Art. 4.1.19.

§ 1

Iedere netbeheerder stelt jaarlijks een indicatief investeringsplan op voor het net dat hij beheert. Het investeringsplan bestrijkt een periode van drie jaar.
Het investeringsplan bevat:
een gedetailleerde raming van de capaciteitsbehoeften van het net in kwestie, met aanduiding van de onderliggende hypothesen;
het investeringsprogramma inzake vernieuwing en uitbreiding van het net dat de netbeheerder zal uitvoeren om aan de behoeften te voldoen;
een overzicht en toelichting over de in het afgelopen jaar uitgevoerde investeringen;
de toekomstverwachtingen in verband met decentrale productie.
Voor wat de aardgasdistributienetbeheerders betreft, bevat het investeringsplan ook:
een gedetailleerd plan van het aardgasdistributienet van de [aardgasdistributienetbeheerder], met aanduiding per straat (en eventueel huisnummers) van de bestaande aardgasleidingen;
een gedetailleerde lijst van het aardgasdistributienet van de [aardgasdistributienetbeheerder], met aanduiding per straat (en eventueel huisnummers) van de aardgasleidingen waarvan de aanleg in de drie daaropvolgende jaren wordt gepland;
[het aantal aangesloten en het aantal aansluitbare wooneenheden en gebouwen op 1 januari van het beschouwde jaar.]
Het technisch reglement kan nader bepalen op welke wijze deze informatie ter beschikking wordt gesteld.

§ 2

Het investeringsplan wordt jaarlijks ter goedkeuring voorgelegd aan de VREG.
Als de VREG, na overleg met de netbeheerder, vaststelt dat de investeringen voorzien in het investeringsplan de netbeheerder niet in de mogelijkheid stellen om op een adequate en doeltreffende manier aan de capaciteitsbehoeften te voldoen [...], kan de VREG de netbeheerder verplichten om het plan binnen een redelijke termijn aan te passen.
Bij gebrek aan een beslissing door de VREG binnen drie maanden na de ontvangst ervan wordt het investeringsplan geacht aangenomen te zijn. Als de VREG aan de netbeheerder bijkomende inlichtingen vraagt, wordt die termijn met nog eens drie maanden verlengd.