Art. 41bis.

§ 1.

Met het oog op het behoud en de versterking van natuurwaarden is op landbouwgronden gelegen ingebieden, aangewezen op gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur”, definitief vastgesteld met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, elke vorm van bemesting verboden met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, waarbij twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare op jaarbasis worden toegelaten. Dit bemestingsverbod geldt :

in de voor 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden, vanaf 1 januari 2009;
in de na 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden :
a) als het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, een gefaseerde inwerkingtreding voorziet, vanaf 1 januari van het jaar vanaf wanneer de bestemming die sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur”, gerealiseerd moet zijn;
b) als het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, geen gefaseerde inwerkingtreding voorziet, vanaf 1 januari van het jaar volgende op de datum van de definitieve vaststelling van het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. 

 

Tot de vaststelling van plannen, vermeld in paragraaf 5, kan in afwijking van het eerste lid op de potentieel belangrijke graslanden een supplementaire bemesting van maximaal 100 kg stikstof uit kunstmest per ha per jaar toegestaan worden, op voorwaarde dat daarover een beheersovereenkomst wordt afgesloten tussen de betrokken landbouwer en de Vlaamse Landmaatschappij, na advies van het Agentschap Natuur en Bos. Die beheersovereenkomst kan nog nadere beperkingen specificeren omtrent de toedieningsperiode van de kunstmest.

 

Als op percelen waar een bemestingsverbod als vermeld in het eerste lid geldt, geen grasland als hoofdteelt of als nateelt aanwezig is, wordt voor de toepassing van dit decreet, voor het betrokken perceel nul als bemestingsnorm toegekend.

 

De Mestbank slaat in de databank van de Mestbank de digitale ruimtelijke inventarisatie op van de landbouwgronden gelegen in de gebieden vermeld in het eerste lid.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels stellen.

 

§ 2.

In afwijking van § 1 wordt aan bedrijven ontheffing van het verbod van bemesting gegeven voor die landbouwgronden binnen deze gebieden die :

  • conform de aangifte op cartografisch materiaal in 2008 voor de voor 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden;
  • conform de aangifte op cartografisch materiaal in het jaar voorafgaand aan het jaar van definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de na 1 januari 2009 aangeduide ruimtelijke gebieden behoorden tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden voor zover het akkers of intensief grasland betreft.

In geval van deze ontheffing gelden de bemestingsnormen zoals bedoeld in artikel 13[...].

 

§ 3.

De Mestbank geeft :

  • voor de landbouwgronden gelegen in de voor 1 januari 2009 aangeduide gebieden binnen de negentig dagen na 1 januari 2009;
  • voor de landbouwgronden gelegen in de na 1 januari 2009 aangeduide gebieden binnen de zestig dagen na de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan de landbouwers kennis van de landbouwgronden die worden beschouwd als grasland dat valt onder de toepassing van de definities, bedoeld in artikel 3, § 6, 5°, 6°, 7°, 11° en 19°.

De landbouwers kunnen binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving per aangetekend schrijven een aanvraag tot correctie richten tot de Mestbank, die binnen de zestig dagen na ontvangst van de aanvraag tot correctie een beslissing neemt na advies van de Verificatiecommissie.
De Mestbank of de Verificatiecommissie kan de termijn van zestig dagen verlengen als blijkt dat voor de behandeling van de aanvraag tot correctie een plaatsbezoek aan het betreffende perceel of de betreffende percelen aangewezen is. Het plaatsbezoek moet gebeuren in een periode waarin de vegetatie herkenbaar is. In geval van verlenging van de termijn van zestig dagen, is er geen bemestingsverbod tot 31 december van het kalenderjaar waarin de Mestbank haar beslissing over de aanvraag tot correctie heeft genomen. De beslissing van de Mestbank moet genomen zijn :

vóór 31 december 2010 als het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld is vóór 31 december 2009; 
vóór 31 december van het jaar volgend op het jaar van de definitieve vaststelling van het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan als het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld is na 31 december 2009. 

 

De Verificatiecommissie bestaat uit :

  1. twee vertegenwoordigers van de Mestbank die respectievelijk het voorzitterschap en het secretariaat verzekeren; de secretaris heeft geen stemrecht;
  2. een vertegenwoordiger van het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij;
  3. een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Natuur en Bos;
  4. een door de Mestbank aangeduide MER-deskundige erkend in de discipline fauna en flora.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de modaliteiten inzake de inventarisatie, de kennisgeving, de aanvraag tot correctie alsook de oprichting, en de werking van de Verificatiecommissie.

 

§ 4.

Bij overdracht van een perceel landbouwgrond waarop een ontheffing geldt, vervalt de ontheffing.

In afwijking van het eerste lid, blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht overgedragen wordt aan de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de gebruiker.

In afwijking van het eerste lid, blijft de ontheffing gelden als het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen naar een landbouwer waarvan elke persoon die deel uitmaakt van deze landbouwer :

 

a)  hetzij zelf deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen;  
b)  hetzij de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner is van een persoon die zelf deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen.  

 

In afwijking van het eerste lid wordt de ontheffing eenmalig overgedragen aan de nieuwe gebruiker, als het een overdracht betreft die behoort tot een van de volgende types overdrachten :

 

het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen aan de afstammelingen of aangenomen kinderen van een persoon die deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen, de afstammelingen of aangenomen kinderen van de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van deze persoon of de echtgenoten of wettelijk samenwonende partners van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen;  
2°  het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen naar een rechtspersoon waarvan deze natuurlijke persoon zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder is;  
3°  het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen van een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen naar een rechtspersoon waarvan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, of de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder zijn;  
het gebruiksrecht van het perceel landbouwgrond wordt overgedragen naar een landbouwer waarvan elke persoon die deel uitmaakt van deze landbouwer :
a)  hetzij zelf deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen;  
b)  hetzij de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner is van een persoon die zelf deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen; 
c)  hetzij met een persoon die deel uitmaakt van de landbouwer die het gebruiksrecht van het betrokken perceel heeft overgedragen, een overeenkomstige band, als vermeld in 1° tot en met 3°, heeft. 

 

Na een overdracht, als vermeld in het vierde lid, 2°, vervalt de ontheffing zodra de gebruiker die het perceel in gebruik had voor de overdracht, zijn mandaat van bestuurder, beherende vennoot of zaakvoerder beëindigt. De ontheffing vervalt evenwel niet indien hij als bestuurder, beherende vennoot of zaakvoerder opgevolgd wordt door zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of door de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, of door de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. In dat laatste geval vervalt de ontheffing wanneer het mandaat als zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder van de opvolger van de zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder beëindigd wordt.

 

Na een overdracht, als vermeld in het vierde lid, 3°, vervalt de ontheffing zodra het mandaat van bestuurder, beherende vennoot of zaakvoerder, van de in het vierde lid, 3°, vermelde personen, beëindigd wordt.

 

In afwijking van de voorgaande leden wordt, als, na een overdracht, als vermeld in het vierde lid, 2° of 3°, het gebruiksrecht van de landbouwgrond terug overgedragen wordt aan de natuurlijke persoon, die de oorspronkelijke overdrager van de landbouwgrond aan de rechtspersoon was, de ontheffing eenmalig overgedragen.

 

Als een ontheffing van het bemestingsverbod vermeld in § 2 gegeven wordt aan een rechtspersoon, vervalt deze ontheffing zodra het mandaat van één van de zaakvoerders, beherende vennoten of bestuurders als zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder beëindigd wordt. De ontheffing vervalt evenwel niet indien hij als zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder opgevolgd wordt door zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, of de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. In dat laatste geval vervalt de ontheffing als het mandaat als zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder van de opvolger van de zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder beëindigd wordt.

 

De overdracht van het gebruik wordt gemeld bij de aangifte, als vermeld in artikel 23, § 5.

 

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder :

1°   overdracht :   de overdracht van het gebruiksrecht op een perceel, met uitzondering van de overdracht van het gebruiksrecht ten gevolge van een seizoenspacht; 
2°   deel uitmaken van een landbouwer :   het als persoon of als lid van een groepering van personen uitbaten van een exploitatie van de landbouwer. Een rechtspersoon wordt niet beschouwd als een groepering van personen. 

 

§ 5.

In plannen conform artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan in functie van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu, gemoduleerd ontheffing worden verleend van het verbod op bemesting zoals bedoeld in § 1 tot maximum de bemestingsnormen, vermeld in artikel 13.


In deze plannen kunnen de bemestingsnormen ter stimulering van verdergaande stappen inzake het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu mits vergoeding van de inkomstenverliezen, gemoduleerd verstrengd worden.

 

§ 6.

Ontheffing van het verbod, bedoeld in § l, wordt gegeven op de huiskavel, die bestaat op het ogenblik van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan.

 

§ 7.

[...]

 

§ 8.

Als een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een gebied aanduidt binnen de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur”, terwijl dat gebied reeds sorteerde onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur” in het gewestplan of in een vorig gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, dan:

1°   wordt voor de landbouwgronden, gelegen in dat gebied geen nieuwe ontheffing, als vermeld in § 2, toegekend; 
2°  blijft voor de landbouwgronden, gelegen in dat gebied de op deze landbouwgronden bestaande ontheffing behouden en kan deze ontheffing overeenkomstig de bepalingen van § 4, overgedragen worden, met dien verstande dat voor het bepalen van de overdrachtsmogelijkheden, overeenkomstig § 4, er rekening wordt gehouden met eventuele vroegere overdrachten van deze ontheffing;  
3°  is § 3 niet van toepassing. 

 

§ 9.

Als met het oog op de realisatie van natuurbehoudsdoelstellingen een inrichtingsproject uitgevoerd wordt in een gebied dat volgens een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan“sorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur”, dan kan, in afwijking van dit artikel, tot het aflopen van het inrichtingsproject voor dat gebied de opbrenging van meststoffen tijdelijk worden geregeld via een gebruiksovereenkomst die het Agentschap Natuur en Bos, de NV Waterwegen en Zeekanaal of een andere Vlaamse overheidsinstelling, heeft opgemaakt met de betrokken landbouwer.

 

Deze mogelijkheid is uitsluitend toepasbaar voor inrichtingsprojecten waarvan de realisatie om dwingende redenen van openbaar belang noodzakelijk is en waarbij het bovendien gaat om :

 

1°   hetzij inrichtingsprojecten die betrekking hebben op een gebied dat volgens een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan als bosgebied, natuurgebied, natuurreservaat, natuurontwikkelingsgebied of daarmee vergelijkbaar gebied, is aangeduid terwijl dat gebied in het gewestplan of in een vorig gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet sorteerde onder de categorie van gebiedsaanduiding “bos” of “reservaat en natuur;
2°  hetzij het ruilen van gronden in uitvoering van een inrichtingsproject.  

 

Deze gebruiksovereenkomst :

 

1°   heeft steeds betrekking op gronden waarvan de voormelde overheidsinstelling eigenaar is of op basis van een definitief onteigeningsbesluit in uitvoering van het door de Vlaamse Regering goedgekeurde ruimtelijk uitvoeringsplan eigenaar zal worden;  
2°  kadert in het gefaseerd uitvoeren van een inrichtingsproject in uitvoering waarvan de Vlaamse Regering of de Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, voor de betrokken overheidsinstelling de mogelijkheid heeft voorzien om gebruiksovereenkomsten te sluiten met de betrokken landbouwers; 
3°  moet door de voormelde overheidsinstelling onverwijld overgemaakt worden aan de Mestbank; 
4°  bepaalt het kalenderjaar of de kalenderjaren waarop ze betrekking heeft;  
5°  bevat een aanduiding, op cartografisch materiaal, van het perceel of de percelen waarop de gebruiksovereenkomst betrekking heeft. Een gebruiksovereenkomst kan nooit betrekking hebben op een perceel waarop reeds een bemestingsverbod van toepassing was, overeenkomstig dit artikel of overeenkomstig artikel 15ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen. In geval van ruil van gronden is een gebruiksovereenkomst enkel toegestaan als op beide gronden die in de ruil betrokken zijn, voor de ruil geen bemestingsverbod van toepassing was; 
6°  bepaalt de bemestingsnormen die op het betrokken perceel of de betrokken percelen van toepassing zullen zijn. Deze bemestingsnormen kunnen echter niet hoger zijn dan de bemestingsnormen die overeenkomstig de artikelen 13, 16, 17 of 18, op het betrokken perceel of de betrokken percelen van toepassing zijn;  
7°   is door het Agentschap Natuur en Bos expliciet goedgekeurd. Hierbij beoordeelt het Agentschap voor Natuur en Bos ondermeer of de overeenkomst compatibel is met de natuurdoelstellingen voor het betrokken gebied. 

 

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder definitief onteigeningsbesluit verstaan, een onteigeningsbesluit waarvoor de termijn voor het instellen van een vordering bij de Raad van State verstreken is en waartegen geen vordering bij de Raad van State meer hangende is.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud en de wijze van opmaak van de gebruiksovereenkomst, vermeld in het derde lid, en met betrekking tot de wijze waarop en de termijnen waarbinnen deze gebruiksovereenkomst aan de Mestbank overgemaakt moet worden.