Aardgaswet
Wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Hoofdstuk I.
Organisatie van de gasmarkt


Art. 2.

Artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen wordt vervangen door de volgende bepaling :


" Artikel 1. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder :

 

1. " gas " : elke brandstof die gasvormig is bij een temperatuur van 15 graden Celsius en onder een absolute druk van 1,01325 bar;
2. " aardgas " : elke gasvormige brandstof van ondergrondse oorsprong en die hoofdzakelijk uit methaan bestaat, met inbegrip van vloeibaar aardgas, afgekort " LNG ", en met uitzondering van mijngas;
3. " m3 " : genormaliseerde kubieke meter, zijnde de hoeveelheid droog rijk gas die, tegen een temperatuur van nul graden Celsius en onder absolute druk van 1,01325 bar, een volume van één kubieke meter inneemt;
4. [...]
5. " gasonderneming " : elke natuurlijke of rechtspersoon die gas produceert, vervoert, verdeelt, levert, aankoopt of opslaat of meerdere van deze werkzaamheden uitoefent, behalve eindafnemers;
5°bis. « aardgasonderneming » : iedere rechtspersoon die ten minste een van de volgende functies vervult : productie, vervoer, distributie, levering, aankoop of opslag van aardgas en die verantwoordelijk is voor de met deze functies verband houdende commerciële, technische werkzaamheden en/of onderhoudswerkzaamheden, maar die geen eindafnemer is;
6. " upstream-installaties " : alle leidingen en andere installaties gebouwd of geëxploiteerd als onderdeel van een olie- of aardgasproductieproject, of gebruikt om aardgas afkomstig van één of meer olie- of aardgasproductieplaatsen te vervoeren naar een verwerkingsinstallatie of -terminal of aanlandingsterminal;
7. " gasvervoer " : het vervoer van gas door middel van vervoerinstallaties met het oog op levering aan afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;
7°bis " doorvoer " : de handeling met betrekking tot het vervoer van aardgas zonder distributie of levering van aardgas op het Belgisch grondgebied;
8. " vervoerinstallaties " : alle leidingen, met inbegrip van de directe leidingen en de upstream-installaties, en alle opslagmiddelen, LNG- installaties, gebouwen, machines en accessoire inrichtingen die bestemd zijn of gebruikt worden voor een van de in artikel 2, § 1, vermelde doeleinden;
9. " vervoeronderneming " : elke natuurlijke of rechtspersoon die gasvervoer verricht;
10° « vervoersnet » : elk geheel van vervoersinstallaties dat geëxploiteerd wordt door één van de beheerders of door eenzelfde vervoersonderneming, met uitsluiting van de upstream-installaties en directe leidingen;
10°bis « aardgasvervoersnet » : eenvervoersinstallatie uitsluitend voor het vervoer van aardgas en die geëxploiteerd wordt door de met het vervoer van aardgas belaste beheerder, met uitsluiting van de upstream-installaties;
11. " vervoervergunning " : de vergunning bedoeld in artikel 3;
12. " gasdistributie " : de werkzaamheid die erin bestaat gas via plaatselijke pijpleidingnetten te leveren aan afnemers gevestigd op het grondgebied van één of meer bepaalde gemeenten, de levering zelf niet inbegrepen;
12°bis « gasdistributie-installaties » : de leidingen, de opslagmiddelen, de gebouwen, de machines en, in het algemeen, alle toestellen die nodig zijn voor de aardgasdistributie.
13. " distributieonderneming " : elke natuurlijke of rechtspersoon die gasdistributie verricht;
14° « aardgaslevering » : de verkoop, wederverkoop daaronder inbegrepen, aan klanten van aardgas, met inbegrip van LNG;
15° « leveringsonderneming » : elke natuurlijke of rechtspersoon die de aardgaslevering verricht;
16. " leveringsvergunning " : de vergunning bedoeld in artikel 15/3;
17° « geïnterconnecteerd net » : elk samenstel van met elkaar verbonden vervoersnetten;
18. " directe leiding " : elke leiding voor gasvervoer die fysisch geen deel uitmaakt van het geïnterconnecteerd net;
19° « verwante onderneming » : een verbonden of geassocieerde onderneming in de zin van het Wetboek van vennootschappen;
20. [...]
21. " netgebruiker " : elke natuurlijke of rechtspersoon die levert aan of afneemt van het betrokken net;
22. " afnemer " : elke eindafnemer, elke distributieonderneming en elke leveringsonderneming;
23. " eindafnemer " : elke natuurlijke of rechtspersoon die gas koopt voor eigen gebruik;
24. [...]
25° « Richtlijn 2003/55 » : de Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG;
26bis « wet van 18 juli 1975 » : de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas;
26. " wet van 29 april 1999 " : de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
27. " minister " : de federale minister bevoegd voor Energie;
27°bis « Bestuur Energie » : de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
28. " Commissie " : de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas, bedoeld in artikel 15/14;
30. " gedragscode " : de code vastgesteld in uitvoering van artikel 15/5, § 3;
31° « beheerder van het aardgasvervoersnet 187; : de beheerder van het aardgasvervoersnet die werd aangewezen conform artikel 8 of artikel 8/1;
32° « opslaginstallatie voor aardgas » : de installaties eigendom van en/of geëxploiteerd door een beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas, gebruikt voor de opslag van aardgas, met inbegrip van de LNG-installaties specifiek gebruikt voor de opslag van aardgas; met uitsluiting van de opslaginstallaties gebruikt voor de productieactiviteiten, alsook de opslaginstallaties die uitsluitend voorbehouden zijn voor de beheerder van het aardgasvervoersnet voor de voltooiing van zijn taken;
33° « beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas »: de rechtspersoon die bedoeld wordt in afdeling II van hoofdstuk III van deze wet;
34° « LNG-installatie » : een terminal, eigendom van en/of geëxploiteerd door een beheerder van LNG-installatie, die voor het vloeibaar maken van aardgas, de invoer of de verlading, en de hervergassing van LNG gebruikt wordt, met inbegrip van ondersteunende diensten en de tijdelijke opslag van aardgas die nodig zijn voor het hervergassingsproces van LNG en de daaropvolgende doorlevering aan het aardgasvervoersnet met uitsluiting van de LNG-installaties specifiek gebruikt voor de opslag van aardgas;
35° « beheerder van de LNG-installatie » : de rechtspersoon beoogd in afdeling II van hoofdstuk III van deze wet;
36° « ondersteunende diensten » : alle diensten die nodig zijn voor de toegang tot de aardgasvervoers- en/of distributienetten en/of LNGinstallaties en/of opslaginstallaties en voor de exploitatie ervan, met inbegrip van het opvangen van fluctuaties in systeembelasting en menging, maar uitgezonderd installaties die uitsluitend ten dienste staan van de beheerder van het aardgasvervoersnet bij de uitoefening van zijn functies;
37° « opslag van aardgas in leidingen » : de aardgasopslag door samendrukking in de aardgasvervoersnetten en in de distributienetten voor aardgas, maar met uitsluiting van de installaties die voorbehouden zijn voor de beheerder van het aardgasvervoersnet bij de uitoefening van zijn functies;
38° « verticaal geïntegreerde onderneming » : een aardgasonderneming of een groep bedrijven waarvan de wederzijdse relaties zijn vastgelegd in artikel 3, paragraaf 3 van de verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen en die ten minste één van de volgende functies vervult : aardgasvervoer, aardgasdistributie, LNGactiviteit, of opslag van aardgas, en ten minste één van de volgende functies : productie of levering van aardgas;
39° « horizontaal geïntegreerde onderneming » : een onderneming die ten minste één van de volgende functies verzekert : productie, vervoer, distributie, levering of opslag van aardgas en daarnaast ook een niet op het gebied van aardgas liggende activiteit verricht;
40° « veiligheid » : de technische veiligheid;
41° « nieuwe installatie » : een aardgasinstallatie die niet afgewerkt is op de dag waarop de Richtlijn 2003/55/EG in werking treedt, zijnde op 1 juli 2004;
42° « de beheerders » : de volgende drie operatoren : de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie;
43° « gecombineerde netbeheerder » : beheerder belast met het beheer van minstens twee van de volgende installaties of netten :
  a) het aardgasvervoersnet;
  b) de opslaginstallatie voor aardgas;
  c) de LNG-installatie;
44° « niet-uitvoerende bestuurder » : elke bestuurder die geen directiefunctie vervult bij de beheerders of bij een van hun dochterondernemingen;
45° « onafhankelijke bestuurder » : elke niet-uitvoerende bestuurder die :
  a) beantwoordt aan de voorwaarden van het artikel 524, § 4, van het wetboek van Vennootschappen en
  b) tijdens de vierentwintig maanden die zijn aanstelling voorafgegaan zijn geen functie of activiteit heeft uitgeoefend, al dan niet bezoldigd, ten dienste van één van de netwerkeigenaars, van één van de beheerders, van een tussenpersoon, van een leverancier, van een producent of van een dominerende aandeelhouder;
  c) tijdens de negen maanden, die zijn aanstelling voorafgegaan zijn, geen functie of activiteit heeft uitgeoefend, al dan niet bezoldigd, ten dienste van een distributeur;
46° « regulatoire periode » : de periode van vier jaar tijdens welke de tarieven bedoeld in artikel 15/5bis worden toegepast;
47° « billijke marge » : de billijke marge die bedoeld wordt in artikel 15/5bis, § 2, b;
48° « gereguleerd actief » : het gereguleerd actief dat bedoeld wordt in artikel 15/5septies, 1, a);
49° « rendementspercentage» : het rendementspercentage dat bedoeld wordt in artikel 15/5septies, 1, c).

 

 

 

 


Art. 3.

Artikel 2 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :


" Art. 2. § 1. De bouw en de exploitatie van vervoerinstallaties zijn aan de voorschriften van deze wet onderworpen indien deze installaties zijn bestemd of worden gebruikt :

 

1. voor de bevoorrading in aardgas van distributieondernemingen;
2. voor één van de hierna vermelde doeleinden :
  a. de bevoorrading in aardgas van eindafnemers van wie de aardgasafname aan iedere leveringsaansluiting bestendig minimum één miljoen m3 per jaar bedraagt;
  b. het vervoer van aardgas zonder distributie of levering van aardgas op het Belgisch grondgebied;
  c. de bevoorrading van een onderneming in aardgas waarvan de chemische samenstelling of de fysische eigenschappen (met uitzondering van het stikstofgehalte) verschillen van die van het aardgas geleverd door de distributieonderneming die de betrokken gemeente bevoorraadt;
  d. de bevoorrading in aardgas van een eindafnemer aan wie de distributieonderneming die de betrokken gemeente bevoorraadt, niet een voldoende hoeveelheid aardgas levert overeenkomstig de algemene voorwaarden van het abonnement of van het bevoorradings- of leveringscontract, inzonderheid binnen de termijn die voor de uitvoering van de leveringen in voornoemde algemene voorwaarden is gesteld;
  e. de bevordering van het meest economische verbruik van onvermijdelijke gassen;
  f. de bevoorrading in aardgas van een onderneming in moeilijkheden door middel van tijdelijke installaties en gedurende de tijd die strikt nodig is voor het uitvoeren van de noodzakelijke herstellingen;
  g. de verbinding tussen installaties voor gasproductie en de verschillende exploitatiezetels van eenzelfde onderneming;
  h. de verbinding tussen productie-, vervoer- of distributie-installaties met het oog op uitwisseling, wederzijdse hulp of een beter benutten van deze installaties;
  i. de verbinding tussen gasvelden, tussen gasfabrieken, tussen gasvelden of gasfabrieken en samendrukkings- of ontspanningsstations, tussen samendrukkingsstations, tussen ontspanningsstations of tussen samendrukkings- en ontspanningsstations.


§ 2. De levering van aardgas is aan de voorschriften van deze wet onderworpen indien zij gebeurt ter bevoorrading van distributieondernemingen, enerzijds, of van eindafnemers van wie de aardgasafname aan iedere leveringsaansluiting bestendig minimum één miljoen m3 per jaar bedraagt, anderzijds.


§ 3. De Koning kan het toepassingsgebied van deze wet of van sommige bepalingen ervan bij een in Ministerraad overlegd besluit uitbreiden :

 

1. tot de bouw en de exploitatie van andere installaties voor aardgasvervoer dan deze bedoeld in § 1, of tot andere leveringen van aardgas dan deze bedoeld in § 2;
2. tot de bouw en de exploitatie van leidingen voor het vervoer van andere producten dan aardgas. ".

 


Art. 4.

Het opschrift van hoofdstuk III van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende opschrift :


Hoofdstuk III. - Bepalingen betreffende de vervoersvergunningen en de beheerders ".


Art. 5.

Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :


" Art. 3. Onverminderd de bepalingen van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas en de bepalingen van hoofdstuk IVbis van deze wet, zijn de bouw en de exploitatie van elke vervoerinstallatie onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een individuele vergunning door de minister.


Wat de directe leidingen betreft, wordt, onverminderd de andere criteria bepaald met toepassing van artikel 4, 1°, de toekenning van een vervoervergunning onderworpen aan het ontbreken van een aanbod tot gebruik van het geïnterconnecteerd net tegen redelijke economische en technische voorwaarden. ".


Art. 6.

Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :


" Art. 4. Na advies van de Commissie bepaalt de Koning :

 

1. de criteria voor de toekenning van de vervoervergunningen, die inzonderheid betrekking kunnen hebben op :
  a. de veiligheid en de bedrijfszekerheid van het geïnterconnecteerd net en de directe leidingen;
  b. de professionele betrouwbaarheid en ervaring van de aanvrager, zijn technische en financiële capaciteit en de kwaliteit van zijn organisatie;
  c. de interconnectie van het net, alsook het onderhoud en de verbetering van de interoperabiliteit van netten;
  d. de openbare dienstverplichtingen bedoeld in artikel 15/11, 1°;
2. de procedure voor de toekenning van de vervoervergunningen, inzonderheid de vorm van de aanvraag, het onderzoek van het dossier en de vergoeding die hiervoor moet worden betaald, en de termijnen waarbinnen de minister moet beslissen en zijn beslissing aan de aanvrager moet meedelen;
3. de gevallen waarin de minister de vervoervergunning kan herzien of intrekken en de toepasselijke procedures;
4. wat er met de vervoervergunning gebeurt in geval van overdracht van de vervoerinstallatie of in geval van controlewijziging, fusie of splitsing van de houder en, in voorkomend geval, de te vervullen voorwaarden en de te volgen procedures voor het behoud of de hernieuwing van de vervoervergunning in deze gevallen.

 
De voorwaarden van de vervoersvergunningen, bedoeld in het eerste lid kunnen een onderscheid voorzien tussen de bouw en de exploitatie wanneer het gaat om aardgasvervoersinstallaties.".


Art. 7.

De artikelen 5, 6 en 8 van dezelfde wet worden opgeheven.


Art. 8.

In artikel 7 van dezelfde wet worden de woorden " De vergunning of toelating bedoeld in artikel 3 " vervangen door de woorden " De vervoervergunning ".


In artikel 9, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " de voorschriften van de algemene voorwaarden waarvan de tekst bij de vergunningsakte is gevoegd of onder de voorwaarden, die in de toelatingsakte zijn vermeld " vervangen door de woorden " de voorwaarden die in de vervoervergunning zijn vermeld ".


In het opschrift van hoofdstuk IV en in de artikelen 9, eerste lid, 10, tweede lid, 11, derde lid, 14 en 15, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " houder van een gasvervoervergunning of -toelating " vervangen door de woorden " houder van een vervoervergunning ".


In artikel 13, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden " houder van een vervoervergunning of - toelating " vervangen door de woorden " houder van een vervoervergunning ".


In artikel 15, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden " gasvervoersdienst of gasvervoerder " vervangen door het woord " vervoeronderneming ".


Art. 9.

Een artikel 15/1, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Art. 15/1. De beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie zijn respectievelijk gehouden :

 

de installaties, waarvan zij van rechtswege eigenaar zijn of waarop zij een recht hebben dat hun het genot garandeert van de infrastructuren en toestellen, te exploiteren, te onderhouden en te ontwikkelen op economisch aanvaardbare, veilige, betrouwbare en efficiënte wijze;
de installaties, rechtstreeks verbonden aan het aardgasvervoersnetwerk en waarvan zij geen eigenaar zijn of waarop zij geen recht hebben als bedoeld in 1, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een vervoersvergunning na de aanstelling van de beheerders, te exploiteren, te onderhouden en te ontwikkelen op economisch aanvaardbare, veilige, betrouwbare en efficiënte wijze overeenkomstig deze wet en die niet bedoeld worden in 1;
te beschikken over een organisatie die hen toelaat hun respectievelijke taken redelijkerwijze te vervullen;
alle vereiste aandacht te besteden aan het respecteren van het milieu bij de vervulling van hun taken;
zich te onthouden van alle discriminatie tussen de gebruikers of de categorieën van gebruikers van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallaties voor aardgas of de LNG-installatie, onder andere ten gunste van verwante ondernemingen;
aan de andere beheerders van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas, de LNG-installatie en/of de aardgasdistributie, voldoende informatie te verstrekken om te waarborgen dat het aardgasvervoer, de aardgasopslag en de LNG-activiteiten kunnen geschieden op een wijze die verenigbaar is met een veilige en efficiënte werking van de geïnterconnecteerde netten;
aan de gebruikers van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas of de LNG-installatie de informatie te verstrekken die ze nodig hebben voor een efficiënte toegang tot het net en deze installaties, overeenkomstig de gedragscode;
zich te onthouden van activiteiten van productie of verkoop van aardgas of van bemiddeling inzake aardgas andere dan de verkopen of aankopen die genoodzaakt zijn door hun activiteiten om het evenwicht te verzekeren als beheerder van het aardgasvervoersnet, als beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas of als beheerder van de LNG-installatie,
alle redelijke middelen aan te wenden om een belangrijk en accidenteel onevenwicht van de respectievelijke gebruikers van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas of de LNGinstallatie te compenseren.
10° De houders van een vervoersvergunning die niet vallen binnen het toepassingsgebied beoogd in punten 1° en 2°, exploiteren zelf hun leidingen zonder tussenkomst van de beheerders.


§ 2. De beheerder van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie mag, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks aan aandelen verbonden rechten hebben in ondernemingen voor de exploratie, de productie of de levering van aardgas of voor bemiddeling inzake aardgas.

 

§ 3. De beheerder van het aardgasvervoersnet is gehouden :

 

het technisch beheer van de aardgasstromen op zijn net te organiseren, om het mogelijk te maken dat het aardgasnet in evenwicht wordt gehouden, en waarbij hij over het evenwicht waakt, het in stand houdt en desgevallend herstelt met alle redelijke middelen waarover hij beschikt;
alle middelen aan te wenden om alle redelijke acties te ondernemen om de effecten te vermijden of te verhelpen die worden teweeggebracht door een noodsituatie die te maken heeft met de veiligheid en de betrouwbaarheid van het net en waaraan de beheerder het hoofd moet bieden of die wordt ingeroepen door een gebruiker of gelijk welke betrokken persoon;
zich de energie aan te schaffen die hij gebruikt in het raam van de vervulling van zijn taken.


§ 4. De on- en offshore installaties van de Interconnector Zeebrugge Terminal (IZT) en de Zeepipe Terminal (ZPT) die gelegen zijn op het Belgische grondgebied, worden beheerd samen met de upstreaminstallaties waarvan zij integraal deel uitmaken overeenkomstig de internationale verdragen. Zij worden niet beheerd door de beheerders beoogd in deze wet. ".


Art. 10. Een artikel 15/2, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Art. 15/2. Na advies van de Commissie kan de minister elke vervoeronderneming verplichten om de verbindingen of verbeteringen die hij nodig acht, uit te voeren, voorzover deze economisch verantwoord zijn of zo een afnemer zich ertoe verbindt de betreffende meerkost op zich te nemen. ".

Art. 11.

Een hoofdstuk IVbis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Hoofdstuk IVbis. - Leveringsvergunningen


Art. 15/3. De gebruikelijke levering van aardgas aan in België gevestigde afnemers is onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een individuele vergunning door de minister behalve indien zij wordt verricht door een distributieonderneming binnen haar eigen distributienet.


Art. 15/4. Na advies van de Commissie bepaalt de Koning :

 

1. de criteria voor de toekenning van de leveringsvergunningen, die inzonderheid betrekking kunnen hebben op :
  a. de professionele betrouwbaarheid en ervaring van de aanvrager, zijn technische en financiële capaciteit en de kwaliteit van zijn organisatie;
  b. de capaciteit van de aanvrager om aan de behoeften van zijn afnemers te voldoen;
  c. de openbare dienstverplichtingen bedoeld in artikel 15/11, 2°;
2. de procedure voor de toekenning van de leveringsvergunningen, inzonderheid de vorm van de aanvraag, het onderzoek van het dossier en de vergoeding die hiervoor moet worden betaald, en de termijnen waarbinnen de minister moet beslissen en zijn beslissing aan de aanvrager moet meedelen;
3. de gevallen waarin de minister de leveringsvergunning kan herzien of intrekken en de toepasselijke procedures;
4. wat er met de leveringsvergunning gebeurt in geval van controlewijziging, fusie of splitsing van de houder en, in voorkomend geval, de te vervullen voorwaarden en de te volgen procedures voor het behoud of de hernieuwing van de leveringsvergunning in deze gevallen. ".

 

 


Art. 12.

Een hoofdstuk IVter, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Hoofdstuk IVter. - Toegang tot het vervoernet


Art. 15/5.  De afnemers en de houders van leveringsvergunningen hebben toegang tot elk netwerk voor het aardgasvervoer, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie op basis van de tarieven vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 15/5bis en goedgekeurd door de Commissie.


Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen betreffende de gereglementeerde tarieven en de gedragscode, wordt over de toegang te goeder trouw onderhandeld.

 

Art. 15/5bis. - § 1. De beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie bepalen elk individueel het totaal inkomen dat nodig is voor de uitoefening van hun respectievelijke wettelijke en reglementaire verplichtingen teneinde de tarieven van het aardgasvervoer, de aardgasopslag en het gebruik van de LNG-installatie op te stellen. Dit totaal inkomen dient ter goedkeuring aan de Commissie te worden voorgelegd.


§ 2. De respectievelijke in § 1 bedoelde inkomsten dekken, voor de regulatoire periode van vier jaar, elk individueel :

 

a) het geheel van de reële kosten nodig voor de vervulling van de in artikel 15/1, § 1, en 15/2 bedoelde taken door elke beheerder van het aardgasvervoersnet, beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en beheerder van de LNG-installatie;
b) een billijke marge en afschrijvingen die beiden nodig zijn om de onderneming een optimale werking, de noodzakelijke toekomstige investeringen en de leefbaarheid van het aardgasvervoersnet of van de opslaginstallatie voor aardgas en/of de LNG-installatie te waarborgen en om aan de betrokken onderneming een gunstig perspectief te bieden betreffende de toegang tot de kapitaalmarkten op lange termijn;
c) desgevallend, de uitvoering van de openbare dienstverplichtingen met toepassing van artikel 15/11;
d) desgevallend de toeslagen die krachtens de wet van toepassing zijn op de tarieven;
e) desgevallend, de kosten en de vergoeding, die verbonden zijn aan de uitvoering van de in artikel 15/1, § 1, eerste lid, 1° en 2°, vermelde verplichtingen.


§ 3. Na advies van de Commissie kan de Koning afwijken van de tarieven voor de aansluiting en het gebruik van het aardgasvervoersnet.


De in het eerste lid bedoelde afwijkingen zijn van toepassing op de uitbreidingen van aardgasvervoersinstallaties of de nieuwe aardgasvervoersinstallaties erkend als zijnde van nationaal of Europees belang en noodzakelijk om de ontwikkeling op lange termijn van deze installaties toe te laten. Deze afwijkingen kunnen betrekking hebben op :


1° de duur van de toepassing van de tarieven die meer kan bedragen dan vier jaar;
2° het niveau van de billijke marge bestemd voor de vergoeding van de geïnvesteerde kapitalen.


Worden erkend als zijnde van nationaal of Europees belang, de projecten die bijdragen, respectievelijk op Belgisch of Europees niveau, aan de bevoorradingszekerheid en/of de optimalisering van de werking van de geïnterconnecteerde aardgasvervoersnet(ten), opslaginstallatie voor aardgas of LNG-installaties en die de ontwikkeling van de nationale en/of Europese markt vergemakkelijken.


De afwijking doet geen afbreuk aan artikel 15/5ter.


Art. 15/5ter. - Onverminderd artikel 15/5quater, § 2, tweede lid, beantwoorden de in artikelen 15/5 en 15/5bis bedoelde tarieven aan de volgende richtsnoeren :

 

ze zijn niet-discriminerend en transparant;
ze dekken het inkomen zoals gepreciseerd in artikel 15/5bis, § 2;
ze maken het mogelijk op Belgisch grondgebied de evenwichtige ontwikkeling te realiseren van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en/of de LNG-installatie om een niet-discriminerende behandeling ten opzichte van alle eindgebruikers te waarborgen;
ze zijn vergelijkbaar op internationaal niveau met de beste tariefpraktijken die in gelijkaardige omstandigheden door vergelijkbare beheerders van aardgasvervoersnetten, de opslaginstallatie voor aardgas en/of de LNG-installatie worden toegepast;
ze beogen het gebruik van de capaciteit van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie te optimaliseren;
ze zijn voldoende opgesplitst, met name :
  a) op basis van de voorwaarden en de nadere regels voor het gebruik van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie;
  b) wat de ondersteunende diensten betreft;
  c) wat de eventuele meerkosten voor de openbare dienstverplichtingen betreft.
de tariefstructuren houden rekening met de capaciteit die is gereserveerd en die nodig is om het aardgasvervoer en de werking van de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie te waarborgen.
de tariefstructuren zijn gelijk voor het gehele grondgebied, zonder onderscheid per geografische zone.


Art. 15/5quater. - § 1. De beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie leggen elk individueel een aanvraag van hun respectievelijke tarieven ter goedkeuring voor aan de Commissie, alsook van de tarieven voor ondersteunende diensten. Zij publiceren elk individueel de goedgekeurde tarieven voor de respectievelijke activiteiten, met inachtneming van de in dit hoofdstuk bepaalde richtsnoeren.


§ 2. Het totaal inkomen wordt bepaald voor een periode van vier jaar en de tarieven hebben betrekking op een zelfde periode. Deze regulatoire periode van vier jaar begint bij de inwerkingtreding van de tarieven.


Het totaal inkomen wordt op een unitaire basis opgesplitst om tot de tarieven te komen. Deze tarieven dienen de geldstroom te respecteren die de netbeheerder elk jaar nodig heeft om zijn verplichtingen overeenkomstig deze wet na te komen.


§ 3. Het totaal inkomen van het eerste jaar van de regulatoire periode dient als referentie voor de ontwikkeling van het totaal inkomen voor de volgende jaren van de regulatoire periode van vier jaar, rekening houdend met de volgende ontwikkelingsregels :

 

de categorieën van samenstellende elementen van het totaal inkomen zoals beoogd in artikel 15/5bis en die betrekking hebben op kosten waarop de beheerders geen rechtstreekse controle hebben en die noodzakelijk zijn voor de zekerheid, de efficiëntie en de betrouwbaarheid van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie evolueren in functie van de overeenstemmende kosten die door de beheerders gedragen worden en de andere kosten die evolueren op basis van een objectieve indexeringsformule die gedurende de periode van vier jaar resulteert in tarieven die de dekking van het in artikel 15/5bis omschreven totaal inkomen garandeert;
de afschrijvingen evolueren jaarlijks afhankelijk van het investeringsplan;
de winstmarge evolueert jaarlijks afhankelijk van de ontwikkeling van het gereguleerd actief en het rendementspercentage, beoogd in artikel 15/5septies, 1°, c);
de intrestlasten evolueren in functie van de evolutie van de rentetarieven.


§ 4. De beheerders dienen bij de Commissie, ter goedkeuring, een voorstel in betreffende hun inkomen en tarieven, dat uitgewerkt is op basis van het in artikel 15/5bis bedoelde totaal inkomen.

 
§ 5. De transportonderneming kan de Commissie in de regulatoire periode een geactualiseerd tariefvorostel over nieuwe diensten en/of de aanpassing van bestaande diensten, ter goedkeuring voorleggen. Dat voorstel wordt ingediend en door de Commissie behandeld overeenkomstig de voor het tariefvoorstel geldende procedure. Dat geactualiseerde tariefvoorstel houdt rekening met het totale inkomen en het door de Commissie goedgekeurde tariefvoorstel, zulks zonder afbreuk te doen aan de volledigheid van het totale inkomen, noch aan de bestaande tariefstructuur.


Art. 15/5quinquies. - De beheerder van het aardgasvervoersnet die een doorvoeractiviteit uitoefent, dient bij de Commissie een specifieke aanvraag in tot goedkeuring voor de doorvoer overeenkomstig dit hoofdstuk met uitzondering van de artikelen 15/5ter 2°, 4°, 5°, 8° en 15/5quater, § 3, zonder afbreuk te doen aan artikel 15/19.


Art. 15/5sexies. - § 1. De artikelen 15/5, 15/5bis, 15/5ter, 7°, 15/5quater en 15/5quinquies zijn niet van toepassing op de in artikel 3, tweede lid, bedoelde aardgasvervoersinstallatie.

 

Art. 15/5septies. - De Koning, na overleg in de Ministerraad, op voorstellen van de Commissie die in overleg met de beheerders worden opgesteld en die voorgelegd worden binnen veertig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek van de minister, legt de regels vast met betrekking tot :

 

de methodologie voor het vaststellen van het totale inkomen dat een billijke winstmarge zoals bedoeld in artikel 15/5bis bevat; deze methodologie legt het volgende vast :
  a) een definitie van het gereguleerd actief, waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijvingen en de nieuwe investeringen;
  b) afschrijvingstoelages;
  c) een rendementspercentage op dit gereguleerd actief dat rekening houdt met een redelijke verdeling tussen eigen vermogen en vreemd vermogen overeenkomstig de beste praktijken van de internationale financiële markt, dat het mogelijk maakt dat op competitieve markten, de investeerders van de beheerders kunnen verwachten hetzelfde rendement op lange termijn te behalen als voor investeringen waaraan soortgelijke risico’s verbonden zijn;
de algemene tariefstructuur en de basisprincipes en procedures inzake de tarieven;
de procedure voor het voorstel, de goedkeuring, de weigering en de publicatie van de tarieven, met uitzondering van haar motivatie, in toepassing van dit hoofdstuk;
de jaarverslagen en de gegevens die de beheerders aan de Commissie moeten verstrekken met het oog op de controle van hun tarieven door de Commissie;
de specifieke regels die de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas, de beheerder van de LNG-installatie moeten toepassen inzake de boekhoudkundige verwerking van de kosten;
de doelstellingen die de beheerders moeten nastreven inzake kostenbeheersing;
de inkomensverschillen van één jaar in vergelijking met een ander, die zijn veroorzaakt door een significatieve verhoging van het volume van verkoopscapaciteit;

 
Art. 15/5octies. - § 1. De beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas, de beheerder van de LNG-installatie sturen elk individueel het jaarverslag met de resultatenrekeningen van de nieuwe installaties van het afgelopen jaar naar de Commissie.


§ 2. De modellen van de in dit hoofdstuk bedoelde verslagen worden door de Commissie uitgewerkt na overleg met de beheerders.


Art. 15/5nonies. - Indien er zich, tijdens een regulatoire periode, uitzonderlijke omstandigheden voordoen, onafhankelijk van de wil van de beheerder, legt deze ter goedkeuring aan de Commissie een gemotiveerde vraag voor herziening van de regels tot bepaling van het in artikel 15/5bis bedoelde totaal inkomen, voor wat de komende jaren van de regulatoire periode betreft, voor.


Aan het einde van elke regulatoire periode van vier jaar, stelt de beheerder het saldo (positief of negatief) vast tussen de kosten en de inkomsten, die opgelopen en geboekt zijn tijdens een regulatoire periode, voorzover dit saldo voortvloeit uit een verschil tussen de reële niet-beheersbare kosten en de geraamde niet-beheersbare kosten, en/of uit een verschil tussen de reële verkoopsvolumes en de geraamde verkoopsvolumes van de beheerder. Hij brengt de Commissie op de hoogte van dit saldo en levert haar de elementen ter staving hiervan. De verdeling van dit saldo wordt bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

 

Art. 15/5decies. - Na overleg met de gewesten kan de Koning, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, het toepassingsgebied van de artikelen 15/5 en 15/5bis uitbreiden naar de tarieven voor de aansluiting op de distributienetten en het gebruik ervan, alsook naar de tarieven van de ondersteunende diensten geleverd door de distributieondernemingen.

 

Art. 15/5undecies. - § 1. Op voorstel van de Commissie, stelt de Koning een gedragscode vast met betrekking tot de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNGinstallatie.


De gedragscode bepaalt :

 

de procedures en regels inzake de aanvraag van toegang tot het net;
de gegevens die de gebruikers van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie aan de beheerder van het aardgasvervoersnet, aan de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en aan de beheerder van de LNG-installatie moeten verstrekken;
de voorzorgsmaatregelen die de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie dienen te nemen om de vertrouwelijkheid van de commerciële gegevens met betrekking tot de gebruikers van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas of de LNG-installatie te beschermen;
de termijnen waarbinnen de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie moeten antwoorden op de aanvragen om toe te treden tot hun net en hun installatie;
de maatregelen om elke discriminatie tussen gebruikers of categorieën gebruikers van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas of de LNG-installatie te vermijden;
de minimumvereisten met betrekking tot de juridische en operationele scheiding van de vervoers- en leveringsfuncties van aardgas binnen de geïntegreerde beheerders van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas of de LNG-installatie;
de basisbeginselen met betrekking tot de rechten en verplichtingen van, enerzijds, de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie, en, anderzijds, de gebruikers voor de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas of de LNGinstallatie;
de basisbeginselen met betrekking tot facturering;
de basisbeginselen met betrekking tot de rechten en verplichtingen van, enerzijds, de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie en, anderzijds, de gebruikers van het desbetreffende aardgasvervoersnet, van de opslaginstallatie voor aardgas of van de LNG-installatie inzake het gebruik ervan en meer bepaald, inzake onderhandelingen over de toegang tot vervoer, over het congestiebeheer en over de publicatie van informatie;
10° maatregelen die in het verbintenissenprogramma moeten worden opgenomen om te waarborgen dat ieder discriminerend gedrag is uitgesloten en om te voorzien in een adequaat toezicht op de naleving ervan. Het programma bevat de specifieke verplichtingen van de werknemers ter verwezenlijking van die doelstelling. De persoon of instantie die verantwoordelijk is voor het toezicht op het verbintenissenprogramma dient bij de Commissie jaarlijks een verslag in waarin de genomen maatregelen worden uiteengezet. Dit verslag wordt gepubliceerd;
11° de vereisten inzake onafhankelijkheid van het personeel van de beheerders ten opzichte van de producenten, distributeurs, leveranciers en tussenpersonen.


De toekenning en het behoud van elke vervoers- of leveringsvergunning zijn onderworpen aan het naleven van de gedragscode.


§ 2. Onverminderd elke wettelijke verplichting om gegevens bekend te maken, bewaren de aardgasondernemingen de vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige gegevens die zij van derden verkregen hebben in het kader van de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas of de LNG-installatie of van onderhandelingen hierover. Zij onthouden zich ervan deze gegevens te gebruiken voor hun eigen verkopen of aankopen van aardgas.

 

Art. 15/5duodecies. - § 1. De nieuwe grote aardgasinstallaties, namelijk de interconnecties met de buurlanden, de LNG-installaties en de opslaginstallaties kunnen genieten van een afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de bepalingen inzake de tarifaire methodologie, met uitzondering van de artikelen 15/6, 15/7, 15/8 en 15/9. Deze afwijking wordt verleend door de Koning, na advies van de Commissie in de mate dat :

 

de investering de concurrentie in de aardgaslevering moet versterken en de bevoorradingszekerheid moet verbeteren;
het risiconiveau dat verbonden is aan de investering dusdanig is dat deze investering niet gerealiseerd zou zijn als geen afwijking was toegestaan;
de installatie de eigendom is van een natuurlijke of rechtspersoon die op zijn minst qua rechtsvorm gescheiden is van de netbeheerders in wier netwerk die installatie wordt gebouwd;
de tarieven worden geïnd bij de gebruikers van de betrokken installatie;
de afwijking geen afbreuk doet aan de concurrentie of de goede werking van de nationale aardgasmarkt, noch aan de doeltreffendheid van de werking van het net waarmee de installatie is verbonden.


§ 2. De afwijking kan gelden voor het geheel of gedeelten van, respectievelijk, de nieuwe installatie, de aanzienlijk verhoogde capaciteit van deze installatie of de wijzigingen aan deze installatie, die toelaten nieuwe bronnen van gasbevoorrading te ontwikkelen.


Bij de beslissing over de afwijking wordt per geval nagegaan of er voorwaarden gesteld moeten worden met betrekking tot de duur van de afwijking en de niet-discriminerende toegang tot de interconnecties met de buurlanden.


Hierbij wordt rekening gehouden met de looptijd van de contracten, de aan te leggen extra capaciteit of de wijziging van de bestaande capaciteit, de looptijd van het project en de nationale omstandigheden.


§ 3. Wanneer een afwijking wordt verleend, kan de minister de voorschriften en mechanismen bepalen voor het beheer en de toewijzing van capaciteit, voor zover dit geen beletsel vormt voor de uitvoering van langetermijncontracten.


§ 4. Elke aanvraag tot afwijking wordt onmiddellijk aangemeld bij de Europese Commissie alsook alle nuttige gegevens die daarmee verband houden.


[...]


Art. 15/6. De eindafnemers aangesloten op het aardgasvervoersnet en de leveranciers die hun klanten bevoorraden via een aardgasdistributienet evenals de distributieondernemingen hebben vanaf 1 juli 2004 recht op toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG installatie.


Art. 15/7. § 1. De vervoerondernemingen kunnen de toegang tot het vervoernet enkel geldig weigeren in de mate dat :

 

1. het net niet over de nodige capaciteit beschikt om het vervoer te verzekeren;
2. de toegang tot het net de goede uitvoering van een openbare dienstverplichting door de betrokken vervoeronderneming zou verhinderen;
3. de toegang tot het net voor de betrokken vervoeronderneming economische en financiële moeilijkheden zou meebrengen ingevolge " take-or-pay " contracten gesloten voor 1 januari 1998.


§ 2. Elke weigering van toegang tot het vervoernet in uitvoering van § 1 moet met redenen worden omkleed.


Elke weigering van toegang in uitvoering van § 1, 3°, dient door de Commissie te worden gemachtigd. Wanneer een vervoeronderneming de toegang tot haar vervoernet op grond hiervan weigert, richt zij onverwijld een verzoek om ontheffing tot de Commissie, die beslist rekening houdend inzonderheid met de criteria aangegeven in artikel 27, paragraaf 3, van de Richtlijn 2003/55. § 1, 3°, en elke ontheffing die wordt verleend in uitvoering van deze bepaling, houden op uitwerking te hebben op 1 oktober 2006.


Art. 15/8. Onverminderd lopende contracten en de verplichtingen van België krachtens internationale verdragen, bepaalt de Koning, bij een besluit, vastgesteld in de Ministerraad, na advies van de Commissie, in welke mate en tegen welke voorwaarden de bepalingen van deze wet van toepassing zijn op aardgasondernemingen die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de Europese Unie.


Art. 15/9. Na advies van de Commissie en raadpleging van de betrokken vervoerondernemingen, neemt de Koning de nodige maatregelen opdat de gasondernemingen toegang kunnen bekomen tot de upstreaminstallaties overeenkomstig artikel 20 van de Richtlijn 2003/55.".

 


Art. 13.

Een hoofdstuk IVquater, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Hoofdstuk IVquater. - Tarifering, openbare dienstverplichtingen, boekhouding

 

Art. 15/10.§ 1. Na advies van de commissie en beraadslaging in Ministerraad kan de federale minister bevoegd voor economie, maximumprijzen vaststellen voor de levering van aardgas aan eindafnemers en voor het aandeel van de aardgaslevering aan distributiebedrijven [...].


§ 2. Na advies van de commissie en overleg met de gewesten kan de federale minister bevoegd voor economie, na beraadslaging in Ministerraad, maximumprijzen vaststellen per kWh die op het gehele grondgebied gelden voor de levering van aardgas aan residentiële beschermde klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie. Deze maximumprijzen omvatten geen enkel forfaitair bedrag of vergoeding.


aardgasondernemingen verzekeren de bevoorrading van residentiële beschermde klanten tegen de maximumprijzen bepaald krachtens het eerste lid en voeren een afzonderlijke boekhouding voor deze activiteit.


De reële nettokost die voortvloeit uit deze activiteit wordt gefinancierd door toeslagen op de tarieven bedoeld in artikel 15/5 of door heffingen op alle of objectief bepaalde categorieën van energieverbruikers of marktoperatoren.


Op voorstel van de commissie stelt de Koning de regels vast voor de bepaling van deze kost en de tussenkomst ten gunste van de betrokken marktoperatoren voor het ten laste nemen ervan. Zijn financiering wordt georganiseerd door een fonds onder beheer van de commissie, volgens de regels bepaald bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.


Elk besluit dat een toeslag of heffing zoals bedoeld in het derde lid invoert, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.


De bepalingen van de wet van 22 januari 1945 op de economische reglementering en de prijzen zijn van toepassing, met uitzondering van artikel 2, § 4, laatste lid, en § 5, voor de bepaling van de maximumprijzen bedoeld in paragraaf 1 en in het eerste lid.


§ 3. De maximumprijzen bedoeld in § § 1 en 2 worden zodanig vastgesteld dat :

 

1. kruissubsidies tussen categorieën van afnemers worden vermeden;
2. wordt gewaarborgd dat een billijk deel van de productiviteitsstijging ingevolge de openstelling van de aardgasmarkt op evenwichtige wijze ten goede komt van residentiële en professionele afnemers, waaronder de kleine en middelgrote ondernemingen, in de vorm van een vermindering van de tarieven;
3. de tarieven voor de in 2° bedoelde afnemers worden behouden op het niveau van de beste tariefpraktijken in hetzelfde marktsegment in de andere lidstaten van de Europese Unie, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de distributiesector;
4. het principe wordt geëerbiedigd volgens welk de prijzen bedoeld in § 2 worden afgestemd op de marktwaarde van aardgas in verhouding tot vervangingsproducten.
5. het recht van toegang tot energie, goed van eerste levensbehoefte, wordt gewaarborgd daar waar aardgasnetten bestaan of op een economisch redelijke wijze ontwikkeld kunnen worden, waarbij in het bijzonder, in het kader van de openstelling van de aardgasmarkt voor concurrentie, de continuïteit van de sociale voordelen toepasbaar op bepaalde categorieën residentiële verbruikers inzake aansluitingen en tarieven wordt verzekerd;
6. erop wordt toegezien dat eindafnemers genieten van de voordelen die uit het afschrijvingsbeleid gevoerd in het gereguleerde systeem zullen voortvloeien;
7. de transparantie in termen van tarieven wordt gewaarborgd en de rationele consumptiegedragingen worden bevorderd.


Art. 15/11. § 1. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie, kan de Koning :

 

de houders van een vervoersvergunning openbare dienstverplichtingen opleggen inzake investeringen, ten gunste van afnemers die geen in aanmerking komende afnemers zijn, op basis van een voorafgaande studie met betrekking tot de capaciteit van het aardgasvervoersnet en in de mate dat deze investeringen economisch verantwoord zijn;
de houders van een leveringsvergunning openbare dienstverplichtingen opleggen inzake regelmaat en kwaliteit van leveringen van aardgas en inzake bevoorrading van distributieondernemingen, en andere afnemers, in de mate dat zij niet in aanmerking komen.
een fonds oprichten, onder beheer van de Commissie, dat :
  a) de volledige of een deel van de reële netto-kosten van de openbare dienstverplichtingen bedoeld in het 1° en het 2° ten laste neemt, voor zover deze kosten een onbillijke last zou vertegenwoordigen voor de ondernemingen die tot deze verplichtingen gehouden zijn. In voorkomend geval wordt de berekening van de kosten bedoeld in 3°, a), door elke betrokken onderneming gedaan, overeenkomstig de door de Commissie opgestelde methodologie, en door deze laatste geverifieerd;
  b) wordt gefinancierd door de houders van een leveringsvergunning, bedoeld in artikel 15/3, door middel van heffingen, uitgevoerd in het kader van de hiervoor vermelde leveringsvergunning, op de hoeveelheden, uitgedrukt in energie-eenheden, geleverd aan alle of aan objectief bepaalde categorieën van aardgasverbruikers, volgens de nadere regels bepaald door hetzelfde besluit. Elk besluit dat krachtens 3°, b), wordt vastgesteld, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf  maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.


De houders van een leveringsvergunning heffen een toeslag, genaamd « federale bijdrage », die mag worden doorgerekend aan de eindafnemers, tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de gasmarkt. In het kader van wat in het eerste lid wordt bepaald houdt de Koning rekening met het investeringsprogramma omvat in het indicatief plan bedoeld in artikel 15/13, § 2, 3°.


De opbrengst van deze toeslag is bestemd voor :

 

de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 15/15, § 4, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 15/15, § 4;
de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en maatschappelijke steunverlening inzake energie voorzien door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financie¨le maatschappelijke steunverlening
aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.

 

De federale bijdrage bedoeld in het vorige lid wordt geïnd door de houders van een leveringsvergunning onder de vorm van een toeslag op hun tarieven. De houders van een leveringsvergunning storten de ontvangen sommen, overeenkomstig een verdeelsleutel, bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, respectievelijk :

 

in een fonds voor de financiering van haar werkingskosten overeenkomstig artikel 15/15, § 4, dat beheerd wordt door de commissie;
in het fonds bedoeld in het eerste lid, 3°, met het oog op de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in het tweede lid, 2°, waarvan de middelen te dien einde ter beschikking gesteld worden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.


De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :

 

het bedrag en de berekeningswijze van de federale bijdrage bedoeld in het tweede lid;
de verdeelsleutel voor de verdeling van de opbrengst van de federale bijdrage over de fondsen bedoeld in het vorige lid en de modaliteiten van storting in deze fondsen;
de nadere regels voor het beheer van deze fondsen door de commissie.


Elk besluit tot vaststelling van het bedrag en de berekeningswijze van de bijdrage bedoeld in dit artikel, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding.

 

§ 2. De houders van een vervoersvergunning gebruiken de capaciteiten van de bestaande opslaginstallaties bij voorrang ten gunste van een distributieonderneming of van een niet in aanmerking komende afnemer.


Art. 15/12. - § 1. De wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsmede de artikelen 64 tot 66, 77 (met uitzondering van het zesde lid), 80, 80bis en 177bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen zijn van toepassing op de aardgasondernemingen die vennootschappen of organismen naar Belgisch recht zijn, ongeacht hun rechtsvorm. De jaarrekening van deze ondernemingen specifieert in de toelichting alle significante verrichtingen met verbonden of geassocieerde ondernemingen tijdens het betrokken boekjaar.


§ 2. De ondernemingen bedoeld in § 1 die verticaal of horizontaal geïntegreerd zijn, houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen voor hun activiteiten van vervoer, distributie en opslag van aardgas en, in voorkomend geval, voor het geheel van hun activiteiten die niet verbonden zijn met het aardgasvervoer, de aardgasdistributie, LNG- activiteiten en aardgasopslag, zoals zij zouden moeten doen indien deze activiteiten door juridisch onderscheiden ondernemingen werden uitgevoerd.

 

De interne boekhouding van de ondernemingen bedoeld in het eerste lid bevat een balans en een resultatenrekening voor elke categorie van activiteiten en specifieert de regels voor de toerekening van de activa en passiva en de opbrengsten en kosten die bij de opstelling van de afzonderlijke rekeningen werden toegepast. Deze regels mogen slechts in uitzonderlijke gevallen worden gewijzigd en deze wijzigingen moeten worden vermeld en naar behoren gemotiveerd.


§ 3. De commissie kan bepalen dat de ondernemingen bedoeld in § 1 of bepaalde categorieën ervan haar periodiek cijfermatige of descriptieve gegevens overmaken betreffende hun financiële of commerciële betrekkingen met verbonden of geassocieerde ondernemingen, teneinde de commissie in de mogelijkheid te stellen na te gaan of deze relaties niet van aard zijn de wezenlijke belangen van de consumenten of de correcte uitvoering van de openbare dienstverplichtingen van de betrokken onderneming te schaden.


Elk besluit dat voor de aardgassector wordt vastgesteld krachtens artikel 11, 2°, van voornoemde wet van 17juli 1975, en elke afwijking die aan aardgasondernemingen wordt toegestaan met toepassing van artikel 15 van dezelfde wet, is onderworpen aan het voorafgaande advies van de commissie.

 

§ 4. De gecombineerde netbeheerder voert een afzonderlijke boekhouding voor elk type van activiteit.".


Art. 14.

Een hoofdstuk IVquinquies, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Hoofdstuk IVquinquies. - Toezicht op de zekerheid van de aardgasbevoorrading

 

Art. 15/13. - § 1. Een prospectieve studie betreffende de zekerheid van de aardgasbevoorrading wordt opgesteld door het Bestuur Energie, in samenwerking met het Planbureau, na advies van de Commissie en na consultatie van de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie, de houders van een aardgasleveringsvergunning, de gewesten en de Interdepartementale Commissie voor de duurzame ontwikkeling.


Er wordt overleg gepleegd met de gewesten wat betreft de bevordering van het rationeel energiegebruik en de inpassing van de randvoorwaarden inzake leefmilieu. Dit overleg dient plaats te vinden binnen een termijn van één maand.


§ 2. De prospectieve studie betreffende de zekerheid van de aardgasbevoorrading houdt rekening met de volgende elementen :

 

de raming van de evolutie van de vraag en het aanbod voor aardgas op middellange en lange termijn;
de richtsnoeren inzake diversificatie van de bevoorradingsbronnen en de identificatie van de nieuwe behoeften inzake bevoorrading in aardgas;
een indicatief investeringsprogramma met het oog op het behoud en de ontwikkeling van het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie;
het niveau en de kwaliteit van het onderhoud van het net en de installaties;
de maatregelen waarin voorzien wordt voor het geval dat één of meer aardgasproducenten of een aardgasleverancier zouden tekortschieten in de bevoorrading van het land;
op het gebied van de opslagcapaciteit voor aardgas, de minimale streefdoelen die moeten worden bereikt in het kader van de zekerheid van de bevoorrading van het land.


§ 3. De prospectieve studie betreffende de zekerheid van de aardgasbevoorrading, ten laatste opgesteld op de eerste 15de maart volgend op de inwerkingtreding van dit artikel, wordt uitgewerkt voor een periode van vijf jaar en wordt jaarlijks geactualiseerd.


§ 4. De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitwerking en de publicatie van de prospectieve studie betreffende de zekerheid van de aardgasbevoorrading.


§ 5. Na advies van de Commissie kan de Koning, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nodige maatregelen treffen ter omzetting van de bepalingen van de Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, in zoverre ze van toepassing zijn op de prospectieve studie betreffende de zekerheid van de aardgasbevoorrading. Het advies van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State wordt gepubliceerd samen met het betreffende besluit. Dit besluit houdt op uitwerking te hebben indien het niet binnen vijftien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet is bekrachtigd


Art. 15.

Een hoofdstuk IVsexies, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Hoofdstuk IVsexies. - Reguleringsinstantie, geschillenregeling

 

Art. 15/14. § 1. De Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit, opgericht door artikel 23 van de wet van 29 april 1999 krijgt als nieuwe benaming " Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas ", in het Duits " Elektrizitäts- und Gasregulierungskommission " en afgekort " CREG ".


§ 2. De Commissie is belast met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de gasmarkt, enerzijds, en met een taak van toezicht en controle op de toepassing van de betreffende wetten en reglementen, anderzijds.


Te dien einde zal de Commissie :

 

1. gemotiveerde adviezen geven en voorstellen voorleggen in de gevallen bepaald door deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
2. op eigen initiatief of op verzoek van de minister of van een gewestregering onderzoeken en studies uitvoeren in verband met de aardgasmarkt;
toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de aardgasmarkt overeenkomstig artikel 15/14bis;
3°bis de objectief verantwoorde verhouding beoordelen tussen de prijzen en de kosten van een bedrijf, bedoeld in artikel 15/14ter;
advies geven aan het Bestuur Energie over de aanvragen tot het bekomen van leveringsvergunningen krachtens artikel 15/3 en controle uitoefenen op de naleving van de voorwaarden van deze vergunningen; een advies verstrekken aan dit bestuur over de aanvragen tot het bekomen van de vervoersvergunningen krachtens artikel 3
advies geven aan het Bestuur Energie over de prospectieve studie betreffende de zekerheid van de aardgasbevoorrading, overeenkomstig artikel 15/13, § 1;
6. de belangrijkste voorwaarden voor de toegang tot de vervoernetten goedkeuren met uitzondering van de tarieven bedoeld in de artikelen 15/5 tot 15/5decies, en de toepassing ervan door de vervoerondernemingen in hun respectieve netten controleren;
7. de uitvoering van de openbare dienstverplichtingen bedoeld in artikel 15/11 controleren en evalueren;
8. de toepassing van de bepalingen van artikel 15/7 controleren en evalueren;
8bis. Overeenkomstig artikel 23bis van de wet van 29 april 1999 erop toezien dat de tarieven voor de levering van aardgas gericht zijn op het algemeen be lang en, in voorkomend geval, de maximumprijzen controleren die toepasselijk zijn op eindafnemers en op distributiebedrijven die eindafnemers, die geen in aanmerking komende afnemers zijn, bevoorraden;
9. de boekhouding van de ondernemingen van de aardgassector controleren, inzonderheid ter verificatie van de naleving van de bepalingen van artikel 15/12 en de afwezigheid van kruissubsidies tussen de activiteiten van vervoer, doorvoer distributie en opslag van aardgas;
9°bis de tarieven, bedoeld in de artikelen 15/5 tot 15/5decies, eerste lid, goedkeuren en de toepassing ervan door de vervoersondernemingen in hun respectieve netten controleren;
10° de afwezigheid van kruissubsidies tussen categorieën van afnemers verifiëren;
11. alle andere taken uitvoeren die haar door wetten en reglementen betreffende de organisatie van de aardgasmarkt worden toevertrouwd.
12. In de gevallen waarin deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan het advies van de Commissie vereisen, kan deze op eigen initiatief voorstellen doen.
12° er op toezien dat de met name technische en tarifaire toestand van de aardgassector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid. De Commissie verzekert de permanente monitoring van de aardgasmarkt, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen. De Koning kan, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de permanente monitoring van de aardgasmarkt nader bepalen;
13° toezien op de essentiële belangen van de consument en op de correcte toepassing van de openbare dienstverplichtingen door de betrokkene ondernemingen.

 

De Commissie brengt haar adviezen en voorstellen uit binnen veertig kalenderdagen na het verzoek ertoe, behalve wanneer de minister een langere termijn verleent. De minister kan een kortere termijn voorzien voor adviezen aangevraagd in het kader van artikel 23.


§ 3. Voor 1 mei van het jaar volgend op het betrokken boekjaar maakt de commissie aan de minister een verslag over met betrekking tot :

 

de uitvoering van haar opdrachten;
de staat van haar werkingskosten en de wijze waarop zij gedekt zijn, met inbegrip van een overzicht van activa/passiva;
de evolutie van de aardgasmarkt. De minister maakt dat jaarverslag over aan de federale wetgevende kamers en aan de gewestregeringen. Hij zorgt voor een passende bekendmaking van het verslag.

 

§ 4. In het kader van de uitvoering van de taken die haar zijn toegewezen ter uitvoering van § 2, tweede lid, 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 9°bis en 11°, kan de Voorzitter van het directiecomite´ van de Commissie de bijstand vorderen van de ambtenaren van het Bestuur Energie en van het Bestuur Economische Inspectie van het Ministerie van Economische Zaken, die aangewezen zijn overeenkomstig artikel 18, vijfde lid.

 

Art.15/14bis. De Commissie ziet er op toe dat elke aardgasonderneming, die aardgas levert aan in België gevestigde afnemers zich onthoudt, afzonderlijk of in overleg met meerdere andere aardgasondernemingen, van elk anti-competitief gedrag of oneerlijke handelspraktijken die een weerslag hebben of zouden kunnen hebben op een goed werkende aardgasmarkt in België.


Indien de Commissie bij de uitoefening van haar toezichts- of controletaken oneerlijke handelspraktijken of een anti-competitief gedrag vaststelt, maakt zij, op eigen initiatief, een rapport over aan de minister, met haar bevindingen en desgevallend elke maatregel waarvan zij het nodig acht dat die genomen wordt door haarzelf of door elke andere bevoegde overheid om de oneerlijke handelspraktijken of het anti-competitief gedrag die een weerslag hebben of zouden kunnen hebben op een goed werkende aardgasmarkt in België te verhelpen.


De Commissie geeft de veronderstelde inbreuken aan bij de Raad voor de Mededinging, zendt het rapport over dat ze aan de minister heeft overgezonden, en deelt deze Raad ook de noodzakelijke vertrouwelijke informatie mede.


Wat betreft de oneerlijke handelspraktijken, kan de Koning, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de dringende maatregelen nader bepalen die de Commissie toegelaten wordt te nemen.


De Commissie kan adviezen formuleren en elke maatregel voorstellen die de goede werking en de transparantie op de markt verhoogt en die van toepassing is op alle aardgasondernemingen, actief in België.

 

Art 15/14ter. § 1. De prijzen van een aardgasonderneming dienen op een objectief verantwoorde wijze in verhouding te staan tot de kosten van de onderneming. De Commissie beoordeelt deze verhouding door ondermeer de kosten en de prijzen van genoemde onderneming te vergelijken met de kosten en de prijzen van vergelijkbare ondernemingen, indien mogelijk ook op internationaal vlak.


§ 2. Als een aardgasonderneming een verbonden onderneming is, wordt misbruik van machtpositie vermoed indien het discriminatoire prijzen en/of voorwaarden aanbiedt aan niet-verwante ondernemingen.


§ 3. Indien de Commissie vaststelt dat er geen objectief verantwoorde verhouding bestaat zoals bedoeld in § 1, maakt zij, op eigen initiatief, een rapport over aan de minister dat haar bevindingen weergeeft en de maatregelen die zij aanbeveelt.


De Commissie geeft de veronderstelde inbreuken aan bij de Raad voor de Mededinging, zendt het rapport over dat ze aan de minister heeft overgezonden en deelt deze Raad ook de noodzakelijke vertrouwelijke informatie mede.


Wat betreft de discriminatoire prijzen en/of voorwaarden betreft, kan de Koning, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de dringende maatregelen nader bepalen die de Commissie toegelaten wordt te nemen.

 

Wat betreft de prijzen, kan de Commissie adviezen formuleren en elke maatregel voorstellen die van toepassing is op alle aardgasbedrijven, actief in België.

 

Art. 15/15. § 1. Het aantal leden waaruit het directiecomité van de Commissie is samengesteld, wordt van vier naar zes gebracht.


§ 2. De directie voor marktcontentieux, bedoeld in artikel 25, § 1, 1°, van de wet van 29 april 1999 is eveneens verantwoordelijk voor de aangelegenheid bedoeld in artikel 15/14, § 2, tweede lid, 3°. De administratieve directie, bedoeld in artikel 25, § 1, 4°, van dezelfde wet, is verantwoordelijk voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 15/14, § 2, tweede lid, 2°.


§ 3. Binnen de Commissie worden twee nieuwe directies opgericht, te weten :

 

1. een directie voor de technische werking van de aardgasmarkt die inzonderheid verantwoordelijk is voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 15/14, § 2, tweede lid, 4° tot 8°;
2. een directie voor de controle op de prijzen en de rekeningen op de aardaardgasmarkt die inzonderheid verantwoordelijk is voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 15/14, § 2, tweede lid, 9° 9°bis en 10°.


§ 4. De Koning bepaalt volgens een forfaitaire verdeelsleutel het deel van de werkingskosten van de Commissie dat wordt gedekt door een vergoeding te betalen door de houders van vervoer- of leveringsvergunningen. Hij kan deze sleutel aanpassen in functie van de respectieve evolutie van de elektriciteits- en aardgasmarktten.

 

In afwachting dat aan het eerste lid uitvoering is gegeven, worden de vergoedingen bedoeld in het eerste lid betaald door de houders van gasvervoervergunningen of -toelatingen, bedoeld in artikel 3 van de gaswet.


Elk besluit dat wordt vastgesteld krachtens het eerste of tweede lid of krachtens artikel 25, § 3, eerste of tweede lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.


§ 5. De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de bepalingen van dit artikel.


Art. 15/16. § 1. Bij de uitvoering van de taken die haar worden opgelegd, kan de Commissie van de aardgasondernemingen die actief zijn op de Belgische markt, alle nodige inlichtingen vorderen. De Commissie heeft toegang tot de boekhouding van de gasondernemingen, met inbegrip van de afzonderlijke rekeningen bedoeld in artikel 15/12, § 2, in de mate dit nodig is voor de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 15/14, § 2, voorzover zij haar aanvraag motiveert.

 

§ 1bis. Bij de uitvoering van de opdrachten die haar bij artikelen 15/14bis en 15/14ter worden toebedeeld, beschikt de Commissie bovendien over bevoegdheden en rechten die hierna beschreven zijn :

 

vanwege de aardgasbedrijven elke inlichting verkrijgen, onder
welke vorm ook, over materies die tot haar bevoegdheid en haar opdracht behoren binnen de dertig dagen na haar vraag;
van deze bedrijven verslagen verkrijgen over hun werkzaamheden of bepaalde aspecten ervan;
de informatie bepalen die haar regelmatig dient te worden meegedeeld en de periodiciteit waarmee deze informatie aan haar dient te worden overgemaakt;
bij weigering van het toezenden van de gevraagde informatie binnen de dertig dagen overgaan tot het ter plaatse kennisnemen van alle hoger bedoelde inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten die haar zijn toegewezen en deze desgevallend kopiëren.


§ 2. Artikel 26, §§ 2 en 3, van de wet van 29 april 1999 is van toepassing op de gegevens die zijn verkregen bij de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 15/14, § 2.

 

Art.15/16bis. Op de ombudsdienst die is opgericht bij artikel 27 van de wet van 29 april 1999 kan een beroep worden gedaan voor geschillen tussen eindafnemers en leverings- of distributieondernemingen.


Art. 15/17. Op de bemiddelings- en arbitragedienst, ingericht door de Commissie, ter uitvoering van artikel 28 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, kan een beroep worden gedaan voor geschillen betreffende vervoers- en leveringsaangelegenheden. Deze geschillen kunnen met name de toegang tot de upstreaminstallaties of de toepassing van de gedragscode en de tarieven, bedoeld in de artikelen 15/5 tot 15/5decies, betreffen.

 

Art. 15/18. [...]

 

Art. 15/19. - De contracten die voor 1 juli 2004 zijn gesloten overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn 91/296/EEG van de Raad van 31 mei 1991 betreffende de doorvoer van aardgas via de hoofdnetten blijven gelden en worden verder ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van die Richtlijn."


Art. 16. In artikel 16 van voornoemde wet van 12 april 1965 worden de punten 5° en 6° opgeheven.

Art. 17. Artikel 17 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 18.

Het opschrift van hoofdstuk VI van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende opschrift :


" Hoofdstuk VI. - Sancties ".


Art. 19.

In artikel 18 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

 

1. in het eerste lid worden de woorden " in artikel 19 " vervangen door de woorden " in de artikelen 19 en 20/1 ";
2. in het tweede lid worden de woorden " van een gasvervoervergunning of -toelating " vervangen door de woorden " van een vervoervergunning ".

 


Art. 20. In artikel 19, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " van de artikelen 3 en 22 " vervangen door de woorden " van artikel 22 ".

Art. 21.

Een artikel 20/1, 1uidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Art. 20/1. § 1. Worden gestraft met gevangenisstraf van één maand tot éénjaar en met geldboete van vijftig tot twintigduizend frank of met één van deze straffen alleen :

 

1. zij die de verificaties en onderzoeken van de Commissie of van de Geschillenkamer krachtens deze wet hinderen, weigeren hun informatie te verstrekken die zij gehouden zijn mee te delen krachtens deze wet, of hun bewust verkeerde of onvolledige informatie verstrekken;
2. zij die de bepalingen van de artikelen 3, 15/3 en 15/5, § 4 overtreden.

 

§ 2. De Koning kan strafsancties bepalen voor inbreuken op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van deze wet die Hij aanduidt. Deze strafsancties mogen een gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van twintigduizend frank niet overschrijden.


§ 3. De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken bepaald in §§ 1 en 2. De vennootschappen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten waarvoor hun bestuurders, zaakvoerders of lasthebbers wegens dergelijke inbreuken worden veroordeeld. ".


Art. 22.

Een artikel 20/2, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Art. 20/2. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de Commissie elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn bepaald door de Commissie. Indien deze persoon bij het verstrijken van de termijn in gebreke blijft, kan de Commissie, op voorwaarde dat de persoon werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, een administratieve geldboete opleggen. De geldboete mag, per kalenderdag, niet lager zijn dan vijftigduizend frank, noch hoger zijn dan vier miljoen frank, noch, in totaal, hoger zijn dan tachtig miljoen frank of 3 procent van de omzet die de betrokken persoon heeft gerealiseerd op de nationale aardgasmarkt tijdens het laatste afgesloten boekjaar, indien dit laatste bedrag hoger is. De geldboete wordt ten gunste van de Schatkist geïnd door de administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, der registratie en domeinen. ".


Art. 23.

Het opschrift van hoofdstuk VII van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende opschrift :


" Hoofdstuk VII - Diverse bepalingen ".


Art. 24.

Een artikel 23, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Art. 23. In geval van dreigende crisis of van plotse crisis op de energiemarkt, of wanneer de bevoorradingszekerheid van het land in het gedrang komt, of wanneer de fysieke veiligheid van personen, de veiligheid of betrouwbaarheid van uitrusting of installaties of de integriteit van de vervoernetten wordt bedreigd, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie, de nodige beschermingsmaatregelen nemen, met inbegrip van tijdelijke afwijkingen van de bepalingen van deze wet. ".


Art. 25.

Een artikel 24, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :

 

" Artikel 24. De aardgasondernemingen, met uitzondering van de beheerders met een sterke positie op de Belgische gasmarkt dragen er zorg voor om in hun intern besluitvormingsproces aangepaste mechanismen in te bouwen teneinde te vermijden dat belangenconflicten in hoofde van verbonden of geassocieerde ondernemingen ertoe leiden dat beslissingen of strategieën worden aangenomen die de wezenlijke belangen van de consumenten of de correcte uitvoering van de openbare dienstverplichtingen van de betrokken onderneming kunnen schaden.


De commissie doet aanbevelingen ter invulling van wat in het eerste lid is bepaald; zij inspireert zich hierbij op de beste praktijken van deugdelijk vennootschapsbestuur. De betrokken vennootschappen lichten de commissie in over het gevolg dat zij aan deze aanbevelingen geven; in voorkomend geval lichten zij haar de specifieke redenen toe op grond waarvan zij menen ervan af te moeten wijken.


Voor de toepassing van dit artikel wordt een onderneming geacht een sterke positie te hebben op de Belgische gasmarkt wanneer zij een aandeel heeft van meer dan 25 % van deze markt of een segment ervan ".


Art. 26.

§ 1.

De bouw en de exploitatie van vervoerinstallaties die, op de datum van inwerkingtreding van artikel 5 van deze wet, het voorwerp uitmaken van een vergunning of toelating toegekend krachtens voornoemde wet van 12 april 1965, worden geacht te zijn vergund krachtens deze wet.

 

 

§ 2.

De bouw en de exploitatie van vervoerinstallaties die, op de datum van inwerkingtreding van artikel 5, niet onderworpen zijn aan een vergunning of toelating krachtens voornoemde wet van 12 april 1965, worden geacht te zijn vergund krachtens deze wet, indien zij werden aangevat vóór de inwerkingtreding van artikel 5.

 

§ 3.

De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van §§ 1 en 2, met inbegrip van de duur van de bij wijze van overgangsmaatregel geldende vergunning.


Art. 27.

Artikel 170, § 1, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 147 van 30 december 1982 en de wet van 29 april 1999 wordt aangevuld door de volgende bepaling :


" In de gassector is het Comité bevoegd voor de leveringen van gas aan de distributieondernemingen en eindafnemers, voor zover zij geen in aanmerking komende afnemer zijn in de zin van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. ".


Art. 28.

Artikel 181 van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 29 juli 1983 en het koninklijk besluit van 16 juni 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling :


" De distributieondernemingen dragen, tegen de reële kostprijs, de kosten die de gasondernemingen maken ter uitvoering van openbare dienstverplichtingen betreffende de bevoorrading in aardgas van distributieondernemingen. "


Art. 29.

§ 1.

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 juni 1994 tot invoering ten voordele van de Staat van een bijzonder aandeel in de Nationale Maatschappij der Pijpleidingen en artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot invoering ten voordele van de Staat van een bijzonder aandeel in Distrigas worden opgeheven.

 

§ 2.

Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie, bepaalt de Koning objectieve, niet-discriminatoire en transparante criteria voor de uitoefening van de bijzondere rechten verbonden aan de bijzondere aandelen bedoeld in voornoemde koninklijke besluiten van 10 en 16 juni 1994.


De Staat mag deze bijzondere aandelen overdragen zodra de betrokken emitterende vennootschap luidens het advies van de Commissie niet langer een machtspositie inneemt op de relevante markt, in de zin van artikel 1, b), van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging.


Art. 30.

Het koninklijk besluit van 20 juli 1994 betreffende de verwerving van ter beurze genoteerde aandelen van Distrigas wordt opgeheven.


Art. 31.

De Koning kan de bepalingen van voornoemde wet van 12 april 1965 coördineren met de bepalingen welke deze, op het tijdstip van de coördinaties, uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd.


Te dien einde kan Hij :

 

1. de volgorde en nummering van de te coördineren bepalingen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen;
2. de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, met de nieuwe nummering in overeenstemming brengen;
3. de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen, zonder afbreuk te doen aan de beginselen welke in deze bepalingen vervat zijn.

 

De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : " Wetten betreffende de organisatie van de gasmarkt, gecoördineerd op... ".


Art. 32.

Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie, kan de Koning de nodige maatregelen treffen ter omzetting van de dwingende bepalingen die voortvloeien uit internationale verdragen, of uit internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, en die de organisatie of de werking van de gasmarkt betreffen.


De besluiten die krachtens het eerste lid worden vastgesteld, kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.


Art. 33. De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de inwerkingtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk II.
Fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten


Art. 34.

Voor de toepassing van de artikelen 35 en 37 moet worden verstaan onder 'elektriciteitsproducenten' : de binnenlandse vennootschappen bedoeld in artikel 2, § 2, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de belastingplichtigen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting en de in artikel 227, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde niet-inwoners die over een Belgische inrichting beschikken in de zin van artikel 229 van hetzelfde Wetboek, waarvan de activiteit hoofdzakelijk of bijkomstig bestaat uit de productie van elektriciteit met het oog op de verkoop ervan.


Art. 35. Bij inbreng van een tak van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen door een aan de rechtspersonenbelasting onderworpen elektriciteitsproducent in een binnenlandse vennootschap, worden de afschrijfbare activa waarop meerwaarden worden uitgedrukt naar aanleiding van die inbreng, ten name van de vennootschap die de inbreng ontvangt, afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder mag bedragen dan de residuele gebruiksduur van de betrokken activa die voor de bepaling van de inbrengwaarde in aanmerking is genomen.

Art. 36. Artikel 203, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt uitgelegd in die zin dat de uitzondering die er wordt bepaald, slechts betrekking heeft op de aanvullende voorwaarde bedoeld in artikel 203, § 1, 1°, van hetzelfde Wetboek.
De dividenden verleend of toegekend door intercommunales bedoeld in artikel 180, 1°, van hetzelfde Wetboek naar aanleiding van de verkrijging van hun eigen aandelen of van de gehele of gedeeltelijke verdeling van hun maatschappelijk vermogen, zijn derhalve niet aftrekbaar.

Art. 37. In afwijking van artikel 203, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden niet als definitief belaste inkomsten afgetrokken de dividenden die door intercommunales aan elektriciteitsproducenten worden verleend of toegekend ter vergoeding van de inbreng van diensten, bekwaamheid en ervaring op het gebied van productie, transport en koppeling van elektriciteit.

Art. 38.

De belastingplichtigen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting waarvan de activiteit hoofdzakelijk of bijkomstig bestaat uit de productie van elektriciteit met het oog op de verkoop ervan, zijn vanaf het eerste belastbaar tijdperk afgesloten na 31 december 2006 aan de vennootschapsbelasting onderworpen.
Het eerste lid is niet van toepassing voor deze belastingplichtigen :

  1. in het geval van een bijkomstige activiteit bestaande uit de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energieën of bij co-generatie van stoomelektriciteit uit aardgas, ofwel
  2. in het geval van een activiteit bestaande uit de productie van elektriciteit waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van een grondstof die afkomstig is van een afvalverwerkingsactiviteit op dezelfde exploitatieplaats.

Voor de toepassing van het tweede lid, wordt er verstaan onder :

  1. "bijkomstige activiteit" : een activiteit van elektriciteitsproductie waarvan de netto-inkomsten, deze uit energetische stimulerende middelen inbegrepen, minder bedragen dan 25 % van de jaarlijkse netto-inkomsten van de belastingplichtige;
  2. "hoofdzakelijk gebruik" : een gebruik, op jaarbasis, van meer dan 75 % in energetische capaciteit.

Art. 39.

De artikelen 34 tot 41 van de wet van 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen worden opgeheven.


Art. 40. Artikel 35 is van toepassing op de inbrengen verricht vanaf 9 maart 1999.
De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de inwerkingtreding van de artikelen 37 en 39.