Wet zware ongevallen + bijlage(n)
Wet van 21 januari 1987 ter stijving van het fonds voor risico's van zware ongevallen en van het fonds voor preventie van zware ongevallenactiviteiten

Artikel 1.

 

Deze wet is van toepassing op de inrichtingen bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord, zoals bedoeld onder artikel 2, 1°.

Deze wet is niet van toepassing op de doorvoermagazijnen.


Art. 2.

In de zin van deze wet wordt verstaan onder :

samenwerkingsakkoord : het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale Staat, het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, waarmee instemming werd betuigd bij de wet van 22 mei 2001;
aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, inrichting, nieuwe inrichting, installatie, exploitant, gevaarlijke stoffen : dezelfde definities als deze bedoeld in de artikelen 3 en 4 van het samenwerkingsakkoord;
doorvoermagazijn : een magazijn dat gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
  - het magazijn is uitsluitend bestemd voor het tijdelijk opslaan van verpakte goederen;
  - het magazijn bevindt zich buiten de inrichting waar deze goederen worden geproduceerd of aangewend;
  - in het magazijn worden geen andere activiteiten uitgevoerd dan deze die verband houden met het vervoer en het opslaan van de goederen;
  - de exploitant moet aan de hand van documenten aantonen dat de tijdelijke opslag deel uitmaakt van de globale transportketen van de goederen;
drempelwaarde : de waarden vermeld in de derde kolom van de delen 1 en 2 van de bijlage I van het samenwerkingsakkoord.

 


Art. 3. […]

Art. 4. [...]

Art. 5. […]

Art. 6. [...]

Art. 7.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

[...]

 

§ 2bis.

Om de bestuurs-, werkings-, studie-, en investeringskosten te dekken welke opgelopen zijn voor de Civiele Bescherming, alsook om de kosten van de preventie-opdrachten te dekken aangegaan in toepassing van deze wet door de Ministers die de Tewerkstelling en de Arbeid en het Leefmilieu in hun bevoegdheid hebben, wordt een heffing gehevenper inrichting. De heffing is verschuldigd door de exploitant.


Voor de toepassing van deze bepalingen wordt iedere inrichting ingedeeld volgens de stoffenkarakteristieken en de procesparameters van de installaties die deel uitmaken van de inrichting in een van de volgende categorieën :

  Brand- en explosie-index (F) Toxiciteits- index (T)
Categorie I F < 65 T > 6
Categorie II 65 < F < 95 6 < T < 10
Categorie III F > 95 T > 10

 

De brand- en explosie-index F wordt als volgt berekend :
F = MF x (1 + GPHtot ) x (1 + SPHtot),
waarin :
MF de materiaalfactor is, een maatstaf voor de potentiële energie van de betrokken gevaarlijke stoffen, die bepaald wordt aan de hand van criteria die een maat zijn voor de brandbaarheid en de reactiviteit, zoals de grootte van het vlampunt, de adiabatische ontbindingstemperatuur en de testresultaten van calorimetrische proeven;

GPHtot een maatstaf is voor de gevaren verbonden aan het gebruikte procédé, volgens de aard en karakteristieken ervan, zoals deze beschreven moeten worden in het veiligheidsrapport waarvan de inhoud is vastgelegd in de bijlage II van het samenwerkingsakkoord;

SPHtot een maatstaf is voor de gevaren eigen aan de betrokken installatie, volgens de werkingsvoorwaarden, de aard en de omvang van de installaties, die bepaald wordt aan de hand van criteria die verband houden met:

- de procestemperatuur;
- de druk;
- het al of niet werken beneden atmosferische druk of in de nabijheid van het explosiegevaarlijk gebied;
- de hoeveelheid brandbare stoffen die in de installatie aanwezig zijn;
- de mate van corrosie van de gebruikte materialen;
- de mate waarin lekken kunnen voorkomen.

 

De toxiciteitsindex T wordt als volgt berekend :
T = TF × (1 + GPHtot + SPHtot)
Waarin :
TF de toxiciteitsfactor is, een maatstaf voor de potentiële giftigheid van de betrokken gevaarlijke stoffen, die bepaald wordt aan de hand van criteria die een maat zijn voor de giftigheid, zoals de grootte van de LD50- en LC50-waarden en de maximum toegelaten concentraties op de werkplaats;
GPHtot en SPHtot dezelfde waarden hebben die gelden voor de berekening van de brand- en explosie-index, zoals bedoeld in het voorgaande lid.


Wanneer meerdere produkten in de inrichting betrokken zijn, moet de berekening per produkt en per installatie gebeuren. Voor iedere verkregen waarde wordt de hoogste waarde in aanmerking genomen.
De Koning bepaalt de modaliteiten en procedure van vaststelling van de indexwaarden.
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid ziet erop toe dat de inrichtingen in één van de in het tweede lid bedoelde categorieën ingedeeld worden. Ingeval de inrichting, na berekening van de brand- en explosie-index en de toxiciteitsindex, voor een verschillende categorie in aanmerking komt, is de hoogste categorie van toepassing.
Voor de aldus ingedeelde inrichtingen wordt het bedrag van de heffing als volgt vastgesteld :

  categorie I : 500 000 frank;
   categorie II : 1 000 000 frank; 
   categorie III : 2 400 000 frank. 
 

Die bedragen worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld; daartoe worden de bedragen gekoppeld aan de spilindex 240,77.

 

Indien de inrichting samengesteld is uit meerdere afzonderlijke installaties, waarin op zichzelf de drempelwaarden inzake aanwezigheid van gevaarlijke stoffen worden overschreden, dan geschiedt de berekening per installatie en is de heffing per installatie verschuldigd.


Wanneer meerdere installaties binnen een inrichting deel uitmaken van een geïntegreerde productie-eenheid, dan worden deze installaties in het kader van de toepassing van deze wet, beschouwd als één enkele installatie.

In de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt wordt een fonds voor " risico's van zware ongevallen " voorzien.

 

De opbrengst van de heffing wordt geaffecteerd op de Rijksmiddelenbegroting en is bestemd voor spijzing van het fonds " risico's van zware ongevallen".

 

Het fonds wordt aangewend om de kosten te dekken zoals bepaald in 1°, eerste lid. Om de kosten van de preventie-opdrachten te kunnen dekken, kan een bedrag van twee miljoen euro toegewezen worden aan de bevoegde Ministers, mits voorlegging van een gezamenlijk voorstel betreffende de besteding van dit bedrag. De Koning kan dit bedrag bij een in Ministerraad overlegd besluit aanpassen. 

De heffing is verschuldigd vanaf het belastingjaar 1991.

 

De heffing wordt vastgesteld op basis van de toestand tijdens het voorafgaande jaar.

 

De heffingsaanslag geschiedt eenmaal per jaar, in de loop van de maand maart.

 

Voor het aanslagjaar 2002 geschiedt de heffing in de maand oktober 2002 voor de in artikel 1 bedoelde inrichtingen die daaraan voor de eerste maal onderworpen zijn.

 

De Koning wijst de ambtenaren aan van het Ministerie van Binnenlandse Zaken die belast zijn met de inning en de invordering van de heffing en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake heffing.

De Koning bepaalt de wijze van betaling van de heffing.


Van het bedrag van de heffing wordt kennis gegeven bij een ter post aangetekend schrijven en de betaling wordt gedaan binnen twee maanden na de heffingsaanslag.


Binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, kan de heffingsplichtige per aangetekend schrijven een beroep instellen bij de Minister van Binnenlandse Zaken, die binnen dertig dagen uitspraak doet. Bij met redenen omkleed aangetekend schrijven, gericht aan de heffingsplichtige, kan de Minister van Binnenlandse Zaken die termijn eenmalig verlengen met een periode van dertig dagen.


Wanneer na het verstrijken van de in het 4°, tweede lid, bedoelde termijn, de Minister van Binnenlandse Zaken geen uitspraak gedaan heeft, wordt het beroep van de heffingsplichtige als ingewilligd beschouwd.

Elke heffingsplichtige die de heffing niet betaalt binnen de wettelijke termijn, is ertoe gehouden een administratieve geldboete te betalen die gelijk is aan de helft van de aanslag.


De ambtenaren bedoeld in paragraaf 2bis, 3°, vierde lid, kunnen de administratieve geldboete toepassen voor iedere overtreding van de bepalingen van deze paragraaf, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.


Zij vaardigen een dwangbevel uit. De betekening ervan gebeurt bij gerechtsdeurwaardersexploot.


Op het dwangbevel zijn de bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.


De Minister van Binnenlandse Zaken doet uitspraak over de verzoekschriften die de kwijtschelding van de geldboeten tot onderwerp hebben.

 

 

§ 3.

[…]

 

§ 4.

[…]


Art. 8. […]

Art. 9. [...]

Art. 10. [...]

Art. 11. […]

Art. 12. […]

Art. 13. […]

Art. 14. […]

Art. 15. […]

Art. 16. […]

Art. 17. […]

Art. 18. […]

Art. 19. [...]

Art. 20. […]