geldboete van 100 tot 400 [euro].]

[ 2

Op grond van de gegevens verzameld krachtens artikel 6bis, neemt de Regering de noodzakelijke maatregelen om de ontrekking en de exploitatie van de steenmarter, de marter en de bunzing te beperken en om die soorten in een gunstige staat van instandhouding te bewaren.
Die maatregelen kunnen met name behelzen:
1
voorschriften betreffende de toegang tot sommige gebieden;
2
een tijdelijk of plaatselijk verbod op het onttrekken van specimens aan de natuur en het exploiteren van bepaalde populaties;
3
voorschriften omtrent de onttrekkingsperioden en/of -wijzen;
4
het bij de onttrekking toepassen van jachtregels die beantwoorden aan de eisen van instandhouding;
5
de instelling van een stelsel van onttrekkingsvergunningen of quota;
6
voorschriften betreffende het kopen, het verkopen, het te koop aanbieden, het in bezit hebben en het vervoeren voor verkoop van specimens.]