Afdeling II.
Werkmaatschappij


Art. 4.1.5.
Als een distributienetbeheerder voor de exploitatie van het distributienet en de uitvoering van openbaredienstverplichtingen een beroep wil doen op een werkmaatschappij, moet voorafgaandelijk toestemming verkregen worden van de VREG.
[De distributienetbeheerders kunnen op elk moment maar op één gezamenlijke werkmaatschappij een beroep doen gedurende een door de VREG aanvaarde periode. Die periode is voor iedere afzonderlijke distributienetbeheerder niet langer dan de duur van de aanwijzing van die distributienetbeheerder, maar is hernieuwbaar na afloop van die termijn.]
De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de VREG, de nadere voorwaarden waaraan de distributienetbeheerder en de werkmaatschappij waarop ze een beroep wil doen, moeten voldoen. Die voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, en de (mede)zeggenschap van de distributienetbeheerder over de werkmaatschappij.
De VREG geeft haar toestemming, zoals vermeld in het eerste lid, als zij van mening is dat de werkmaatschappij voldoet aan de voorwaarden die opgelegd zijn ter uitvoering van het vorige lid en aan de voorwaarden, vermeld in de artikelen 4.1.7 [tot en met artikel 4.1.8/1].
De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de toestemming van de VREG moet worden gevraagd en de procedure voor het onderzoek en het verlenen van de toestemming.
[De VREG kan haar toestemming, vermeld in het eerste lid, intrekken wanneer zij van oordeel is dat niet langer voldaan is aan de voorwaarden ter uitvoering van het derde lid of aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.7 tot en met 4.1.8/1.]

Art. 4.1.5/1.
De raad van bestuur van de werkmaatschappij telt maximaal twintig leden, waarbij elke deelnemende distributienetbeheerder ten minste één vertegenwoordiger heeft.
Het mandaat van lid van de raad van bestuur, vermeld in het eerste lid, is onverenigbaar met:
het lidmaatschap van de wetgevende kamers, het Europees Parlement, de gemeenschaps- en gewestparlementen, de Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, de Vlaamse Gemeenschapscommissie of de Franse Gemeenschapscommissie;
de functie of het ambt van minister, staatssecretaris, of het lidmaatschap van een gewest- of gemeenschapsregering.
Om een meer evenwichtige participatie van mannen en vrouwen te bevorderen mag ten hoogste twee derde van de leden van de raad van bestuur, vermeld in het eerste lid, van hetzelfde geslacht zijn.
Telkens als er door een voordrachtprocedure één of meer mandaten vacant zijn in de raad van bestuur, vermeld in het eerste lid, en de voorgedragen kandidaturen het niet mogelijk maken om te voldoen aan de verplichting, vermeld in het derde lid, wordt de voordrachtprocedure hernomen.

Art. 4.1.5/2.
De jaarlijkse bezoldiging van de gedelegeerd bestuurder, de CEO en de leden van het managementcomité van de werkmaatschappij mag niet meer bedragen dan de jaarlijkse bezoldiging van de minister-president van de Vlaamse Regering. Hoofdstuk 5 van het decreet van 22 november 2013 betreffende deugdelijk bestuur in de Vlaamse publieke sector is op die functies van overeenkomstige toepassing.