Vogelrichtlijn
Richtlijn 2009/147/EG van 30 november 2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake het behoud van de vogelstand

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,
Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

In Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap wordt voorzien in specifieke acties voor de biodiversiteit, met inbegrip van de bescherming van vogels en hun leefgebieden.

(3)

Een groot aantal in het wild levende vogelsoorten vertonen op het grondgebied van de Gemeenschap een achteruitgang van hun populatie die bij bepaalde soorten zeer snel verloopt, en deze achteruitgang vormt een ernstige bedreiging voor het behoud van het natuurlijke milieu, met name wegens het biologische evenwicht dat hierdoor wordt bedreigd.

(4)

De natuurlijk in het wild levende vogelsoorten zijn op het Europese grondgebied van de lidstaten voor het overgrote deel trekvogels. Dergelijke soorten vormen een gemeenschappelijk erfgoed en de doeltreffende bescherming van de vogels is een typisch grensoverschrijdend milieuvraagstuk dat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid impliceert.

(5)

Instandhouding van de natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten is noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van de verbetering van de levensomstandigheden en duurzame ontwikkeling.

(6)

De te treffen maatregelen dienen van toepassing te zijn op de verschillende factoren die van invloed kunnen zijn op het populatieniveau van de vogels, namelijk de weerslag van de activiteiten van de mens, en met name de vernietiging en de verontreiniging van hun leefgebieden, het vangen en het vernietigen door de mens en de handel die uit deze praktijken voortvloeit, en het is nodig deze maatregelen aan te passen aan de situatie van de verschillende soorten in het kader van een op hun instandhouding gericht beleid.

(7)

De instandhouding behelst de bescherming op lange termijn en het beheer van de natuurlijke bronnen als integrerend deel van het erfgoed van de Europese volkeren. Zij maakt de regulering hiervan mogelijk en reglementeert hun exploitatie op grond van maatregelen die noodzakelijk zijn voor het behoud en de aanpassing van het natuurlijke evenwicht van de soorten binnen de grenzen van hetgeen redelijkerwijze mogelijk is.

(8)

Het is voor het behoud van alle vogelsoorten noodzakelijk leefgebieden te beschermen, in stand te houden of te herstellen die voldoende gediversifieerd zijn en qua oppervlakte toereikend. Voor bepaalde vogelsoorten dienen speciale beschermingsmaatregelen ten aanzien van het leefgebied te worden getroffen om hun voortbestaan en voortplanting in het verspreidingsgebied veilig te stellen. Bij deze maatregelen zouden ook de trekvogels inbegrepen moeten worden; deze maatregelen dienen gecoördineerd te worden met het oog op de vorming van een coherent geheel.

(9)

Om te vermijden dat de handelsbelangen het jacht- en vangstpeil nadelig beďnvloeden, is het noodzakelijk een algemeen handelsverbod in te stellen en alleen afwijkingen toe te staan voor die soorten wier biologische status zulks toestaat, rekening houdende met de specifieke omstandigheden die in de verschillende gebieden heersen.

(10)

Op sommige soorten kunnen jachtactiviteiten worden uitgeoefend vanwege hun populatieniveau, geografische verspreiding of de omvang van hun voortplanting in de gehele Gemeenschap, hetgeen een toelaatbare vorm van exploitatie is, waarbij deze jachtactiviteiten in overeenstemming dienen te zijn met het handhaven van de populatie van deze soorten op een bevredigend niveau, voor zover bepaalde beperkingen worden vastgesteld en in acht genomen.

(11)

De middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden alsmede de achtervolging met behulp van bepaalde vervoermiddelen dienen te worden verboden wegens de buitensporige druk die zij uitoefenen of kunnen uitoefenen op het populatieniveau van de desbetreffende soorten.

(12)

Wegens het belang dat bepaalde specifieke situaties kunnen hebben, dient mogelijkheid tot ontheffing te bestaan waarbij door de Commissie toezicht wordt uitgeoefend.

(13)

In verband met de instandhouding van de vogelsoorten en in het bijzonder van de trekvogels bestaan nog problemen waarvoor wetenschappelijke werkzaamheden dienen te worden verricht. Het zal door deze werkzaamheden bovendien mogelijk worden om de doeltreffendheid van de getroffen maatregelen te beoordelen.

(14)

Het komt erop aan om in overleg met de Commissie erop toe te zien dat de eventuele introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten, geen enkele schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna.

(15)

De Commissie stelt om de drie jaar een samenvattend verslag op dat gebaseerd is op de aan haar door de lidstaten verstrekte inlichtingen over de toepassing van de nationale maatregelen die krachtens deze richtlijn zijn getroffen, en zendt het toe aan de lidstaten.

(16)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.

(17)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om bepaalde bijlagen te wijzigen in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(18)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VI, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,
(...)

Artikel 1.

1

Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.

2

Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden.

Art. 2.
De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om de populatie van de in artikel 1 bedoelde soorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen.

Art. 3.

1

Met inachtneming van de in artikel 2 genoemde eisen nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen.

2

Voor de bescherming, de instandhouding en het herstel van biotopen en leefgebieden worden in de eerste plaats de volgende maatregelen getroffen:
a)
instelling van beschermingszones;
b)
onderhoud en ruimtelijke ordening overeenkomstig de ecologische eisen van leefgebieden binnen en buiten de beschermingszones;
c)
herstel of weer aanleggen van vernietigde biotopen;
d)
aanleg van biotopen.

Art. 4.

1

Voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten worden speciale beschermingsmaatregelen getroffen, opdat deze soorten daar waar zij nu voorkomen, kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten.
In dat verband wordt gelet op:
a)
soorten die dreigen uit te sterven;
b)
soorten die gevoelig zijn voor bepaalde wijzigingen van het leefgebied;
c)
soorten die als zeldzaam worden beschouwd omdat hun populatie zwak is of omdat zij slechts plaatselijk voorkomen;
d)
andere soorten die vanwege de specifieke kenmerken van hun leefgebied speciale aandacht verdienen.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de tendensen en de schommelingen van het populatiepeil.
De lidstaten wijzen met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones aan, waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming die deze soorten in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, behoeven.

2

De lidstaten nemen soortgelijke maatregelen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van het gebied van bescherming in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones. Met het oog hierop besteden de lidstaten zelf bijzondere aandacht aan de bescherming van watergebieden en in het bijzonder aan de watergebieden van internationale betekenis.

3

De lidstaten zenden de Commissie alle nuttige gegevens, zodat zij de geëigende initiatieven kan nemen voor de coördinatie die nodig is om te bereiken dat de zones bedoeld in lid 1, enerzijds, en in lid 2, anderzijds, een samenhangend geheel vormen dat voldoet aan de eisen inzake bescherming van de soorten in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is.

4

De lidstaten nemen passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de leefgebieden in de in de leden 1 en 2 bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voor zover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn. Ook buiten deze beschermingszones zetten de lidstaten zich in om vervuiling en verslechtering van de leefgebieden te voorkomen.

Art. 5.
Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:
a)
een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;
b)
een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen;
c)
een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze – zelfs leeg – in bezit te hebben;
d)
een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;
e)
een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen.

Art. 6.

1

Onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 3 verbieden de lidstaten voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels alsmede van gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels of op uit deze vogels verkregen producten.

2

Voor de in bijlage III, deel A, vermelde soorten zijn de in lid 1 bedoelde activiteiten niet verboden indien de vogels op geoorloofde wijze zijn gedood of gevangen of op andere geoorloofde wijze verkregen.

3

De lidstaten kunnen voor de in bijlage III, deel B, genoemde vogelsoorten de in lid 1 bedoelde activiteiten op hun grondgebied toestaan en hierbij beperkingen opleggen indien de vogels op geoorloofde wijze zijn gedood of gevangen of op andere geoorloofde wijze verkregen.
Lidstaten die een dergelijke toestemming willen verlenen, treden vooraf in overleg met de Commissie om met deze na te gaan of door het in de handel brengen van vogels van de betrokken soort, naar hetgeen redelijkerwijs kan worden verwacht, het populatieniveau, de geografische verspreiding of de omvang van de voortplanting van deze soorten in de gehele Gemeenschap in gevaar worden gebracht of kunnen worden gebracht. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de beoogde toestemming volgens de Commissie tot een van de genoemde gevaren leidt of kan leiden, richt de Commissie een met redenen omklede aanbeveling tot de lidstaat, waarin het in de handel brengen van de betrokken soort wordt afgekeurd. Indien een dergelijk gevaar volgens de Commissie niet aanwezig is, deelt zij dit mede aan de lidstaat.
De aanbeveling van de Commissie wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Een lidstaat die uit hoofde van dit lid toestemming verleent, onderzoekt met regelmatige tussenpozen of nog voldaan wordt aan de voorwaarden voor de verlening van deze toestemming.

Art. 7.

1

Op de in bijlage II vermelde soorten mag, vanwege hun populatieniveau, hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting in de hele Gemeenschap, worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale jachtwetgeving. De lidstaten zien erop toe dat de jacht op deze soorten de pogingen tot instandhouding die in hun verspreidingsgebied worden ondernomen, niet in gevaar brengt.

2

Op de in bijlage II, deel A, genoemde soorten mag worden gejaagd in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is.

3

Op de in bijlage II, deel B, genoemde soorten mag alleen worden gejaagd in de lidstaten waarbij deze soorten zijn vermeld.

4

De lidstaten zien erop toe dat bij de beoefening van de jacht, eventueel met inbegrip van de valkenjacht, zoals deze voortvloeit uit de toepassing van de geldende nationale maatregelen, de principes van een verstandig gebruik en een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten in acht worden genomen, en dat deze beoefening wat de populatie van deze soorten, in het bijzonder van de trekvogels betreft, verenigbaar is met de uit artikel 2 voortvloeiende bepalingen.
Zij zien er in het bijzonder op toe dat soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode.
Ten aanzien van trekvogels zien zij er met name op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar hun nestplaatsen.
De lidstaten zenden de Commissie alle nuttige gegevens betreffende de praktische toepassing van hun jachtwetgeving.

Art. 8.

1

Wat de jacht op en de vangst of het doden van vogels in het kader van deze richtlijn betreft, verbieden de lidstaten het gebruik van alle middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, en in het bijzonder het gebruik van de in bijlage IV, onder a), genoemde middelen.

2

Bovendien verbieden de lidstaten elke achtervolging met behulp van de in bijlage IV, onder b), genoemde vervoermiddelen op de in die bijlage omschreven wijze.

Art. 9.

1

De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5 tot en met 8:
a)
in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid,
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,
ter bescherming van flora en fauna;
b)
voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt;
c)
teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

2

In de in lid 1 bedoelde afwijkende bepalingen moet worden vermeld:
a)
voor welke soorten mag worden afgeweken;
b)
welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan;
c)
onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen;
d)
welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen;
e)
welke controles zullen worden uitgevoerd.

3

De lidstaten zenden de Commissie jaarlijks een verslag toe over de toepassing van de leden 1 en 2.

4

In het licht van de inlichtingen waarover zij beschikt en met name van die welke haar krachtens lid 3 worden verstrekt, ziet de Commissie er voortdurend op toe dat de gevolgen van de in lid 1 bedoelde afwijkende maatregelen niet onverenigbaar zijn met deze richtlijn. Zij neemt in dat verband de nodige initiatieven.

Art. 10.

1

De lidstaten bevorderen het onderzoek en de werkzaamheden, nodig voor de bescherming en het beheer van de populaties van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten alsmede de exploitatie daarvan. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar het onderzoek en de werkzaamheden met betrekking tot de in bijlage V vermelde onderwerpen.

2

De lidstaten doen de Commissie alle nodige informatie toekomen opdat zij passende maatregelen kan nemen voor de coördinatie van het onderzoek en de werkzaamheden, bedoeld in lid 1.

Art. 11.
De lidstaten zien erop toe dat de eventuele introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten geen enkele schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna. Zij plegen hieromtrent overleg met de Commissie.

Art. 12.

1 [

De lidstaten dienen om de zes jaar, in hetzelfde jaar als het verslag dat uit hoofde van artikel 17, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad wordt opgesteld, bij de Commissie een verslag in over de toepassing van de maatregelen die in het kader van deze richtlijn zijn getroffen en over de belangrijkste effecten van die maatregelen. Dat verslag is toegankelijk voor het publiek en bevat met name informatie over de staat en de ontwikkelingen van in het wild levende vogelsoorten die door deze richtlijn worden beschermd, de bedreigingen en druk op die vogelsoorten, de voor hen genomen instandhoudingsmaatregelen en de bijdrage van het netwerk van speciale beschermingszones aan de doelstellingen als bepaald in artikel 2 van deze richtlijn.
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het format van het in de eerste alinea van dit lid vermelde verslag vast. Het format van dat verslag wordt afgestemd op het format van het in artikel 17, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG bedoelde verslag. De uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 16bis, lid 2, van deze richtlijn bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
]

2

[Om de zes jaar wordt door de Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, aan de hand van de in lid 1 bedoelde gegevens een samenvattend verslag opgesteld en openbaar gemaakt.] Het gedeelte van het ontwerp van dit verslag dat gaat over de door een lidstaat verstrekte gegevens, wordt ter verificatie aan de autoriteiten van die lidstaat toegezonden. De definitieve versie van het verslag wordt aan de lidstaten meegedeeld.

Art. 13.
De toepassing van de krachtens deze richtlijn getroffen maatregelen mag niet leiden tot verslechtering van de huidige situatie met betrekking tot de instandhouding van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten.

Art. 14.
De lidstaten kunnen beschermingsmaatregelen treffen die strenger zijn dan in deze richtlijn wordt voorgeschreven.

Art. 15.
Er wordt overgegaan tot de vaststelling van wijzigingen die nodig zijn om de bijlagen I en V aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Art. 16.

1

De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de aanpassing aan de vooruitgang van de techniek.

2

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Art. 16bis. Comitéprocedure

1

De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.

2

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Art. 17.
De lidstaten delen de Commissie de tekst van alle belangrijke bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Art. 18.
Richtlijn 79/409/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage VI, deel A, genoemde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VI, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VII.

Art. 19.
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Art. 20.
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Bijlage I.

GAVIIFORMES
Gaviidae
 
Gavia stellata
 
Gavia arctica
 
Gavia immer
PODICIPEDIFORMES
Podicipedidae
 
Podiceps auritus
PROCELLARIIFORMES
Procellariidae
 
Pterodroma madeira
 
Pterodroma feae
 
Bulweria bulwerii
 
Calonectris diomedea
 
Puffinus puffinus mauretanicus (Puffinus mauretanicus)
 
Puffinus yelkouan
 
Puffinus assimilis
Hydrobatidae
 
Pelagodroma marina
 
Hydrobates pelagicus
 
Oceanodroma leucorhoa
 
Oceanodroma castro
PELECANIFORMES
Pelecanidae
 
Pelecanus onocrotalus
 
Pelecanus crispus
Phalacrocoracidae
 
Phalacrocorax aristotelis desmarestii
 
Phalacrocorax pygmeus
CICONIIFORMES
Ardeidae
 
Botaurus stellaris
 
Ixobrychus minutus
 
Nycticorax nycticorax
 
Ardeola ralloides
 
Egretta garzetta
 
Egretta alba (Ardea alba)
 
Ardea purpurea
Ciconiidae
 
Ciconia nigra
 
Ciconia ciconia
Threskiornithidae
 
Plegadis falcinellus
 
Platalea leucorodia
PHOENICOPTERIFORMES
Phoenicopteridae
 
Phoenicopterus ruber
ANSERIFORMES
Anatidae
 
Cygnus bewickii (Cygnus columbianus bewickii)
 
Cygnus cygnus
 
Anser albifrons flavirostris
 
Anser erythropus
 
Branta leucopsis
 
Branta ruficollis
 
Tadorna ferruginea
 
Marmaronetta angustirostris
 
Aythya nyroca
 
Polysticta stelleri
 
Mergus albellus (Mergellus albellus)
 
Oxyura leucocephala
FALCONIFORMES
Pandionidae
 
Pandion haliaetus
Accipitridae
 
Pernis apivorus
 
Elanus caeruleus
 
Milvus migrans
 
Milvus milvus
 
Haliaeetus albicilla
 
Gypaetus barbatus
 
Neophron percnopterus
 
Gyps fulvus
 
Aegypius monachus
 
Circaetus gallicus
 
Circus aeruginosus
 
Circus cyaneus
 
Circus macrourus
 
Circus pygargus
 
Accipiter gentilis arrigonii
 
Accipiter nisus granti
 
Accipiter brevipes
 
Buteo rufinus
 
Aquila pomarina
 
Aquila clanga
 
Aquila heliaca
 
Aquila adalberti
 
Aquila chrysaetos
 
Hieraaetus pennatus
 
Hieraaetus fasciatus
Falconidae
 
Falco naumanni
 
Falco vespertinus
 
Falco columbarius
 
Falco eleonorae
 
Falco biarmicus
 
Falco cherrug
 
Falco rusticolus
 
Falco peregrinus
GALLIFORMES
Tetraonidae
 
Bonasa bonasia
 
Lagopus mutus pyrenaicus
 
Lagopus mutus helveticus
 
Tetrao tetrix tetrix
 
Tetrao urogallus
Phasianidae
 
Alectoris graeca
 
Alectoris barbara
 
Perdix perdix italica
 
Perdix perdix hispaniensis
GRUIFORMES
Turnicidae
 
Turnix sylvatica
Gruidae
 
Grus grus
Rallidae
 
Porzana porzana
 
Porzana parva
 
Porzana pusilla
 
Crex crex
 
Porphyrio porphyrio
 
Fulica cristata
Otididae
 
Tetrax tetrax
 
Chlamydotis undulata
 
Otis tarda
CHARADRIIFORMES
Recurvirostridae
 
Himantopus himantopus
 
Recurvirostra avosetta
Burhinidae
 
Burhinus oedicnemus
Glareolidae
 
Cursorius cursor
 
Glareola pratincola
Charadriidae
 
Charadrius alexandrinus
 
Charadrius morinellus (Eudromias morinellus)
 
Pluvialis apricaria
 
Hoplopterus spinosus
Scolopacidae
 
Calidris alpina schinzii
 
Philomachus pugnax
 
Gallinago media
 
Limosa lapponica
 
Numenius tenuirostris
 
Tringa glareola
 
Xenus cinereus (Tringa cinerea)
 
Phalaropus lobatus
Laridae
 
Larus melanocephalus
 
Larus genei
 
Larus audouinii
 
Larus minutus
Sternidae
 
Gelochelidon nilotica (Sterna nilotica)
 
Sterna caspia
 
Sterna sandvicensis
 
Sterna dougallii
 
Sterna hirundo
 
Sterna paradisaea
 
Sterna albifrons
 
Chlidonias hybridus
 
Chlidonias niger
Alcidae
 
Uria aalge ibericus
PTEROCLIFORMES
Pteroclididae
 
Pterocles orientalis
 
Pterocles alchata
COLUMBIFORMES
Columbidae
 
Columba palumbus azorica
 
Columba trocaz
 
Columba bollii
 
Columba junoniae
STRIGIFORMES
Strigidae
 
Bubo bubo
 
Nyctea scandiaca
 
Surnia ulula
 
Glaucidium passerinum
 
Strix nebulosa
 
Strix uralensis
 
Asio flammeus
 
Aegolius funereus
CAPRIMULGIFORMES
Caprimulgidae
 
Caprimulgus europaeus
APODIFORMES
Apodidae
 
Apus caffer
CORACIIFORMES
Alcedinidae
 
Alcedo atthis
Coraciidae
 
Coracias garrulus
PICIFORMES
Picidae
 
Picus canus
 
Dryocopus martius
 
Dendrocopos major canariensis
 
Dendrocopos major thanneri
 
Dendrocopos syriacus
 
Dendrocopos medius
 
Dendrocopos leucotos
 
Picoides tridactylus
PASSERIFORMES
Alaudidae
 
Chersophilus duponti
 
Melanocorypha calandra
 
Calandrella brachydactyla
 
Galerida theklae
 
Lullula arborea
Motacillidae
 
Anthus campestris
Troglodytidae
 
Troglodytes troglodytes fridariensis
Muscicapidae (Turdinae)
 
Luscinia svecica
 
Saxicola dacotiae
 
Oenanthe leucura
 
Oenanthe cypriaca
 
Oenanthe pleschanka
Muscicapidae (Sylviinae)
 
Acrocephalus melanopogon
 
Acrocephalus paludicola
 
Hippolais olivetorum
 
Sylvia sarda
 
Sylvia undata
 
Sylvia melanothorax
 
Sylvia rueppelli
 
Sylvia nisoria
Muscicapidae (Muscicapinae)
 
Ficedula parva
 
Ficedula semitorquata
 
Ficedula albicollis
Paridae
 
Parus ater cypriotes
Sittidae
 
Sitta krueperi
 
Sitta whiteheadi
Certhiidae
 
Certhia brachydactyla dorotheae
Laniidae
 
Lanius collurio
 
Lanius minor
 
Lanius nubicus
Corvidae
 
Pyrrhocorax pyrrhocorax
Fringillidae (Fringillinae)
 
Fringilla coelebs ombriosa
 
Fringilla teydea
Fringillidae (Carduelinae)
 
Loxia scotica
 
Bucanetes githagineus
 
Pyrrhula murina (Pyrrhula pyrrhula murina)
Emberizidae (Emberizinae)
 
Emberiza cineracea
 
Emberiza hortulana
 
Emberiza caesia

Bijlage II.

[
Deel A
ANSERIFORMES
Anatidae
 
Anser fabalis
 
Anser anser
 
Branta canadensis
 
Anas penelope
 
Anas strepera
 
Anas crecca
 
Anas platyrhynchos
 
Anas acuta
 
Anas querquedula
 
Anas clypeata
 
Aythya ferina
 
Aythya fuligula
GALLIFORMES
Tetraonidae
 
Lagopus lagopus scoticus et hibernicus
 
Lagopus mutus
Phasianidae
 
Alectoris graeca
 
Alectoris rufa
 
Perdix perdix
 
Phasianus colchicus
GRUIFORMES
Rallidae
 
Fulica atra
CHARADRIIFORMES
Scolopacidae
 
Lymnocryptes minimus
 
Gallinago gallinago
 
Scolopax rusticola
COLUMBIFORMES
Columbidae
 
Columba livia
 
Columba palumbus

Deel B
ANSERIFORMES
Anatidae
 
Cygnus olor
 
Anser brachyrhynchus
 
Anser albifrons
 
Branta bernicla
 
Netta rufina
 
Aythya marila
 
Somateria mollissima
 
Clangula hyemalis
 
Melanitta nigra
 
Melanita fusca
 
Bucephala clangula
 
Mergus serrator
 
Mergus merganser
GALLIFORMES
Meleagridae
 
Meleagris gallopavo
Tetraonidae
 
Bonasa bonasia
 
Lagopus lagopus lagopus
 
Tetrao tetrix
 
Tetrao urogallus
Phasianidae
 
Francolinus francolinus
 
Alectoris barbara
 
Alectoris chukar
 
Coturnix coturnix
GRUIFORMES
Rallidae
 
Rallus aquaticus
 
Gallinula chloropus
CHARADRIIFORMES
Haematopodidae
 
Haematopus ostralegus
Charadriidae
 
Pluvialis apricaria
 
Pluvialis squatarola
 
Vanellus vanellus
Scolopacidae
 
Calidris canutus
 
Philomachus pugnax
 
Limosa limosa
 
Limosa lapponica
 
Numenius phaeopus
 
Numenius arquata
 
Tringa erythropus
 
Tringa totanus
 
Tringa nebularia
Laridae
 
Larus ridibundus
 
Larus canus
 
Larus fuscus
 
Larus argentatus
 
Larus cachinnans
 
Larus marinus
COLUMBIFORMES
Columbidae
 
Columba oenas
 
Streptopelia decaocto
 
Streptopelia turtur
PASSERIFORMES
Alaudidae
 
Alauda arvensis
Muscicapidae
 
Turdus merula
 
Turdus pilaris
 
Turdus philomelos
 
Turdus iliacus
 
Turdus viscivorus
Sturnidae
 
Sturnus vulgaris
Corvidae
 
Garrulus glandarius
 
Pica pica
 
Corvus monedula
 
Corvus frugilegus
 
Corvus corone
]

Bijlage III.


Deel A
ANSERIFORMES
Anatidae
 
Anas platyrhynchos
GALLIFORMES
Tetraonidae
 
Lagopus lagopus lagopus, scoticus et hibernicus
Phasianidae
 
Alectoris rufa
 
Alectoris barbara
 
Perdix perdix
 
Phasianus colchicus
COLUMBIFORMES
Columbidae
 
Columba palumbus

Deel B
ANSERIFORMES
Anatidae
 
Anser albifrons albifrons
 
Anser anser
 
Anas penelope
 
Anas crecca
 
Anas acuta
 
Anas clypeata
 
Aythya ferina
 
Aythya fuligula
 
Aythya marila
 
Somateria mollissima
 
Melanitta nigra
GALLIFORMES
Tetraonidae
 
Lagopus mutus
 
Tetrao tetrix britannicus
 
Tetrao urogallus
GRUIFORMES
Rallidae
 
Fulica atra
CHARADRIIFORMES
Charadriidae
 
Pluvialis apricaria
Scolopacidae
 
Lymnocryptes minimus
 
Gallinago gallinago
 
Scolopax rusticola

Bijlage IV.

a)

Strikken (met uitzondering van Finland en Zweden voor de vangst van Lagopus lagopus lagopus en Lagopus mutus benoorden 58° N), lijm, haken, blindgemaakte of verminkte levende vogels gebruikt als lokvogels, bandopnemers, elektrocutieapparatuur,
kunstmatige lichtbronnen, spiegels, inrichtingen voor de verlichting van het doel, vizierinrichting met een beeld-omkeerder of een elektronische beeldversterker voor het schieten 's nachts,
explosieven,
netten, vallen, vergiftigd of verdovend lokaas,
semi-automatische of automatische wapens waarvan het magazijn meer dan twee patronen kan bevatten,

b)

vliegtuigen, motorvoertuigen,
vaartuigen die met een snelheid van meer dan 5 km per uur worden aangedreven. Op open zee mogen de lidstaten om veiligheidsredenen het gebruik van motorboten met een maximumsnelheid van 18 km per uur toestaan. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de verleende vergunningen.

Bijlage V.

a)

Opstelling van de nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten, met inachtneming van hun geografische verspreiding.

b)

Inventarisatie en ecologische beschrijving van de zones die van bijzonder belang zijn voor trekvogels tijdens trek, overwintering en nestbouw.

c)

Inventarisatie van de gegevens met betrekking tot de populatie van de trekvogels, met gebruikmaking van de resultaten van het ringen.

d)

Bepaling van de invloed op de populatie van de wijzen van onttrekken aan het milieu.

e)

Uitwerking en ontwikkeling van ecologische methoden voor de preventie van vogelschade.

f)

Bepaling van de rol van sommige soorten als indicator van verontreiniging.

g)

Studie van de schadelijke effecten van chemische verontreiniging op het populatieniveau van de vogelsoorten.

Bijlage VI.


Deel A Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan (bedoeld in artikel 18)
Richtlijn 79/409/EEG van de Raad
(PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1)
 
Bijlage I, punt XIII.1.F, bij de Toetredingsakte van 1979
(PB L 291 van 19.11.1979, blz. 111)
 
Richtlijn 81/854/EEG van de Raad
(PB L 319 van 7.11.1981, blz. 3)
 
Richtlijn 85/411/EEG van de Commissie
(PB L 233 van 30.8.1985, blz. 33)
 
Bijlage I, punten X.1. h) en X.6, bij de Toetredingsakte van 1985
(PB L 302 van 15.11.1985, blz. 218)
 
Richtlijn 86/122/EEG van de Raad
(PB L 100 van 16.4.1986, blz. 22)
 
Richtlijn 91/244/EEG van de Commissie
(PB L 115 van 8.5.1991, blz. 41)
 
Richtlijn 94/24/EG van de Raad
(PB L 164 van 30.6.1994, blz. 9)
 
Bijlage I, punt VIII.E.1, bij de Toetredingsakte van 1994
(PB C 241 van 29.8.1994, blz. 175)
 
Richtlijn 97/49/EG van de Commissie
(PB L 223 van 13.8.1997, blz. 9)
 
Verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad
(PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36)
uitsluitend bijlage III, punt 29
Bijlage II, punt 16.C.1, bij de Toetredingsakte van 2003
(PB L 236 van 23.9.2003, blz. 667)
 
Richtlijn 2006/105/EG van de Raad
(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368)
uitsluitend wat de verwijzing in artikel 1 naar Richtlijn 79/409/EEG en de bijlage, punt A.1, betreft
Richtlijn 2008/102/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 323 van 3.12.2008, blz. 31)
 

Deel B Termijnen voor omzetting in nationaal recht (bedoeld in artikel 18)
Richtlijn
Omzettingstermijn
79/409/EEG
7 april 1981
81/854/EEG
85/411/EEG
31 juli 1986
86/122/EEG
91/244/EEG
31 juli 1992
94/24/EG
29 september 1995
97/49/EG
30 september 1998
2006/105/EG
1 januari 2007
2008/102/EG

Bijlage VII.
Concordantietabel

Richtlijn 79/409/EEG
De onderhavige richtlijn
Artikel 1, leden 1 en 2
Artikel 1, leden 1 en 2
Artikel 1, lid 3
Artikelen 2 tot en met 5
Artikelen 2 tot en met 5
Artikel 6, leden 1, 2 en 3
Artikel 6, leden 1, 2 en 3
Artikel 6, lid 4
Artikel 7, leden 1, 2 en 3
Artikel 7, leden 1, 2 en 3
Artikel 7, lid 4, eerste zin
Artikel 7, lid 4, eerste alinea
Artikel 7, lid 4, tweede zin
Artikel 7, lid 4, tweede alinea
Artikel 7, lid 4, derde zin
Artikel 7, lid 4, derde alinea
Artikel 7, lid 4, vierde zin
Artikel 7, lid 4, vierde alinea
Artikel 8
Artikel 8
Artikel 9, lid 1
Artikel 9, lid 1
Artikel 9, lid 2, aanhef
Artikel 9, lid 2, aanhef
Artikel 9, lid 2, eerste streepje
Artikel 9, lid 2, onder a)
Artikel 9, lid 2, tweede streepje
Artikel 9, lid 2, onder b)
Artikel 9, lid 2, derde streepje
Artikel 9, lid 2, onder c)
Artikel 9, lid 2, vierde streepje
Artikel 9, lid 2, onder d)
Artikel 9, lid 2, vijfde streepje
Artikel 9, lid 2, onder e)
Artikel 9, lid 3
Artikel 9, lid 3
Artikel 9, lid 4
Artikel 9, lid 4
Artikel 10, lid 1
Artikel 10, lid 1, eerste zin
Artikel 10, lid 2, eerste zin
Artikel 10, lid 1, tweede zin
Artikel 10, lid 2, tweede zin
Artikel 10, lid 2
Artikelen 11 tot en met 15
Artikelen 11 tot en met 15
Artikel 16, lid 1
Artikel 17
Artikel 16
Artikel 18, lid 1
Artikel 18, lid 2
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 19
Artikel 20
Bijlage I
Bijlage I
Bijlage II/1
Bijlage II, deel A
Bijlage II/2
Bijlage II, deel B
Bijlage III/1
Bijlage III, deel A
Bijlage III/2
Bijlage III, deel B
Bijlage IV
Bijlage IV
Bijlage V
Bijlage V
Bijlage VI
Bijlage VII