Wet geluidshinder
Wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van geluidshinder.

Artikel 1.

De Koning kan, ter bevordering van de gezondheid van de mens, de nodige maatregelen treffen om de geluidshinder, voortkomende van vaste of mobiele, blijvende of tijdelijke geluidsbronnen, te voorkomen of te bestrijden, en met name:

  1. het veroorzaken van bepaalde soorten lawaai verbieden;
  2. het veroorzaken van bepaalde soorten lawaai aan restrictiemaatregelen onderwerpen en onder meer de duur van het veroorzaken van lawaai beperken;
  3. (...) de fabricage, de uitvoer, de (...) het vervoer, (...) de installatie en het gebruik van toestellen, inrichtingen of voorwerpen regelen of verbieden die bepaalde soorten lawaai veroorzaken of kunnen veroorzaken;
  4. de plaatsing en het gebruik van toestellen of inrichtingen om het lawaai te dempen, het op te slorpen, dan wel de nadelen ervan te verhelpen, opleggen en regelen;
  5. beschermingszones oprichten ten gunste waarvan specifieke maatregelen kunnen worden genomen. Deze zones komen onder meer overeen met de woonzones, de industriezones, de recreatiecentra en met gebieden die bijzonder stiltebehoevend zijn.

De ter uitvoering van vorig lid te treffen maatregelen zullen betrekking hebben op de geluidshinder veroorzaakt onder meer door de motorvoertuigen (vrachtwagens, personenwagens, motorrijtuigen, motorfietsen), de vliegtuigen, de hefschroefvliegtuigen, de spoorwegwagens, de geluidssignalisatie aan onbewaakte overwegen, de vaartuigen, de machines opgesteld in werkplaatsen en fabrieken, de machines opgesteld op bouwwerven en de huishoudelijke toestellen.

 

Ter uitvoering van het eerste lid kan de Vlaamse Regering aan de gemeenten opdragen om taken uit te voeren.


Art. 2. De Koning kan, tot dezelfde doeleinde, technische bouw- en installatieëisen opleggen die de hinder en de voortplanting van het geluid kunnen verhelpen.
Inzonderheid kan de Koning bij het aanleggen van nieuwe of bij het uitbreiden van bestaande autowegen, spoorwegen, vlieghavens of bij het opstellen van gewestplannen of van bijzondere plannen van aanleg, technische voorwaarden opleggen om geluidshinder te beperken.

Art. 3. Met betrekking tot de vakopleiding en de vestigingseisen voor het personeel dat kan worden belast met het plaatsen of het onderhoud van inrichtingen en toestellen die het veroorzaken van lawaai kunnen tegengaan, kan de Koning bijzondere eisen opleggen om in de toepassing van deze wet en de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten te voorzien.

Art. 4.

De koninklijke besluiten die ter uitvoering van de voorgaande artikelen worden vastgesteld, moeten aan de Hoge Gezondheidsraad voor advies worden voorgelegd. Die besluiten worden gezamenlijk voorgedragen door de Minister die bevoegd is inzake Volksgezondheid en Leefmilieu en, naargelang van de aard en de bron van het lawaai, door :

  1. de Minister, tot wiens bevoegdheid de Arbeid behoort, voor de nijverheids- of handelsondernemingen, met uitzondering van de mijnen, graverijen en ondergrondse groeven;
  2. de Minister tot wiens bevoegdheid de mijnen, graverijen en ondergrondse groeven behoren, wanneer het om die inrichtingen gaat;
  3. de Minister, tot wiens bevoegdheid de Openbare Werken behoren, wanneer het om openbare werken gaat;
  4. de Ministers, tot wier bevoegdheid de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening en, volgens het geval, de Arbeid of de mijnen, graverijen en ondergrondse groeven behoren, voor de bepaling van de zones, die tegen het door nijverheids- en handelsondernemingen veroorzaakte lawaai moeten worden beschermd;
  5. de Ministers, tot wier bevoegheid de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening alsook de reglementering van en de controle op het vervoer behoren, voor de bepaling van de zones die tegen het door het verkeer veroorzaakte lawaai moeten worden beschermd;
  6. de Minister, tot wiens bevoegdheid de reglementering van en de controle op het vervoer behoren, voor de vervoermiddelen te land, te water, per spoor of door de lucht;
  7. de Minister, tot wiens bevoegdheid de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening behoren, voor de technische bouwvoorwaarden;
  8. de Ministers, tot wier bevoegdheid de Middenstand en de Tewerkstelling behoren, voor de vakopleiding van de in artikel 3 bedoelde personen;
  9. de Minister tot wiens bevoegdheid de Landsverdediging behoort, om alle maatregelen te treffen teneinde het lawaai dat afkomstig is van gebouwen en installaties, tuigen en voertuigen die onder de militaire overheid ressorteren, te voorkomen of te bestrijden.

De besluiten, die niet tot de bevoegdheid behoren van de Ministers waarvan sprake van 1° tot 9°, worden voorgedragen door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid en het Leefmilieu behoort.


In speciale omstandigheden is alleen de Minister, tot wiens bevoegdheid de Landsverdediging behoort, gemachtigd alle maatregelen te treffen om het lawaai, dat afkomstig is van gebouwen en installaties, tuigen en voertuigen die onder de militaire overheid ressorteren, te voorkomen of te bestrijden.


Art. 5.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de coördinatie van de acties van de Vlaamse overheden ter bestrijding van de geluidshinder.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, kan daarvoor een beroep doen op de diensten van deskundigen of op laboratoria die daartoe in het Vlaamse Gewest zijn erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Art. 6.

De Minister, tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid en het Leefmilieu behoort, kan de opvoeding van de bevolking bevorderen op het gebied van de lawaaiproblemen en van de middelen om het lawaai te voorkomen en te vermijden.


Hij kan daarenboven aan de Ministers, tot wier bevoegdheid de Nationale Opvoeding behoort, alle voorstellen doen om die onderwerpen in de onderwijsprogramma's te doen opnemen.


Art. 7.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, kan daarvoor een beroep doen op personen of laboratoria die daartoe in het Vlaamse Gewest zijn erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

Die erkende deskundigen of laboratoria worden overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ermee belast apparaten en inrichtingen die lawaai kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om het lawaai te dempen, op te slorpen, te meten of de hinder ervan te verhelpen, te beproeven of te controleren.


Art. 8. [...]

Art. 9.

Voor deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend, en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels bepaald in hoofdstukken III, IV en VII van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 1

[...]

 

§ 2

[...]


Art. 10. [...]

Art. 11.

Met betrekking tot deze wet en haar uitvoeringsbesluiten gebeuren het onderzoek, de vaststelling en de sanctionering van de milieu-inbreuken en milieumisdrijven volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Art. 12.

Deze wet doet geen afbreuk aan de bepalingen van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen.
De bepalingen van artikel 4 zijn niet van toepassing op de koninklijke besluiten die zijn genomen ter uitvoering van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, noch op de bijzondere vergunningsbesluiten die zijn genomen op grond van de politie der gevaarlijke, schadelijke of hinderlijke inrichtingen, van de politie der stoomtoestellen of van het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.


Art. 13. Deze wet doet geen afbreuk aan de bevoegdheden die de gedecentraliseerde overheden ter zake bezitten, krachtens de decreten van 14 december 1789 en van 16-24 augustus 1790, evenals krachtens andere in voege zijnde wetten.

Art. 14.

De koninklijke besluiten betreffende de geluidshinder, die van toepassing zijn op de datum waarop deze wet in werking treedt, blijven van kracht tot op de datum waarop zij worden opgeheven.


Tot op die datum worden de milieu-inbreuken en milieumisdrijven met betrekking tot die besluiten onderzocht, vastgesteld en bestraft volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.