Titel XIV.
Heffingen


Hoofdstuk I.
Heffing op de afnamepunten van elektriciteit


Art. 14.1.1.

§ 1

Vanaf heffingsjaar 2018 wordt een maandelijkse heffing vastgesteld per afnamepunt gelegen in het Vlaamse Gewest:
op het elektriciteitsdistributienet;
op het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit;
op een gesloten distributienet van elektriciteit;
op het transmissienet, met inbegrip van de netten vermeld in artikel 2, 41° en 42°, van de federale Elektriciteitswet.

§ 2

De heffing, vermeld in § 1, is verschuldigd door elke afnemer die in de loop van het heffingsjaar volgens het toegangsregister titularis was van een afnamepunt als vermeld in § 1.
Het geheel van afnamepunten van een gesloten distributienet als vermeld in paragraaf 1, 3°, dat voldoet aan artikel 1.1.3, 56°/2, en van een gesloten industrieel net als vermeld in artikel 2, 41°, van de federale Elektriciteitswet, wordt echter als één afnamepunt beschouwd. De heffing is in dat geval verschuldigd door de afnemer die volgens het toegangsregister titularis was van het afnamepunt op het transmissienet, het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, het elektriciteitsdistributienet.

Art. 14.1.2.
Het tarief van de heffing bedraagt per afnamepunt per maand dat de afnemer in het heffingsjaar is aangesloten geweest op een van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1:
voor de volgende afnemers die aangesloten zijn op laagspanning:
a)
voor residentiële afnemers: 42 eurocent per maand;
b)
voor niet-residentiële afnemers: 7,87 euro per maand;
voor de afnemers die aangesloten zijn op middenspanning: 150,00 euro per maand;
voor afnemers die aangesloten zijn op hoogspanning: 875,00 euro per maand.
Indien in de loop van een maand een afnamepunt aangesloten op één van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, wordt weggenomen, dan wordt het tarief, vermeld in het eerste lid, toegepast pro rata temporis voor de periode dat het afnamepunt tot de categorieën, vermeld in het eerste lid, behoort.
Indien in de loop van een maand een nieuw afnamepunt wordt aangesloten op één van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, dan is de heffing voor dat afnamepunt voor het eerst verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgende op de aansluiting.
Indien in de loop van een maand een afnamepunt dat is aangesloten op één van de netten, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, wordt aangepast waardoor het van spanningsniveau verandert, dan is het tarief van de spanningscategorie waartoe het na wijziging behoort, als vermeld in het eerste lid, voor het eerst verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgende op de wijziging.
Wat het onderscheid betreft tussen residentiële en niet-residentiële afnemers als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt dit onderscheid met betrekking tot elk afnamepunt op laagspanning als vermeld in artikel 14.1.1, voor toepassing van elke heffingsmaand gemaakt aan de hand van de situatie zoals deze van toepassing was op de eerste dag van die maand. Het afnamepunt in kwestie behoudt deze status tot en met de laatste dag van diezelfde maand.

Art. 14.1.3.
De heffing, vermeld in dit hoofdstuk, wordt van rechtswege met ingang van heffingsjaar 2019 jaarlijks op 1 januari geïndexeerd door het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, te vermenigvuldigen met het indexcijfer van de consumptieprijzen, vastgesteld voor de maand oktober van het vorige heffingsjaar, en te delen door het indexcijfer van de consumptieprijzen, vastgesteld voor de maand december van het jaar 2017.

Art. 14.1.3/1.
Het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, 1°, van dit decreet, wordt verminderd tot 0,00 euro als residentiële afnemer, vermeld in artikel 14.1.1, § 2, een beschermde afnemer is als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.
Deze vermindering wordt toegepast pro rata temporis voor de periode dat de afnemer of het afnamepunt tot de categorieën, vermeld in het eerste lid, behoort.

Art. 14.1.4.
Internationale organisaties en Europese instellingen die op basis van een zetelakkoord of een verdrag in België van belastingen op hun officieel gebruik zijn vrijgesteld, en die in de loop van het heffingsjaar volgens het toegangsregister titularis waren van een afnamepunt als vermeld in artikel 14.1.1, worden vrijgesteld van de heffing, vermeld in deze titel.
De organisaties en instellingen, vermeld in het eerste lid, kunnen bij de toegangshouder van het afnamepunt de terugbetaling vragen van de bij hen, conform artikel 14.2.2, § 1, door de toegangshouder van het afnamepunt geïnde bedragen. Indien die toegangshouder dat bedrag op basis van de procedure, vermeld in artikel 14.2.2, § 2, al ten gunste van het Energiefonds heeft doorgestort, dan wordt het verschil door hem in mindering gebracht van het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de procedure voor de teruggave of verrekening, vermeld in het tweede lid.

Hoofdstuk II.
Vestiging van de aanslag, controle, beroep ambtshalve uitvoering en verjaring van de heffing op de afnamepunten op elektriciteit


Afdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 14.2.1.
[...]

Afdeling II.
Inning van de heffing op de afnamepunten van elektriciteit door de toegangshouders


Art. 14.2.2.

§ 1

De heffing, vermeld in hoofdstuk I, wordt voor rekening van het Vlaamse Gewest geïnd door de toegangshouder van het afnamepunt via diens afrekeningsfacturen en slotfacturen.
Indien er gedurende een bepaalde kalendermaand voor een afnamepunt echter meerdere achtereenvolgende toegangshouders in het toegangsregister zijn opgenomen, dan wordt de heffing voor die maand pro rata temporis door elk van die toegangshouders aangerekend en geïnd.
De factuur die naar de afnemer wordt verstuurd, vermeldt de precieze vergoeding die de afnemer verschuldigd is en geldt als verzoek tot betaling van de verschuldigde heffing. De betalingstermijn bedraagt ten minste vijftien dagen en begint te lopen op de verzendingsdatum van het verzoek tot betaling.

[§ 1/1

Voor het toepassen van het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, brengt elke elektriciteitsdistributienetbeheerder tegen uiterlijk de vijftiende dag van elke maand en dit voor het eerst uiterlijk op 15 april 2018 iedere toegangshouder op de hoogte van het feit of er op het adres van de afnamepunten waarvoor die toegangshouder als dusdanig in het toegangsregister van die elektriciteitsdistributienetbeheerder staat geregistreerd op de eerste dag van de vorige maand minstens één natuurlijke persoon was gedomicilieerd.
In afwijking van eerste lid brengt elke elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het toepassen van het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, vanaf 1 januari 2019 tegen uiterlijk de eerste dag van elke maand iedere toegangshouder op de hoogte van het feit of er op het adres van de afnamepunten waarvoor die toegangshouder als dusdanig in het toegangsregister van die elektriciteitsdistributienetbeheerder staat geregistreerd op de eerste dag van de vorige maand minstens één natuurlijke persoon was gedomicilieerd.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder doet voor de taak, vermeld in het eerste lid, een beroep op de gegevens uit een authentieke gegevensbron als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. Hieronder wordt minstens verstaan de Kruispuntdatabank van de Sociale Zekerheid en het Rijksregister. De elektriciteitsdistributienetbeheerders bekomen van het Rijksregister voor die afnamepunten de NAW-gegevens, te weten naam, adres en woonplaats, en het rijksregisternummer en kunnen die gebruiken bij de volgende periodieke koppelingen met het Rijksregister. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de procedure van bovenvermelde kennisgevingen.
Als een residentiële afnemer op basis van de gegevens, vermeld in het eerste lid, onterecht het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, b, werd aangerekend, dan bezorgt de betrokken residentiële afnemer aan diens toegangshouder een bewijs waarin aangegeven is dat hij of een andere natuurlijke persoon op de eerste dag van de betrokken heffingsmaand op het adres van het afnamepunt gedomicilieerd was. De toegangshouder corrigeert de aanrekening van de heffing overeenkomstig en stuurt een correctie naar het toegangsregister.
]

§ 2

Elke toegangshouder bezorgt uiterlijk de twintigste dag van elke [maand] aan de Vlaamse Belastingdienst een overzicht van de ten laste van de afnemers aangerekende heffingen die hij in de loop van de vorige [maand] heeft geboekt.
Het model en de wijze van indienen van dit overzicht wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld maar bevat minstens:
de benaming van de toegangshouder;
zijn maatschappelijke zetel en exploitatiezetel;
de personalia van de persoon die instaat voor de inning en de storting van de heffing.
De toegangshouder stort uiterlijk de dertigste dag van elke [maand] de in de vorige [maand] geïnde heffingen ten gunste van het Energiefonds op de rekening van de Vlaamse Belastingdienst.

§ 3

Om rekening te houden met de heffingen die hem niet volledig gestort zouden worden door afnemers, mag elke toegangshouder een forfait van 0,5 procent afhouden van de heffingen die in rekening worden gebracht op de afrekeningsfacturen en slotfacturen.
Bij de jaarlijkse afsluiting van de rekeningen, uiterlijk op [1 juli], deelt de toegangshouder aan de Vlaamse Belastingdienst het bedrag van de boekhoudkundig geregistreerde niet-invorderbare schuldvorderingen van de heffing mee dat betrekking heeft op de leveringen onderworpen aan deze heffing.
Als het totaal bedrag van de niet-invorderbare schuldvorderingen hoger is dan het jaarlijks bedrag van het forfait bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil door de toegangshouder in mindering gebracht van het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.
Als het totaal bedrag van de niet-invorderbare schuldvorderingen lager is dan het jaarlijks bedrag van het forfait bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil door de toegangshouder opgeteld bij het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.

Art. 14.2.3.

§ 1

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de procedure en de modaliteiten voor de vordering van de heffing door de toegangshouder, de betaling van de geïnde bedragen aan het Energiefonds en de invordering. Ze bepaalt welke informatie aan de Vlaamse Belastingdienst moet worden meegedeeld en de inlichtingen die nodig zijn voor de controle en de invordering van de heffing.

§ 2 [

In afwijking van artikel 14.2.2, dienen de eerste doorstortingen door de toegangshouders op de rekening van het Vlaamse Gewest van alle door hen conform artikel 14.2.2, § 1, voor het heffingsjaar 2018 reeds geïnde heffingen pas tegen uiterlijk 30 juli 2018 te geschieden.
]

Hoofdstuk III.
Heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest


Afdeling I.
Belastbare materie en tarief van de heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest


Art. 14.3.1.
Er wordt een heffing ingesteld op de exploitatie van een toegelaten directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt, vermeld in artikel 4.5.1, § 2, en die gelegen is in het Vlaamse Gewest.
De heffing wordt berekend op een hoeveelheid elektrische stroom uitgedrukt in megawattuur, die gelijk is aan de hoeveelheid stroom die jaarlijks in de directe lijn wordt geïnjecteerd.
De beheerder van de directe lijn, vermeld in het eerste lid, die voor de toepassing van dit hoofdstuk de heffingsplichtige is, is de heffing verschuldigd.

Art. 14.3.2.
Het tarief van de heffing, vermeld in artikel 14.3.1, bedraagt:
voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt en waar de afnemer aangesloten is op laagspanning: 53,83 euro per geïnjecteerd megawattuur;
voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt en waar de afnemer aangesloten is op middenspanning: 5,95 euro per geïnjecteerd megawattuur;
voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt en waar de afnemer aangesloten is op hoogspanning of in eilandwerking is: 0,36 euro per geïnjecteerd megawattuur.
Indien de afnemer, vermeld in het eerste lid, op diens eigen site echter aangesloten is op meerdere spanningsniveaus, dan wordt het tarief gehanteerd dat behoort tot het hoogste spanningsniveau waarop deze is aangesloten.

Art. 14.3.3.

§ 1

De heffing, vermeld in dit hoofdstuk, wordt van rechtswege met ingang van heffingsjaar 2020 jaarlijks op 1 januari geïndexeerd door het tarief, vermeld in artikel 14.3.2, te vermenigvuldigen met het gewogen gemiddelde van het elektriciteitsdistributienettarief per kilowattuur voor afname dat is toegewezen voor de financiering van de openbaredienstverplichtingen, dat per 1 januari van toepassing is, en te delen door het gewogen gemiddelde van het elektriciteitsdistributienettarief per kilowattuur voor afname dat is toegewezen voor de financiering van de openbaredienstverplichtingen dat op 31 december 2018 van toepassing was. De VREG stelt daarvoor de nodige gegevens ter beschikking aan de Vlaamse Belastingdienst.

§ 2

In afwijking van paragraaf 1 wordt het tarief voor een directe lijn die de grenzen van de eigen site overschrijdt en waar de afnemer aangesloten is op hoogspanning of in eilandwerking is als vermeld in artikel 14.3.2, 3°, geïndexeerd aan de hand van het gewogen gemiddelde van het gedeelte van het elektriciteitsdistributienettarief per kilowattuur voor afname dat is toegewezen voor de financiering van de openbaredienstverplichtingen dat van toepassing is op zij die rechtstreeks aangesloten zijn op de transformatoren tussen het hoogspanningsnet en het middenspanningsnet.

§ 3

Het gewogen gemiddelde, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt berekend door de optelsom van de getallen die bekomen worden door het van toepassing zijnde standaardtarief voor openbaredienstverplichtingen per netbeheerder te vermenigvuldigen met het aantal afnamepunten waarop dit tarief op de betreffende datum van toepassing is, te delen door het totale aantal afnamepunten in het Vlaamse Gewest die op de betreffende datum zijn aangesloten op het betrokken spanningsniveau.

Afdeling II.
Inning en invordering van de heffing op de exploitatie van een directe lijn in het Vlaamse Gewest


Art. 14.3.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder in wiens geografisch gebied de directe lijn, vermeld in artikel 14.3.1, gelegen is, meet de elektriciteit die op jaarbasis in de directe lijn geïnjecteerd wordt. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande hoe die elektriciteit wordt gemeten.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder, vermeld in het eerste lid, zorgt ervoor dat voor een nieuwe toegelaten directe lijn als vermeld in artikel 4.5.1, § 2, in gebruik wordt genomen, ze wordt uitgerust met een meter die toelaat de elektriciteit die in de directe lijn geïnjecteerd wordt te meten als vermeld in dit hoofdstuk. De VREG bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerders de nodige informatie om die installatie mogelijk te maken. De kost van deze meter en de plaatsing ervan is ten laste van de beheerder van de directe lijn.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders, vermeld in het eerste lid, melden voor 1 februari van het jaar dat volgt op het heffingsjaar aan de Vlaamse Belastingdienst voor elke directe lijn die in hun gebied ligt als vermeld in artikel 14.3.1, de hoeveelheid elektriciteit die gedurende het vorige kalenderjaar in die lijn werd geïnjecteerd.

Art. 14.3.5.

§ 1

Vóór 1 april van het jaar dat volgt op het heffingsjaar, wordt de heffing in het kohier ingeschreven en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die de Vlaamse Regering daarvoor heeft aangewezen.
De kohieren bevatten op straffe van nietigheid:
de naam van de heffingsplichtige;
de verwijzing naar dit decreet;
het heffingsjaar;
de berekening en het bedrag van de verschuldigde heffing;
de datum van uitvoerbaarverklaring;
de handtekening van de ambtenaar die ermee belast is het kohier uitvoerbaar te verklaren.
Ter uitvoering van het kohier worden de aanslagbiljetten naar de heffingsplichtigen gestuurd. Deze aanslagbiljetten bevatten:
de verzendingsdatum;
de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;
het kohierartikel;
het heffingsjaar;
de grondslag van de belasting;
het te betalen bedrag en de berekeningswijze ervan;
de uiterste betaaldatum;
de termijn waarin de belastingschuldige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de entiteit van de Vlaamse administratie die bevoegd is om het bezwaar te ontvangen, en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd.
De heffingsplichtige moet de heffing betalen binnen twee maanden nadat het aanslagbiljet is verzonden.

§ 2

Binnen een termijn van drie maanden nadat het aanslagbiljet is verzonden, kan de heffingsplichtige beroep aantekenen bij de Vlaamse Belastingdienst. Dat beroep vermeldt, op straffe van nietigheid, de naam van de heffingsplichtige, het kohiernummer, het heffingsjaar en de motieven van het beroep. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten van dat administratief beroep.
De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en ze vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als er geen vordering bij de rechtbank van eerste aanleg is ingesteld binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 3

Als er door deze titel niet van wordt van afgeweken, zijn op deze heffing de bepalingen van titel III van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IV.
Inkomsten uit de energieheffingen


Art. 14.4.1.
De inkomsten die voortvloeien uit de opbrengst van de heffingen, vermeld in deze titel, worden rechtstreeks toegewezen aan het Energiefonds, vermeld in artikel 3.2.1.