Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen


Artikel 1.
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2.
Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
geregistreerde aardoliemaatschappij”: elke natuurlijke of rechtspersoon die voor eigen rekening, voor rekening van derden of voor eigen behoeften benzineproducten en/of dieselproducten produceert, aankoopt, invoert of binnenbrengt, uitslaat, raffineert, in opslag houdt, verwerkt, aanwendt, verdeelt, te koop aanbiedt, verkoopt, levert of vervoert en die deze producten tot verbruik uitslaat;
benzineproducten”: ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 49 met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen en van de GN-codes 2710 11 41 en 2710 11 45 gebruikt als motorbrandstof die niet van accijnzen is vrijgesteld;
dieselproducten”: gasolie van de GN-code 2710 19 41 met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg gebruikt als motorbrandstof die niet van accijnzen is vrijgesteld;
biobrandstof”: FAME, bio-ethanol en bio-ETBE zoals ze gedefinieerd worden in de punten 5°, 6° en 7°;
FAME”: fatty acid methyl ester van de GN-code 3824 90 99 en dat beantwoordt aan de specificaties van de norm NBN-EN 14214;
bio-ethanol”: ethanol geproduceerd uit biomassa en/of uit de biologisch afbreekbare fractie van afval van de GN-code 2207 10 00 met een alcoholvolumegehalte van ten minste 99 % vol en dat beantwoordt aan de specificaties van de norm NBN-EN 15376;
bio-ETBE”: ethyl-tertiair-butylether van de GN-code 2909 19 00 die niet van synthetische oorsprong is en die 47 % van het volume bio-ethanol bevat;
duurzame biobrandstoffen”: biobrandstoffen geproduceerd in de Europese Gemeenschap (EG) die aan volgende duurzaamheidscriteria voldoen:
de grondstoffen moeten uit de landbouw afkomstig zijn. Deze grondstoffen moeten geteeld worden met gebruikmaking van zo weinig mogelijk meststoffen en pesticiden en de productie moet minimaal voldoen aan de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen die vermeld worden on de titel “Milieu” van het punt A en onder punt 9 van bijlage II, en de beheerseisen voortvloeiende uit de goede landbouw- en milieuconditie van bijlage III van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003;
de grondstoffen mogen niet afkomstig zijn van landbouwareaal buiten de EG die onlangs voorwerp is geweest van ontbossing;
de geproduceerde biobrandstoffen moeten een substantiële reductie van CO2-emissie bewerkstelligen;
de productie van de biobrandstoffen moeten voldoen aan de door de EU opgelegde technische specificaties voor de naleving van de sociale en milieuregelgeving.
De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bewijsmiddelen en, in voorkomend geval, de kalender en de methode van berekening vast van de hierboven vermelde criteria;
uitslag tot verbruik”: het in verbruik stellen van benzineproducten en/of dieselproducten, in de betekenis van de artikelen 6, 7, 10 en 11 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop;
10°
erkende productie-eenheid”: erkende productie-eenheid in de zin van de wet van 10 juni 2006 betreffende de biobrandstoffen;
11°
Algemene Directie Energie”: de Algemene Directie Energie van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.

Art. 3.

§ 1

De in deze wet vervatte verwijzingen naar codes van de gecombineerde nomenclatuur zijn deze bedoeld in artikel 414, § 2, van de programmawet van 27 december 2004.

§ 2

De productnormen waarnaar verwezen wordt in deze wet zijn de laatste versies van de normen vastgesteld door het CEN (Comité européen de Normalisation).