Afdeling 2.
Algemene gebruikseisen


Art. 34.

§ 1.

Het gebruik van de erkenning verloopt op een kwalitatief goede wijze.

 

De erkende persoon neemt daarbij een objectieve en onafhankelijke houding aan.

 

§ 2.

De erkende persoon past de normen en codes van goede praktijk toe die voor het gebruik van de erkenning in het Vlaamse Gewest van toepassing zijn.

 

§ 3.

De erkende persoon beschikt over een verzekering tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief de beroepsaansprakelijkheid, ten gevolge van het gebruik van de erkenning. In afwijking hiervan zijn de opleidingscentra verzekerd voor de ongevallen, schade en de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van leraren en studenten.

 

§ 4.

De attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten die door een erkende persoon worden afgeleverd, zijn voldoende duidelijk en uitgebreid zodat het uit de lezing ervan mogelijk is om na te gaan of aan de reglementaire voorschriften is voldaan. Die attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten worden ondertekend door de erkende persoon.

 

§ 5.

De erkende persoon deelt elke wijziging in de identificatiegegevens, elke wijziging van de gegevens [...] waardoor hij niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of de gebruikseisen, of de definitieve stopzetting van het gebruik van de erkenning onverwijld mee aan de bevoegde afdeling.

 

De erkende persoon stelt aan de bevoegde afdeling alle inlichtingen en documenten ter beschikking waar ze om vraagt met betrekking tot de erkenning en richt zich naar de instructies die door de bevoegde afdeling en de toezichthouders worden gegeven.

 

§ 6.

Het is de erkende persoon, zelfs na het beëindigen van zijn functie, verboden vertrouwelijke gegevens kenbaar te maken, waarvan hij ten gevolge van zijn opdrachten kennis heeft gekregen.

 

§ 7.

Overheidspersoneel kan zijn erkenning niet gebruiken als het met betrekking tot de erkenning of de taken van de erkenninghouder een adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefent.

 

§ 8.

De erkende persoon verleent zijn medewerking aan periodieke evaluaties die door de bevoegde afdeling worden opgezet.

 

§ 9.

De erkende persoon legt vijfjaarlijks een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, voor aan de bevoegde afdeling of voor de erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f), en de erkende technici, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met e), aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°.