Art. 7.1.6.

§ 1

De netbeheerders kennen voor zover de producent zelf daarom verzoekt een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die is opgewekt in installaties die aangesloten zijn op hun net en op gesloten distributienetten, gekoppeld aan hun net. Als bewijs van zijn productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen draagt de producent het overeenstemmende aantal groenestroomcertificaten over aan de betrokken netbeheerder.
Een groenestroomcertificaat kan maar eenmaal aan een netbeheerder worden overgedragen. Er kan geen steun worden verleend voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen waarvoor het betreffende groenestroomcertificaat niet kan worden aanvaard in het kader van artikel 7.1.10.
De minimumsteun wordt vastgelegd afhankelijk van de gebruikte hernieuwbare energiebron en de gebruikte productietechnologie.
Voor installaties in gebruik genomen vóór 1 januari 2010 bedraagt de minimumsteun:
voor zonne-energie: 450 euro per overgedragen certificaat;
voor waterkracht, getijden- en golfslagenergie en aardwarmte: 95 euro per overgedragen certificaat;
voor windenergie op land en voor organisch-biologische stoffen waarbij al dan niet co-verbranding wordt toegepast, voor de vergisting van organisch-biologische stoffen in stortplaatsen, en voor het organisch-biologisch deel van restafval: 80 euro per overgedragen certificaat. Voor biogas uit vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen, en biogas uit gft-vergisting met compostering: 100 euro per overgedragen certificaat.
Voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2010 en met startdatum voor 1 januari 2013 bedraagt de minimumsteun:
voor waterkracht, voor getijden- en golfslagenergie, voor aardwarmte, voor windenergie op land, voor vaste of vloeibare biomassa, biomassa-afval en biogas, voor zover deze niet vermeld worden in punt 2°: 90 euro per overgedragen certificaat;
voor stortgas, voor biogas uit vergisting van afvalwater(zuiveringsslib) of rioolwaterzuivering(sslib) en voor verbranding van restafval: 60 euro per overgedragen certificaat;
voor andere technieken: 60 euro per overgedragen certificaat;
voor biogasinstallaties die niet vermeld zijn in punt 2°: 90 euro per overgedragen certificaat. Voor biogas uit vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen, en biogas uit gft-vergisting met compostering:
a)
wanneer deze installaties in dienst zijn genomen voor 1 januari 2012: 100 euro per overgedragen certificaat;
b)
wanneer deze installaties in dienst zijn genomen na 1 januari 2012 en een ecologiepremie kregen toegekend: 100 euro per overgedragen certificaat;
c)
wanneer deze installaties in dienst zijn genomen na 1 januari 2012 en geen ecologiepremie kregen toegekend: 110 euro per overgedragen certificaat;
voor zonne-energie bedraagt de minimumsteun per overgedragen certificaat:
a)
voor installaties in gebruik genomen in het jaar 2010: 350 euro;
b)
voor installaties met een piekvermogen van maximaal 250 kW:
1)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011: 330 euro;
2)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011: 300 euro;
3)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011: 270 euro;
4)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012: 250 euro;
5)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 april 2012 tot en met 30 juni 2012: 230 euro;
6)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2012 tot en met 31 juli 2012: 210 euro;
7)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012: 90 euro;
c)
voor installaties met een piekvermogen van meer dan 250 kW:
1)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011: 330 euro;
2)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011: 240 euro;
3)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011: 150 euro;
4)
voor installaties in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012: 90 euro.
Aan installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt een minimumsteun gegeven van 93 euro per overgedragen groenestroomcertificaat dat werd toegekend met toepassing van artikel 7.1.1, § 2. Deze minimumsteun geldt ook voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013 die groenestroomcertificaten ontvangen met toepassing van artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, en die reeds minimumsteun ontvingen voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013.
Als een installatie voor zonne-energie wordt uitgebreid in een periode die recht geeft op een andere minimumsteun dan de minimumsteun op de datum van indienstneming van de oorspronkelijke installatie of de vorige uitbreiding, moet een aparte productiemeter en omvormer worden geplaatst voor de meting van de productie van de bijgeplaatste zonnepanelen. De minimumsteun voor de groenestroomcertificaten toegekend voor de productie via deze bijgeplaatste zonnepanelen is de minimumsteun van de datum van indienstneming van de uitbreiding van de installatie.
De verplichting, vermeld in het eerste lid, begint bij de inwerkingstelling van een nieuwe productie-installatie en loopt over een periode van tien jaar. Voor nieuwe en bestaande installaties voor gft-vergisting met nacompostering loopt deze verplichting over een periode van twintig jaar vanaf de inwerkingstelling. In het geval van zonne-energie loopt de verplichting voor installaties die in dienst zijn genomen vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2012 over een periode van twintig jaar. Voor zonne-energie-installaties die in dienst worden genomen vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 loopt de verplichting over een periode van tien jaar. Voor installaties die een startdatum vanaf 1 januari 2013 hebben, loopt de verplichting tot het einde van de periode waarin groenestroomcertificaten worden toegekend.
In afwijking van het achtste lid loopt de verplichting, vermeld in het eerste lid, in de gevallen, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, derde lid, tot het einde van de verlenging van de steunperiode.
In afwijking van het achtste lid, kunnen nieuwe productie-installaties die over [een omgevingsvergunning] moeten beschikken, in aanmerking komen voor de minimumsteun die geldt op het moment dat[de omgevingsvergunning of als er voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van het project enerzijds en het uitvoeren van de stedenbouwkundige handelingen anderzijds een afzonderlijke omgevingsvergunning werd verleend,] de laatste van die vergunningen werd verkregen, op voorwaarde dat na het verlenen van die laatste vergunning de installatie in gebruik wordt genomen binnen de volgende termijn:
voor zonne-energie binnen 12 maanden;
voor alle andere technologieën binnen 36 maanden.
De Vlaamse Regering kan voor projectcategorieën waarvoor een specifieke onrendabele top wordt bepaald, beslissen om de termijnen, vermeld in het tiende lid, te verlengen.
De Vlaamse Regering kan verdere definities voor toepassing van deze paragraaf vastleggen.

§ 2

De netbeheerders brengen [minstens één keer per jaar] certificaten die aan hen werden overgedragen op de markt om de kosten die verbonden zijn aan de verplichting, vermeld in paragraaf 1, te recupereren. De VREG zorgt voor de transparantie en de regulariteit van de verkoop van die certificaten door de netbeheerders. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de manier waarop, de voorwaarden waaronder en het tijdsbestek waarbinnen de netbeheerder de certificaten terug op de markt brengt.
De lijsten van de overgedragen certificaten en van de certificaten die door de netbeheerders op de markt werden gebracht, worden maandelijks door de netbeheerders aan de VREG meegedeeld.
Vanaf het jaar 2010 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de kost van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1. De te verdelen kosten worden per netbeheerder beperkt tot een percentage van het distributiebudget, dat overeenstemt met het aandeel dat de kosten van de verplichting voor alle betrokken netbeheerders samen vertegenwoordigt in het totale distributiebudget, plus 5 %.
[Vanaf het jaar 2015 verrekenen de netbeheerders, met uitzondering van de netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangeduid, jaarlijks in het jaar n onderling de kosten van de verplichting, vermeld in paragraaf 1, in verhouding tot de hoeveelheden verdeelde elektriciteit in het jaar n-1.]

§ 3

De netbeheerder die overeenkomstig de federale Elektriciteitswet ook als transmissienetbeheerder is aangewezen, kent voor installaties die aangesloten zijn op het transmissienet, [of op gesloten distributienetten of op gesloten industriële netten, vermeld in artikel 2, 41°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, gekoppeld aan zijn net] of voor installaties in eilandwerking, een minimumsteun, als bepaald in paragraaf 1, toe per overgedragen groenestroomcertificaat dat werd toegekend ter uitvoering van artikel 7.1.1. Voor installaties met startdatum voor 1 januari 2013 geldt deze verplichting enkel voor groenestroomcertificaten toegekend vanaf 1 juli 2013. Paragrafen 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4

Als de steun, vermeld in paragraaf 1 en 3, door een beslissing van de Vlaamse overheid niet langer wordt toegekend, vergoedt het Vlaamse Gewest de geleden schade voor bestaande installaties.

[§ 5

De netbeheerder kan de uitbetaling schorsen van de minimumsteun, bedoeld in § 1 en § 3, aan installaties, aangesloten op zijn net of op gesloten distributienetten, gekoppeld aan zijn net, indien deze niet voldoen aan de verplichtingen, opgelegd in of krachtens de technische reglementen, vermeld in artikel 4.2.1, tot alsnog aan deze verplichtingen wordt voldaan.
]