Hoofdstuk I.
Groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten


Afdeling I.
Toekenning van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten


Art. 7.1.1.

§ 1

Wat betreft installaties met startdatum voor 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, [wordt een groenestroomcertificaat toegekend] aan de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, voor iedere 1 000 kWh elektriciteit die in de installatie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.
Een productie-installatie met startdatum voor 1 januari 2013 krijgt enkel groenestroomcertificaten gedurende de periode van tien jaar. Indien de installatie in aanmerking komt voor de minimumsteun, vermeld in artikel 7.1.6, en die periode langer is dan tien jaar, krijgt de installatie groenestroomcertificaten gedurende de periode dat de installatie in aanmerking komt voor de minimumsteun.
In afwijking van het tweede lid kan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, aan het Vlaams Energieagentschap een verlenging van de steunperiode, vermeld in het tweede lid, aanvragen voor de periode die nodig is om het aantal groenestroomcertificaten te ontvangen dat overeenkomt met het aantal groenestroomcertificaten, toe te kennen volgens het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd, voor zover:
de installatie werd geïnstalleerd en uitgebaat volgens de regels van de kunst;
de opwekking van groene stroom niet gebeurt op basis van zonne-energie;
het aantal al ontvangen groenestroomcertificaten minstens 5 % ligt onder het aantal groenestroomcertificaten dat overeenkomt met het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd.
In afwijking van het tweede en derde lid, krijgt een productie-installatie met startdatum voor 1 januari 2013 aanvullend een aantal groenestroomcertificaten gedurende de periode van vijf jaar na het verstrijken van de periode, vermeld in het tweede en derde lid, op basis van een bandingfactor die berekend is voor het deel van de oorspronkelijke investering of van eventuele extra investeringen in de installatie, dat op het moment van het verstrijken van de periode, vermeld in het tweede en derde lid, nog niet is afgeschreven. [Ook indien er geen oorspronkelijke investering of extra investeringen zijn die nog niet zijn afgeschreven, wordt een bandingfactor berekend. Daarbij worden dan geen investeringskosten in rekening gebracht. De extra investeringen zijn uitgevoerd en in gebruik genomen voor 1 juli 2013 en voordat de periode, vermeld in het tweede en derde lid, is verstreken.] De waarde van de extra, nog niet volledig afgeschreven investeringen wordt enkel in rekening gebracht indien die minstens:
a)
20 % van de oorspronkelijke investering; en
b)
100.000 euro bedraagt; en
c)
uitsluitend essentiële componenten betreft met het oog op groenestroomproductie.
Het aantal groenestroomcertificaten dat gedurende de periode, vermeld in het vierde lid, voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in installaties met startdatum voor 1 januari 2013 wordt toegekend, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de voor die installatie van toepassing zijnde bandingfactor. De bandingfactor is in dit geval maximaal gelijk aan 1. De periode, vermeld in het vierde lid, kan eenmalig met vijf jaar worden verlengd voor zover nog altijd aan de voorwaarden, vermeld in het vierde lid wordt voldaan. Voor die nieuwe periode wordt een nieuwe bandingfactor berekend die maximaal gelijk is aan Btot voor het lopende kalenderjaar [...].
Het Vlaams Energieagentschap oordeelt of een aanvraag, vermeld in het derde, vierde of vijfde lid, van de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen gegrond is. De eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen levert daarvoor de vereiste bewijsstukken aan het Vlaams Energieagentschap. De eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen stelt op eenvoudig verzoek alle benodigde aanvullende informatie aan het Vlaams Energieagentschap ter beschikking. [Wanneer de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen een aanvraag tot verlenging, als vermeld in het vierde lid, indient zonder dat eerder een aanvraag tot verlenging, vermeld in het derde lid, werd ingediend, dan verliest deze installatie alle rechten tot verlenging van de steunperiode die ze kan verkrijgen op grond van het derde lid.]
[...]
[...]
[...]

§ 2

Wat installaties betreft die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, [worden groenestroomcertificaten toegekend] aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen.
[In afwijking van het eerste lid worden, als het fotovoltaïsch zonne-energiesysteem in aanmerking komt om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 11.1.3, geen groenestroomcertificaten toegekend voor de opwekking van de hoeveelheid elektriciteit uit zonne-energie die nodig is om aan die voorwaarde te voldoen. Voor de hoeveelheid elektriciteit die door het fotovoltaïsche zonne-energiesysteem wordt geproduceerd bovenop de hoeveelheid die nodig is om aan die verplichting, vermeld in artikel 11.1.3, te voldoen, worden wel groenestroomcertificaten toegekend.]
Een installatie met startdatum vanaf 1 januari 2013 krijgt enkel groenestroomcertificaten gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die hernieuwbare energietechnologie wordt gehanteerd.
Het aantal groenestroomcertificaten dat wordt toegekend voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor.
[De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het derde lid, een alternatieve methode voor toekennen van groenestroomcertificaten vastleggen op basis van het aantal vollasturen gehanteerd in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die hernieuwbare energietechnologie.]

§ 3

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van § 2, derde lid, bepalen dat [...] aan installaties waaraan groenestroomcertificaten werden toegekend, na afloop van de periode waarin de installatie voor steun in aanmerking komt op grond van § 2, derde lid, extra groenestroomcertificaten [worden toegekend] [Installaties die als brandstof gebruikmaken van biomassa komen echter niet in aanmerking voor een dergelijke verlenging.].
De Vlaamse Regering legt de periode en de voorwaarden vast voor de toekenning van die extra certificaten, inclusief de manier waarop de bandingfactoren voor die extra steunperiode worden berekend.
Het aantal extra groenestroomcertificaten dat kan worden toegekend voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in een dergelijke installatie, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor. De bandingfactor is maximaal gelijk aan Btot.

Art. 7.1.2.

§ 1

Wat betreft installaties met startdatum voor 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, [wordt een warmte-krachtcertificaat toegekend] aan de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, voor iedere 1 000 kWh primaire energiebesparing die in de installatie wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmte-krachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties.
Een productie-installatie of een ingrijpende wijziging met startdatum voor 1 januari 2013 krijgt enkel warmte-krachtcertificaten gedurende een door de Vlaamse Regering bepaalde periode, waarbij het aantal warmtekrachtcertificaten dat gedurende deze periode wordt toegekend degressief afneemt volgens een door de Vlaamse Regering bepaalde formule.

§ 2

Wat betreft kwalitatieve warmte-krachtinstallaties of ingrijpende wijzigingen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, [wordt een warmte-krachtcertificaat toegekend] aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen.
Een installatie [of ingrijpende wijziging] met startdatum vanaf 1 januari 2013 krijgt enkel warmte-krachtcertificaten gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek voor de onrendabele top voor de WKK-technologie wordt gehanteerd.
Het aantal warmte-krachtcertificaten dat voor installaties [of ingrijpende wijzigingen] met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt toegekend voor elke 1 000 kWh primaire energiebesparing, gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmte-krachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor.
[De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het tweede lid, een alternatieve methode voor toekennen van warmte-krachtcertificaten vastleggen op basis van het aantal vollasturen gehanteerd in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die warmte-krachttechnologie.]

§ 3

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van § 1 en § 2, tweede lid, bepalen dat [...] aan installaties waaraan warmte-krachtcertificaten werden toegekend, na afloop van de periode waarin de installatie in aanmerking komt voor steun op grond van § 1 of § 2, tweede lid, extra warmte-krachtcertificaten [worden toegekend].
De Vlaamse Regering legt ook de periode en de voorwaarden vast voor de toekenning van deze extra certificaten, inclusief de manier waarop de bandingfactoren voor deze extra steunperiode worden berekend.
Het aantal extra warmte-krachtcertificaten dat kan worden toegekend voor elke 1 000 kWh primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor.
De bandingfactor is in dit geval maximaal gelijk aan 0,75.

§ 4

De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast waaraan een warmte-krachtinstallatie moet voldoen om te worden beschouwd als een kwalitatieve warmte-krachtinstallatie en bepaalt de referentie-installaties.

Art. 7.1.3.
Groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten worden toegekend door de VREG op basis van de gegevens die hem daartoe worden overgemaakt door het Vlaams Energieagentschap, de netbeheerders, de transmissienetbeheerder, de eigenaar van de productie-installatie of diens gemachtigde.
De Vlaamse Regering legt de nadere toepassingsregels en procedures vast met betrekking tot de aanvraag en de toekenning van groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten, met inbegrip van de gegevensoverdracht, bedoeld in het vorig lid.[De Vlaamse Regering zorgt er hierbij voor dat een onderneming in moeilijkheden geen aanvraagdossiers voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten of warmtekracht certificaten kan indienen.]

Art. 7.1.4.
De door de VREG toegekende groenestroom-certificaten en warmtekrachtcertificaten worden geregistreerd in een centrale databank. De Vlaamse Regering bepaalt de specificaties die per certificaat in de centrale databank moeten worden vermeld.
[De VREG kan voor de unieke identificatie van de gebruikers van de databank het ondernemingsnummer, het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer opvragen en gebruiken.]

Afdeling I/1.
Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren


Art. 7.1.4/1.

§ 1

Het Vlaams Energieagentschap berekent en actualiseert [minstens] jaarlijks de onrendabele toppen volgens een procedure en methode die door de Vlaamse Regering wordt vastgelegd, als vermeld in § 3. [De Vlaamse Regering bepaalt in dit kader de verschillende categorieën waarvoor een onrendabele top wordt berekend en houdt daarbij minstens rekening met de gehanteerde technologievorm, de vermogensklasse en de gebruikte brandstof.].
De onrendabele toppen worden berekend voor representatieve projectcategorieën. De Vlaamse Regering legt deze representatieve projectcategorieën vast. De Vlaamse Regering kan ook [niet-representatieve] projectcategorieën vastleggen waarvoor per project een specifieke onrendabele top wordt bepaald.
De onrendabele toppen worden berekend voor nieuwe projecten die certificaten kunnen ontvangen op grond van artikel 7.1.1, § 2, of artikel 7.1.2, § 2, volgens een methodiek die de Vlaamse Regering vastlegt, als vermeld in § 4. [...]
De onrendabele toppen worden ook berekend voor lopende projecten voor de periode dat ze certificaten kunnen ontvangen op grond van artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, en § 2 of § 3 of artikel 7.1.2, § 2 of § 3, volgens een methodiek die de Vlaamse Regering vastlegt, als vermeld in § 4.
Op basis van de onrendabele toppen berekent het Vlaams Energieagentschap telkens ook de overeenstemmende bandingfactoren.
De bandingfactoren die van toepassing zijn worden zowel voor nieuwe als voor lopende projecten aangepast als de geactualiseerde bandingfactor meer dan 2 % afwijkt van de bandingfactor die van toepassing is.
De geactualiseerde bandingsfactoren voor lopende projecten [en voor nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar] zijn één maand na de actualisering van toepassing.
Het Vlaams Energieagentschap deelt [minstens een keer per jaar en dit in elk geval] voor 30 juni het rapport met de berekening van de onrendabele toppen en overeenstemmende bandingfactoren [voor de representatieve en niet-representatieve projectcategorieën, bedoeld in het tweede lid] mee aan de Vlaamse Regering en aan de minister.
De Vlaamse Regering legt de procedure vast voor aanpassing van de nieuwe banding factoren op basis van het rapport, meegedeeld aan de Vlaamse Regering en de minister.
Voor relevante technologieën en projecten die buiten de vastgestelde representatieve projectcategorieën vallen, legt het Vlaams Energieagentschap ook een voorstel voor op basis van een berekening van de onrendabele top en de bandingfactor. Daarbij legt het Vlaams Energieagentschap op basis van het verwachte aantal toe te kennen certificaten een analyse voor van de verwachte impact op de certificatenmarkt en de certificatenverplichting.

§ 2

[...]

§ 3

Voor het Vlaams Energieagentschap een rapport aan de Vlaamse Regering en aan de minister bezorgt, organiseert het een stakeholderoverleg. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor het voorwerp en de methode van dit stakeholderoverleg, en voor de deelnemers eraan.

§ 4

De Vlaamse Regering bepaalt de methodiek voor de berekening van de onrendabele top en houdt daarbij minstens rekening met de volgende parameters:
de geraamde investeringskosten in het geval van nieuwe projecten, de investeringskosten gebruikt bij de bepaling van de oorspronkelijke onrendabele top voor lopende projecten [en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar] tijdens de afschrijvingsperiode, en de vervangingsinvesteringskosten voor lopende projecten na de afschrijvingsperiode;
de afschrijvingsperiode;
de brandstofkosten;
de elektriciteitsprijs.
In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt voor installaties voor de productie van groene stroom met startdatum voor 1 januari 2013 ook rekening gehouden met het nog niet afgeschreven gedeelte van de oorspronkelijke investeringskosten of van latere extra investeringen, voor zover die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, vierde lid. [Tenzij anders door de Vlaamse Regering bepaald, wordt dit wat betreft het nog niet afgeschreven gedeelte van de oorspronkelijke investeringskosten berekend aan de hand van het oorspronkelijke afschrijvingsritme dat gehanteerd werd bij de indienstname van de betrokken installatie.]
Voor lopende projecten [en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar] voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top tijdens de afschrijvingsperiode bedoeld in artikel 7.1.1, § 2 of § 3, of in artikel 7.1.2, § 2 of § 3, niet geactualiseerd wanneer in de methodiek voor een projectcategorie brandstofkosten, vermeld in het eerste lid, 3°, van toepassing [kunnen] zijn. [De onrendabele top voor de productie van groene stroom in een installatie met een startdatum voor 1 januari 2013, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, wordt niet geactualiseerd. Voor alle andere lopende projecten [en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar] voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling wordt de onrendabele top enkel geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs.] Voor alle andere lopende projecten [en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar] voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling wordt de onrendabele top enkel geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs.
[In afwijking van het derde lid wordt voor alle lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmtekracht koppeling de onrendabele top tijdens de afschrijvingsperiode, vermeld in artikel 7.1.1, § 2 of § 3, of in artikel 7.1.2, § 2 of § 3, wel geactualiseerd op basis van de tarieven van de vennootschapsbelasting.]
De Vlaamse Regering kan in het kader van de berekeningsmethodiek van de onrendabele top maximumwaarden opleggen voor de parameters, vermeld in het eerste lid, of voor de [bandingfactoren].
De bandingfactor bedraagt in elk geval nooit meer dan 1,25.

Afdeling II.
Gebruik van de groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten


Art. 7.1.5.

§ 1 [

Groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten kunnen worden aangewend als in te dienen bewijsstuk in het kader van de certificatenverplichting, vermeld in respectievelijk artikel 7.1.10 en artikel 7.1.11.
]

§ 2 [

Een groenestroomcertificaat of een warmte-krachtcertificaat kan slechts eenmaal worden ingediend in het kader van de certificatenverplichting, in de zin van § 1.
]

§ 3

[[...]
Een groenestroomcertificaat [en warmte-krachtcertificaat] kan worden ingediend in het kader van de certificatenverplichting, in de zin van § 1, 2°, [tot tien jaar na de toekenning ervan].]

§ 4

De Vlaamse Regering legt de nadere criteria en procedures vast voor het voorleggen, aanvaarden en indienen van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten.
Productie-installaties voor zonne-energie die na 1 januari 2010 in dienst worden genomen en die geïnstalleerd worden op woningen of woongebouwen, waarvan het dak of de zoldervloer niet geïsoleerd is, komen niet langer in aanmerking voor het toekennen van groenestroomcertificaten die kunnen worden aanvaard in het kader van de certificatenverplichting, bedoeld in artikel 7.1.10. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de isolatievoorwaarde.
[[...]
Voor de bijstook tot 60 % van hernieuwbare energiebronnen in een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, wordt het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 50 %. Voor een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW waar enkel hernieuwbare energiebronnen worden verbruikt wordt voor de eerste 60 % groenestroomproductie het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 50 %.
In afwijking van het vierde lid, wordt voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in kolencentrales met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW die actief zijn op 1 januari 2011 en waar op en na deze datum niet langer producten worden verbruikt met de GN-codes 2701, 2702, 2703 of 2704, zoals bedoeld in de EG-verordening nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van EEG-Verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijke douanetarief, het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 11 %. Dit percentage kan niet verhoogd worden tot en met 30 april 2021. Indien het percentage alsnog zou verhoogd worden, vergoedt de Vlaamse overheid de eigenaars van de desbetreffende installaties voor de geleden schade.
[Het Vlaams Energieagentschap] bepaalt de berekening van het aandeel hernieuwbare energiebronnen in de stroomproductie.
Voor installaties die elektriciteit produceren op basis van zonne-energie zijn alleen de groenestroomcertificaten aanvaardbaar voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10, die zijn toegekend voor elektriciteit geproduceerd tijdens de periode dat de installatie kan genieten van minimumsteun vermeld in artikel 7.1.6.]
[In afwijking van het vierde tot en met het zevende lid, zijn wat betreft productieinstallaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 alleen de groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten, vermeld in artikel 7.1.1, § 2 en § 3, en artikel 7.1.2, § 2 en § 3, aanvaardbaar voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10 en artikel 7.1.11. Wat productie-installaties voor zonne-energie betreft, voldoen die tevens aan de voorwaarden, vermeld in het tweede en derde lid.]

Afdeling III.
Minimumwaarde van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten


Art. 7.1.6.

§ 1

De netbeheerders kennen voor zover de producent zelf daarom verzoekt een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die is opgewekt in installaties die aangesloten zijn op hun net en op gesloten distributienetten, gekoppeld aan hun net. Als bewijs van zijn productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen draagt de producent het overeenstemmende aantal groenestroomcertificaten over aan de betrokken netbeheerder.
Een groenestroomcertificaat kan maar eenmaal aan een netbeheerder worden overgedragen. Er kan geen steun worden verleend voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen waarvoor het betreffende groenestroomcertificaat niet kan worden aanvaard in het kader van artikel 7.1.10.
De minimumsteun wordt vastgelegd afhankelijk van de gebruikte hernieuwbare energiebron en de gebruikte productietechnologie.
Voor installaties in gebruik genomen vóór 1 januari 2010 bedraagt de minimumsteun:
voor zonne-energie: 450 euro per overgedragen certificaat;
voor waterkracht, getijden- en golfslagenergie en aardwarmte: 95 euro per overgedragen certificaat;
voor windenergie op land en voor organisch-biologische stoffen waarbij al dan niet co-verbranding wordt toegepast, voor de vergisting van organisch-biologische stoffen in stortplaatsen, en voor het organisch-biologisch deel van restafval: 80 euro per overgedragen certificaat. Voor biogas uit vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen, en biogas uit gft-vergisting met compostering: 100 euro per overgedragen certificaat.
Voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2010 en met startdatum voor 1 januari 2013 bedraagt de minimumsteun:
voor waterkracht, voor getijden- en golfslagenergie, voor aardwarmte, voor windenergie op land, voor vaste of vloeibare biomassa, biomassa-afval en biogas, voor zover deze niet vermeld worden in punt 2°: 90 euro per overgedragen certificaat;
voor stortgas, voor biogas uit vergisting van afvalwater(zuiveringsslib) of rioolwaterzuivering(sslib) en voor verbranding van restafval: 60 euro per overgedragen certificaat;
voor andere technieken: 60 euro per overgedragen certificaat;
voor biogasinstallaties die niet vermeld zijn in punt 2°: 90 euro per overgedragen certificaat. Voor biogas uit vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen, en biogas uit gft-vergisting met compostering:
a)
wanneer deze installaties in dienst zijn genomen voor 1 januari 2012: 100 euro per overgedragen certificaat;
b)
wanneer deze installaties in dienst zijn genomen na 1 januari 2012 en een ecologiepremie kregen toegekend: 100 euro per overgedragen certificaat;
c)
wanneer deze installaties in dienst zijn genomen na 1 januari 2012 en geen ecologiepremie kregen toegekend: 110 euro per overgedragen certificaat;
voor zonne-energie bedraagt de minimumsteun per overgedragen certificaat:
a)
voor installaties in gebruik genomen in het jaar 2010: 350 euro;
b)
voor installaties met een piekvermogen van maximaal 250 kW:
1)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011: 330 euro;
2)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011: 300 euro;
3)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011: 270 euro;
4)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012: 250 euro;
5)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 april 2012 tot en met 30 juni 2012: 230 euro;
6)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2012 tot en met 31 juli 2012: 210 euro;
7)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012: 90 euro;
c)
voor installaties met een piekvermogen van meer dan 250 kW:
1)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011: 330 euro;
2)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011: 240 euro;
3)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011: 150 euro;
4)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012: 90 euro.
Aan installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt een minimumsteun gegeven van 93 euro per overgedragen groenestroomcertificaat dat werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.1, § 2. Deze minimumsteun geldt ook voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013 die groenestroomcertificaten ontvangen met toepassing van artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, en die reeds minimumsteun ontvingen voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013.
Als een installatie voor zonne-energie wordt uitgebreid in een periode die recht geeft op een andere minimumsteun dan de minimumsteun op de datum van indienstneming van de oorspronkelijke installatie of de vorige uitbreiding, moet een aparte productiemeter en omvormer worden geplaatst voor de meting van de productie van de bijgeplaatste zonnepanelen. De minimumsteun voor de groenestroomcertificaten toegekend voor de productie via deze bijgeplaatste zonnepanelen is de minimumsteun van de datum van indienstneming van de uitbreiding van de installatie.
De verplichting, vermeld in het eerste lid, begint bij de inwerkingstelling van een nieuwe productie-installatie en loopt over een periode van tien jaar. Voor nieuwe en bestaande installaties voor gft-vergisting met nacompostering loopt deze verplichting over een periode van twintig jaar vanaf de inwerkingstelling. In het geval van zonne-energie loopt de verplichting voor installaties die in dienst zijn genomen vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2012 over een periode van twintig jaar. Voor zonne-energie-installaties die in dienst worden genomen vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 loopt de verplichting over een periode van tien jaar. Voor installaties die een startdatum vanaf 1 januari 2013 hebben, loopt de verplichting tot het einde van de periode waarin groenestroomcertificaten worden toegekend.
In afwijking van het achtste lid loopt de verplichting, vermeld in het eerste lid, in de gevallen, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, derde lid, tot het einde van de verlenging van de steunperiode.
In afwijking van het achtste lid, kunnen nieuwe productie-installaties die over [een omgevingsvergunning] moeten beschikken, in aanmerking komen voor de minimumsteun die geldt op het moment dat[de omgevingsvergunning of als er voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van het project enerzijds en het uitvoeren van de stedenbouwkundige handelingen anderzijds een afzonderlijke omgevingsvergunning werd verleend,] de laatste van die vergunningen werd verkregen, op voorwaarde dat na het verlenen van die laatste vergunning de installatie in gebruik wordt genomen binnen de volgende termijn:
voor zonne-energie binnen 12 maanden;
voor alle andere technologieën binnen 36 maanden.
De Vlaamse Regering kan voor projectcategorieën waarvoor een specifieke onrendabele top wordt bepaald, beslissen om de termijnen, vermeld in het tiende lid, te verlengen.
De Vlaamse Regering kan verdere definities voor toepassing van deze paragraaf vastleggen.

§ 2

De netbeheerders brengen [minstens één keer per jaar] certificaten die aan hen werden overgedragen op de markt om de kosten die verbonden zijn aan de verplichting, vermeld in paragraaf 1, te recupereren. De VREG zorgt voor de transparantie en de regulariteit van de verkoop van die certificaten door de netbeheerders. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de manier waarop, de voorwaarden waaronder en het tijdsbestek waarbinnen de netbeheerder de certificaten terug op de markt brengt.
De lijsten van de overgedragen certificaten en van de certificaten die door de netbeheerders op de markt werden gebracht, worden maandelijks door de netbeheerders aan de VREG meegedeeld.
Vanaf het jaar 2010 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de kost van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1. De te verdelen kosten worden per netbeheerder beperkt tot een percentage van het distributiebudget, dat overeenstemt met het aandeel dat de kosten van de verplichting voor alle betrokken netbeheerders samen vertegenwoordigt in het totale distributiebudget, plus 5 %.
[Vanaf het jaar 2015 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de kosten van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1.]

§ 3

De netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen, kent voor installaties die aangesloten zijn op het transmissienet, [of op gesloten distributienetten of op gesloten industriële netten, vermeld in artikel 2, 41°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, gekoppeld aan zijn net] of voor installaties in eilandwerking, een minimumsteun, als bepaald in paragraaf 1, toe per overgedragen groenestroomcertificaat dat werd toegekend ter uitvoering van artikel 7.1.1. Voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013 geldt deze verplichting enkel voor groenestroomcertificaten toegekend vanaf 1 juli 2013. Paragrafen 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4

Als de steun, vermeld in paragraaf 1 en 3, door een beslissing van de Vlaamse overheid niet langer wordt toegekend, vergoedt het Vlaamse Gewest de geleden schade voor bestaande installaties.

[§ 5

De netbeheerder kan de uitbetaling schorsen van de minimumsteun, bedoeld in § 1 en § 3, aan installaties, aangesloten op zijn net of op gesloten distributienetten, gekoppeld aan zijn net, indien deze niet voldoen aan de verplichtingen, opgelegd in of krachtens de technische reglementen, vermeld in artikel 4.2.1, tot alsnog aan deze verplichtingen wordt voldaan.
]

Art. 7.1.7.

§ 1

De netbeheerders kennen een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit die is opgewekt in kwalitatieve warmte-krachtinstallaties die aangesloten zijn op hun net en op gesloten distributienetten, gekoppeld aan hun net, voor zover de producent zelf daarom verzoekt. Als bewijs van zijn productie van elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling draagt de producent het overeenstemmende aantal warmte-krachtcertificaten over aan de betrokken netbeheerder.
Een warmte-krachtcertificaat kan maar eenmaal aan een netbeheerder worden overgedragen. Er kan geen steun worden verleend voor elektriciteit uit kwalitatieve warmte-krachtkoppeling waarvoor het betreffende warmtekrachtcertificaat niet kan worden aanvaard in het kader van artikel 7.1.11.
De minimumsteun bedraagt 27 euro per overgedragen warmte-krachtcertificaat. Voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012 en met startdatum voor 1 januari 2013 bedraagt de minimumsteun 31 euro per overgedragen warmte-krachtcertificaat. Aan installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt een minimumsteun gegeven van 31 euro per overgedragen warmte-krachtcertificaat dat werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.2, § 2.
De verplichting, vermeld in het eerste lid, geldt voor warmte-krachtinstallaties waarvoor de certificatenaanvraag werd ingediend na 30 juni 2006 en loopt over een periode van tien jaar vanaf de datum van indienstneming van de warmte-krachtinstallatie. Voor installaties die een startdatum vanaf 1 januari 2013 hebben, loopt de verplichting tot het einde van de periode waarin warmte-krachtcertificaten worden toegekend.

§ 2

De netbeheerders brengen [minstens één keer per jaar] warmte-krachtcertificaten die aan hen werden overgedragen op de markt om de kosten die verbonden zijn aan de verplichting, vermeld in paragraaf 1, te recupereren. De VREG zorgt voor de transparantie en de regulariteit van de verkoop van die warmtekrachtcertificaten door de netbeheerders. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de manier waarop, de voorwaarden waaronder en het tijdsbestek waarbinnen de netbeheerder de certificaten terug op de markt brengt.
De lijsten van de overgedragen warmte-krachtcertificaten en van de warmte-krachtcertificaten die door de netbeheerders op de markt werden gebracht, worden maandelijks door de netbeheerders aan de VREG meegedeeld.
Vanaf het jaar 2010 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de meerkosten van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1. De te verdelen kosten worden per netbeheerder beperkt tot een percentage van het distributiebudget, dat overeenstemt met het aandeel dat de kosten van de verplichting voor alle betrokken netbeheerders samen vertegenwoordigt in het totale distributiebudget, plus 5 %.
[Vanaf het jaar 2015 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de kosten van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1.]

§ 3

De netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen, kent voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties die aangesloten zijn op het transmissienet, of voor installaties in eilandwerking, een minimumsteun, als vermeld in paragraaf 1, toe per overgedragen warmtekrachtcertificaat dat werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.2, § 2.
De netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen, kent voor kwalitatieve warmte-krachtinstallaties die aangesloten zijn op het transmissienet, of voor installaties in eilandwerking en die een startdatum hebben van voor 1 januari 2013, een minimumsteun toe van 18 euro per overgedragen warmte-krachtcertificaat dat vanaf 1 juli 2013 werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.2, § 1.
Paragraaf 1 en 2, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4

Als de steun, vermeld in paragraaf 1 en 3, door een beslissing van de Vlaamse overheid niet langer wordt toegekend, vergoedt het Vlaamse Gewest de geleden schade voor bestaande installaties.

[§ 5

De netbeheerder kan de uitbetaling schorsen van de minimumsteun, bedoeld in § 1 en § 3, aan installaties, aangesloten op zijn net of op gesloten distributienetten, gekoppeld aan zijn net, indien deze niet voldoen aan de verplichtingen, opgelegd in of krachtens de technische reglementen, vermeld in artikel 4.2.1, tot alsnog aan deze verplichtingen wordt voldaan.
]

Afdeling IV.


Art. 7.1.8.
[...]

Art. 7.1.9.
[...]

Afdeling V.
Certificatenverplichtingen


Onderafdeling I.
De certificatenverplichting hernieuwbare energie


Art. 7.1.10.

§ 1

Iedere persoon die in het jaar n-1 als toegangshouder geregistreerd stond in het toegangsregister van een elektriciteitsdistributienetbeheerder, [een beheerder van een gesloten distributienet] de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet, op een afnamepunt in het Vlaamse Gewest, en geen netbeheerder is, is verplicht jaarlijks uiterlijk op 31 maart van het jaar n, bij de VREG het aantal groenestroomcertificaten in te dienen dat bepaald wordt met toepassing van § 2 of § 4 in voorkomend geval.

§ 2 [

Het aantal groenestroomcertificaten dat in een bepaald jaar n moet worden ingediend, wordt tot en met 31 maart 2012 vastgesteld met de formule:
C = G × Ev, waarbij:
C gelijk is aan het aantal in het jaar n in te dienen groenestroomcertificaten door een bepaalde toegangshouder;
G gelijk is aan:
0,008 als het jaar n gelijk is aan 2003;
0,012 als het jaar n gelijk is aan 2004;
0,020 als het jaar n gelijk is aan 2005;
0,025 als het jaar n gelijk is aan 2006;
0,030 als het jaar n gelijk is aan 2007;
0,0375 als het jaar n gelijk is aan 2008;
0,0490 als het jaar n gelijk is aan 2009;
0,0525 als het jaar n gelijk is aan 2010;
0,0600 als het jaar n gelijk is aan 2011;
10°
0,0700 als het jaar n gelijk is aan 2012;
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh die in het jaar n-1 afgenomen werd op afnamepunten in het Vlaamse Gewest waarop de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, beheerder van een gesloten distributienet, beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet. Daarbij wordt de afname per afnamepunt beperkt tot de afname tijdens de periode waarin de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder.
Het aantal groenestroomcertificaten dat in een bepaald jaar n moet worden ingediend, wordt vanaf 31 maart 2013 vastgesteld met de formule:
C = Gr × Ev [...], waarbij:
C gelijk is aan het aantal in het jaar in te dienen groenestroomcertificaten door een bepaalde toegangshouder;
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh die in het jaar n-1 afgenomen werd op afnamepunten in het Vlaamse Gewest waarop de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, beheerder van een gesloten distributienet, beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet. Daarbij wordt de afname per afnamepunt beperkt tot de afname tijdens de periode waarin de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder;
Gr gelijk is aan:
0,14 in 2013;
0,155 in 2014;
0,168 in 2015;
0,18 in 2016;
[0,23 in 2017;]
[0,205 in 2018;]
[0,215 in 2019 en daarna;]
[...]
[...]
[...]
Wanneer een bandingfactor wordt vastgelegd voor een installatie voor de productie van groene stroom met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 20 MW, wordt het aantal in te dienen groenestroomcertificaten geëvalueerd en eventueel verhoogd door de Vlaamse Regering.
De Vlaamse Regering stelt ook voor elk jaar een bruto binnenlandse groenestroomproductie voorop en legt indicatieve subdoelstellingen per hernieuwbare energiebron vast die erop gericht zijn de vooropgestelde bruto binnenlandse groenestroomproductie te bereiken.
]

§ 3

[In afwijking van paragraaf 2 wordt Ev vanaf 31 maart 2017 verminderd met de volgende hoeveelheden:
voor de afname tussen 1000 MWh en 20.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 47 % van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was. Die vermindering geldt alleen voor bedrijfsvestigingen waarvan de hoofdactiviteit behoort tot NACE-BEL 2008 code 05 tot en met 33 (industrie en winning van delfstoffen), code 46391, code 52100 of code 52241;
voor de afname tussen 20.000 MWh en 100.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 80 % van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
voor de afname tussen 100.000 MWh en 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 80 % van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
voor de afname boven 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 98 % van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
de hoeveelheid elektriciteit waarvoor grote verbruikers of gegroepeerde verbruikers met een totaal verbruik van meer dan 5 GWh in naam van de certificaatplichtige groenestroomcertificaten hebben ingediend.
]
Het geheel van afnamepunten van afnemers die instaan voor het verzorgen van openbaar vervoer, kunnen als één afnamepunt worden beschouwd.
[[...]
Het geheel van afnamepunten van afnemers van een na 1 juli 2011 aangelegd net dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56°/2, wordt als één afnamepunt beschouwd, voor zover het gesloten distributienet is aangesloten op het transmissienet of het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit.]
[In afwijking van het derde en vierde lid wordt het geheel van afnemers die instaan voor het verzorgen van openbaar vervoer niet als één afnamepunt beschouwd.]

[§ 3/1

Het op ondernemingsniveau [of vestigingsniveau] verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten wordt beperkt tot 4 % van de bruto toegevoegde waarde van de betrokken onderneming [of vestiging]. Voor [ondernemingen of vestigingen] met een elektriciteitsintensiteit van ten minste 20 % wordt dit beperkt tot 0,5 % van de bruto toegevoegde waarde van de betrokken onderneming [of vestiging]. [Dit houdt in dat in afwijking van paragraaf 3 de factor Ev, vermeld in paragraaf 2, wordt verminderd met 100% van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt van de betrokken onderneming of vestigingseenheid naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarvan de certificaatplichtige, vermeld in paragraaf 1, toegangshouder was.]
De Vlaamse Regering bepaalt de te volgen procedures, alsmede de modaliteiten en voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor het verkrijgen van deze vermindering. [De Vlaamse Regering maakt de toepassing van deze paragraaf afhankelijk van het storten van een bijdrage in het Energiefonds in het jaar n-1.]
[De Vlaamse Regering zorgt met toepassing van het eerste en het tweede lid en alleen als er op het federale niveau een gelijkaardige regeling bestaat, in jaar N voor een verrekening of terugbetaling van een bedrag ter grootte van het door de federale overheid vastgestelde op ondernemingsniveau of vestigingsniveau in het jaar N-1 door die onderneming of vestiging verschuldigde en betaalde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten. De Vlaamse Regering stelt in het kader van die verrekening of terugbetaling echter een plafond vast van een percentage van het in het jaar N-1 in totaal verschuldigde bedrag, vermeld in het eerste lid, dat die verrekening of terugbetaling niet mag overschrijden.]
]

§ 4

[Het Vlaams Energieagentschap legt een evaluatie van de quota- en productiedoelstellingen, vermeld in § 2, voor aan de Vlaamse Regering indien:
het aantal beschikbare certificaten minder dan 105 % of meer dan 125 % bedraagt van het aantal voor te leggen certificaten;
de verhouding tussen het aantal toegekende voor de certificatenverplichting aanvaardbare certificaten en de totale bruto geproduceerde groene stroom meer dan 5 % afwijkt van de verhouding bij de vorige evaluatie;
de werkelijke productie per hernieuwbare energiebron meer dan 10 % afwijkt van de subdoelstellingen per hernieuwbare energiebron, vermeld in § 2. In dat geval wordt tevens geëvalueerd welke de oorzaken zijn van die afwijkingen en worden remediërende maatregelen of bijsturing van de subdoelstellingen voorgesteld.
]
[De resultaten van de evaluatie worden door het Vlaams Energieagentschap publiek gemaakt.]
Indien uit deze evaluatie blijkt dat een verwachte daling van het bruto binnenlands elektriciteitsverbruik groter zal zijn dan de verplichte stijging van de doelstelling, vermeld in § 2, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2 te verhogen.
Indien Europese verplichtingen aanleiding geven tot een met de in § 2 vermelde doelstellingen niet haalbaar aandeel groene stroom, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2, te verhogen.
Indien de Vlaamse Regering certificaten aanvaardt voor groene stroom die niet is geproduceerd in het Vlaamse Gewest, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2, te verhogen.

Onderafdeling II.
De certificatenverplichting kwalitatieve warmtekrachtkoppeling


Art. 7.1.11.

§ 1

Iedere persoon die in het jaar n-1 [geregistreerd] stond als toegangshouder in het toegangsregister van een elektriciteitsdistributienetbeheerder[, een beheerder van een gesloten distributienet], de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet, op een afnamepunt in het Vlaamse Gewest, en geen netbeheerder is, is verplicht jaarlijks, uiterlijk op 31 maart van het jaar n, bij de VREG het aantal warmtekrachtcertificaten in te dienen dat bepaald wordt met toepassing van § 2.

§ 2 [

Het aantal warmte-krachtcertificaten dat in een bepaald jaar n moet worden ingediend, wordt vastgesteld met de formule:
Cw = W × Ev, waarbij:
Cw gelijk is aan het aantal in het jaar n in te dienen warmte-krachtcertificaten door een bepaalde toegangshouder;
W gelijk is aan:
0,0119 als het jaar n gelijk is aan 2006;
0,0216 als het jaar n gelijk is aan 2007;
0,0296 als het jaar n gelijk is aan 2008;
0,0373 als het jaar n gelijk is aan 2009;
0,0439 als het jaar n gelijk is aan 2010;
0,0490 als het jaar n gelijk is aan 2011;
0,0760 als het jaar n gelijk is aan 2012;
0,086 als het jaar n gelijk is aan 2013;
0,098 als het jaar n gelijk is aan 2014;
10°
0,105 als het jaar n gelijk is aan 2015;
11°
0,112 als het jaar n gelijk is aan 2016;
12°
0,112 als het jaar n gelijk is aan 2017;
13°
0,112 als het jaar n gelijk is aan 2018;
14°
0,112 als het jaar n gelijk is aan 2019 [en daarna;];
15°
[...]
16°
[...]
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh die in het jaar n-1 afgenomen werd op afnamepunten in het Vlaamse Gewest waarop de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, beheerder van een gesloten distributienet, beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet. Daarbij wordt de afname per afnamepunt beperkt tot de afname tijdens de periode waarin de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder.
Wanneer een bandingfactor wordt vastgelegd voor een warmte-krachtinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, wordt het aantal in te dienen warmte-krachtcertificaten geëvalueerd en eventueel verhoogd door de Vlaamse Regering.
]

[§ 2/1

[In afwijking van paragraaf 2 wordt Ev vanaf 31 maart 2017 verminderd met de volgende hoeveelheden:
voor de afname tussen 1000 MWh en 5000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 47 % van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was. De vermindering geldt enkel voor bedrijfsvestigingen waarvan de hoofdactiviteit behoort tot NACE-BEL 2008 code 05 tot en met 33 (industrie en winning van delfstoffen), code 46391 of code 52100 of code 52241;
voor de afname tussen 5000 MWh en 20.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 47 % van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was. De vermindering geldt enkel voor bedrijfsvestigingen waarvan de hoofdactiviteit behoort tot NACE-BEL 2008 code 05 tot en met 33 (industrie en winning van delfstoffen), code 46391 of code 52100 of code 52241;
voor de afname tussen 20.000 MWh en 100.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 50 % van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
voor de afname tussen 100.000 MWh en 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 80 % van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
voor de afname boven 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 85 % van deze afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was.
]
Het geheel van afnamepunten van afnemers op een op 1 juli 2011 bestaand net dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56°/2, wordt als één afnamepunt beschouwd.
Het geheel van afnamepunten van afnemers van een na 1 juli 2011 aangelegd net dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56°/2, wordt als één afnamepunt beschouwd, voor zover het gesloten distributienet is aangesloten op het transmissienet of het plaatselijke vervoersnet van elektriciteit.
]

§ 3 [

Het Vlaams Energieagentschap legt een evaluatie van de quotadoelstellingen, vermeld in § 2, voor aan de Vlaamse Regering indien:
het aantal beschikbare certificaten minder dan 105 % of meer dan 125 % bedraagt van het aantal voor te leggen certificaten;
de verhouding tussen het aantal toegekende voor de certificatenverplichting aanvaardbare certificaten en de gerealiseerde warmte-krachtbesparing meer dan 5 % afwijkt van de verhouding bij de vorige evaluatie.
De resultaten van de evaluatie worden door het Vlaams Energieagentschap publiek gemaakt.
De Vlaamse Regering kan onder meer op basis van die evaluatie de quotadoelstelling zoals vermeld in dit artikel aanpassen.
]

Onderafdeling III.
Gemeenschappelijke bepalingen


Art. 7.1.12.
De Vlaamse Regering kan besluiten om, na advies van de VREG, in het kader van de verplichtingen van artikelen 7.1.10 en 7.1.11, certificaten te aanvaarden die respectievelijk worden toegekend voor elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energie en primaire energiebesparing door kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in installaties buiten het Vlaamse Gewest.
Voor het aanvaarden van de in het eerste lid vermelde certificaten dienen een aantal randvoorwaarden vervuld te zijn. Die randvoorwaarden hebben betrekking op het bestaan van gelijke of gelijkwaardige garanties inzake de aflevering en op de goede werking van de certificatenmarkt.
De Vlaamse Regering stelt de procedure en voorwaarden vast voor de aanvaarding van dergelijke certificaten in het kader van de verplichtingen van artikelen 7.1.10 en 7.1.11. De Vlaamse Regering kan een voorwaarde tot wederkerigheid instellen.
De Vlaamse Regering sluit hierover een samenwerkingsakkoord af met de federale overheid, de andere gewesten of andere landen.

Art. 7.1.13.
Een groenestroomcertificaat of warmtekrachtcertificaat dat ingediend wordt in het kader van de certificatenverplichting, in de zin van [artikel 7.1.5, § 1], in de periode van 1 april van het jaar n tot en met 31 maart van het jaar n+1, wordt geacht te zijn ingediend in het kader van de certificatenverplichting van het jaar n.

Art. 7.1.14.
Om de drie jaar, en voor het eerst vóór 1 oktober van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet, legt de Vlaamse Regering [...] een evaluatierapport over de certificatenverplichtingen hernieuwbare energie en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling voor aan het Vlaams Parlement. Dat rapport evalueert de effecten en de kosteneffectiviteit van de certificatenverplichtingen.

Art. 7.1.15.
[...]