HOOFDSTUK 2.14.
Milieukwaliteitsnormen voor elektromagnetische golven en beleidstaken ter zake


Afdeling 2.14.1.
Algemene bepalingen


Art. 2.14.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op elektromagnetische golven met een frequentie tussen 10 MHz en 10 GHz, afkomstig van vast en tijdelijk opgestelde zendantennes.

 

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op elektromagnetische golven die afkomstig zijn van :

 

mobiele zendantennes;

medische apparatuur en industriėle toepassingen voor de ruimte waarin de bron van de elektromagnetische golven zich bevindt.

 

Voor vast opgestelde zendantennes die gebruikt worden om de veiligheid van de luchtvaart te garanderen kan een uitzondering gevraagd worden aan de minister als een beperking van het vermogen van de vast opgestelde zendantennes in strijd is met de internationale normen en regelgeving inzake de veiligheid van de luchtvaart (ICAO).


Afdeling 2.14.2.
Milieukwaliteitsnormen voor elektromagnetische golven met een frequentie tussen 10 MHz en 10 GHz


Art. 2.14.2.1.

De in de onderstaande tabel vermelde waarden voor elektrische veldsterkte in V/m gelden als grenswaarden voor het Egem, 6 min-niveau van elektromagnetische golven, waarbij f de frequentie in MHz is, en Eiref het referentieniveau voor de elektrische veldsterkte.

 

frequentie :
f in MHz

elektrische veldsterkte :

E in V/m (Eiref)

10 tot 400

13,7

400 tot 2000

0,686 √f

2000 tot 10.000

30,7

 

Voor samengestelde velden moet de elektrische veldsterkte beperkt worden zodat :

 

 

 

 

 

 

Ei : de elektrische veldsterkte bij de frequentie i;
Eiref : het referentieniveau voor de elektrische veldsterkte is, vermeld in lid 1.

 

De bepalingen gelden niet binnen de veiligheidszone van een vast of een tijdelijk opgestelde zendantenne. 


Afdeling 2.14.3.
Beleidstaken


Art. 2.14.3.1. De minister stelt de meetprocedure en de meetstrategie voor elektromagnetische golven vast.

Art. 2.14.3.2.

De afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven, stelt een kadaster van vast opgestelde zendantennes op. Dat kadaster omvat ten minste het technische dossier van vast opgestelde zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, lid 1, als ze gebruikt worden voor telecommunicatie, met uitzondering van tijdelijk opgestelde zendantennes. Het kadaster omvat ten minste : de precieze locatie van de zendantenne, het type, de afmetingen ervan, de richting en het zendvermogen. Voor de controlepunten waar simulaties voor werden verricht, worden de te verwachten blootstellingen vermeld.


Art. 2.14.3.3. [...]