Onderafdeling I.
De certificatenverplichting hernieuwbare energie


Art. 7.1.10.

§ 1

Iedere persoon die in het jaar n-1 als toegangshouder geregistreerd stond in het toegangsregister van een elektriciteitsdistributienetbeheerder, [een beheerder van een gesloten distributienet] de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet, op een afnamepunt in het Vlaamse Gewest, en geen netbeheerder is, is verplicht jaarlijks uiterlijk op 31 maart van het jaar n, bij de VREG het aantal groenestroomcertificaten in te dienen dat bepaald wordt met toepassing van § 2 of § 4 in voorkomend geval.

§ 2 [

Het aantal groenestroomcertificaten dat in een bepaald jaar n moet worden ingediend, wordt tot en met 31 maart 2012 vastgesteld met de formule:
C = G × Ev, waarbij:
C gelijk is aan het aantal in het jaar n in te dienen groenestroomcertificaten door een bepaalde toegangshouder;
G gelijk is aan:
0,008 als het jaar n gelijk is aan 2003;
0,012 als het jaar n gelijk is aan 2004;
0,020 als het jaar n gelijk is aan 2005;
0,025 als het jaar n gelijk is aan 2006;
0,030 als het jaar n gelijk is aan 2007;
0,0375 als het jaar n gelijk is aan 2008;
0,0490 als het jaar n gelijk is aan 2009;
0,0525 als het jaar n gelijk is aan 2010;
0,0600 als het jaar n gelijk is aan 2011;
10°
0,0700 als het jaar n gelijk is aan 2012;
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh die in het jaar n-1 afgenomen werd op afnamepunten in het Vlaamse Gewest waarop de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, beheerder van een gesloten distributienet, beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet. Daarbij wordt de afname per afnamepunt beperkt tot de afname tijdens de periode waarin de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder.
Het aantal groenestroomcertificaten dat in een bepaald jaar n moet worden ingediend, wordt vanaf 31 maart 2013 vastgesteld met de formule:
C = Gr × Ev [...], waarbij:
C gelijk is aan het aantal in het jaar in te dienen groenestroomcertificaten door een bepaalde toegangshouder;
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh die in het jaar n-1 afgenomen werd op afnamepunten in het Vlaamse Gewest waarop de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder in het toegangsregister van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, beheerder van een gesloten distributienet, beheerder van het plaatselijke vervoernet van elektriciteit of beheerder van het transmissienet. Daarbij wordt de afname per afnamepunt beperkt tot de afname tijdens de periode waarin de betrokken persoon geregistreerd stond als toegangshouder;
Gr gelijk is aan:
0,14 in 2013;
0,155 in 2014;
0,168 in 2015;
0,18 in 2016;
[0,23 in 2017;]
[0,205 in 2018;]
[0,215 in 2019 en daarna;]
[...]
[...]
[...]
Wanneer een bandingfactor wordt vastgelegd voor een installatie voor de productie van groene stroom met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 20 MW, wordt het aantal in te dienen groenestroomcertificaten geëvalueerd en eventueel verhoogd door de Vlaamse Regering.
De Vlaamse Regering stelt ook voor elk jaar een bruto binnenlandse groenestroomproductie voorop en legt indicatieve subdoelstellingen per hernieuwbare energiebron vast die erop gericht zijn de vooropgestelde bruto binnenlandse groenestroomproductie te bereiken.
]

§ 3

[In afwijking van paragraaf 2 wordt Ev vanaf 31 maart 2017 verminderd met de volgende hoeveelheden:
voor de afname tussen 1000 MWh en 20.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 47 % van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was. Die vermindering geldt alleen voor bedrijfsvestigingen waarvan de hoofdactiviteit behoort tot NACE-BEL 2008 code 05 tot en met 33 (industrie en winning van delfstoffen), code 46391, code 52100 of code 52241;
voor de afname tussen 20.000 MWh en 100.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 80 % van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
voor de afname tussen 100.000 MWh en 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 80 % van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
voor de afname boven 250.000 MWh elektriciteit in het jaar n-1 op een bepaald afnamepunt, 98 % van die afnameschijf, uitgedrukt in MWh, naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarin de betrokken persoon toegangshouder was;
de hoeveelheid elektriciteit waarvoor grote verbruikers of gegroepeerde verbruikers met een totaal verbruik van meer dan 5 GWh in naam van de certificaatplichtige groenestroomcertificaten hebben ingediend.
]
Het geheel van afnamepunten van afnemers die instaan voor het verzorgen van openbaar vervoer, kunnen als één afnamepunt worden beschouwd.
[[...]
Het geheel van afnamepunten van afnemers van een na 1 juli 2011 aangelegd net dat voldoet aan de criteria van artikel 1.1.3, 56°/2, wordt als één afnamepunt beschouwd, voor zover het gesloten distributienet is aangesloten op het transmissienet of het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit.]
[In afwijking van het derde en vierde lid wordt het geheel van afnemers die instaan voor het verzorgen van openbaar vervoer niet als één afnamepunt beschouwd.]

[§ 3/1

Het op ondernemingsniveau [of vestigingsniveau] verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie ontstane kosten wordt beperkt tot 4 % van de bruto toegevoegde waarde van de betrokken onderneming [of vestiging]. Voor [ondernemingen of vestigingen] met een elektriciteitsintensiteit van ten minste 20 % wordt dit beperkt tot 0,5 % van de bruto toegevoegde waarde van de betrokken onderneming [of vestiging]. [Dit houdt in dat in afwijking van paragraaf 3 de factor Ev, vermeld in paragraaf 2, wordt verminderd met 100% van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt van de betrokken onderneming of vestigingseenheid naar rato van de hoeveelheid elektriciteit die werd afgenomen op het afnamepunt gedurende de periode in het jaar n-1 waarvan de certificaatplichtige, vermeld in paragraaf 1, toegangshouder was.]
De Vlaamse Regering bepaalt de te volgen procedures, alsmede de modaliteiten en voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor het verkrijgen van deze vermindering. [De Vlaamse Regering maakt de toepassing van deze paragraaf afhankelijk van het storten van een bijdrage in het Energiefonds in het jaar n-1.]
[De Vlaamse Regering zorgt met toepassing van het eerste en het tweede lid en alleen als er op het federale niveau een gelijkaardige regeling bestaat, in jaar N voor een verrekening of terugbetaling van een bedrag ter grootte van het door de federale overheid vastgestelde op ondernemingsniveau of vestigingsniveau in het jaar N-1 door die onderneming of vestiging verschuldigde en betaalde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie op federaal niveau ontstane kosten. De Vlaamse Regering stelt in het kader van die verrekening of terugbetaling echter een plafond vast van een percentage van het in het jaar N-1 in totaal verschuldigde bedrag, vermeld in het eerste lid, dat die verrekening of terugbetaling niet mag overschrijden.]
]

§ 4

[Het Vlaams Energieagentschap legt een evaluatie van de quota- en productiedoelstellingen, vermeld in § 2, voor aan de Vlaamse Regering indien:
het aantal beschikbare certificaten minder dan 105 % of meer dan 125 % bedraagt van het aantal voor te leggen certificaten;
de verhouding tussen het aantal toegekende voor de certificatenverplichting aanvaardbare certificaten en de totale bruto geproduceerde groene stroom meer dan 5 % afwijkt van de verhouding bij de vorige evaluatie;
de werkelijke productie per hernieuwbare energiebron meer dan 10 % afwijkt van de subdoelstellingen per hernieuwbare energiebron, vermeld in § 2. In dat geval wordt tevens geëvalueerd welke de oorzaken zijn van die afwijkingen en worden remediërende maatregelen of bijsturing van de subdoelstellingen voorgesteld.
]
[De resultaten van de evaluatie worden door het Vlaams Energieagentschap publiek gemaakt.]
Indien uit deze evaluatie blijkt dat een verwachte daling van het bruto binnenlands elektriciteitsverbruik groter zal zijn dan de verplichte stijging van de doelstelling, vermeld in § 2, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2 te verhogen.
Indien Europese verplichtingen aanleiding geven tot een met de in § 2 vermelde doelstellingen niet haalbaar aandeel groene stroom, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2, te verhogen.
Indien de Vlaamse Regering certificaten aanvaardt voor groene stroom die niet is geproduceerd in het Vlaamse Gewest, doet de Vlaamse Regering een voorstel om de doelstellingen, vermeld in § 2, te verhogen.