Wet vorderingsrecht leefmilieu
Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.

Artikel 1.

Onverminderd de bevoegdheid van andere rechtscolleges op basis van andere wetsbepalingen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van de procureur des Konings, van een administratieve overheid of van een rechtspersoon die de bescherming van het leefmilieu tot doel heeft, die in zijn statuten het grondgebied heeft omschreven tot waar zijn bedrijvigheid zich uitstrekt en die de voorwaarden voorzien in artikel 17, tweede lid, 1 ° tot 4 °, van het Gerechtelijk Wetboek vervult, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. Hij kan de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Voor elk debat over de grond van de zaak moet een verzoeningspoging plaatshebben. De voorzitter kan aan de overtreder een termijn toestaan om aan de opgelegde maatregelen te voldoen.


Art. 2.

[...]


Art. 3. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.
Zij kan eveneens ingesteld worden bij verzoekschrift. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg of aan deze griffie verzonden bij een ter post aangetekende brief.
De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waarbij een exemplaar van het inleidend verzoekschrift is gevoegd.
Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift :
1. de dag, de maand en het jaar;
2. de benaming en de zetel van de vereniging;
3. de naam en het adres van de rechtspersoon of van de natuurlijke prsoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
4. het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;
5. de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande enige strafvervolging uitgeoefend wegens dezelfde feiten.
De uitspraak over de strafvordering die betrekking heeft op feiten waartegen een vordering tot staking is ingesteld, wordt uitgesteld totdat inzake de vordering tot staking een beslissing is gewezen die in kracht van gewijsde is gegaan.
Tijdens het uitstel wordt de verjaring van de strafvordering geschorst.
Er kan ook uitspraak worden gedaan over een tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding.

Art. 4. Het vonnis over de vordering tot staking is uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande voorziening en zonder borgstelling.
Het vonnis is vatbaar voor hoger beroep.

Art. 5. Artikel 587, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1971 en 15 januari 1990, wordt aangevuld als volgt:
"4° over de vorderingen ingesteld overeenkomstig de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu."