Afdeling 6.9.1.
WINNING VAN GRONDWATER EN BORINGEN


Art. 6.9.1.1.

Grondwaterwinningen en boringen, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen, worden aangelegd, gewijzigd, verbouwd en geëxploiteerd volgens de regels van goed vakmanschap, die opgenomen zijn in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vermeld in bijlage 5.53.1, die bij dit besluit is gevoegd. Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning en het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen, mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit.

 


Art. 6.9.1.2.

Het boorgat wordt bovenaan afgedicht om verontreiniging van de grondwaterlagen te voorkomen. Het is verboden om verschillende watervoerende lagen met elkaar in verbinding te brengen, zowel via meerdere filters in één boorgat als via de ruimte tussen de boorput en de wand van het boorgat. Het plaatsen van kleistoppen ter hoogte van de scheidende lagen of het cementeren van de ruimte tussen de ingebrachte buizen en de wand van het boorgat is verplicht.

 


Art. 6.9.1.3. Voor boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten gelden volgende bepalingen:

§ 1.

De boringen worden gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.

 

De inrichtingen worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Daarbij wordt nagekeken of het systeem en de beveiliging correct werken. Ook worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven. De exploitant houdt een verslag daarvan ter inzage van de toezichthouder.

 

§ 2.

Alleen als alle druktesten, vermeld in hoofdstuk 3 van bijlage 5.53.1, het bestaan van lekken uitsluiten, kan er aan het water monopropyleenglycol of bietenderivaat worden toegevoegd als antivriesmiddel. De samenstelling van het antivriesmiddel en de mengverhouding met het water wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 3.

De druk in de leidingen wordt automatisch gemonitord. Bij drukverlies moet het systeem automatisch uitvallen. Als het drukverlies het gevolg is van een lek in een lus, wordt de lus in kwestie buiten dienst gesteld conform hoofdstuk 3 van bijlage 5.53.1.

 

§ 4.

Paragraaf 2 en 3 gelden vanaf 1 januari 2015, voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 geïnstalleerd werden.