VLAREL
19 NOVEMBER 2010. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu

HOOFDSTUK 1.
Definities en toepassingsgebied


Artikel 1.

Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking).


Art. 2.

De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de erkenningen, vermeld in artikel 6, die bij wet, decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden ingesteld voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.


Art. 3.

De minister kan de bijlagen bij dit besluit wijzigen, met uitzondering van bijlage 11.


Art. 4.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

 

§ 1.

wet Geluidshinder : de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder;

decreet Milieubeleid : het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

titel I van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;

titel II van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen : het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater;

het departement: het Departement Omgeving;

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

15° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt;

16° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid;

17° gebruik van de erkenning : het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden of keuringen, het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses waarvoor de erkenning geldt;

18° referentielaboratorium : geaccrediteerde organisatie of internationaal of nationaal erkende organisatie die voldoet aan de eisen van ISO/IEC 17043 en die programma's van geschiktheidsbeproeving organiseert voor de laboratoria, vermeld in artikel 6, 5°, voor een gedeelte van een pakket of een volledig pakket als vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, in voorkomend geval op concentratieniveaus die door de minister vastgelegd kunnen worden;

19° drinkwater : water, bestemd voor menselijke consumptie, als vermeld in het decreet van 24 mei 2002 betreffende water, bestemd voor menselijke aanwending;

20° compendium : bundel met methoden voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses, die Europese (EN), internationale (ISO) of andere genormeerde methoden of methoden die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest werden gevalideerd in opdracht van de Vlaamse overheid, omvatten. Het compendium wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en de inhoudstafel wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;

21° code van goede praktijk : door de bevoegde afdeling aanvaarde en voor het publiek toegankelijke geschreven regels met betrekking tot de activiteiten en maatregelen, vermeld in dit besluit;

22° deeldomein afvalwater : water waarbij de te meten parameters concentratieniveaus bestrijken die representatief zijn met betrekking tot de emissiegrenswaarden voor afvalwater, vermeld in titel II van het VLAREM. Die concentratieniveaus kunnen door de minister vastgelegd worden;

23° deeldomein oppervlaktewater : water waarbij de te meten parameters concentratieniveaus bestrijken die representatief zijn met betrekking tot de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater, vermeld in titel II van het VLAREM. Die concentratieniveaus kunnen door de minister vastgelegd worden;

24° deeldomein grondwater : water waarbij de te meten parameters concentratieniveaus bestrijken die representatief zijn met betrekking tot de milieukwaliteitsnormen voor grondwater, vermeld in titel II van het VLAREM. Die concentratieniveaus kunnen door de minister vastgelegd worden;

25° deeldomein drinkwater : water waarbij de te meten parameters concentratieniveaus bestrijken die representatief zijn met betrekking tot het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie. Die concentratieniveaus kunnen door de minister vastgelegd worden.

26° Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;

27° Bodemdecreet : het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;

28° VLAREBO : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;

29° OVAM : Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;

30° de afdeling, bevoegd voor afval- en materialenbeheer : de afdeling Afval- en Materialenbeheer van de OVAM;

31° afdeling, bevoegd voor bodembeheer : de afdeling Bodembeheer van de OVAM;

32° Mestbank : de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij;

33° Mestdecreet : het Mestdecreet van 22 december 2006;

34° gps-datalogger : systeem dat plaats en tijdstip van een monsterneming ondubbelzinnig registreert op basis van global positioning;

35° het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet : het methodenboek met bemonsterings- en analysemethodes voor meststoffen, bodem en diervoeders in het kader van het Mestdecreet, vermeld in artikel 61, § 8, eerste lid, van het Mestdecreet;

36° het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest : de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;

37° VMM : Vlaamse Milieumaatschappij;

38° de afdeling, bevoegd voor grondwater : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM;

39° de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM;

40° de afdeling, bevoegd voor het ecologisch toezicht : de afdeling Ecologisch Toezicht van de VMM;

41° de afdeling, bevoegd voor het opvolgen van de luchtkwaliteit : de afdeling Lucht, Milieu en Communicatie van de VMM;

42° agentschap Onroerend Erfgoed : het agentschap Onroerend Erfgoed van het beleidsdomein Omgeving;

43° bevoegde afdeling :

a)  voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 1°, 2°, 4°, b) tot en met f) en h) tot en met l), 5°, a) tot en met c), 7°, b) en c) en 8° : het departement;
b) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 3° en 4°, a) : het departement;
c) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 5°, d) : de Mestbank;
d) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 5°, e) : de afdeling, bevoegd voor afval- en materialenbeheer;
e) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 4°, g), 5°, f), en 6° : de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
f) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 7°, a) : de afdeling, bevoegd voor grondwater. 

[...]

45° titel III van het VLAREM: het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties;

46° verordening nr. 1005/2009: verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;

47° verordening nr. 517/2014: verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006;

48° verordening nr. 2015/2066: uitvoeringsverordening (EU) 2015/2066 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen bevattende elektrische schakelinrichtingen installeren, servicen, onderhouden, repareren of buiten dienst stellen of gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit stationaire elektrische schakelinrichtingen;

49° verordening nr. 2015/2067: uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat;

50° verordening nr. 304/2008: verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;

51° verordening nr. 306/2008: verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur;

52° verordening nr. 307/2008: verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen;

53° gefluoreerde broeikasgassen: fluorkoolwaterstoffen, perfluorkoolstoffen, zwavelhexafluoride en andere broeikasgassen die fluor bevatten als vermeld in bijlage I van verordening nr. 517/2014, afzonderlijk of in een mengsel;

54° ozonlaagafbrekende stoffen: de stoffen die zijn opgenomen in bijlage I van verordening nr. 1005/2009, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of geregenereerde stoffen betreft;

55° koelinstallatie: het geheel van de onderdelen en apparaten die nodig zijn voor de werking van een koelsysteem. Het gaat hier ook om luchtconditioneringsinstallaties en warmtepompen die een koelsysteem bevatten;

56° ton CO2-equivalent: een hoeveelheid broeikasgassen, uitgedrukt als het product van het gewicht van de broeikasgassen in metrische ton en het aardopwarmingsvermogen ervan;

57° aardopwarmingsvermogen: het klimaatopwarmingsvermogen van een broeikasgas in verhouding tot dat van CO2, berekend in termen van het opwarmingsvermogen in een periode van honderd jaar van één kilogram van een broeikasgas in verhouding tot één kilogram CO2, als opgenomen in bijlage I, II en IV van verordening nr. 517/2014 of, voor mengsels, berekend volgens de methode, vermeld in bijlage IV van verordening nr. 517/2014;

58° brandbeveiligingsapparatuur: de apparatuur en de systemen die worden gebruikt bij brandbeveiligings- en brandblustoepassingen. Brandblussers maken hier ook deel van uit;

59° instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt: een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomsten van de sectoren voor het Garagebedrijf (P.C. 112), het Koetswerk (P.s.C. 149.02), de Metaalhandel (P.s.C. 149.04) en de Terugwinning van metalen (P.s.C. 142.01);

60° klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen: de apparatuur die hoofdzakelijk bedoeld is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te regelen;

61° elektrische schakelinrichtingen: schakeltoestellen en combinaties daarvan met de bijbehorende controle-, meet-, beschermings- en reguleringsapparatuur, en samenstellingen van dergelijke toestellen en apparatuur met de bijbehorende koppelingen, accessoires, behuizingen en ondersteunende structuren, die bedoeld zijn voor gebruik in verband met het opwekken, het overbrengen, de distributie en de omzetting van elektrische energie;

62° installatie: het samenvoegen van twee of meer delen van apparatuur of circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, om een systeem te monteren op de plaats waar het zal worden geëxploiteerd, dat met zich meebrengt dat gastransporterende geleiders van een systeem worden samengevoegd om een circuit te voltooien, ongeacht of het systeem na montage moet worden gevuld of niet;

63° onderhoud: alle activiteiten, met uitsluiting van terugwinning en controles op lekken als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 en artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 die met zich brengen dat de circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, worden geopend, namelijk het toevoegen aan het systeem van gefluoreerde broeikasgassen, het verwijderen van een of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, het opnieuw monteren van twee of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, alsook het repareren van lekkages;

64° reparatie: het herstel van beschadigde of lekkende producten of apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor de werking ervan, en waarvan een onderdeel zulke gassen bevat dan wel daartoe ontworpen is;

65° buitendienststelling: het definitieve stilleggen en buiten werking of gebruik stellen van een product of deel van de apparatuur dat gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat;

66° terugwinning: het verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit producten, waaronder houders, en apparatuur gedurende het onderhoud, dan wel voorafgaand aan de verwijdering van de producten of de apparatuur.

67° koelwagen: een motorvoertuig met een gewicht van meer dan 3,5 ton dat primair bestemd en gebouwd is om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust;

68° koelaanhangwagen: een voertuig dat bestemd en gebouwd is om door een vrachtwagen of een trekker te worden gesleept, primair om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust.

 

§ 2.

Voor de toepassing van artikel 25/1 en 25/2 en en 53/3, § 1, 10° wordt verstaan onder beschikken over: ofwel zelf beschikken over, ofwel op continue basis ter beschikking hebben via:

een werknemer die zich via arbeidsovereenkomst ertoe verbindt om tegen loon en onder het gezag van de bodemsaneringsdeskundige arbeid te verrichten;
een zelfstandige op voorwaarde dat hij zijn dienstverlening met betrekking tot die kennis of ervaring maximaal aan drie bodemsaneringsdeskundigen ter beschikking stelt.

 


HOOFDSTUK 2.
Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest


Art. 5.

Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest publiceert op zijn website :

de beoordelingscriteria van ringtesten en technische proeven, vermeld in bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd, per pakket;
de voorwaarden waaraan ringtesten moeten voldoen, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd;
welke ringtesten of technische proeven het organiseert.

 

Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest brengt een laboratorium schriftelijk per brief of per e-mail op de hoogte van de beoordelingscriteria, voorafgaand aan de deelname aan een ringtest of technische proef, als die georganiseerd wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.

 

Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest wordt geacht erkend te zijn als laboratorium in de verschillende disciplines en deeldomeinen als vermeld in artikel 6, 5°.


HOOFDSTUK 3.
Categorieën van erkenningen


Art. 6. De erkenningen worden ingedeeld in de volgende categorieën:

deskundigen:
  a) milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 1.3.1.1, §1, van titel II van het VLAREM, met betrekking tot een of meer van de domeinen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd;
  b) milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 1.3.1.1, §1, van titel II van het VLAREM;
  c) milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 1.3.1.1, §2, van titel II van het VLAREM, met betrekking tot een van de deeldomeinen of voor beide:
  1) geluid, voor
  a. het uitvoeren van akoestische onderzoeken, het opstellen en begeleiden van saneringsplannen volgens de bijlagen 4.5.2 en 4.5.3 van titel II van het VLAREM en het beproeven of controleren van apparaten en inrichtingen die lawaai kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om het lawaai te meten of de hinder ervan te verhelpen;
  b.  optioneel, het beproeven of controleren van apparaten en inrichtingen die bestemd zijn om het lawaai te dempen of op te slorpen;
  2) trillingen, voor het uitvoeren van trillingsmetingen, het opstellen en begeleiden van saneringsplannen en het beproeven of controleren van apparaten en inrichtingen die trillingen kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om trillingen te meten of de hinder ervan te verhelpen;
  d) MER-deskundige: deskundige voor het opstellen van milieueffectrapporten als vermeld in titel IV van het decreet Milieubeleid, met betrekking tot een of meer van de volgende disciplines en deeldomeinen:
  1) mens: gezondheid, mobiliteit en ruimtelijke aspecten;
  2) biodiversiteit
  3) bodem: pedologie en geologie;
  4) water: geohydrologie, oppervlakte- en afvalwater, en mariene waters;
  5) lucht: geur en luchtverontreiniging;
  6) [...]
  7) geluid en trillingen: geluid en trillingen;
  8) klimaat;
  9) landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie: landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie;
  e) VR-deskundige: deskundige voor het opstellen van omgevings- en ruimtelijke veiligheidsrapporten als vermeld in titel IV van het decreet Milieubeleid;
f) airco-energiedeskundige : deskundige voor het uitvoeren van keuringen aan airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, eerste lid, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM;
technici:
  a) technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen;
  b) technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen;
  c) technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen;
  d) stookolietechnicus: de erkende technicus als vermeld in artikel 6.5.6.3 van titel II van het VLAREM;
  e) koeltechnicus van categorie I, II, III of IV als vermeld in artikel 4.4.8.4, artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5 bis .15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis .19.8.4.8.4, § 1, artikel 6.8.1.1 of artikel 6.8.6.1 van titel II van het VLAREM;
  f) technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;
  g) technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 4.4.8.2 of artikel 6.8.3.1 van titel II van het VLAREM;
  h) technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 4.4.8.3 of artikel 6.8.4.1 van titel II van het VLAREM;
  i) technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 5.15.0.8, artikel 5bis.15.5.2.3, §1, of artikel 6.8.5.1 van titel II van het VLAREM of artikel 5.2.4.4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
milieucoördinatoren en milieuverificateurs, belast met de validatie van de decretale milieuaudit:
  a) milieucoördinatoren als vermeld in artikel 4.1.9.1.2, §2, 2°, d), van titel II van het VLAREM;
  b) milieuverificateurs, belast met de validatie van de decretaal verplichte milieuaudit als vermeld in artikel 4.1.9.2.5, §3, van titel II van het VLAREM;
opleidingscentra:
  a) voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 4.1.9.1.2, §3, van titel II van het VLAREM;
  b) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen;
  c) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen;
  d) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de verwarmingsaudit, vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen;
  e) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6.5.6.4 van titel II van het VLAREM;
  f) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM;
  g) voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 8 van het Bodemdecreet; 
  h) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 5.2.2.5.2, §9, artikel 5.16.3.3, §1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, §1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, §1, of artikel 6.8.1.1 van titel II van het VLAREM;
  i) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;
  j) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 4.4.8.2 of artikel 6.8.3.1 van titel II van het VLAREM;
  k) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 4.4.8.3 of artikel 6.8.4.1 van titel II van het VLAREM;
  l) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 5.15.0.8, artikel 5bis.15.5.2.3, §1, of artikel 6.8.5.1 van titel II van het VLAREM of artikel 5.2.4.4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
laboratoria:
  a)

laboratorium in de discipline water voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses op afvalwater, oppervlaktewater, grondwater en drinkwater in het kader van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en titel I, II en III van het VLAREM, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd. »

 

Een laboratorium in de discipline water kan erkend worden voor een of meer van de volgende deeldomeinen:

  1) afvalwater;
  2) oppervlaktewater;
  3) grondwater;
  4) drinkwater;  
    De minister kan de deeldomeinen voor een pakket vastleggen;
  b) laboratorium in de discipline lucht voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses in het kader van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en titel I, II en III van het VLAREM, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd;
  c) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses in het kader van de bodembescherming, vermeld in artikel 59, §1 en artikel 60, §4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor het pakket, vermeld in bijlage 3, 3°, die bij dit besluit is gevoegd.
  d) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bemesting, de discipline mest en de discipline diervoeder, voor het nemen van monsters en het uitvoeren van analyses op bodem, meststoffen en diervoeders in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
  e) laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses ter uitvoering van titel I, II en III van het VLAREM en het Materialendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd;
  f) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, voor het uitvoeren van analyses op bodem ter uitvoering van het Bodemdecreet en het VLAREBO en de toepassing van die analyses ter uitvoering van titel II en III van het VLAREM, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 6°, die bij dit besluit is gevoegd;

bodemsaneringsdeskundigen : bodemsaneringsdeskundigen als vermeld in het Bodemdecreet, van type 1 of type 2 :

 

Een bodemsaneringsdeskundige van type 1 kan de volgende taken uitvoeren in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan :

a) het leiden van de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek; 
b) het voorstellen en het leiden van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen, voor zover die maatregelen geen grondwateronttrekkingen omvatten;
c) het leiden van het opstellen van een technisch verslag
d) het leiden van het opstellen van een studie van de ontvangende grond; 
e) het opstellen van een evaluatierapport als vermeld in artikel 78 van het Bodemdecreet.
Een bodemsaneringsdeskundige van type 2 kan alle taken uitvoeren die in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan aan een bodemsaneringsdeskundige zijn toegewezen;
bedrijven:
a) boorbedrijf met betrekking tot een of meer van de volgende disciplines, waarbij de boringen die uitgevoerd worden in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, funderingsboringen, handboringen en horizontale boringen voor zover die niet vergunningsplichtig zijn, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze disciplines:
  1) bemalingen en draineringen : bemalingen en draineringen als vermeld in rubriek 53.2, 53.3, 53.4 en 53.5 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet Milieubeleid;
  2)

andere grondwaterwinningen: andere grondwaterwinningen dan de grondwaterwinningen, vermeld in punt 1);

  3) stabiliteitsboringen en geotechnische boringen, met uitzondering van stabiliteitsboringen en geotechnische boringen als vermeld in rubriek 55.2 en 55.3 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet Milieubeleid;
  4) verticale boringen : vverticale boringen als vermeld in rubriek 55.1 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet Milieubeleid, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt 3);
  5) andere boringen: andere boringen dan de boringen, vermeld in punt 1) tot en met 4);
b) koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 5bis.15.5.4.5.4, §1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, §1, of artikel 6.8.1.1 van titel II van het VLAREM;
c) bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;
keuringsinstelling voor het keuren van een koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 25/4, 4°.

 


HOOFDSTUK 4.
Erkenningsvoorwaarden


Afdeling 1.
Algemene bepalingen erkenningsvoorwaarden


Art. 7.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen inzake erkenning van rechtswege wordt de erkenning verleend als de aanvrager het bewijs levert dat hij voldoet aan de algemene en bijzondere erkenningsvoorwaarden die overeenkomstig hoofdstuk 4 van toepassing zijn op de aangevraagde erkenning.

 

Bij het onderzoek en de beslissing over de erkenningsaanvraag wordt rekening gehouden met de gelijkwaardige erkenningsvoorwaarden waaraan de aanvrager al in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte heeft voldaan.


Afdeling 2.
Algemene erkenningsvoorwaarden


Art. 8.

De volgende algemene erkenningsvoorwaarden gelden voor alle erkenningen, vermeld in artikel 6:

de aanvrager van de erkenning en, in voorkomend geval, de natuurlijke personen waarvan de identiteit moet worden vermeld in de aanvraag, hebben in de periode van drie jaar die de erkenningsaanvraag voorafgaat, in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor overtredingen van de milieuwetgeving die verband houden met het gebruik van de erkenning;
in de periode van twee jaar die de erkenningsaanvraag voorafgaat, werd geen erkenning van de aanvrager met hetzelfde voorwerp opgeheven met toepassing van artikel 54, §1, 2°, wegens de schending van een of meer van de algemene of bijzondere gebruikseisen van de erkenning.

Afdeling 3.
Bijzondere erkenningsvoorwaarden


Onderafdeling 1.
Erkenningsvoorwaarden voor deskundigen


Art. 9.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6,1°, a):

een natuurlijke persoon zijn;
a) hetzij minstens de graad van bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding, vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald, en minstens één jaar praktische ervaring in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hebben verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) hetzij minstens de opleiding secundaire of secundaire technische leergangen hebben genoten of een gelijkwaardig getuigschrift of certificaat hebben behaald, en een praktische ervaring van minstens vijf jaar in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hebben verworven binnen tien jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.
als de erkenning wordt aangevraagd voor het domein E, over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest beschikken die niet ouder is dan één jaar, gegeven op basis van de werkwijze en gebruikte meetapparatuur bij de meting van de damp-benzineverhouding door de aanvrager.

 


Art. 10.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 6, 1°, b):

een natuurlijke persoon zijn;
a) hetzij minstens de graad van bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding, vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald, en minstens één jaar praktische ervaring in de discipline bodemcorrosie hebben verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) hetzij minstens de opleiding secundaire of secundaire technische leergangen hebben genoten of een gelijkwaardig getuigschrift of certificaat hebben behaald, en minstens vijf jaar praktische ervaring in de discipline bodemcorrosie, hebben verworven binnen tien jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.

Art. 11.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c):

een natuurlijke persoon zijn;
a) hetzij minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens drie jaar praktische ervaring hebben met het uitvoeren van opdrachten in het kader van de erkenning, verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) hetzij minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens vijf jaar praktische ervaring hebben met het uitvoeren van opdrachten in het kader van de erkenning, verworven binnen zeven jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
met gunstig gevolg een opleiding hebben genoten waarin minstens de onderwerpen aan bod zijn gekomen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 12.

§ 1.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de MER-deskundigen, vermeld in artikel 6, 1°, d):

een natuurlijke persoon zijn;
a) hetzij minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens drie jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan het opstellen van milieueffectstudies in de aangevraagde disciplines en deeldomeinen, verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) hetzij minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens vijf jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan het opstellen van milieueffectstudies in de aangevraagde disciplines en deeldomeinen, verworven binnen zeven jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
met gunstig gevolg een opleiding hebben genoten per deeldomein of als er geen deeldomeinen zijn, per discipline, waarin minstens de onderwerpen aan bod zijn gekomen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.

 

 

§ 2.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, 1°, 2° en 3° gelden de hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden voor de MER-deskundigen in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, d), 7):

als de erkenning wordt aangevraagd als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, in het bezit zijn van een erkenning als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1);
als de erkenning wordt aangevraagd als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen, in het bezit zijn van een erkenning als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 2).

Art. 13.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e):

een natuurlijke persoon zijn;
a) hetzij minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens drie jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan het opstellen van veiligheidsrapporten en het uitvoeren van kwantitatieve risicoanalyses, risico-inventarisaties en risico-evaluaties met betrekking tot risico’s, voor mens en milieu, bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) hetzij minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens vijf jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan het opstellen van veiligheidsrapporten en het uitvoeren van kwantitatieve risicoanalyses, risico-inventarisaties en risico-evaluaties met betrekking tot risico’s, voor mens en milieu, bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, verworven binnen zeven jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
met gunstig gevolg een opleiding hebben genoten waarin minstens de onderwerpen aan bod zijn gekomen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.

 


Art. 13/1.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :

een natuurlijke persoon zijn;
voldoen aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd;
in het bezit zijn van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 2, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 4°; 
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f).

Onderafdeling 2.
Erkenningsvoorwaarden voor technici


Art. 14.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, a):

een natuurlijke persoon zijn;
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3°;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b).

Art. 15.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, b):

een natuurlijke persoon zijn;
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/1, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3°;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c).

Art. 16.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 6, 2°, c):

een natuurlijke persoon zijn;
erkend zijn als technicus vloeibare brandstof of als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, a) respectievelijk b);
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/2, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 4°;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d).

Art. 17.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een stookolietechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, d):

een natuurlijke persoon zijn;
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/3, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3°;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e). »

Art. 17/1.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e):

een natuurlijke persoon zijn;
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/6, §1;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, §2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h).

Art. 17/2.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f):

een natuurlijke persoon zijn;
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, i), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/7, §1;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, §2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, i).

Art. 17/3.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g):

een natuurlijke persoon zijn;
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, j), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/8, §1;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, §2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, j).

Art. 17/4.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h):

een natuurlijke persoon zijn;
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, k), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/9, §1;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, §2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, k).

Art. 17/5.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i):

een natuurlijke persoon zijn;
in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/10, §1;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, §2, hebben voorgelegd aan het departement of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l).

Onderafdeling 3.
Erkenningsvoorwaarden voor milieucoördinatoren en verificateurs


Art. 18.

§ 1.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de milieucoördinator, vermeld in artikel 6, 3°, a), voor het uitoefenen van de functie bij inrichtingen, aangeduid met de kenletter A in de vijfde kolom van de lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen, vastgesteld in de indelingslijst vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid:

een natuurlijke persoon zijn;
de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten;
in het bezit zijn van een getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste niveau of van het overgangsniveau dat, nadat de persoon het vastgelegde onderricht heeft gevolgd en geslaagd is voor het examen, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, a);
minstens één jaar praktische ervaring in het beheersen en voorkomen van milieuhinder en risico’s op bedrijfsniveau verworven hebben binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.

 

§ 2.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de milieucoördinator, vermeld in artikel 6, 3°, a), voor het uitoefenen van de functie bij inrichtingen, aangeduid met de kenletter B in de vijfde kolom van de lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen, vastgesteld in de indelingslijst vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid:

een natuurlijke persoon zijn;
minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten;
in het bezit zijn van een getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau dat, nadat de persoon het vastgelegde onderricht heeft gevolgd en geslaagd is voor het examen, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, a);
minstens één jaar praktische ervaring in het beheersen en voorkomen van milieuhinder en risico’s op bedrijfsniveau verworven hebben binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.

Art. 19.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de milieuverificateur die belast is met de validatie van de decretale milieuaudit, vermeld in artikel 6, 3°, b) :

houder zijn van de titel van milieuverificateur, vermeld in Verordening nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie;
een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan het departement. 

Onderafdeling 4.
Erkenningsvoorwaarden voor opleidingscentra


Art. 20.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a):

naargelang de gewenste erkenning de cursussen van het eerste, het tweede of het overgangsniveau, met inbegrip van de examens, organiseren, waarvan de programma’s minstens beantwoorden aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd;
over in de materie onderlegde docenten beschikken die de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, of die meer dan drie jaar ervaring hebben in het lesdomein in kwestie;
over een opvolgingscommissie beschikken die de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen bewaakt. [...]

 


Art. 21.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b) :

beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake vloeibare brandstof met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43, § 1, te organiseren;
beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°. Het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a)  de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus vloeibare brandstof en die actief is in het vak; 
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°. Het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus vloeibare brandstof die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.

 


Art. 22.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c) :

beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake gasvormige brandstof module GI of de modules GI en GII met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/1, § 1 en § 2, te organiseren;
beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 2°. Het certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus gasvormige brandstof en die actief is in het vak;
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 2°. Het certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus gasvormige brandstof die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.

Art. 23.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de verwarmingsaudit, vermeld in artikel 6, 4°, d) :

erkend zijn als opleidingscentrum vloeibare brandstof of gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 4°, b) of c); 
beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake de verwarmingsaudit met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/2, § 1, te organiseren; 
beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 3°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
een examenjury samenstellen, waarbij ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens twee specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus verwarmingsaudit en die actief is in het vak;
b) minstens één jurylid beschikt over een erkenning als technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 3°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het jurylid jureert;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus verwarmingsaudit die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.

 


Art. 24.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e) :

beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/3, § 1, te organiseren;
beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
een examenjury samenstellen, waarbij ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 
a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als stookolietechnicus en die actief is in het vak;
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende stookolietechnicus die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.

 


Art. 24/1.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 6, 4°, f) :

beschikken over degelijke procedures om de opleiding en de bijscholing met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 1 en § 2, te organiseren, waarbij alleen de personen tot de opleiding worden toegelaten die voldoen aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd;
het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°;
een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 
a) de examenjury bestaat uit minstens twee specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master in de ingenieurswetenschappen, master in de bioingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector;
b) minstens één examenjurylid beschikt over een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°.

 


Art. 24/2.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :

de cursussen en de examens organiseren, waarvan het programma minstens beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;
over in de materie onderlegde docenten beschikken die de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, of die meer dan vijf jaar ervaring hebben in het lesdomein in kwestie;
over een opvolgingscommissie beschikken die de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen bewaakt.

 


Art. 24/3.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 6, 4°, h):

beschikken over degelijke procedures om het examen in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV, vermeld in artikel 43/6, §1, en het actualisatie-examen, vermeld in artikel 43/6, §2, te organiseren;
een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over koeltechniek;
b) minstens drie juryleden, respectievelijk twee juryleden, beschikken over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 7°, in geval van een examen van categorie I, II of III, respectievelijk categorie IV of actualisatie-examen. Het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het opleidingscentrum en actief in de koelsector. Deze voorwaarde is niet van toepassing in geval van een actualisatie-examen.

Art. 24/4.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 4°, i):

beschikken over degelijke procedures om het examen, vermeld in artikel 43/7, §1, te organiseren;
een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over brandbeveiligingsapparatuur;
b) minstens twee leden van de examenjury zijn specialisten in de materie over brandbeveiligingsapparatuur;
c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het opleidingscentrum en actief in de brandbeveiligingsapparatuursector.

Art. 24/5.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 6, 4°, j):

beschikken over degelijke procedures om het examen, vermeld in artikel 43/8, §1, te organiseren;
een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de jury bestaat uit minstens twee personen van wie een wordt aangewezen als voorzitter;
b) de juryleden voldoen ten minste aan een van de volgende voorwaarden:
1) in het bezit zijn van een diploma van master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen of master in de industriële wetenschappen;
2) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2066;
3) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2066;
c) de persoon die de jury bijstaat tijdens het praktijkgedeelte van het examen, heeft praktijkervaring met de toestellen waarop het examen plaatsvindt.

Art. 24/6.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 6, 4°, k):

beschikken over degelijke procedures om de opleiding en het examen, vermeld in artikel 43/9, §1, te organiseren;
een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens met betrekking tot de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen;
b) minstens twee leden van de examenjury zijn specialisten in de materie over het terugwinnen van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit apparatuur.

Art. 24/7.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l):

beschikken over degelijke procedures om de opleiding en het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/10, §1, te organiseren;
het personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht, beschikt over een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 11°, en staat onder leiding van een persoon die in het bezit is van een bachelor in de autotechnologie, een master in de ingenieurswetenschappen, een master in de industriële wetenschappen of een master in de bio-ingenieurswetenschappen, of van een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het geven van opleidingen in die materie. Het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) er is altijd minstens één jurylid aanwezig per vier cursisten die het praktisch onderdeel van het examen gelijktijdig afleggen;
b) er wordt altijd een jurylid aangewezen als voorzitter;
c) de juryleden voldoen ten minste aan een van de volgende voorwaarden:
1) in het bezit zijn van een bachelor in de autotechnologie, master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen of master in de industriële wetenschappen;
2) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008;
3) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008;
d) minstens de helft van de juryleden beschikt over een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 11°. Het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
e) minstens één jurylid heeft praktijkervaring met de toestellen die worden gebruikt bij het examen.

Onderafdeling 5.
Erkenningsvoorwaarden voor laboratoria


Art. 25.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°:

voor de aangevraagde pakketten over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest beschikken, gegeven op basis van de evaluatie van beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses op typemonsters van referentiestalen of reële stalen die door een referentielaboratorium ter beschikking gesteld zijn en die door de aanvrager uitgevoerd zijn, of op basis van de evaluatie van een technische proef. De beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses op typemonsters van referentiestalen of reële stalen of de technische proef zijn uitgevoerd volgens de methoden, vermeld in artikel 45. Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld:
a) in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit besluit is gevoegd. Alleen de resultaten van ringtesten die georganiseerd zijn conform de voorwaarden, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd, komen in aanmerking voor evaluatie;
b) in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, die bij dit besluit is gevoegd;
voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het laboratorium de erkenning aanvraagt, over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikken voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Als het laboratorium over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikt voor een parameter waarvoor het al een erkenning heeft verkregen en die deel uitmaakt van dezelfde discipline als de parameter waarvoor het de erkenning aanvraagt, wordt deze erkenningsvoorwaarde als vervuld beschouwd;
voor de overige parameters die het voorwerp uitmaken van de erkenningsaanvraag, beschikken over:
a) hetzij een ISO/IEC 17025-accreditatie voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45;
b) hetzij een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45.

 

In de volgende gevallen is het laboratorium vrijgesteld van de erkenningsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, a), op voorwaarde dat het beschikt over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45:

een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), dat alleen erkend wil worden voor het pakket W.1, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd;
een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend wil worden voor het pakket L.11.1, L.11.2 of L.18, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd;
een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d), dat alleen erkend wil worden voor het pakket M-M1 of M-M3, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), dat alleen erkend wil worden voor het pakket MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5, MA.6, MA.7.1 of MA.7.2, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De gunstige beoordeling, vermeld in het eerste lid, 1°, en 3°, b), en het tweede lid, mag niet ouder zijn dan één jaar, voorafgaand aan de datum van de indiening van de volledige erkenningsaanvraag.

 

Een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f), kan maximaal 10% van de parameters van een pakket uitbesteden aan andere laboratoria, op voorwaarde dat het pakket tien of meer parameters bevat. De laboratoria waaraan de parameters worden uitbesteed, moeten erkend zijn voor de analyse van de desbetreffende parameters en moeten de analyses zelf uitvoeren.


Onderafdeling 6.
Erkenningsvoorwaarden voor bodemsaneringsdeskundigen


Art. 25/1.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bodemsaneringsdeskundige van type 1 als vermeld in artikel 6, 6°:

beschikken over:
a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt;
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
beschikken over:
a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen;
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
beschikken over minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
beschikken over een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 25/2.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bodemsaneringsdeskundige van type 2 als vermeld in artikel 6, 6°:

beschikken over:
a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline biologie aan bod komt;
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
beschikken over:
a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline microbiologie aan bod komt;
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
beschikken over:
a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt;
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
beschikken over:
a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen; 
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag; 
beschikken over:  
a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines bouwkunde en grondmechanica aan bod komen; 
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgestelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar ervaring hebben in het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag; 
beschikken over minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is zowel voor het uitvoeren van bodemonderzoeken als voor het onderzoek inzake risico’s van bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;  
beschikken over minstens vijf jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;  
beschikken over minstens vijf jaar praktische ervaring in werfopvolging, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;  
beschikken over een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;  
10° beschikken over minstens één natuurlijk persoon die met gunstig gevolg een opleiding heeft genoten waarin minstens de volgende onderwerpen aan bod zijn gekomen: de Vlaamse reglementeringen inzake de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, het grondwaterbeheer en de stedenbouw en ruimtelijke ordening;
11° beschikken over minstens één natuurlijk persoon of minstens één natuurlijk persoon contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring om een mathematisch grondwatermodel te hanteren en de resultaten ervan correct te interpreteren.

 


Onderafdeling 7.
Erkenningsvoorwaarden voor bedrijven


Art. 25/3.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarde geldt voor een boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, a):

voor elk operationeel boortoestel voor het uitvoeren van de werken in het kader van de gewenste erkenning een natuurlijke persoon in dienst hebben die aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet:
a) over minstens drie jaar praktische ervaring beschikken in het uitvoeren van werken in het kader van de gewenste erkenning, verworven binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) over een attest beschikken dat een algemene opleiding als vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg werd gevolgd binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.

Art. 25/4.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b):

minstens één erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 7°, in dienst hebben;
voldoende erkende koeltechnici als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 7°, in dienst hebben om het verwachte activiteitenvolume te halen;
het bewijs leveren dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor de erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 7°;
met goed gevolg gekeurd zijn door een erkende keuringsinstelling als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 14°, waarbij de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 3°, nagegaan worden.

Art. 25/5.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c):

minstens één erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 8°, in dienst hebben;
voldoende erkende technici voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 8°, in dienst hebben om het verwachte activiteitenvolume te halen;
het bewijs leveren dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor de erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 8°.

Onderafdeling 8.
Erkenningsvoorwaarden voor keuringsinstellingen


Art. 25/6.

De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarde geldt voor een keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8°:

ofwel geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, ofwel geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 en een bewijs leveren dat een aanvraag voor de accreditatie als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, aanvaard is door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem.

HOOFDSTUK 5.
Aanvraag, behandeling, beslissing en bekendmaking


Afdeling 1.
Algemene bepalingen aanvraag, behandeling, beslissing en bekendmaking


Art. 26. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op erkenningen van rechtswege.

Afdeling 2.
De aanvraag


Art. 27.

§ 1.

De aanvraag tot erkenning wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de bevoegde afdeling.

 

§ 2.

De aanvraag bevat minstens :

het aanvraagformulier, waarvan het model wordt vastgesteld door de bevoegde afdeling, dat minstens de volgende gegevens omvat :
a) de identificatiegegevens van de aanvrager, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd;
b) een omschrijving van het voorwerp van de erkenning die wordt aangevraagd. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, a), wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de deeldomeinen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, c) en d), wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de deeldomeinen, vermeld in de respectieve artikels. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 5°, wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de pakketten, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, en, in voorkomend geval, op basis van een of meer van de deeldomeinen, vermeld in artikel 6, 5°, a). Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 7°, a) wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van een of meer van de disciplines, vermeld in artikel 6, 7°, a);
c) de gegevens en verklaringen die bewijzen dat voldaan is aan de van toepassing zijnde erkenningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4;   
een ondertekende verklaring van de aanvrager dat alle gegevens naar waarheid zijn ingevuld;
in voorkomend geval, een kopie van de diploma’s en getuigschriften, alsook de andere bewijsstukken, vermeld in de erkenningsvoorwaarden;
in voorkomend geval, als een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), geen volledig pakket ontleedt en gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 25, vierde lid : alle schriftelijke overeenkomsten met erkende laboratoria waaraan parameters worden uitbesteed met vermelding van welke parameters worden uitbesteed;
in voorkomend geval, het bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 1.

Afdeling 3.
Behandeling van de aanvraag


Art. 28.

§ 1.

De bevoegde afdeling of het één-loket, als de aanvraag elektronisch wordt ingediend, stuurt een ontvangstbevestiging naar de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de indiening van de aanvraag. De ontvangstbevestiging bevat:

de datum waarop de aanvraag is ontvangen;
in voorkomend geval, de gegevens en documenten die de aanvrager aan het dossier moet toevoegen opdat de aanvraag volledig zou zijn;
de termijn waarbinnen de beslissing genomen moet worden;
in voorkomend geval, de vermelding dat de termijn, vermeld in 3°, pas begint te lopen op het moment dat alle ontbrekende documenten zijn ingediend;
de vermelding van de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te respecteren formaliteiten en termijnen.

 

Een aanvraag die onvolledig bevonden wordt en waaraan door de aanvrager binnen een termijn van negentig dagen, te rekenen vanaf de dag na de indiening van de aanvraag, geen gegevens of documenten worden toegevoegd opdat de aanvraag volledig zou zijn, wordt definitief onvolledig geacht. De bevoegde afdeling brengt de aanvrager daarvan op de hoogte.

 

§ 2.

De bevoegde afdeling onderzoekt de aanvraag tot erkenning. De bevoegde afdeling vraagt advies aan de volgende overheidsorganen:

voor de aanvragen tot erkenning als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c): aan de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van geluidshinder en aan de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van milieueffectrapportage;

voor de aanvragen tot erkenning als MER-deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, d): aan de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van milieueffectrapportage.
Voor de volgende disciplines wordt een aanvullend advies gevraagd aan:   
a) mens, deeldomeinen:
1) gezondheid: de afdeling Preventie van het Agentschap Zorg en Gezondheid; 
2) [...]
3) mobiliteit: de afdeling Beleid, Mobiliteit en Verkeersveiligheid van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken;
4) ruimtelijke aspecten: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het gebied van ruimtelijke ordening;

b)

fauna en flora: het Agentschap voor Natuur en Bos;  

c)

bodem: deeldomeinen:  

1)

pedologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van bodembescherming, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer; 

2)

geologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van natuurlijke rijkdommen, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer; 

d)

water, deeldomeinen:  

1)

geohydrologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van natuurlijke rijkdommen, aan de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer; 

2)

oppervlakte- en afvalwater: de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer, en aan de afdeling, bevoegd voor het ecologisch toezicht; 

3)

mariene waters: de afdeling, bevoegd voor het ecologisch toezicht, en aan het Vlaams Instituut voor de Zee; 

e)

lucht, deeldomeinen:  

1)

geur: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van luchtverontreiniging; 

2)

luchtverontreiniging: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van luchtverontreiniging, en aan de afdeling, bevoegd voor het opvolgen van de luchtkwaliteit; 

f)

[...]

g)

geluid en trillingen: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van geluidshinder; 

h)

klimaat: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van luchtverontreiniging;  

i)

landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie: het agentschap Onroerend Erfgoed;  

voor de aanvragen tot erkenning als VR-deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, e): aan de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van veiligheidsrapportage;   

voor de aanvragen tot erkenning als laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c): aan de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van bodembescherming;   

voor de aanvragen tot erkenning als boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, a), voor de disciplines, vermeld in artikel 6, 7°, a), 3) tot en met 5): aan de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van de natuurlijke rijkdommen.

 

De bevoegde afdeling vraagt voor de aanvragen tot erkenning als opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), advies aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt als het opleidingscentrum zich daarmee akkoord heeft verklaard in zijn erkenningsaanvraag. Die instantie keurt dan, samen met de bevoegde afdeling, de opleidingscentra voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), in het Vlaamse Gewest.


De leidend ambtenaar van het departement wijst de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, aan.

 

§ 3.

Als het advies, vermeld in paragraaf 2, niet wordt verleend binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van het verzenden van het verzoek om advies, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

 

§ 4.

De bevoegde afdeling kan aanvullende adviezen of inlichtingen van andere overheden en organisaties inwinnen als ze dat nodig acht.

 

§ 5.

Als de aanvrager vraagt om gehoord te worden of de bevoegde afdeling het nuttig acht, organiseert de bevoegde afdeling een hoorzitting waarop de aanvrager wordt uitgenodigd.

 

§ 6.

Voor de aanvraag tot erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, a) tot en met e), 3°, a), 4°, a) tot en met f) en h) tot en met l), 5°, a) tot en met d), en 7°, a) en c), geeft de bevoegde afdeling een gemotiveerd eindadvies en maakt ze een voorstel van beslissing.


Afdeling 4.
De beslissing


Art. 29.

§ 1.

De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, neemt een beslissing tot het volledig of gedeeltelijk weigeren of verlenen van de erkenning binnen een termijn van negentig dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de indiening van het volledige dossier door de aanvrager.

 

§ 2.

De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, kan indien noodzakelijk de termijn, vermeld in paragraaf 1, met maximaal dertig dagen verlengen. De bevoegde afdeling, als de aanvraag elektronisch werd ingediend het één-loket, brengt de aanvrager op de hoogte van de beslissing tot termijnverlenging voor de normale beslissingstermijn is verstreken.

 

§ 3.

De beslissingstermijnen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden voor de toepassing van dit besluit geacht termijnen van orde te zijn.

 

§ 4.

De erkenning wordt verleend voor onbepaalde termijn.


Afdeling 5.
Bekendmaking van de beslissing


Art. 30. De beslissing wordt binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de ondertekening van de beslissing, betekend door de bevoegde afdeling met een aangetekende brief of, als de aanvraag elektronisch werd ingediend, met een elektronisch bericht van het één-loket. Bij de betekening van de beslissing worden ook de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te respecteren formaliteiten en termijnen vermeld.

HOOFDSTUK 6.
Gelijkwaardigheid van titels ten aanzien van erkenningen


Art. 31.

§ 1.

De aanvraag van gelijkwaardigheid van een niet door de Vlaamse overheid of een door haar erkende organisatie verleende titel met een erkenning als vermeld in artikel 6, wordt ingediend bij de bevoegde afdeling. De aanvraag bevat alle bewijsstukken die aantonen dat de titel gelijkwaardig is aan de erkenning, vermeld in artikel 6.

 

§ 2.

De bevoegde afdeling kan in het kader van het onderzoek dat ze voert naar aanleiding van de aanvraag, aanvullende adviezen of inlichtingen van andere overheden en organisaties inwinnen.

 

§ 3.

De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, beslist over de volledige of gedeeltelijke gelijkwaardigheid van de titel.

 

§ 4.

De beslissing over de gelijkwaardigheid wordt binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag, door de bevoegde afdeling meegedeeld aan de aanvrager.

 

§ 5.

De gelijkwaardigheid van een bepaalde titel ten aanzien van een erkenning geldt voor alle andere identieke titels.

 

§ 6.

De titel die gelijkwaardig wordt bevonden aan een erkenning als vermeld in artikel 6, wordt opgenomen in de lijst van gelijkwaardige titels die wordt gepubliceerd op de website van de bevoegde afdeling.


HOOFDSTUK 7.
Erkenningen van rechtswege


Art. 32.

§ 1.

Personen die houder zijn van een titel die krachtens artikel 31 gelijkwaardig is bevonden aan een erkenning als vermeld in artikel 6, zijn voor die laatste erkenning van rechtswege erkend.

 

De erkenning gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de bevoegde afdeling, de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan de bevoegde afdeling en een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, wordt voorgelegd aan de bevoegde afdeling.

 

§ 2.

De volgende personen zijn van rechtswege erkend als:

technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, a): de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 14; 
technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, b): de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15; 
technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 6, 2°, c): de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 16; 
stookolietechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, d): de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17; 
milieuverificateurs, belast met de validatie van de decretaal verplichte milieuaudit, vermeld in artikel 6, 3°, b): de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 19. 
airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f) : de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 13/1. 
koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e):  
a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/1; 
b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 4 van verordening nr. 2015/2067 een geldig certificaat hebben behaald; 
technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f):
a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/2; 
b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 5 van verordening nr. 304/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g):  
a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/3; 
b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 2015/2066 een geldig certificaat hebben behaald; 
10° technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h):  
a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/4; 
b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 306/2008 een geldig certificaat hebben behaald; 
11° technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i):  
a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/5; 
b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 307/2008 een geldig certificaat hebben behaald; 
12° koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b):  
a) de bedrijven die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 25/4; 
b) de bedrijven die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 6 van verordening nr. 2015/2067 een geldig certificaat hebben behaald; 
13° bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c): de bedrijven die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 8 van verordening nr. 304/2008 een geldig certificaat hebben behaald;  
14° keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8°: de instellingen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 25/6.

 

De erkenning, vermeld in het eerste lid, 5°, gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan het departement, de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan het departement, en een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, wordt voorgelegd aan het departement.

 

De erkenning, vermeld in het eerste lid, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b) en 13°, gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan het departement, de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan het departement, en een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, §2, wordt voorgelegd aan het departement. De persoon of het bedrijf, vermeld in het eerste lid, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b), en 13°, beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven, en legt zijn certificaat en, in voorkomend geval, de vertaling ervan voor aan het departement, bij de melding van het gebruik van de erkenning.

 

De erkenning, vermeld in het eerste lid, 14°, gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan het departement, en de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan het departement.

 

§ 3.

De erkenning van rechtswege, vermeld in paragraaf 1 en 2, is niet van toepassing op personen die niet voldoen aan de algemene erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 8.


HOOFDSTUK 8.
Gebruikseisen voor erkenningen


Afdeling 1.
Algemene bepalingen gebruikseisen voor erkenningen


Art. 33.

§ 1.

Het gebruik van de erkenning, met inbegrip van de erkenning van rechtswege, is onderworpen aan de naleving van de algemene en bijzondere gebruikseisen.

 

§ 2.

De eisen die gesteld worden aan het gebruik van uitrusting en materiaal zijn niet van toepassing op dienstverrichters die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een ander gewest in België, als de goede kwaliteit van de uit te voeren taken daardoor niet in het gedrang wordt gebracht.


Afdeling 2.
Algemene gebruikseisen


Art. 34.

§ 1.

Het gebruik van de erkenning verloopt op een kwalitatief goede wijze.

 

De erkende persoon neemt daarbij een objectieve en onafhankelijke houding aan.

 

§ 2.

De erkende persoon past de normen en codes van goede praktijk toe die voor het gebruik van de erkenning in het Vlaamse Gewest van toepassing zijn.

 

§ 3.

De erkende persoon beschikt over een verzekering tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief de beroepsaansprakelijkheid, ten gevolge van het gebruik van de erkenning. In afwijking hiervan zijn de opleidingscentra verzekerd voor de ongevallen, schade en de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van leraren en studenten.

 

§ 4.

De attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten die door een erkende persoon worden afgeleverd, zijn voldoende duidelijk en uitgebreid zodat het uit de lezing ervan mogelijk is om na te gaan of aan de reglementaire voorschriften is voldaan. Die attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten worden ondertekend door de erkende persoon.

 

§ 5.

De erkende persoon deelt elke wijziging in de identificatiegegevens, elke wijziging van de gegevens die tot de erkenning hebben geleid, waardoor hij niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, of de definitieve stopzetting van het gebruik van de erkenning onverwijld mee aan de bevoegde afdeling.

 

De erkende persoon stelt aan de bevoegde afdeling alle inlichtingen en documenten ter beschikking waar ze om vraagt met betrekking tot de erkenning en richt zich naar de instructies die door de bevoegde afdeling en de toezichthouders worden gegeven.

 

§ 6.

Het is de erkende persoon, zelfs na het beëindigen van zijn functie, verboden vertrouwelijke gegevens kenbaar te maken, waarvan hij ten gevolge van zijn opdrachten kennis heeft gekregen.

 

§ 7.

Personeelsleden van de bevoegde afdeling kunnen hun erkenning niet gebruiken als ze met betrekking tot de erkenning of de taken van de erkenninghouder een adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen.

 

§ 8.

De erkende persoon verleent zijn medewerking aan periodieke evaluaties die door de bevoegde afdeling worden opgezet.

 

§ 9.

De erkende persoon legt vijfjaarlijks een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, voor aan de bevoegde afdeling of voor de erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f), en de erkende technici, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met e), aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°.


Afdeling 3.
Bijzondere gebruikseisen


Onderafdeling 1.
Gebruikseisen voor deskundigen


Art. 35.

De erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a):

beschikt over het behoorlijk onderhouden materiaal dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning werd verkregen;
beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning.

bezorgt uiterlijk één maand na het opstellen van het attest van prototypekeuring van een houder, een permanent lekdetectiesysteem of een overvulbeveiliging als vermeld in respectievelijk bijlage 5.17.2, bijlage 5.17.3 en bijlage 5.17.7 van titel II van het VLAREM, een kopie van het attest of verslag dat hij opmaakt naar aanleiding van de prototypekeuring aan het departement;

mag zijn erkenning niet gebruiken als:
a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.

Art. 36.

De erkende milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 6, 1°, b):

beschikt over het behoorlijk onderhouden materiaal dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning werd verkregen; 
beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning. 
mag zijn erkenning niet gebruiken als:
a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.

 


Art. 37.

De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2):

beschikt minstens over de apparatuur, vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd;
kan de nodige software voor het uitvoeren van zijn taken hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;
houdt een kwaliteitshandboek bij dat minstens de inhoud, vermeld in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, bevat;
beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline geluid en trillingen door jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen;
keurt de sonometers die door de overheden, belast met de controle op de toepassing van de wet Geluidshinder en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden aangeboden, en levert daarvan een attest af dat de deugdelijkheid en de nauwkeurigheid van de apparatuur waarborgt voor een periode van twaalf maanden;
heeft geen rechtstreeks belang in een bedrijf dat apparaten of toestellen die met geluidsmeting of lawaaibestrijding te maken hebben, fabriceert of verhandelt.
houdt de logboeken en de procedures, vermeld in bijlage 7/1, die bij dit besluit is gevoegd, ten minste vijf jaar bij;
kalibreert de meetapparatuur op de tijdstippen die hieronder aangegeven worden, en houdt de resultaten daarvan bij in een logboek :
a) eerstelijnskalibratie : ijking van meetapparatuur voor en na elke meting;
b) tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking van meetapparatuur met behulp van een extern gekalibreerd referentiemeetapparaat;
c) derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse externe ijking van een referentiemeetapparaat;
10° houdt de meetgegevens van onderzoeken in het kader van de erkenning ten minste vijf jaar bij. 
11°

mag zijn erkenning niet gebruiken als:

a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon; 
c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever; 
d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever; 
e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever. 

Art. 38.

De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d):

beschikt over de nodige software voor het voorspellen van effecten van plannen en projecten op mens en milieu en kan die hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren; 
beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning; 
blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline waarvoor hij erkend is, door daarvoor jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen per discipline. 

mag zijn erkenning niet gebruiken als:

a)

hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever. 

 


Art. 39.

De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e):

beschikt over de nodige software voor het berekenen van risico’s voor mens en milieu bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, en kan die hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;
beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake veiligheidsrapportage door daarvoor jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen.
mag zijn erkenning niet gebruiken als:
a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever; 
b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon; 
c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever; 
d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever; 
e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever. 

 


Art. 39/1.

De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :

1°  toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
voert de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM correct uit en interpreteert de resultaten correct;
bezorgt na iedere keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, een verslag van de keuring aan de exploitant van het gebouw met het airconditioningsysteem. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem en, in voorkomend geval, de evaluatie van de aanbevelingen die bij de vorige keuring werden geformuleerd;
houdt alle gegevens van de keuring op dusdanige wijze bij dat een controle op het verloop van de keuring mogelijk is. Die gegevens en het keuringsverslag worden gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van het departement, en de keuringsinstelling, vermeld in artikel 58/2;
houdt een overzichtslijst bij van alle keuringen als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, die hij in het voorbije kalenderjaar uitgevoerd heeft;
volgt vijfjaarlijks de bijscholing en slaagt voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, 2°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f).

 

Als een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 13/1, 4°, na een termijn van vijf jaar na het behalen van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 13/1, 3°, voorgelegd wordt, moet de airco-energiedeskundige de bijscholing gevolgd hebben en voor het bijhorende examen geslaagd zijn, vermeld in het eerste lid, van dit artikel, voor hij de erkenning van rechtswege, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, kan gebruiken.


Onderafdeling 2.
Gebruikseisen voor technici


Art. 40.

De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d):

toont, op eenvoudig verzoek, het materiaal dat hij gebruikt bij het uitvoeren van de taken met betrekking tot de verleende erkenning;
maakt uitsluitend gebruik van apparatuur die voldoet aan alle reglementaire eisen, vermeld in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd;
volgt vijfjaarlijks de bijscholing, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 3, die bij dit besluit is gevoegd, en slaagt voor de bijhorende proef. Die bijscholing wordt gevolgd in een daartoe erkend opleidingscentrum.
voert de keuring, onderhoudsbeurt of verwarmingsaudit, vermeld in artikel 12, 13, en 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen, correct uit;
levert de attesten en rapporten af en houdt die ter beschikking, zoals bepaald in artikel 15 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.

 

Als een geldig bewijs van betaling van de desbetreffende retributie, vermeld in artikel 14, 3°, artikel 15, 3°, artikel 16, 4°, of artikel 17, 3°, na een termijn van vijf jaar na het behalen van het desbetreffende certificaat van bekwaamheid, vermeld in artikel 14, 2°, artikel 15, 2°, artikel 16, 3°, of artikel 17, 2°, voorgelegd wordt, moet de technicus de bijscholing, vermeld in het eerste lid, 3°, gevolgd hebben, en voor het bijhorende examen, vermeld in het eerste lid, 3°, geslaagd zijn voor hij de desbetreffende erkenning van rechtswege, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, kan gebruiken.


Art. 40/1.

De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e):

die in het bezit is van een certificaat van categorie I, II, III of IV mag de volgende werkzaamheden uitvoeren aan stationaire koelinstallaties met zowel gefluoreerde broeikasgassen als ozonlaagafbrekende stoffen of aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten:
a) in geval van categorie I: de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, a), van verordening nr. 2015/2067;
b) in geval van categorie II: de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, b), van verordening nr. 2015/2067;
c) in geval van categorie III: de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, c), van verordening nr. 2015/2067;
d) in geval van categorie IV: de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, d), van verordening nr. 2015/2067;
bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert ze, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek:
a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koelinstallatie waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt:
1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
2) het type koelmiddel;
3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden: de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koelinstallatie uitgevoerd heeft;
5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt:
1) het type koelmiddel;
2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid; 
3) de datum van bijvulling of aftapping;
4) de reden van bijvulling of aftapping;
5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
6) als dat van toepassing is: de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
7) na elke bijvulling voor een koelinstallatie als vermeld in artikel 5.16.3.3, §5, van titel II van het VLAREM: het relatief lekverlies;
c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden:
1) de datum van de lekkagecontrole;
2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
e) bij een buitendienststelling:
1) de datum van de buitendienststelling;
2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
slaagt vijfjaarlijks voor het actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door het departement. Als het certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 17/1, 2°, of artikel 32, §2, eerste lid, 7°, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, slaagt hij voor het actualisatie-examen of voor een gelijkwaardig examen vóór hij de erkenning kan gebruiken. De examens die gelijkwaardig worden bevonden, worden gepubliceerd op de website van het departement. De datum van het slagen voor het actualisatie-examen of een gelijkwaardig examen mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/1, 3°, of artikel 32, §2, derde lid; 
doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken; 
doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden; 
beschikt over een vertaling van zijn certificaat van categorie I, II, III of IV naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.
bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de koelwagen of koelaanhangwagen die een koeleenheid met gefluoreerde broeikasgassen bevat:
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koeleenheid waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt:
    1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid en eveneens in ton CO2-equivalent;
    2) het type koelmiddel;
    3) indien bij de koeleenheid gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden: de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
    4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koeleenheid uitgevoerd heeft;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen werden bijgevuld of afgetapt:
    1) het type koelmiddel;
    2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
    3) de datum van bijvulling of aftapping;
    4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 uitgevoerd worden:
    1) de datum van de lekkagecontrole;
    2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
    3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling:
    1) de datum van de buitendienststelling;
    2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen terug te winnen en te verwijderen;
    3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
houdt de registraties als vermeld in punt 8° ten minste vijf jaar bij.

Art. 40/2.

De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f):

bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat:
a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt:  
1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
2) het type blusmiddel;
3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden: de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur uitgevoerd heeft;
5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt:
1) het type blusmiddel;
2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
3) de datum van bijvulling of aftapping;
4) de reden van bijvulling of aftapping;
5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
6) als dat van toepassing is: de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden:
1) de datum van de lekkagecontrole;
2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
e) bij een buitendienststelling:
1) de datum van de buitendienststelling;
2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;   
doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;   
beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.

Art. 40/3.

De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i):

toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.

Onderafdeling 3.
Gebruikseisen voor milieucoördinatoren


Art. 41.

§ 1.

De erkende milieucoördinator, vermeld in artikel 6, 3°, a), schoolt zich permanent bij inzake milieuwetenschappen, inclusief milieutechnologie en recht, alsook inzake de taken, vermeld in het decreet Milieubeleid door cursussen, seminaries, studiedagen, en dergelijke te volgen. Seminaries, studiedagen en dergelijke komen alleen in aanmerking als de inhoud van de bijscholing betrekking heeft op de leefmilieuproblematiek in het algemeen.

 

De bijscholing van de milieucoördinator bedraagt ten minste dertig uur per kalenderjaar.

 

§ 2.

De milieucoördinator is evenwel vrijgesteld van het volgen van de bijscholing in een bepaald kalenderjaar voor het aantal uren dat hij in datzelfde kalenderjaar de aanvullende vorming volgt, als vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 3.

De erkende milieucoördinator mag zijn erkenning niet gebruiken als:

hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.

Onderafdeling 4.
Gebruikseisen voor opleidingscentra


Art. 42.

Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a):

beschikt over de nodige infrastructuur (leslokalen, didactisch materiaal, bibliotheek) om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de milieucoördinator;
aanvaardt alleen cursisten die voldoen aan de volgende toelatingsvoorwaarden:
a) voor de aanvullende vorming van het eerste niveau: de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten;
b) voor de aanvullende vorming van het tweede niveau: het diploma van secundair onderwijs of gelijkwaardige getuigschriften of certificaten bezitten;
c) voor de overgangscursussen van het tweede niveau naar het eerste niveau: het getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau bezitten;
kan op basis van de opleiding die ze tot dan toe al hebben genoten, de cursisten vrijstelling verlenen van het volgen van bepaalde onderdelen van de aanvullende vorming. De vrijstelling geldt niet voor het maken van een eindwerk;
brengt het departement, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens en van de bespreking van de eindwerken. Een lijst met de vermelding van de titels van de eindwerken wordt gelijktijdig met de lijst van voormelde data aan het departement, bezorgd. Het departement, kan zetelen in de examen- of eindwerkjury;
stelt ten minste tweemaal per jaar een verslag op over de inhoudelijke werking van de opvolgingscommissie die waakt over de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen. Dit verslag omvat minimaal een beschrijving van de vergadering en activiteiten, en wordt aan het departement, bezorgd;
nodigt het departement, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie. Het afdelingshoofd van het departement, of zijn afgevaardigde maken van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie;
moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen.

Art. 43.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.

 

Het bijhorende examen bestaat uit vijf onderdelen :

een schriftelijk theoretisch deel;
een praktische proef;
een mondeling theoretisch deel;
een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
een proef over de verwarmingsaudit. 

 

De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :

voor het schriftelijke theoretische deel, de praktische proef, het mondelinge theoretische deel en het onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie telkens minstens vijftig procent van de punten behalen en voor die vier onderdelen in totaal minstens zestig procent van de punten behalen;
voor de proef over de verwarmingsaudit minstens zestig procent van de punten behalen.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake vloeibare brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat door de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 14, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd is, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door Het departement.


Art. 43/1.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1 tot en met 5, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 6, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De opleiding en bijscholing gasvormige brandstof bestaan telkens uit twee modules: een basismodule GI over algemeenheden met betrekking tot het verwarmen met gasvormige brandstof en over gasketels met niet-premix brander en met premix brander, en een uitbreidingsmodule GII over gasketels met ventilatorbrander. Na elke module volgt een examen.

 

Het bijhorende examen van de module GI bestaat uit vijf onderdelen :

een schriftelijk theoretisch deel;
een praktische proef;
een mondeling theoretisch deel;
een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie; 
een proef over de verwarmingsaudit. 

 

De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen module GI als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :

voor het schriftelijke theoretische deel, de praktische proef, het mondelinge theoretische deel en het onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie telkens minstens vijftig procent van de punten behalen en voor die vier onderdelen in totaal minstens zestig procent van de punten behalen;
voor de proef over de verwarmingsaudit minstens zestig procent van de punten behalen.

 

[...]

 

Het bijhorende examen van de module GII bestaat uit drie onderdelen :

een schriftelijk theoretisch deel;
een praktische proef; 
een mondeling theoretisch deel.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen module GII als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, past de volgende voorwaarde voor toelating tot het bijhorende examen van de betreffende module toe : aan het examen met betrekking tot de uitbreidingsmodule GII over gasketels met ventilatorbrander kan alleen deelgenomen worden door een technicus met een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof niveau GI, die geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake gasvormige brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 15, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 9.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.


Art. 43/2.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake verwarmingsaudit, vermeld in artikel 6, 4°, d), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit. De minister kan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing vastleggen.

 

Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :

een schriftelijk deel;
een praktische proef. 

 

De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met software die geschikt is voor toestellen op vloeibare en gasvormige brandstof.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de verwarmingsaudit uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 16, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.


Art. 43/3.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.

 

Het bijhorende examen bestaat uit vier onderdelen :

een schriftelijk theoretisch deel;
een praktische proef;
3°  een mondeling theoretisch deel;
een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie.

 

De praktische proef wordt afgesloten met het invullen van het bijhorende certificaat van de gecontroleerde opslaghouder.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.


Art. 43/4.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 6, 4°, f), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de opleiding en de minimale duur van de opleiding en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 1°, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De opleiding bestaat uit drie modules :

module 1 : wetgeving; 
module 2 : energetische aspecten;
module 3 : de correcte uitvoering van de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.

 

Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :

een theorieonderdeel over de onderwerpen die in de opleiding aan bod zijn gekomen;
een oefening over de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM. 

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens zeventig procent van de punten behaalt.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert de bijscholing met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 2°, die bij dit besluit is gevoegd.

 

Het bijhorende examen bestaat uit een oefening met betrekking tot de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij minstens zeventig procent van de punten behaalt.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid of van bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing, gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in § 1, respectievelijk § 2.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 13/1, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur en apparatuur om de opleiding, bijscholing en examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een opleiding of bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 9.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.


Art. 43/5.

Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :

beschikt over de nodige infrastructuur om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de bodemsaneringsdeskundige;
brengt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens. De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, kan zetelen in de examenjury;
moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen;
nodigt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, of zijn afgevaardigde maakt van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie. De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, wordt ook in het bezit gesteld van het verslag van de vergadering van de opvolgingscommissie

Art. 43/6.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III en IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 6, 4°, h), organiseert een opleiding en specifieke examens voor personen die een certificaat van categorie I, II, III of IV willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2067.

 

Het examen bestaat uit vier onderdelen:

een theoretisch onderdeel met betrekking tot koeltechniek;
een theoretisch onderdeel met betrekking tot de kennis van de wetgeving inzake koeltechniek;
een praktisch onderdeel met betrekking tot handelingen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen;
een praktisch onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.

 

Een persoon die een certificaat van categorie III of IV wil behalen, is vrijgesteld van het praktische onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert een actualisatie-examen voor categorie I, II, III of IV.

 

Het actualisatie-examen bestaat uit een theoretisch onderdeel met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie inzake koeltechniek.

 

Een persoon is geslaagd voor het actualisatie-examen als hij minstens zestig procent van de punten behaalt.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV of van het actualisatie-examen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1, respectievelijk paragraaf 2.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/1, 3°, of artikel 34, §9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren. Voor het praktische gedeelte zijn de apparatuur, instrumenten en materialen, vermeld in bijlage 20, die bij dit besluit is gevoegd, minimaal aanwezig.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 9.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.

 

§ 10.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.


Art. 43/7.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 4°, i), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 304/2008.

 

Het examen bestaat uit twee onderdelen:

een theoretisch onderdeel;
een praktisch onderdeel.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor het theoretische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt en voor het praktijkonderdeel minstens zeventig procent van de punten.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/2, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.

 

§ 9.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.


Art. 43/8.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 6, 4°, j), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 2015/2066.

 

Het examen bestaat uit twee onderdelen:

een theoretisch onderdeel;
een praktisch onderdeel.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/3, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.

 

§ 9.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.


Art. 43/9.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 6, 4°, k), organiseert een opleiding en het examen voor personen die een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 306/2008.

 

Het examen bestaat uit twee onderdelen:

een theoretisch onderdeel;
een praktisch onderdeel.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/4, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.

 

§ 9.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.


Art. 43/10.

§ 1.

Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen. Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en het examen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008.

 

Het erkende opleidingscentrum kan gebruikmaken van de opleidings- en examenpakketten die door de instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt, ter beschikking worden gesteld, op voorwaarde dat het departement, de pakketten heeft goedgekeurd.

 

Het examen bestaat uit twee onderdelen:

een theoretisch onderdeel;
een praktisch onderdeel.

 

Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.

 

§ 2.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.

 

Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement.

 

§ 3.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan het departement. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 4.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 17/5, 3°, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan het departement.

 

§ 5.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de opleiding en het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.

 

§ 6.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.

 

§ 7.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt het departement, minstens een maand voor een opleiding van start gaat of het examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de opleiding of het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen. Het departement, kan zetelen in de examenjury.

 

§ 8.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement.

 

§ 9.

Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt de gegevens, vermeld in punt 3° tot en met 6° van bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd, aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt.


Onderafdeling 5.
Gebruikseisen voor laboratoria


Art. 44.

Het erkende laboratorium neemt [...] deel aan de door de bevoegde afdeling georganiseerde controle op de kwaliteit van de beproevingen en monsternemingen, metingen en analyses [...] waarvoor het laboratorium erkend is. Die controle kan er in bestaan deel te nemen aan het maken van vergelijkingen tussen de laboratoria, proefmonsters te analyseren en gebruik te maken van standaarden of referentiemateriaal.

 

De bevoegde afdeling kan zich voor die controle laten bijstaan door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest die het beoordelingsverslag opstelt. De kosten voor de controle worden voor de helft gedragen door het Vlaamse Gewest. De andere helft komt voor rekening van de deelnemende laboratoria. Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest zorgt voor de facturatie en de inning van de kosten die niet door het Vlaamse Gewest worden gedragen.

 

[...]

 

Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld:

in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit

besluit is gevoegd;

in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2,

die bij dit besluit is gevoegd.

 

Bij de beoordeling kan ook rekening gehouden worden met het geheel van pakketten waarvoor een laboratorium erkend is binnen een discipline, of, in voorkomend geval, het deeldomein, of met de resultaten van de ringtesten of technische proeven van de voorbije twee kalenderjaren.

 

Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het beoordelingsverslag en legt, in voorkomend geval, een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Het plan van aanpak moet door de bevoegde afdeling goedgekeurd worden. Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het goedgekeurde plan van aanpak.


Art. 45.

§ 1.

Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, de volgende methoden toe :

 

een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water, afgekort WAC;

een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van lucht, afgekort LUC;

een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, afgekort BOC;

een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d) : het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, afgekort BAM;

een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f) : het compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, afgekort CMA.

 

§ 2.

Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, en waarvoor in de compendia, vermeld onder paragraaf 1, geen methoden opgenomen zijn, de volgende methoden toe :

 

de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;

de methoden, vermeld in Belgische normen die uitgegeven zijn door het NBN;

de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door het Comité Européen de Normalisation (CEN);

de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door de International Organisation for Standardization (ISO); 

5° 

de methoden van een in die materie onderlegde instelling of erkend laboratorium, die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest en de bevoegde afdeling geschikt bevonden zijn. 

 

De volgorde, vermeld in het eerste lid, is bepalend. De minister kan de methoden als vermeld in punt 3° en 4° bepalen.


Art. 46.

§ 1.

Het erkende laboratorium verleent zijn medewerking aan de bevoegde afdeling en [...] het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest voor audits die door de bevoegde afdeling in het laboratorium of op de meetlocatie worden georganiseerd.

 

§ 2.

Het erkende laboratorium stelt aan de bevoegde personeelsleden van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest alle inlichtingen en documenten ter beschikking die ze vragen in het kader van de audit.

 

§ 3.

Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest stelt het verslag op van de uitgevoerde audit. Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het auditverslag en legt in voorkomend geval een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Het plan van aanpak moet door de bevoegde afdeling goedgekeurd worden. Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het goedgekeurde plan van aanpak.


Art. 47.

Het erkende laboratorium verleent op elk moment toegang tot het laboratorium aan de bevoegde afdeling en de bevoegde personeelsleden van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.

Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), verleent bovendien op elk moment toegang tot het laboratorium aan de de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming.


Art. 48.

Het erkende laboratorium beschikt voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het erkend is, over een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Voor de overige parameters waarvoor het laboratorium erkend is, wordt ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toegepast.

 

In de volgende gevallen is het laboratorium vrijgesteld van de gebruikseis, vermeld in het eerste lid, op voorwaarde dat het ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toepast:

een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), dat alleen erkend is voor het pakket W.1, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd;
een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend is voor het pakket L.11.1, L.11.2 of L.18, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd;
een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d), dat alleen erkend is voor het pakket M-M1 of M-M3, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), dat alleen erkend is voor het pakket MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5, MA.6, MA.7.1 of MA.7.2, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 49. Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt een erkenningslogo aangebracht en wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet. Het erkenningslogo kan door de minister vastgesteld worden.

Art. 50.

§ 1.

Alle gegevens van de monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses die nuttig kunnen zijn, worden bijgehouden en blijven op dusdanige wijze bewaard dat een controle mogelijk is, zowel op het verloop van de verrichtingen als op de wijze waarop de resultaten verkregen zijn. Die gegevens blijven gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.

 

§ 2.

Het erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat :  

1°  de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft, de volledige identificatie van de monsters en de datum van de monsterneming;
het resultaat van de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de monsternemingsmethode, de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.

 

Als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), analyses heeft uitbesteed aan andere erkende laboratoria, vermeldt het analyseverslag dat wordt opgesteld door het erkende laboratorium, waaraan de desbetreffende parameters zijn uitbesteed, de gebruikte methoden en de gedetailleerde verwijzing naar het monster. Dat analyseverslag wordt gevoegd bij het analyseverslag van de parameters die niet zijn uitbesteed.


Art. 51.

Het erkende laboratorium moet beschikken over:

procedures die garanderen dat directie en personeel gevrijwaard zijn van ongepaste interne en externe commerciële, financiële en andere verplichtingen en invloeden die de kwaliteit van hun werk nadelig kunnen beïnvloeden;
beleid en procedures die betrokkenheid uitsluiten bij activiteiten die het vertrouwen in zijn bekwaamheid, onpartijdigheid, oordeelkundigheid of operationele integriteit zouden kunnen schaden.

 

Indien de objectiviteit en onafhankelijkheid door het erkende laboratorium niet kunnen gegarandeerd worden, mag de erkenning niet gebruikt worden.


Art. 52. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), stelt de adviezen met betrekking tot het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, conform de Code van goede praktijk bodembescherming.

Art. 53.

Het erkende laboratorium voert de opdrachten met betrekking tot de erkenning zelf uit, tenzij in een van de volgende gevallen:

bij tijdelijke en onvoorziene omstandigheden, waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een laboratorium dat erkend is voor het pakket inzake de uitvoering van de opdracht;
als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 25, vierde lid;
bij monsterneming inzake een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), c), d) en e) waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een derde die niet erkend is voor de betreffende monsterneming;
bij dataverwerking waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een derde die niet erkend is voor de betreffende meting, beproeving of analyse en mits voorafgaande goedkeuring door de bevoegde afdeling.

 

Voor de gevallen, vermeld in punt 1° en 2°, moet het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteedt, kunnen aantonen dat dit besluit voor de desbetreffende uitbesteding nageleefd wordt. Het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteedt, is verantwoordelijk voor de correcte overdracht van de monsters naar of vanuit het andere erkende laboratorium en voor de rapportage, inclusief de correcte vermelding in het verslag van de resultaten en gegevens, verstrekt door het andere erkende laboratorium. Het erkende laboratorium dat de opdracht uitvoert, is voor het overige deel van de opdracht verantwoordelijk. De uitbesteding moet vermeld worden op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteed heeft.

 

Voor de gevallen, vermeld in punt 3° en 4°, is het erkende laboratorium verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de gehele opdracht. Het erkende laboratorium moet kunnen aantonen dat dit besluit voor de desbetreffende uitbesteding nageleefd wordt.


Art. 53/1.

§ 1.

Voor bepaalde door de minister vastgestelde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het Mestdecreet, wordt een aanmelding gedaan door het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), aan de Mestbank via een webapplicatie die de Mestbank ter beschikking stelt. De minister bepaalt de nadere regels voor de aanmelding en de webapplicatie. Alleen de analyseresultaten van de monsternemingen die voorafgaand zijn aangemeld bij de Mestbank, kunnen gebruikt worden om bepaalde rechten te verkrijgen in het kader van het Mestdecreet of om te voldoen aan bepaalde verplichtingen in het kader van het Mestdecreet.

 

§ 2.

Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank. De minister bepaalt de procedure voor die gegevensoverdracht.

 

§ 3.

Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :

1° 

het nitraatresidu, vermeld in artikel 13, § 6, artikel 14 en 15 van het Mestdecreet; 

de fosfaatverzadigingsgraad en het fosfaatbindend vermogen, vermeld in artikel 17, § 3, van het Mestdecreet;

3° 

het gehalte aan stikstof uit kunstmest of uit andere specifieke meststoffen bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;

4° 

het gehalte aan fosfaat uit kunstmest bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 6, § 1, van het besluit, vermeld in punt 3°;

5° 

het nitraatresidu en het koolstofgehalte met het oog op het opbrengen van compost op percelen met een te laag koolstofgehalte, vermeld in artikel 8 van het besluit, vermeld in punt 3°; 

6°  het nitraatresidu, vermeld in artikel 58, 9°, van het ministerieel besluit van 11 juni 2008 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten en het toekennen van vergoedingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling

 

De minister kan bijkomende categorieën van monsternemingen bepalen waarvoor het erkende laboratorium moet gebruikmaken van een gps-datalogger.

 

De gps-dataloggegevens worden bezorgd aan de Mestbank. De minister bepaalt de nadere regels voor het gebruik van de gps-datalogger en de procedure voor de overdracht van de gps-dataloggegevens.


Art. 53/2.

Voor bepaalde door de minister vastgelegde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, moet het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), een rapportering van de analyseresultaten bezorgen aan de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming. De minister bepaalt de procedure voor die rapportering.

 

Voor alle monsternemingen die uitgevoerd worden in het kader van het voormelde besluit, moet het erkende laboratorium gebruikmaken van een gps-datalogger.


Onderafdeling 6.
Gebruikseisen voor bodemsaneringsdeskundigen


Art. 53/3.

§ 1.

De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :

1°  ziet erop toe dat alle monsters die genomen zijn in het kader van het Bodemdecreet, geanalyseerd worden overeenkomstig het CMA, door een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f)
  voert het veldwerk uit of ziet erop toe dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA;
  deelt op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, mee waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
  voert de taken, vermeld in artikel 6, 6°, uit in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan
  houdt een klachtenregister bij dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid; 
  beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, als het om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 gaat; 
[...] [...]
8°  beschikt over een kwaliteitshandboek, en past de inhoud ervan toe bij de uitvoering van taken in het kader van
het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Het kwaliteitshandboek wordt opgesteld conform een code van
goede praktijk;

schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn, permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen. De duur van de bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige per kalenderjaar is als volgt:

a)

in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 1: de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2. Als er meer dan twee personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 15 uur bedraagt;
b) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 2: de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2, met een minimum van 20 uur als de totale duur van de bijscholing. Als er meer dan acht personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 60 uur bedraagt.
10° beschikt over :
a) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid;
b) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid;
11° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte materiaal beschikt dat in goede staat is, voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de bemonstering van het vaste deel van de aarde en van het grondwater;
12° zorgt ervoor dat het personeel dat het veldwerk in het kader van de erkenning uitvoert, opgeleid is om
monsters te nemen en veldmetingen uit te voeren;
13° voert de auditverplichtingen, opgelegd bij of krachtens artikel 8bis van het Bodemdecreet, uit.

 

§ 2.

De erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2 beschikt bovendien over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer.


Art. 53/4.

§ 1.

De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, a).

 

De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, b).

 

§ 2.

Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, verleent op aanvraag de bevoegdheid om verslagen en rapporten van de bodemsaneringsdeskundige te ondertekenen aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1.

 

Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, verleent op aanvraag de bevoegdheid om verslagen, rapporten en projecten te ondertekenen aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2.

 

§ 3.

Naar aanleiding van de vaststelling van een ernstige fout of van herhaalde fouten in de verslagen, rapporten of projecten van de erkende bodemsaneringsdeskundige, opgesteld in het kader van de taken, vermeld in artikel 6, 6°, kan het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, de persoon met de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 2, die de verslagen, rapporten of projecten heeft ondertekend, de verplichting opleggen om binnen een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de datum van die beslissing, deel te nemen aan het examen van de aanvullende vorming voor de overeenstemmende module, vermeld in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.

 

Als die persoon niet slaagt voor dat examen of binnen die termijn niet deelneemt aan dat examen, vervalt van rechtswege de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 2, die aan hem toegekend is.

 

De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, betekent de beslissing aan de bodemsaneringsdeskundige en aan de houder van de individuele handtekeningsbevoegdheid, per adres van de bodemsaneringsdeskundige.


Art. 53/5.

§ 1.

Van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige kan niet gebruikgemaakt worden in de volgende gevallen :

 

de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, is bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de

zijlijn tot en met de vierde graad met :

  a) de opdrachtgever;
  b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
  c) iedere andere persoon die bij de voormelde opdrachtgever of uitvoerder een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent; 
de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, is zelf of met een tussenpersoon eigenaar of werkende vennoot van : 
  a) de opdrachtgever; 
  b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen; 
de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, oefent zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite, een bestuursmandaat of bestuursfunctie uit bij :
  a) de opdrachtgever; 
  b)  de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
4°  de bodemsaneringsdeskundige wordt rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gefinancierd, gecontroleerd of beheerd door :
  a) de opdrachtgever; 
  b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen; 
  c) een persoon die ook de voormelde opdrachtgever of uitvoerder rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, financiert, controleert of beheert. 

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 kan de minister op schriftelijk verzoek van de opdrachtgever of de bodemsaneringsdeskundige beslissen dat toch gebruikgemaakt kan worden van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige als de verzoeker :

 

1°  aantoont dat de kwaliteit van de uitvoering van de werkzaamheden kan worden gewaarborgd; 
zich ertoe verbindt de bijkomende controlekosten van de OVAM te vergoeden. 

 

De minister neemt een beslissing binnen vijfenveertig dagen na de ontvangst van het gemotiveerde schriftelijke verzoek.


Onderafdeling 7.
Gebruikseisen voor bedrijven


Art. 53/6.

Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a) :

  beschikt over de nodige actuele vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren werken met betrekking tot de erkenning;  
zorgt ervoor dat een van de volgende voorwaarden vervuld is :
  a) ieder boortoestel wordt bediend door, of de bediening staat onder het directe toezicht van een verantwoordelijke die over minstens drie jaar praktische ervaring beschikt in het uitvoeren van werken in het kader van de erkenning;  
  b) ieder boortoestel wordt bediend door een werknemer die beschikt over een attest dat hij de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg heeft gevolgd; 
  zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, vijfjaarlijks een opleiding met gunstig gevolg volgt. Die opleiding bestaat uit de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, of uit een bijscholing als vermeld in dezelfde bijlage, voor het personeel dat de algemene opleiding al met gunstig gevolg heeft gevolgd; 
  zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte en in goede staat verkerende materieel beschikt dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werken waarvoor de erkenning werd verkregen; 
  zorgt ervoor dat het personeel de nodige notities neemt tijdens de werken in het kader van de erkenning en, in voorkomend geval, een volledig boorverslag als vermeld in bijlage 5.53.1 van titel II van het VLAREM, opstelt;  
  blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
7°  voert alleen werken uit met betrekking tot ingedeelde inrichtingen als de nodige vergunning of aktename daarvoor voorhanden is, meldt de aanvang van de werken, vermeld in artikel 5.53.5.2 en 5.55.1.3, §3, van titel II van het VLAREM voorafgaandelijk aan de bevoegde afdeling en het departement, en houdt zich strikt aan de geldende milieuvoorwaarden;
  houdt een inventaris ter beschikking van de toezichthouders van alle werken die de laatste vijf jaar zijn uitgevoerd, met telkens de unieke code die verkregen is bij de Databank Ondergrond Vlaanderen, een boorverslag en de datum van de vergunning of aktename dan wel een verklaring dat het werken betrof voor een niet-ingedeelde inrichting; 
  bezorgt minimaal tweemaandelijks via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen een inventaris van de werken die de voorbije periode zijn uitgevoerd, waarbij de boorverslagen in het formaat, vastgesteld door de Databank Ondergrond Vlaanderen, digitaal worden bezorgd. 

Art. 53/7.

Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b):

zorgt ervoor dat erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uitgevoerd worden door personeel dat beschikt over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 7°;
bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert dit, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek:
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koelinstallatie waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt:
    1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
    2) het type koelmiddel;
    3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden: de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
    4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koelinstallatie uitgevoerd heeft;
    5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt:
    1) het type koelmiddel;
    2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid; 
    3) de datum van bijvulling of aftapping;
    4) de reden van bijvulling of aftapping; 
    5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
    6) als dat van toepassing is: de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
    7) na elke bijvulling voor een koelinstallatie als vermeld in artikel 5.16.3.3, §5, van titel II van het VLAREM: het relatief lekverlies; 
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden:  
    1) de datum van de lekkagecontrole;
    2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
    3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
  d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
  e) bij een buitendienststelling:  
    1) de datum van de buitendienststelling;
    2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen; 
    3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de koelinstallatie buiten dienst gesteld heeft;
    4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt; 
houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij:
  a) per exploitant en per koelinstallatie: de registraties, vermeld in punt 2°;
  b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier; 
  c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die koelmiddelen;  
gaat na iedere bijvulling na of het maximaal relatief lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, §6, artikel 5bis.15.5.4.5.5, artikel 5bis.19.8.4.8.5 en artikel 6.8.1.2 van titel II van het VLAREM, niet overschreden werd. Als blijkt dat het maximaal relatief lekverlies overschreden is en maatregelen moeten worden getroffen, brengt het koeltechnisch bedrijf ten minste de eigenaar of beheerder schriftelijk op de hoogte van de vastgestelde lekkage en formuleert het een voorstel van te nemen maatregelen;   
toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;   
zorgt ervoor dat de koeltechnicus gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt. Die apparatuur bevat gekalibreerde meetapparatuur en ten minste het materiaal, vermeld in bijlage 21, die bij dit besluit is gevoegd;   
doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;   
doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;   
licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot koelinstallaties;   
10° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.

 

 


Art. 53/8.

Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c):

zorgt ervoor dat de erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uitgevoerd worden door personeel dat beschikt over een erkenning als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 8°;
bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat:
  a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt:
    1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
    2) het type blusmiddel;
    3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden: de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
    4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing uitgevoerd heeft;
    5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
  b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt:
    1) het type blusmiddel;
    2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid; 
    3) de datum van bijvulling of aftapping; 
    4) de reden van bijvulling of aftapping; 
    5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft; 
    6) als dat van toepassing is: de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt; 
  c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden:  
    1) de datum van de lekkagecontrole; 
    2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles; 
    3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft; 
  d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;  
  e) bij een buitendienststelling:  
    1) de datum van de buitendienststelling; 
    2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen; 
    3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft; 
    4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij:   
  a) per exploitant en per brandbeveiligingsapparatuur: de registraties, vermeld in punt 2°;  
  b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
  c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die blusmiddelen;
toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;   
zorgt ervoor dat de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan brandbeveiligingsapparatuur over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt;   
doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;   
doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;   
licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot brandbeveiligingsapparatuur;   
beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.   

Onderafdeling 8.
Gebruikseisen voor keuringsinstellingen


Art. 53/9.

De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8°:

is geaccrediteerd als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, of behaalt die accreditatie binnen een termijn van een jaar, te rekenen vanaf de dag nadat de erkenning verkregen is;
wijst een of meer keurders aan die beschikken over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 7°, van categorie I of die over minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector beschikken;
reikt binnen een maand nadat een bedrijf met goed gevolg gekeurd werd als vermeld in artikel 25/4, 4°, een certificaat uit. Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van het departement. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het departement. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan het departement;
bezorgt maandelijks aan het departement, een overzicht van de bedrijven die met gunstig gevolg gekeurd zijn. Dat overzicht bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 22, die bij dit besluit is gevoegd;
behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door het departement;
moet, als daarom wordt verzocht door het departement, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de keuring bij te wonen;
bewaart de keuringsrapporten minstens vijf jaar.

HOOFDSTUK 9.
Schorsing en opheffing van de erkenning


Art. 54.

§ 1.

De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, kan de erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen in een of meer van de volgende gevallen:

er is niet meer voldaan aan een of meer van de algemene of bijzondere erkenningsvoorwaarden;
een of meer van de algemene of bijzondere gebruikseisen van de erkenning wordt geschonden;
bij een controle worden foutieve resultaten vastgesteld bij de monsternemingen, metingen, beproevingen of analyses.
geen enkele werknemer die geslaagd is voor de ringtest met betrekking tot het pakket voor een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c), of voor de technische proef, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, 8°, die bij dit besluit is gevoegd, werkt nog bij het erkende laboratorium; 
5°  de retributie als vermeld in artikel 54/1, § 2, niet betaald wordt.

 

§ 2.

De bevoegde afdeling brengt de erkende persoon met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de erkenning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen, met vermelding van de redenen, en nodigt hem tegelijkertijd uit zijn verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een hoorzitting.

 

§ 3.

De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, neemt een beslissing over de volledige of gedeeltelijke schorsing of opheffing van de erkenning, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten en meegedeelde verweermiddelen.

 

§ 4.

Als de erkenning volledig of gedeeltelijk wordt geschorst of opgeheven, betekent de bevoegde afdeling de beslissing met een aangetekende brief aan de persoon in kwestie.

 

§ 5.

Als de procedure tot volledige of gedeeltelijke schorsing of opheffing van de erkenning wordt stopgezet, wordt de erkende persoon daarvan op de hoogte gebracht.


HOOFDSTUK 9/1.
Retributie


Art. 54/1.

§ 1.

Voor de behandeling van een aanvraag tot erkenning wordt een retributie geheven, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu wordt gestort, ten laste van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag tot erkenning als vermeld in artikel 6, indient.

 

De bedragen van die retributie worden vastgesteld in bijlage 18, A, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 2.

Voor de uitoefening van het toezicht op de erkenning wordt een retributie geheven, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu wordt gestort, ten laste van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het bezit is van een erkenning als vermeld in artikel 6. Die retributie is op de volgende tijdstippen verschuldigd : 

in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, §2, eerste lid, 1° tot en met 4°, 6° en 7°, of van personen die met toepassing van artikel 32, §1, op basis van een gelijkwaardige titel van rechtswege erkend worden als technicus als vermeld in artikel 6, 2°: een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens vijfjaarlijks, te rekenen vanaf de datum, vermeld op het certificaat, in voorkomend geval bij het volgen van de bijscholing of bij de deelname aan het actualisatie-examen;
  in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, §2, eerste lid, 8° tot en met 11°: een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens uiterlijk op 31 december 2019 en vervolgens vijfjaarlijks;
in alle andere gevallen, dan de gevallen, vermeld in punt 1° en 2°: uiterlijk op 31 december 2014 en vervolgens vijfjaarlijks.

 

De bedragen van die retributie worden vastgesteld in bijlage 18, B, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 3.

De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet voor de volgende categorieën van erkenningen :

1°  de opleidingscentra, vermeld in artikel 6, 4°; 
de laboratoria, vermeld in artikel 6, 5°.
de keuringsinstellingen, vermeld in artikel 6, 8°.

 

 

§ 4.

De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden ook niet in de volgende gevallen :

1°  bij een uitbreiding van de erkenning van een milieudeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, a) en c), in de discipline waarvoor de milieudeskundige erkend is; 
2°  bij een uitbreiding van de erkenning van een MER-deskundige in de discipline waarvoor de MER-deskundige erkend is;
3°  bij de erkenning als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, d), 7); 
4°  bij een uitbreiding van de erkenning van een technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, b), met de module GII.
bij een uitbreiding van de erkenning van een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), met een andere categorie.

 

 

§ 5.

De retributie, vermeld in paragraaf 1, is niet van toepassing op de personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32.

 

§ 6.

In uitzonderlijke gevallen kan het afdelingshoofd van de bevoegde afdeling of diens plaatsvervanger op basis van een gemotiveerde aanvraag beslissen een persoon geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van een verschuldigde retributie, vermeld in paragraaf 2.


Art. 54/2.

§ 1.

De retributiebedragen, vermeld in bijlage 18, A, en 18, B, worden jaarlijks aangepast aan de schommelingen van de gezondheidsindex op basis van de volgende formule :

 

retributiebedrag x het nieuwe indexcijfer / het basisindexcijfer.

 

Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand oktober van het voorgaande jaar, en het basisindexcijfer is de gezondheidsindex van oktober 2010, namelijk 113,46 met het jaar 2004 als basisjaar. De retributiebedragen worden afgerond op een geheel getal.

 

§ 2.

De geïndexeerde retributiebedragen worden jaarlijks gepubliceerd op de website van de bevoegde afdeling, uiterlijk vijftien dagen voorafgaand aan het jaar waarvoor de retributiebedragen gelden.


HOOFDSTUK 10.
Verval van rechtswege van de erkenning


Art. 55.

§ 1.

De erkenning vervalt van rechtswege op de dag dat de erkenninghouder aan de bevoegde afdeling de stopzetting van het gebruik van de erkenning meedeelt.

 

§ 1/1.

De erkenning als laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), voor een deeldomein van een pakket vervalt van rechtswege als het deeldomein niet meer vastgelegd is door de minister.

 

§ 2.

De erkenning van een airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), of een technicus als vermeld in artikel 6, 2°, a) tot en met d), vervalt ook in een van de volgende gevallen :

1°  als hij de bijscholing niet heeft gevolgd; 
2°  als de erkende persoon niet tijdig slaagt voor de proef inzake de bijscholing.

 

In dat geval moet, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, de airco-energiedeskundige of de technicus de bijscholing volgen en slagen voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 6°, respectievelijk artikel 40, eerste lid, 3°.

 

§ 2/1.

De erkenning van een deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, c), d) of e), of een milieucoördinator als vermeld in artikel 6, 3°, a), vervalt ook als hij gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren het totale aantal te volgen uren van de bijscholing niet gevolgd heeft.

 

In dat geval moet hij, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, het resterende aantal nog te volgen uren van de bijscholing volgen.

 

Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 2°, of § 2, 2°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2016, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen.

 

Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 3°, of § 2, 3°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2000, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 2 tot en met 2/1 vervalt de erkenning niet van rechtswege als de bevoegde afdeling beslist, op basis van de door de erkende persoon voor te leggen bewijzen, dat hij om redenen van overmacht niet in staat was de bijscholing te volgen of de proef af te leggen. Als de bevoegde afdeling tot die beslissing komt, zal ze de erkende persoon een nieuwe termijn opleggen waarbinnen die de bijscholing moet volgen of met gunstig gevolg de proef moet afleggen, opdat zijn erkenning niet van rechtswege zou vervallen.

 

§ 3/1.

De erkenning van een bodemsaneringsdeskundige als vermeld in artikel 6, 6°, vervalt van rechtswege in de volgende gevallen :

als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : hij beschikt gedurende een periode van negentig opeenvolgende dagen niet over minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid;
als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : hij beschikt gedurende een periode van negentig opeenvolgende dagen niet over minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid.

 

§ 4.

De bevoegde afdeling brengt de persoon op de hoogte van het verval van rechtswege van zijn erkenning.


HOOFDSTUK 11.
Openbaarheid van informatie


Art. 56.

§ 1.

De bevoegde afdeling publiceert op haar website de voorwaarden, de modaliteiten die moeten zijn vervuld bij de indiening van de erkenningsaanvraag, de procedure en de lijsten van de erkende personen. Op vraag van de erkenninghouder kunnen gegevens van de erkende persoon niet gepubliceerd worden op de website van de bevoegde afdeling.

 

§ 2.

De bevoegde afdeling verschaft op eenvoudig verzoek alle algemene informatie over de procedure tot erkenning en de toepassing van de erkenningsvoorwaarden.


HOOFDSTUK 12.
Bijzondere bepaling over tijdelijke en incidentele uitoefening van diensten


Art. 57.

§ 1.

Dienstverrichters die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een ander gewest in België, en die over een aantoonbare beroepskwalificatie beschikken die in hun lidstaat of gewest toegang geeft tot het uitoefenen van het beroep van technicus, vermeld in artikel 6, 2°, zijn voor de tijdelijke en incidentele uitoefening van dat beroep vrijgesteld van het verkrijgen van een voorafgaande erkenning.

 

§ 2.

De personen, vermeld in paragraaf 1, brengen de bevoegde afdeling door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens over de verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid, vooraf op de hoogte van het feit dat ze de vermelde diensten gaan verrichten in het Vlaamse Gewest. Overeenkomstig artikel 7 van de EU-richtlijn 2005/36/EG worden bij die verklaring van de volgende documenten gevoegd:

een bewijs van de nationaliteit van de dienstverrichter;
een attest dat de houder ervan rechtmatig in een lidstaat gevestigd is om er de werkzaamheden in kwestie uit te oefenen, en dat hem op het moment van afgifte van het attest geen beroepsuitoefeningsverbod is opgelegd, ook niet tijdelijk;
een bewijs van beroepskwalificaties.

HOOFDSTUK 13.
Toezicht, bestuurlijke handhaving en veiligheidsmaatregelen


Art. 58.

Voor dit besluit worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels, vermeld in de hoofdstukken III, IV en VII van titel XVI van het decreet Milieubeleid.


HOOFDSTUK 13/1.
Periodieke evaluatie van erkende technici, deskundigen en bedrijven


Art. 58/1.

§ 1.

Het departement kan een centraal stooktoestel dat door een erkende technicus gekeurd is vóór de eerste ingebruikname, onderhouden is of aan een verwarmingsaudit onderworpen is als vermeld in het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door het departement.

 

Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle attesten van de onderhoudsbeurten en verwarmingsauditrapporten die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.

 

§ 2.

Het departement kan de keuringen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 2°, of de keuringsverslagen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 3°, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door het departement.

 

Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle keuringsverslagen die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.

 

§ 3.

Het departement kan een stookolietank die door een erkende stookolietechnicus gecontroleerd, onderhouden of buiten gebruik gesteld is als vermeld in afdeling 5.17.2, 5.17.3, 6.5.4 en 6.5.5 van titel II van het VLAREM, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door het departement.

 

§ 4.

Het departement, bevoegd voor erkenningen, kan een koelinstallatie of een koeleenheid op koelwagens en koelaanhangwagens die door een erkende koeltechnicus of een erkend koeltechnisch bedrijf geïnstalleerd, onderhouden, gerepareerd of buiten dienst gesteld werd, die door een erkende koeltechnicus gecontroleerd werd op lekkage of waaruit gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden teruggewonnen door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 4.4.8.4, artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, artikel 6.8.1.1 of artikel 6.8.6.1 van titel II van het VLAREM, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door het departement. Bovendien kan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, het gebruik van de erkenning als koeltechnicus of als koeltechnisch bedrijf onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door het departement.


HOOFDSTUK 13/2.
Keuringsinstelling


Art. 58/2.

Om aangewezen te worden als keuringsinstelling, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen :

1°  een rechtspersoon zijn; 
2°  een of meer keurders aanwijzen die aan de volgende voorwaarden voldoen : 
  a) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 1 : een erkenning als technicus vloeibare brandstof, gasvormige brandstof of verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°, 2°, en 3°, bezitten en beschikken over minstens drie jaar praktijkervaring in de verwarmingssector; 
  b) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2 : een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, bezitten; 
  c) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, §3: een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 4°, of een erkenning als milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen als vermeld in artikel 6, 1°, a), bezitten;
  d) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, §4: een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, §2, eerste lid, 7°, van categorie I bezitten en beschikken over minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector;
3°  in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 1, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 1, eerste lid, of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 2, eerste lid, of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, §3, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, §3, of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, §4, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, §4, geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020, hetzij een bewijs leveren dat een aanvraag om die accreditatie te verkrijgen, aanvaard is door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem. 

 

Het departement wijst een keuringsinstelling aan voor een periode van maximaal vier jaar.


HOOFDSTUK 14.
Wijzigingsbepalingen


Afdeling 1.
Wijzigingen in titel II van het VLAREM


Art. 59. In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, worden onder “afvalwatercontroles” in de definitie “referentiemeetmethode” de woorden “Naast de meetmethoden in het compendium kunnen ook andere meetmethoden worden gebruikt die door de afdeling bevoegd voor erkenningen gelijkwaardig zijn verklaard aan het betrokken laboratorium. Als het laboratorium andere analysemethoden wil gebruiken dan opgenomen in het compendium, moet het de gelijkwaardigheid aantonen. De resultaten van het gelijkwaardigheidsonderzoek worden aan de afdeling bevoegd voor erkenningen en de VITO bezorgd. De afdeling bevoegd voor erkenningen beslist na advies van de VITO of de analysemethode al dan niet gelijkwaardig is en deelt de beslissing mee met een aangetekende brief aan het laboratorium.” opgeheven.

Art. 60.

Artikel 1.3.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt:

 

"Art. 1.3.1.1. § 1. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses, als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder:

een milieudeskundige in de discipline grondwater: een laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot het besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van grondwater;
een milieudeskundige in de discipline oppervlaktewater:
a) een laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot dit besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van afvalwater;
b) een laboratorium in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot het besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van oppervlaktewater;
een milieudeskundige in de discipline lucht: een laboratorium in de discipline lucht, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie: een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen: een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu of gevaarlijke stoffen.

 

Niemand mag die monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses uitvoeren zonder daarvoor in het bezit te zijn van een erkenning, in voorkomend geval als vermeld in:

in bijlage 3, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline water;
in bijlage 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline lucht;
in bijlage 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

§ 2. Voor het uitvoeren van akoestische onderzoeken en het opstellen en het begeleiden van saneringsplannen als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt met een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen bedoeld: een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

§ 3. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses als vermeld bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunnings¬voorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen wordt met een milieudeskundige in de disciplines bodem of afval bedoeld: een laboratorium, erkend volgens hoofdstuk VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer.

 

§ 4. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

milieudeskundige in de discipline elektrische installaties: erkend orgaan als vermeld in artikel 275 van het AREI;
milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk: instanties als vermeld in het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen;
milieudeskundige in de discipline recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt, of opgelost gas: erkende externe dienst voor technische controles op de werkplaats als vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 1999 betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats.".

 


Art. 61. In hetzelfde besluit worden afdeling 1.3.2, die bestaat uit artikel 1.3.2.1, 1.3.2.2 en 1.3.2.3, afdeling 1.3.3, die bestaat uit artikel 1.3.3.1 en 1.3.3.2, en bijlage 1.3.2.2 opgeheven.

Art. 62.

In artikel 1.3.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


de woorden "afdeling Meetnetten en Onderzoek" worden vervangen door de woorden "afdeling Lucht, Milieu en Communicatie";

de afkorting "BTX" wordt telkens vervangen door de afkorting "BTEX";

in punt 1° worden de woorden "totaal koolwaterstoffen, bemonstering en analyse zwarte rook volgens de OESO-methode," opgeheven;

in punt 6° worden de woorden "regenmeetnet en meetnet natuurgebieden" vervangen door de woorden "depositienet verzuring".

Art. 63.

Artikel 1.3.4.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 20 november 2009, wordt vervangen door wat volgt:

 

"Art. 1.3.4.3. Als referentiestandaard voor immissiemetingen als vermeld in artikel 1.3.4.1, gelden de ijkbank van de Vlaamse Milieumaatschappij en de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL).".


Art. 64.

In artikel 4.1.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


aan paragraaf 3 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“Als verschillende inrichtingen samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan ze de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze een milieutechnische eenheid vormen.”;

paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
“§4.Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.
Die instemming is echter niet vereist als:

het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;

het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon.”.;

er worden een paragraaf 5 tot en met 11 toegevoegd, die luiden als volgt:
§5.
De aanvraag tot instemming wordt met een aangetekende brief ingediend bij de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. De aanvraag bevat de documenten waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden om als milieucoördinator te kunnen worden aangesteld. De exploitant kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, vragen om gehoord te worden.
§6.
De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, neemt een beslissing over het verzoek tot instemming met de gezamenlijke aanstelling en deelt die beslissing binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag na het verzenden van de aanvraag, mee aan de aanvrager.
§7.
Het verlenen van de instemming houdt in dat is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.1.9.1.4, §2.
§8.
Als de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie te worden toegelaten of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit reglement, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, de instemming schorsen of opheffen.
§9.
De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, brengt de exploitant en de milieucoördinator met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de instemming te schorsen of op te heffen, en van de motieven die daartoe aanleiding geven, en nodigt hen tegelijkertijd uit om hun verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een geplande hoorzitting.
§10.
De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, neemt een beslissing over de schorsing of opheffing van de instemming, rekening houdend met de vervulde formaliteiten en de meegedeelde verweermiddelen.
§11.
Als de instemming wordt geschorst of opgeheven, betekent de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, de beslissing met een aangetekende brief aan de exploitant en de milieucoördinator.
Als de procedure tot schorsing of opheffing van de instemming wordt stopgezet, worden de exploitant en de milieucoördinator daarvan op de hoogte gebracht.”.

Art. 65.

In artikel 4.1.9.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


in paragraaf 2, 2°, wordt punt a) vervangen door wat volgt:
"a)
in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot instemming in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor overtredingen die verband houden met de uitvoering van de taken van de milieucoördinator;

in paragraaf 2, 2°, b), wordt de zinsnede “, niet bezoldigd zijn door het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten, een vereniging van gemeenten of een daaronder ressorterende instelling of bestuur’, vervangen door de zinsnede “: met betrekking tot de erkenning van de milieucoördinator en zijn taken, in de hoedanigheid van ambtenaar, geen adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen;”;

in paragraaf 2, 2°, wordt punt c) vervangen door wat volgt:
"c)
als de milieucoördinator een werknemer is van de exploitant, moet die voor de uitvoering van zijn taken over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid beschikken. De exploitant neemt de kosten van de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor zijn rekening. Als de milieucoördinator geen werknemer is van de exploitant, moet deze over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid beschikken. Aan de eis dat hij over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid, moet beschikken, moet uiterlijk op 1 januari 2012 zijn voldaan;”;

in paragraaf 2, 2°, wordt punt d) vervangen door wat volgt:
"d)
personen die geen werknemer zijn van de exploitant en voor twee of meer inrichtingen als milieucoördinator worden aangesteld die samen geen milieutechnische eenheid vormen, moeten met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu als milieucoördinator zijn erkend.”;

in paragraaf 3 worden 1° en 2° vervangen door wat volgt:
"1°
voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter “A” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat: met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste niveau of een overgangscursus van het tweede naar het eerste niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;”;

voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter “B” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat: ten minste met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.”.

Art. 66. Artikel 4.1.9.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, wordt opgeheven.

Art. 67. In artikel 4.1.9.2.5, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, wordt de zinsnede “zoals bedoeld sub 5 van artikel 4.1.9.2.3.” vervangen door de zinsnede “erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.”.

Art. 68. Bijlage 4.1.9.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt opgeheven.

Art. 69. In artikel 5.2.5.5.2, §1, tweede lid, 4° van hetzelfde besluit worden de woorden "een milieudeskundige erkend in de discipline grondwater of bodem" vervangen door de woorden "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, of in de discipline bodem, deeldomeinen pedologie of geologie, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".

Art. 70. In artikel 5.53.4.1, §2, tweede lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de woorden "met een milieudeskundige, erkend in de discipline grondwater" vervangen door de woorden "met een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".

Art. 71. Artikel 6.5.6.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt opgeheven.

Art. 72.

Artikel 6.5.6.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 6.5.6.3. De erkende stookolietechnicus is een natuurlijke persoon die erkend wordt volgens artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

Alleen de technici die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming "stookolietechnicus, in het bezit van het certificaat van bekwaamheid of bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks” voeren en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen.”.


Art. 73.

Artikel 6.5.6.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 6.5.6.4. De inrichtingen die de opleiding aanbieden, worden erkend met toepassing van artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

Alleen de inrichtingen die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming "erkende inrichting voor het organiseren van de opleiding en het afleveren van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks” dragen en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen.”.


Art. 74. Artikel 6.5.6.5 en 6.5.6.6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden opgeheven.

Afdeling 2.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie


Art. 75.

In artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie worden de volgende wijzigingen aangebracht:


In paragraaf 2 worden de woorden "door een laboratorium erkend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse" vervangen door de woorden "door een laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, erkend voor de analyse van de desbetreffende parameters met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu";

In paragraaf 3, vierde lid worden de woorden "het besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse" vervangen door de woorden "het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".

Art. 76. In artikel 12 van hetzelfde besluit, worden de woorden "laboratorium dat erkend is volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse" vervangen door de woorden "laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, erkend voor de desbetreffende monsternemingen volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".

Art. 77. In bijlage 3 van hetzelfde besluit worden de woorden "volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse" vervangen door de woorden "als laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, voor de analyse van de desbetreffende parameters volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".

Afdeling 3.
Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden


Art. 78. In artikel 9, §4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden worden de woorden "de analyses uitgevoerd worden door een erkend laboratorium dat vermeld wordt op de lijst die opgesteld is door de administratie, bevoegd voor bodembescherming, van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap" vervangen door de woorden "de monsternemingen, analyses en het opstellen van een landbouwkundig advies uitgevoerd worden door een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, erkend voor de desbetreffende monsternemingen en analyses volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu".

Afdeling 4.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater


Art. 79.

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden de definities 26° tot en met 31° vervangen door wat volgt:

"26°erkende technicus vloeibare brandstof: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof;
27°
erkend opleidingscentrum vloeibare brandstof: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof;
28°
erkende technicus gasvormige brandstof: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof;
29°
erkend opleidingscentrum gasvormige brandstof: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof;
30°
erkende technicus verwarmingsaudit: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitvoeren van een verwarmingsaudit;
31°
erkend opleidingscentrum verwarmingsaudit: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de verwarmingsaudit;”.

Art. 80. Hoofdstuk V en VI en bijlage IV, V en VI van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden opgeheven.

Art. 81. In artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden de woorden “hoofdstuk III van bijlage VI” vervangen door de woorden “bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu”.

Art. 82.

Artikel 40 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt:


in paragraaf 1 worden de woorden “die een aanvraag indient met het oog op het verkrijgen van een erkenning overeenkomstig de bepalingen van dit besluit” vervangen door de woorden “die een erkenning wenst te verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu”;

in paragraaf 2 wordt de eerste zin geschrapt;

de paragrafen 3 en 4 worden geschrapt.

Afdeling 5.
Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid


Art. 83.

In artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de woorden “artikel 3.2.3 van het decreet” vervangen door wat volgt:


hoofdstuk IIIbis - Erkenningen van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, voor wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als milieucoördinator en als opleidingscentrum voor milieucoördinatoren, en het gebruik van die erkenningen;

hoofdstuk II - Milieucoördinatoren als vermeld titel III van het decreet.”.

Art. 84. In artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van 30 april en 4 september 2009, worden de woorden “de opleiding, de beroepservaring, de overige voorwaarden en verplichtingen waaraan de erkenninghouder moet voldoen” vervangen door de woorden “de verplichtingen inzake erkenning van personen en het gebruik van de erkenning, met uitzondering van de verplichtingen, vermeld in artikel 22.”.

Art. 85.

Bijlage IV, V, VI en de regel met de woorden “artikel 1.3.3.1, 3°” en de woorden “De erkende milieudeskundige moet verder over een kwaliteitshandboek beschikken” van bijlage VII van hetzelfde besluit worden opgeheven.

 

De regels met de volgende woorden van bijlage IX van hetzelfde besluit worden opgeheven:

19, derde zin

De technicus is ertoe gehouden binnen de 14 kalenderdagen na datum van de beslissing tot intrekking van de erkenning het origineel van zijn erkenningsbewijs ervan aan de afdeling te bezorgen.

20, § 1

Verplichtingen van een erkende technicus

§ 1. De erkende technicus verstrekt aan de afdeling of aan de toezichthoudende ambtenaar alle inlichtingen en documenten die gevraagd worden, en toont het materiaal dat hij gebruikt bij het uitvoeren van de keuring, de onderhoudsbeurt of de verwarmingsaudit.

20, § 2

Verplichtingen van een erkende technicus

§ 2. De erkende technicus stelt de afdeling binnen een maand per aangetekend schrijven in kennis van elke wijziging in de gegevens die verband houden met zijn erkenning.

21, § 1, tweede zin

Het certificaat wordt opgemaakt volgens het model in bijlage V bij dit besluit.

27, § 1

Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum

§ 1. Het erkende opleidingscentrum meldt tijdens de erkenningsperiode zonder verwijl elke wijziging in de gegevens die tot de erkenning geleid hebben aan de afdeling.

27, § 2

Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum

§ 2. Het erkende opleidingscentrum licht de afdeling vooraf en tijdig in over de geplande lessen en examens.

27, § 3

Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum

§ 3. Het erkende opleidingscentrum deelt de afdeling al de inlichtingen mee en stelt aan de afdeling alle documenten ter beschikking waar ze om vraagt.


Art. 86. Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage XXII toegevoegd, die als bijlage 11 bij dit besluit is gevoegd.

HOOFDSTUK 15.
Slotbepalingen


Afdeling 1.
Opheffingsbepalingen


Art. 87.

De volgende regelingen worden opgeheven:


het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 april 1977 en de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 en 29 mei 2009;

het besluit van de Vlaamse Regering van 22 maart 1984 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 januari 1992, 29 juni 1994 en 29 mei 2009;

het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 april 1994, 25 januari 1995, 24 mei 1995, 4 februari 1997, 10 maart 1998, 23 april 2004, 10 december 2004, 7 maart 2008 en 4 december 2009;

het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieueffectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995, 4 februari 1997, 10 maart 1998, 10 december 2004, 7 maart 2008 en 4 december 2009;

het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 april 2004 en 7 maart 2008.

Afdeling 2.
Overgangsbepalingen


Art. 88. Overeenkomstig artikel 13, eerste lid van het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, worden de aanvragen tot erkenning die werden ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, behandeld overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend. De erkenningen worden verleend of geweigerd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 89.

§ 1.

Overeenkomstig artikel 14, §1 van het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, blijven de erkenningen die werden of worden verleend op grond van de bepalingen die van toepassing zijn voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, geldig voor de vastgestelde duur van de erkenning. Erkenningen die voor een onbepaalde erkenningstermijn werden verleend, blijven voor de toekomst hun geldigheid behouden.

 

§ 2.

De regeling, vermeld in paragraaf 1, laat de bepalingen van hoofdstuk 9 en 10 onverkort van toepassing.


Art. 90. In afwijking van respectievelijk artikel 9, 2°, en artikel 10, 2°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon respectievelijk als milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en de discipline bodemcorrosie worden erkend als hij op het vlak van toepasbare materie over een praktijkervaring van minstens vijf jaar beschikt.

Art. 91.

§ 1.

In afwijking van artikel 11, 3°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon die de onderwerpen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen in de van toepassing zijnde deeldomeinen worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft met de uitvoering van opdrachten in het kader van de erkenning.

 

In afwijking van artikel 11, 3°, moet die milieudeskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 1°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning.

 

§ 2.

De lichamen, erkend met toepassing van het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, zijn binnen de perken van hun erkenning erkend binnen het deeldomein geluid voor het beproeven en controleren van apparaten en inrichtingen die lawaai kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om het lawaai te dempen, op te slorpen, te meten of de hinder ervan te verhelpen. Die erkenning geldt niet voor het opstellen en begeleiden van saneringsplannen als vermeld bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM.


Art. 92.

In afwijking van artikel 12, §1, 3°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een persoon die de onderwerpen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als MER-deskundige in de van toepassing zijnde disciplines en deeldomeinen worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft met het opstellen van milieueffectstudies.

 

In afwijking van artikel 12, § 1, 3°, moet die MER-deskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 2° of 3°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning.


Art. 93.

In afwijking van artikel 13, 3°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon die de onderwerpen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als VR-deskundige worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft met de uitvoering van opdrachten in het kader van de erkenning.

 

In afwijking van artikel 13, 3°, moet die VR-deskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 4°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning.


Art. 94. In afwijking van artikel 18, §1, 2°, en §2, 2°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon als milieucoördinator worden erkend als hij op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg over een praktijkervaring van minstens vijf jaar respectievelijk minstens drie jaar beschikt.

Art. 95. De diploma’s, getuigschriften en attesten die werden afgeleverd of nog zullen worden afgeleverd op grond van een erkenning, verleend met toepassing van de voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit geldende regelgeving, zijn binnen de voorwaarden waaronder ze werden afgeleverd, geldig voor de toekomst en gelijkwaardig aan die welke door de krachtens dit besluit erkende personen worden afgeleverd.

Art. 96. Overeenkomstig artikel 13, tweede lid van het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, worden de aanvragen tot instemming met de gezamenlijke aanstelling als milieucoördinator die werden ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, behandeld overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend.Die instemmingen worden verleend of geweigerd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 97. Overeenkomstig artikel 14, §2 van het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, blijven de instemmingen die werden of worden verleend met toepassing van de bepalingen die gelden voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, geldig als de milieucoördinator niet is erkend. Als de milieucoördinator erkend is, geldt de instemming als de melding, vermeld in artikel 4.1.9.1.1, §4, 1°, van titel II van het VLAREM.

Art. 98. De toegangsvoorwaarden voor de cursussen aanvullende vorming voor milieucoördinatoren zijn die welke van kracht waren op de datum van de inschrijving van de cursisten. Als het een cursus betreft die retroactief werd erkend met toepassing van het tot voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit bestaande artikel 4.1.9.1.6, §6, van titel I van het VLAREM, gelden de toegangsvoorwaarden die op de datum van die erkenning van toepassing waren.

Art. 99. Als voor het gebruik van een bepaalde erkenning tot de datum van de inwerkingtreding van dit besluit geen verzekering of een verzekering met beperktere waarborg was vereist, wordt in afwijking van artikel 34, §3, aan die gebruikseis uiterlijk voldaan binnen een termijn van een jaar na die datum.

Art. 100. Het erkende laboratorium in de discipline water, in de discipline lucht of in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming voldoet uiterlijk twee jaar na de datum van de inwerkingtreding van dit besluit aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 25, eerste lid, 3°.

Art. 100/1. Het erkende laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, in de discipline bodem, deeldomein bemesting, in de discipline mest of in de discipline diervoeder voldoet uiterlijk op 1 juli 2014 aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 25, eerste lid, 3°.

Art. 100/2. In afwachting van de goedkeuring door de minister van het BAM ter uitvoering van artikel 4, § 1, 20°, van dit besluit, geldt als BAM het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, dat als bijlage 2 is gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011 betreffende de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet.

Art. 101. Een milieudeskundige in de discipline oppervlaktewater en grondwater, erkend volgens titel II van het VLAREM, of een laboratorium voor wateranalyse, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse kan een nieuwe aanvraag tot erkenning indienen met het oog op de aanpassing van de pakketten overeenkomstig de pakketten, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd, en de deeldomeinen, vermeld in artikel 6, 5°, a).

Art. 102. Een milieudeskundige in de discipline lucht, erkend volgens titel II van het VLAREM kan een nieuwe aanvraag tot erkenning indienen met het oog op de aanpassing van de pakketten overeenkomstig de pakketten, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 103.

§ 1.

Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline monumenten en landschappen en materiële goederen in het algemeen of in de discipline onroerend erfgoed en materiële goederen in het algemeen, is met toepassing van dit besluit erkend in de discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie waarbij de erkenning voor de deeldomeinen cultureel erfgoed en materiële goederen in het algemeen nu geldt als erkenning voor de deeldomeinen bouwkundig erfgoed en archeologie en de erkenning voor het deeldomein onroerend erfgoed nu geldt als erkenning voor het deeldomein bouwkundig erfgoed.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater.

 

§ 4.

Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline lucht is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline lucht, deeldomeinen geur en luchtverontreiniging.

 

§ 4/1.

Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline geluid en trillingen, is met toepassing van dit besluit erkend als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen voor de deeldomeinen geluid en trillingen.

 

§ 5.

Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline oppervlakte- en grondwater of een laboratorium voor wateranalyse, dat op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse, is met toepassing van dit besluit erkend als een laboratorium in de discipline water, deeldomeinen afvalwater, oppervlaktewater, grondwater en drinkwater.

 

§ 6.

Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline lucht is met toepassing van dit besluit erkend als een laboratorium in de discipline lucht.

 

§ 7.

Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, is met toepassing van dit besluit erkend als een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming.

 

§ 8.

Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline geluid en trillingen, is met toepassing van dit besluit erkend als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen voor de deeldomeinen geluid en trillingen.

 

§ 9.

Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is voor de code 1), a, mag met toepassing van dit besluit ook geluidsplannen als vermeld in artikel 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b), van titel II van het VLAREM, opmaken.

 

§ 10.

Een deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is als deskundige voor het opstellen van omgevingsveiligheidsrapporten, is met toepassing van dit besluit erkend als VR-deskundige voor het opstellen van omgevings- en ruimtelijke veiligheidsrapporten.


Art. 103/1.

In afwijking van artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, wordt tot uiterlijk 1 januari 2016 een persoon die minstens aan een van de volgende voorwaarden voldoet, beschouwd als een erkende airco-energiedeskundige :

1°  een certificaat als vermeld in artikel 14, § 1, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, behaald hebben; 
een bachelor in de elektromechanica, afstudeerrichting klimatisering behaald hebben; 
3°  een diploma van het secundair onderwijs in koel- en warmtetechnieken, industriële koeltechnieken of koeltechnische installaties behaald hebben;
een van de volgende getuigschriften behaald hebben die erkend zijn door de Vlaamse overheid : 
  a) een getuigschrift van technicus klimaatbeheersing - airconditioning; 
  b) een getuigschrift van installateur airco- en warmtepompen;
  c) een getuigschrift van koeltechnicus;
  d) een modulegetuigschrift airco; 
in het volwassenenonderwijs het diploma van koeltechnicus, het certificaat van aircotechnicus of het certificaat van koeltechnicus behaald hebben;
onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en in het bezit zijn van de kwalificatie of erkenning die in het andere gewest of in de andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte verplicht is voor de keuring van airconditioningsystemen als vermeld in artikel 15 van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking); 
minstens drie jaar aantoonbare ervaring hebben in onderhoud en afregelaspecten van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW. 

 

De persoon is vrijgesteld van de retributie, vermeld in artikel 34, § 9.


Art. 103/2. De personen aan wie de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, in het kader van artikel 36, 6°, van het VLAREBO handtekeningsbevoegdheid heeft verleend voor de vereiste grondige kennis van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en voor de vereiste drie jaar ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, krijgen van rechtswege uiterlijk tot 31 december 2017 de handtekeningsbevoegdheid, vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid, van dit besluit, met behoud van de toepassing van artikel 53/4, § 3, van dit besluit.

Art. 103/3. De personen aan wie de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, in het kader van artikel 36, 6°, van het VLAREBO handtekeningsbevoegdheid heeft verleend voor de vereiste vijf jaar ervaring in het leiden van de bodemsanering en voor de vereiste drie jaar ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, krijgen van rechtswege uiterlijk tot 31 december 2017 de handtekeningsbevoegdheid, vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid, van dit besluit, met behoud van de toepassing van artikel 53/4, § 3, van dit besluit.

Art. 103/4. Een MER-deskundige die op de datum van 23 februari 2017 erkend is in de discipline fauna en flora, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline biodiversiteit.

Art. 103/5.

§ 1.

De bestaande erkenningen voor MER-deskundigen op grond van artikel 6, 1°, d), 6), van dit besluit houden op uitwerking te hebben vanaf zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad.

 

§ 2.

Een MER-deskundige die zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad erkend is in zowel de discipline mens, deeldomein toxicologie, als de discipline mens, deeldomein psychosomatische aspecten, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline mens, deeldomein gezondheid.

 

Een MER-deskundige die zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad erkend is in ofwel de discipline mens, deeldomein toxicologie, ofwel de discipline mens, deeldomein psychosomatische aspecten, kan in afwijking van artikel 12, § 1, 2° en 3°, op basis van een aanvraag die ingediend is vóór die datum, erkend worden als MER-deskundige in de discipline mens, deeldomein gezondheid, op voorwaarde dat hij met gunstig gevolg een opleiding genoten heeft van minstens dertig uur over respectievelijk psychosomatische aspecten en toxicologie of minstens vijf jaar praktische ervaring heeft met het meewerken aan het opstellen van milieueffectstudies over respectievelijk psychosomatische aspecten en toxicologie. De bestaande erkenning als MER-deskundige in de discipline mens voor respectievelijk het deeldomein toxicologie en het deeldomein psychosomatische aspecten houdt op uitwerking te hebben vanaf zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad.


Art. 104. Het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, treedt in werking op 1 januari 2011, behalve artikel 9.

Art. 105. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2011[...].

Art. 106. Dit besluit wordt aangehaald als het VLAREL.

Art. 107. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlagen.


Bijlage 1. Vereisten voor de erkenning als opleidingscentrum voor technici

Hoofdstuk1. Lijst van de technische toestellen en de didactische uitrusting

Afdeling 1. Voor een opleidingscentrum vloeibare brandstof

 

Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b), heeft in zijn werkplaats minstens de volgende toestellen, apparaten en didactische hulpmiddelen:

operationele stookketel-brandercombinaties, representatief voor de markt, die voldoende variatie bieden en de volgende kenmerken hebben:
a) verschillende merken en types;
b) verschillende bouwjaren;
c) verschillende stookketelvermogens en branderdebieten;
d) branders met en zonder olievoorverwarming;
e) mogelijkheid tot regeling van de trek in de schoorsteen;
f) mogelijkheid tot voeding van de brander via een eenpijps- en een tweepijpssysteem, en met verschillende soorten vloeibare brandstof.
Het aantal combinaties is in overeenstemming met het aantal leerlingen, op voorwaarde dat per groep van drie leerlingen die tegelijkertijd de opleiding beginnen, er minstens één combinatie is;
didactische panelen regeltechniek, met inbegrip van een weersafhankelijke regeling;
een didactisch paneel simulatie branderwerking;
een testbank voor sproeiers, met mogelijkheid tot het verwisselen van de sproeier en het regelen van de oliedruk;
een testbank voor transformatoren en ontsteking;
een testbank voor pompen;
een simulatiepaneel of de didactische uitvoering van een volledige centraleverwarmingsinstallatie met stookketel/brander, aquastaat, voorziening voor sanitair warm water, ruimteverwarming, kamerthermostaat, buitenvoeler, drie- en/of vierwegmengkraan;
doorsneden van stookketels en branders;
doorsneden van pompen;
10° doorsneden van sproeiers;
11° didactische panelen kachelonderdelen (onder meer olieniveauregelaar);
12° minstens één elektronische rookgasontleder per drie cursisten;
13° een voldoende aantal klassieke meetkoffers.

 

Afdeling 2. Voor een opleidingscentrum gasvormige brandstof

 

Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c), heeft in zijn werkplaats minstens de volgende toestellen, apparaten en didactische hulpmiddelen:

een voor de huidige markt representatieve verzameling van gastoestellen:
a) een atmosferische vloerketel met thermokoppel;
b) een atmosferische vloerketel met ionisatiebeveiliging;
c) een atmosferische wandketel met thermokoppel;
d) een atmosferische wandketel met ionisatiebeveiliging;
e) een gasunit;
f) enkele gasketels met ventilatorbrander (module GII): eentraps, tweetraps glijdend;
didactische panelen regeltechniek, met inbegrip van een weersafhankelijke regeling;
een didactisch paneel branderwerking;
een didactisch paneel onderdelen gasstraat;
onderdelen gasstraat;
meetapparatuur voor controle van de verbranding: minstens één elektronisch rookgasanalysetoestel per drie cursisten;
meetapparatuur voor drukmetingen: gasmanometers;
apparatuur voor controle van de gaslekdichtheid;
een simulatiepaneel of de didactische uitvoering van een volledige centraleverwarmingsinstallatie met stookketel/brander, aquastaat, voorziening voor sanitair warm water, ruimteverwarming, kamerthermostaat, buitenvoeler, vierwegmengkraan;
10° doorsneden van stookketels en branders.

 

Afdeling 3. Voor een opleidingscentrum verwarmingsaudit (installaties met totaal geïnstalleerd nominaal vermogen groter dan 100 kW, installaties, gevoed met vaste brandstof, of installaties die bestaan uit verschillende ketels)

 

Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d), heeft in zijn werkplaats minstens, naargelang de opleiding, hetzij de uitrusting beschreven in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 1 (vloeibare brandstof), hetzij die in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 2 (gasvormige brandstof).

 

Verder beschikt de opleidingsinstelling over de software die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de verwarmingsaudit.

 

 

Afdeling 4. Voor een opleidingscentrum inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks

 

Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e), heeft in zijn werkplaats minstens de volgende toestellen, apparaten en didactische hulpmiddelen, representatief voor de markt:

minstens één bovengrondse, goedgekeurde (metalen) dubbelwandige tank op ware grootte waarop alle toebehoren aanwezig zijn, met mogelijkheid tot leksimulatie, voor de uitvoering van praktische proeven (onder andere werking overvulbeveiliging - dichtheidsbeproeving - lekdetectie - peilmeting);
een doorsnede op ware grootte van een (dubbelwandige) tank met mangat, met alle toebehoren erop gemonteerd;
een didactische tank voor simulatiedoeleinden;
een polyethyleentank (PE), GTK-tank enzovoort;
verschillende systemen voor overvulbeveiliging (waarschuwingssysteem en beveiligingssysteem (bijvoorbeeld. alarmfluitje, elektronische sonde, maximelder)
allerlei materiaal, nodig voor het uitvoeren van praktische oefeningen (bijvoorbeeld afpersen, monstername water en slib, ultrasone lekdetectie, kathodische beschermingsmethoden);
peilmeters;
referentie-elektrode, millivoltmeter, anode;
stalen van constructiematerialen;
10° pH-meter, elektrische geleidbaarheidsmeter;
11° allerlei didactisch materiaal;
12° demo-opstelling van een kathodische bescherming (galvanische anoden of opgedrukte stroom);
13° documentatiemateriaal over tanks en toebehoren.

 

[...]

Hoofdstuk2. Lijst met minimumgegevens voor het certificaat van bekwaamheid, en de puntenlijst en de cursistenlijst van het examen tot het behalen van het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof, inzake gasvormige brandstof, inzake de verwarmingsaudit of inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks

[...]

Hoofdstuk3. Opleidingsprogramma's

Afdeling 1 - Opleiding vloeibare brandstof: minimumprogramma van de algemene opleiding en van de bijscholing

 

Onderafdeling 1 - Het programma van de technische opleiding vloeibare brandstof

 

De technische opleiding vloeibare brandstof omvat 24 uur theorie en 44 uur praktijk met betrekking tot de centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, waarbij het totale aantal te besteden lesuren als richtwaarde geldt.

Het programma omvat minstens de volgende leerstof:

de kenmerken van de stookoliën;
toegepaste elektriciteit voor verwarmingstechnieken;
de technologie en de uitrusting van stookketels;
de verschillende types van oliebranders;
de onderdelen van een oliebrander;
de compatibiliteit stookketel-brander;
de regelings- en de veiligheidsapparatuur;
de afstelling van de  oliebrander;
de reparatie en het ontstoren van stookketels, branders;
10° het reinigen van stookketels en branders;
11° de verbranding van stookolie;
12° de warmtetransmissie;
13° de verbrandingscontrole;
14° de schoorsteen;
15° het nazicht en het vegen van de schoorsteen;
16° de inrichting en de verluchting van het stooklokaal;
17° de werking, het gebruik, de controle en het onderhoud van de meetapparatuur, vereist voor het uitvoeren van de controleproeven met betrekking tot de goede werking;
18° de rol van de erkende technicus vloeibare brandstof;
19° het invullen van het reinigingsattest en het verbrandingsattest;
20° het opmaken/invullen van een keuringsrapport;
21° de reglementering over het opslaan van de brandstof;
22° elementen van rationeel energiegebruik en energiebesparing bij verwarming met vloeibare brandstof;
23° milieuaspecten, verbonden aan verwarming met vloeibare brandstof;
24° het uitvoeren van de verwarmingsaudit:
a) bepalen van verbrandingsrendement, waterzijdig rendement, keteljaarrendement;
b) energiebesparende maatregelen;
c) het correct hanteren en invullen van het rekeninstrument, vermeld in artikel 14, van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen en het verwarmingsauditrapport;
d) bestaande steunmaatregelen van de overheid of derden met het oog op de vervanging van oudere, slechtwerkende toestellen en energieverspillende installaties door energiezuinigere en CO2-vriendelijkere verwarming.
25° de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen : wat is asbest, de gezondheidsrisico’s van asbest, het voorkomen in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, hoe herkennen, wat te doen bij aantreffen, de noodzaak van bewerken en afbraak van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, persoonlijke beschermingsmiddelen en nuttige websites met betrekking tot asbest.

 

Onderafdeling 2 - Programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake vloeibare brandstof centrale verwarming

 

Het programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake vloeibare brandstof centrale verwarming (minstens 2 uur) omvat:

de relevante wetgeving over de bestrijding van de luchtverontreiniging die veroorzaakt wordt door centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater;
de overzichtslijst van de meest gangbare termen en begrippen met betrekking tot de ketel/branderinstallaties, die de taakuitvoering en de dienstverlening van de technicus aan de klant ten goede zullen komen.

 

Onderafdeling 3 - Programma van de bijscholing vloeibare brandstof centrale verwarming

 

Het programma van de bijscholing vloeibare brandstof bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten met betrekking tot het verwarmen met een centrale verwarming, gevoegd met vloeibare brandstof: de eigenschappen van de brandstof, de verbranding van de brandstof, het rendement, de verbrandingscontrole en het onderhoud, het afstellen van een brander en het belang van een goede afstelling, de meetprocedures en de meetapparatuur (controleproeven met betrekking tot de goede staat van werking), de vigerende wetgeving, de rol van een erkende technicus vloeibare brandstof en het invullen van de verschillende attesten. Verder wordt ingegaan op de nieuwste technologische ontwikkelingen op het vlak van de ketels en branders, de regelingen en de meetapparatuur. Daarnaast wordt informatie verstrekt over bestaande steunmaatregelen door de overheid of derden met het oog op de vervanging van oudere, slechtwerkende toestellen en energieverspillende installaties door energiezuinigere en CO2-vriendelijkere verwarming. Die bijscholing duurt minstens 8 uur, proeven inbegrepen.

 

 

Afdeling 2 - Opleiding gasvormige brandstof: minimumprogramma van de

algemene opleiding en van de bijscholing

 

 

Onderafdeling 1 - Inleiding

 

De opleiding van een technicus gasvormige brandstof wordt modulair georganiseerd. Ze bestaat uit twee modules: een module GI en uitbreidingsmodule GII. Elke module heeft betrekking op een categorie van gastoestellen. Er kan pas deelgenomen worden aan het examen over module GII nadat module GI met vrucht is afgerond en nadat de persoon geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit.

Daardoor worden twee niveaus van technici gasvormige brandstof gecreëerd:

technicus niveau GI met certificaat niveau GI: onderhoud en nazicht van gastoestellen aangesloten als type B en C;
technicus niveau GII met certificaat niveau GII: onderhoud en nazicht van gastoestellen aangesloten als type B of type C en gasketels met ventilatorbrander.

 

Onderafdeling 2 - Programma van de technische opleiding gasvormige brandstof, module GI

 

De technische opleiding gasvormige brandstof, module GI, omvat 96 uur met betrekking tot gastoestellen aangesloten als type B of type C, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren per programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) :

inleiding – doelstelling;
eenheden, grootheden en symbolen (4 uur):
a) druk, temperatuur, dichtheid, debiet;
b) k.o.w., k.b.w., verbrandingswaarde;
c) wobbe-index;
d) dauwpunt, kookpunt;
e) dampspanning;
reglementering (5 uur):
a) Europese normen;
b) Belgische normen (NBN D51-003, NBN B61-001 en PR NBN B61-002);
c) rol van de erkende technicus gasvormige brandstof niveau GI;
d) veiligheidsvoorschriften;
technologie (34 uur):
a) kennis van de gassoorten;
b) de verbranding van gas – verbrandingsproducten – milieubelastende rookgassen;
c) het verbrandingsrendement;
d) bouw en werking van atmosferische gastoestellen;
e) bouw en werking van gasunits; 
f) branderautomaten;
g) gas- en luchtdrukmetingen;
h) verhoudingsregelaar gas/lucht;
inrichting van de stookplaats: 8 uur:
a) verluchting van de stookplaats;
b) afvoer van de rookgassen.
c) de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen : wat is asbest, de gezondheidsrisico’s van asbest, het voorkomen in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, hoe herkennen, wat te doen bij aantreffen, de noodzaak van bewerken en afbraak van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, persoonlijke beschermingsmiddelen en nuttige websites met betrekking tot asbest;
toestelleer (6 uur):
a) toegestane materialen;
b) toegestane gassen;
c) dichtheid van een gastoestel;
d) aflezen van het gasdebiet;
e) meten van de gasdruk;
regelingen (4 uur):
a) thermostaten;
b) ketelapparatuur;
c) thermische terugslagbeveiliging;
d) atmosferische beveiliging;
e) ionisatiebeveiliging;
f) pressostaten;
toegepaste elektriciteit (8 uur):
a) opzoeken van fouten;
b) lezen van een elektrisch schema;
c) meten van een spanning;
d) meten van een weerstand;
onderhoud, nazicht en ontstoring van het gastoestel (11 uur):
a) onderhoud en nazicht van de brander en de warmtewisselaar;
b) onderhoud en nazicht van de onderdelen;
c) opsporen en verhelpen van storingen;
d) controle van het toestel na onderhoud en ontstoring;
e) uitvoeren van de controleproeven;
f) het verbrandingsrendement;
g) invullen van de verschillende attesten;
10° a) het verbrandingsrendement;
b) het waterzijdig rendement;
c) het keteljaarrendement;
d) energiebesparende maatregelen;
e) het correct hanteren en invullen van het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van centrale stooktoestellen en het verwarmingsauditrapport;
f) bestaande steunmaatregelen van de overheid of derden met het oog op de vervanging van oudere, slechtwerkende toestellen en energieverspillende installaties door energiezuinigere en CO2-vriendelijkere verwarming.

 

[...]

 

[...]

 

Onderafdeling 4 - Programma van de technische opleiding gasvormige brandstof, module GII

 

De technische opleiding gasvormige brandstof, module GII, omvat 56 uur met betrekking tot gasketels met ventilatorbrander, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren als programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) :

technologie (14 uur):
a) aangeblazen gasbranders: bouw, werking;
b) gaskleppen;
c) eentrapsbranders, tweetrapsbranders, modulerende branders;
d) servo motoren;
branderautomaten en toegepaste elektriciteit (14 uur):
a) ionisatiebeveiliging;
b) UV-beveiliging;
c) bescherming van de fasen;
d) aarding;
gasverbranding (8 uur):
a) techniek van de gasverbranding;
b) low NOx-techniek;
c) CO-vorming;
onderhoud, nazicht en ontstoring van het gastoestel (19 uur):
a) onderhoud en nazicht van de verschillende onderdelen;
b) opsporen en verhelpen van storingen;
c) afstellen van de brander;
d) bepaling van het gasdebiet;
e) meten van de druk;
f) controle van het toestel na onderhoud en ontstoring;
g) controle van de veiligheden;
h) uitvoeren van de controleproeven;
i) bepaling van het verbrandingsrendement;
j) meten van de trek;
k) meten van de luchttoevoer;
l) invullen van de verschillende attesten;
reglementering (1 uur):
a) rol van de erkende technicus gasvormige brandstof niveau GII.

 

[...]

 

 

Onderafdeling 5 - Programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake gasvormige brandstof

 

Het programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake gasvormige brandstof centrale verwarming (minstens 2 uur) omvat:

de relevante wetgeving over de bestrijding van de luchtverontreiniging die veroorzaakt wordt door centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater;
de overzichtslijst van de meest gangbare termen en begrippen met betrekking tot de ketel/branderinstallaties, die de taakuitvoering en de dienstverlening van de technicus aan de klant ten goede zullen komen.

 

 

Onderafdeling 6 - Programma van de bijscholing gasvormige brandstof

 

Het programma van de bijscholing bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten van de verwarming met gasvormige brandstof: de eigenschappen van de gassen, de verbranding van gas, het onderhoud en het nazicht van de centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, het uitvoeren van de controleproeven met betrekking tot de goede staat van werking, de meetprocedures en de meetapparatuur, de vigerende wetgeving, de rol van een erkende technicus gasvormige brandstof en het invullen van de verschillende attesten. Verder wordt ingegaan op de nieuwste technologische ontwikkelingen op het vlak van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, de regelingen en de meetapparatuur. Daarnaast wordt informatie verstrekt over bestaande steunmaatregelen door de overheid of derden met het oog op de vervanging van oudere, slechtwerkende toestellen en energieverspillende installaties door energiezuinigere en CO2-vriendelijkere verwarming. Het programma van de bijscholing omvat voor de erkende technicus gasvormige brandstof niveau GI minstens 6 uur opleiding, gevolgd door proeven, en voor de erkende technicus niveau GI+GII minstens 8 uur opleiding, gevolgd door de proeven.

 

 

[...]

 

Afdeling 4 - Opleiding technicus verwarmingsaudit (installaties met totaal geïnstalleerd nominaal vermogen groter dan 100 kW, installaties gevoed met vaste brandstof of installaties bestaande uit meerdere ketels): minimumprogramma van de algemene opleiding en van de bijscholing

 

 

Onderafdeling 1 - Het programma van de technische opleiding verwarmingsaudit

 

De technische opleiding verwarmingsaudit (installaties met totaal geïnstalleerd nominaal vermogen groter dan 100 kW, of installaties bestaande uit meerdere ketels) omvat minstens 24 uur (theorielessen en praktijk). Het programma omvat minstens de volgende leerstof:

de reglementering;
de inhoud van de software;
de componenten van een cv-installatie:
a) de productie-eenheden;
b) de hydraulica;
c) de productie van sanitair warm water;
d) de regelingen;
e) de algemene componenten;
f) de verluchting van stookplaatsen;
g) de isolatie van leidingen;
de componenten in een gebouw: de ventilatie en invloed op de verluchting van de stookplaats;
de premies en fiscale maatregelen;
het bezoek aan stookplaats;
oefeningen.

 

Onderafdeling 2 – Het programma van de bijscholing inzake de verwarmingsaudit

 

§ 1. Het programma van de technische bijscholing inzake de verwarmingsaudit (installaties met totaal geïnstalleerd nominaal vermogen groter dan 100 kW, of installaties bestaande uit meerdere ketels) omvat minstens 8 uur (theorielessen en praktijk). Het programma bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten van de verwarmingsaudit:

de reglementering;  
de inhoud en het correct gebruik van de software;  
het energieverbruik;  
de componenten van een cv-installatie, de algemene technische en regeltechnische kennis, met minstens:  
  a) de productie-eenheden; 
  b) de hydraulica; 
  c) de productie van sanitair warm water; 
  d) de regelingen; 
  e) de algemene componenten; 
  f) de verluchting van stookplaatsen; 
  g) de isolatie van leidingen; 
de componenten in een gebouw: de ventilatie en invloed op de verluchting van de stookplaats;  
de interpretatie van de resultaten en de formulering van adviezen.  


§ 2. De bijscholing inzake de verwarmingsaudit wordt gevolgd door proeven, die bestaan uit:

een schriftelijke proef waarbij de theoretische kennis van de technicus wordt getoetst aan de hand van meerkeuzevragen;
een mondelinge proef waarbij de technicus een zelf uitgevoerde, reële verwarmingsaudit verdedigt.


De proeven duren maximaal 4 uur.


[...]

 

 

[...]

 

Afdeling 5 - Opleiding stookolietechnicus: minimumprogramma van de algemene opleiding en van de bijscholing

 

 

Onderafdeling 1 - Het programma van de technische opleiding stookolietechnicus

 

De technische opleiding stookolietechnicus omvat minstens 14 uur theorielessen en minstens 10 uur praktijk. Het programma omvat minstens de volgende leerstof:

kenmerken, classificering en eigenschappen van stookoliën:
a) viscositeit, stolpunt, densiteit, vlampunt, enzovoort;
b) impact van stookolie op een tank;
codes van goede praktijk en de regels van goed vakmanschap in verband met de bouw, het transport en de plaatsing van opslaginstallaties voor brandstof (inkuipingen inbegrepen):
a) bouw van stookolietanks:
1) materialen (metaal, gewapende thermohardende kunststof, andere), met inbegrip van de brandweerstand en de weerstand tegen de inwerking van stookolie;
2) enkelwandige, dubbelwandige opslaghouders;
3) prototypekeuring en stukkeuring;
b) types en materialen en manieren van opslag van een installatie:
1) het plaatsen van de stookolietank (codes van goede praktijk) en de wijze van opslag;
2) metaal, kunststof (thermohardend, thermoplastisch, GTK, PE, ...);
3) prefab betonnen tanks;
4) afstandsregels;
5) rechtstreeks ingegraven tanks;
6) inkuiping;
7) groeve (+ vulmaterialen);
8) aanvulmaterialen;
9) controle bij de plaatsing;
c) toebehoren bij de houder:
1) vulleiding, ontluchtingsleiding;
2) aanzuigleiding, terugloopleiding;
3) overvulbeveiligingssystemen en -technieken (fluitje, elektronisch, maximelders, ...);
4) peilmeting;
5) inhoudsbepaling van de houder;
d) transport van een stookolietank :
1) elementaire begrippen;
2) codes van goede praktijk;
codes van goede praktijk en de regels van goed vakmanschap in verband met. de bescherming tegen corrosie en de bepaling van de corrosiviteit van de bodem:
a) corrosiebegrippen en soorten :
1) definitie van corrosie;
2) soorten corrosie;
b) beïnvloedende factoren en bescherming van de tank:
1) corrosieonderzoek;
2) beïnvloedende factoren;
3) bescherming: elementaire begrippen (verven, bekleding, ...);
4) kathodische bescherming (hoe, welke mogelijkheden en wanneer ...?);
codes van goede praktijk en de regels van goed vakmanschap in verband met de controle van opslaginstallaties en dichtheidsbeproevingen;
1) verificatie vorig onderhoudsattest (+ attest van plaatsing);
2) visuele inspectie van de gehele opslaginstallatie;
3) controle op aanwezigheid van stookolie buiten de tank;
4) controle op de aanwezigheid van water en slib in de tank;
5) systemen en technieken van peilmeting (mechanisch, pneumatisch, elektropneumatisch, elektronisch);
6) inhoudsberekeningen van de opslaghouder;
7) controle van de vulleiding, ontluchtingsleiding, aanzuigleiding, terugloopleiding;
8) controle van het overvulbeveiligingssysteem;
9) lekdetectie - controle van het lekdetectiesyteem;
10) controle van het peilmeetsysteem;
11) controle van het mangat en de aansluitingen;
12) afpersen/dichtheidsbeproevingen (tank, leidingen);
13) controle van de bekleding van de tank;
14) meten van het potentiaalverschil tussen (metalen tank) en de omhulling;
15) definitieve buitengebruikstelling van de houder;
methodes en systemen voor lekdetectie:
1) organoleptisch;
2) door overdruk of onderdruk;
3) ultrasoon;
4) (andere) systemen en principes (permanente en niet permanente);
basiskennis brandertechniek (4 uur):
1) werking brander;
2) types stookolieaanvoer;
3) soorten stookoliefilters;
4) ontluchten stookolieleiding;
5) interpreteren van pompdruk en vacuümmeting.

 

Onderafdeling 2 - Programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks

 

Het programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake stookolietanks omvat minstens 3 uur:

de relevante wetgeving over de bestrijding van de luchtverontreiniging die veroorzaakt wordt door stookolietanks, vermeld in titel II van het VLAREM:
a) definitie waterwingebieden/beschermingszones;
b) particuliere stookolietanks < 5000 kg (hoofdstuk 6.5 van titel II van het VLAREM);
c) ingedeelde eindopslag van stookolie voor verwarming (hoofdstuk 5.6 en 5.17 van titel II van het VLAREM, voor wat betreft de toegestane taken voor de stookolietechnicus);
d) toegestane wijzen van opslag;
e) controle bij de plaatsing;
f) periodieke controles: wanneer, welke, wat, hoe en door wie;
g) buitengebruikstellen van tanks: wanneer en hoe;
h) reglementering nieuwe tanks /bestaande tanks (overgangsbepalingen);
i) rol van de erkende technicus;
j) het meldingsformulier;
k) het conformiteitsattest (= onderhoudsattest);
l) het merken van tanks (rood - oranje - groen);
m) domein van de stookolietechnicus versus dit van de milieudeskundige;
de overzichtslijst van de meest gangbare termen en begrippen met betrekking tot de controle en het onderhoud van stookolietanks, die de taakuitvoering en de dienstverlening van de technicus aan de klant ten goede zullen komen.

 

Onderafdeling 3 - Programma van de bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks.

 

Het programma van de bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten met betrekking tot de controle en het onderhoud van stookolietanks, de vigerende wetgeving, naast de rol en verplichtingen van een erkende stookolietechnicus. Het programma omvat minstens 4 uur en wordt gevolgd door proeven.

 


Bijlage 2. Programma's van de cursussen van aanvullende vorming voor milieucoördinator

 

De programma's van de cursussen van aanvullende vorming beantwoorden tenminste aan de volgende voorwaarden:
a) ze zijn zo opgevat dat ze de kandidaat in staat stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van het geheel van decretale en reglementaire taken, opgelegd aan de milieucoördinator;
b) ze omvatten ten minste:
- 250 uur voor de cursussen van aanvullende vorming van het eerste niveau;
- 150 uur voor de cursussen van aanvullende vorming van het tweede niveau.
De overgangscursussen van het tweede niveau naar het eerste niveau zijn zo opgevat dat zij minimaal zowel het inhoudelijke verschil tussen de beide programma's als hun verschil in aantal lesuren omvatten.
De programma-inhoud wordt opgesplitst in de volgende drie modules:

 

PROGRAMMA-INHOUD A
Eerste niveau

B

Tweede niveau

Module 1. Uitgangspunten, achtergronden en basisbegrippen 50 uur 30 uur
1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen
Probleemanalyse en structurering van de milieuproblematiek, relaties tussen activiteiten en milieueffecten, ecologie, milieuhygiëne en menselijke gezondheid, kenmerkende grootheden en basisdefinities, milieubeschouwingen bij het ontwerp en de exploitatie van industriële installaties. Problematiek van de klimaatveranderingen. Basis ecotoxicologie.
1.2. Milieubeleidsvorming en instrumenten van het milieubeleid van de overheid
Beginselen van overheidsbeleid, onder andere overheidsorganisatie. Inhoudelijke facetten en achtergronden bij het hanteren van milieu-instrumenten: fysieke regulering economische instrumenten, beslissingsondersteunende instrumenten (MER, VR, audit, LCA), convenanten en milieubeleidsplanning op de verschillende niveaus (onder meer Europees en regionaal). Gebruik en optimalisatie van gegevensanalysetechnieken en modellen als basis voor het opstellen van monitoringsstrategieën, milieubeoordelingsmethoden en gerelateerde doelstellingen. Het selecteren van duurzame preventie- en hersteltechnieken in het kader van een dynamische beleidscontext (bijvoorbeeld praktische implementatie Europese richtlijnen). Simulatie en analyse van impact van milieubeleidsinstrumenten. Milieurisico-evaluatie/normstelling.
1.3. Milieurecht en de formulering van milieueisen
Structuur en opbouw van de milieuwetgeving. Aansprakelijkheid. Kader van de Europese milieurichtlijnen en van de Vlaamse milieuwetgeving. Procedures inzake de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Relatie tot de omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen. De concrete formulering van milieueisen. Doelvoorschriften versus middelvoorschriften. Het voldoen aan de algemene preventiebeginselen (BBT). Gebruik van codes van goede praktijk en van normen en standaarden. Definities en correcte interpretatie van technologische eisen, emissienormen en milieukwaliteitsnormen.
Module 2. Milieubeheerssystemen in de bedrijven en de functionele taken van de milieucoördinator. 60 uur 35 uur
2.1. De integratie van milieuzorg in het bedrijfsbeheer
Basiscomponenten van de bedrijfsinterne milieuzorg en afbakening van verantwoordelijkheden. Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Interacties en samenhang met de arbeidsveiligheid en de integrale kwaliteitszorg. Achtergronden op het vlak van de Europese EMAS-verordening, het decreet Bedrijfsinterne Milieuzorg en de ISO-14000-normenreeks.
2.2. Het opstarten van een milieuzorgsysteem in de onderneming
Milieubeleidsverklaring. Het uitvoeren van een milieuanalyse (organisatorisch, juridisch-bestuurlijk en technisch). Het opstellen van een milieuprogramma met prioriteitsstelling. Opleiding en vorming. Rapportages. Controle-instrumenten met indicatoren en criteria (Environmental performance indicators).
2.3. Controle en handhaving van milieuvoorwaarden, met inbegrip van administratieve en procedurele aspecten
2.3.1. Monitoring van emissies en afvalstromen met inbegrip van industriële meet-aspecten. Het opstellen van een emissiejaarverslag
2.3.2. Het opstellen van een aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. De identificatie en interpretatie van milieuvoorwaarden. Het berekenen van milieuheffingen (afvalwater, afvalstoffen). Subsidiemogelijkheden (steun voor R&D-activiteiten en economische expansiesteun).
Module 3. Operationalisering en uitdieping van de taakstelling van een milieucoördinator 140 uur 85 uur
3.1. Technologische facetten
3.1.1. Procesgeïntegreerde of structureel preventieve milieuverbeteringen ter vermijding van emissies en afvalstromen. Bedrijfsinterne en -externe recyclage en hergebruik. Het opzetten van preventieprojecten bij industriële processen. Productontwerp vanuit een milieuvisie, met inbegrip van integraal ketenbeheer.
3.1.2. Preventieve maatregelen ter voorkoming van bodem-, (grond)water- en luchtverontreiniging
3.1.3. Preventieve maatregelen vanuit het oogpunt van de interne en externe veiligheid
3.1.4. Beheersingstechnieken (afvalwater- en afvalluchtbehandeling)
3.1.5. Saneringstechnologie (bodemsanering)
3.1.6. Beheersingstechnieken geluid
3.1.7. Beheersingstechnieken voor afval (kennis van afvalverwerkingstechnieken: fysische, biologische, chemisch-thermische processen; gescheiden inzameling van afval in bedrijven)
3.1.8. Technologieën vanuit het oogpunt van ‘cradle to cradle’, specifiek gericht op hergebruik, eco-efficiëntie, integraal ketenbeheer, stofstroomanalyse, productontwikkeling en ecodesign, energie-efficiëntie en energiebeheer
3.2. Bedrijfseconomische en beheersfacetten
3.2.1. Kostenberekeningen en investeringsanalyses kosten-baten en kosten-effectiviteitsanalyses vanuit milieuperspectief. Keuze en prioriteitsstelling van milieuverbeteringsprojecten. De milieudimensie van het verzekeringsbeheer
3.2.2. De meting van milieuschade: waarderingspunten van milieuschade of -effecten
3.2.3. Projectbeheer. Management van technologische innovaties en van R&D-activiteiten vanuit een anticiperend milieuperspectief
3.2.4. Optimalisatietechnieken voor bedrijfsbeheer en het behalen van milieudoelstellingen
3.3. Sociale en communicatieve facetten
3.3.1. Interne en externe communicatie en rapportage over milieu-aangelegenheden. Overleg binnen het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk. Samenwerking en afstemming tussen de milieucoördinator en de veiligheidschef. Externe communicatie en conflictbehandeling.
3.3.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen en van « good housekeeping »-praktijken in organisaties. Het organiseren van opleidings- en vormingsactiviteiten voor het personeel.
3.4. Methodologische facetten
3.4.1. Milieueffectrapportage. Methodes en technieken voor milieueffectbeoordeling.
3.4.2. Veiligheidsrapportering en risico-analysetechnieken vanuit het perspectief van de interne en externe veiligheid
3.4.3. Methodes en strategieën voor milieu-auditing
3.4.4. Het raadplegen van gegevensbestanden en informatiebronnen over industrieel milieubeheer
De cursus wordt afgesloten met een examen en met een eindwerk binnen het programma van de opleiding. Een persoon die slaagt voor de aanvullende vorming, krijgt een getuigschrift van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren voor het overeenstemmende niveau.

 


Bijlage 3. Lijst met pakketten voor de laboratoria, vermeld in artikel 6, 5°, van dit besluit

Lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a):

W.1 monsternemingen, inclusief conservering, transport en metingen ter plaatse:
W.1.1 ogenblikkelijke staalname (aan kraan) van water:

W.1.1.1

voor chemische analyses
W.1.1.2 voor bacteriologische analyses
 

Pakket W.1.1 is een uitbreiding van pakket W.1.5.1. 

W.1.2 ogenblikkelijke staalname (schepstaal) van water
W.1.3 tijds- en/of debietsgebonden staalname
W.1.4 staalname van grondwater (peilbuizen):
W.1.4.1  met ondiepe (<30 m) grondwaterstand 
W.1.4.2  met diepe (≥30 m) grondwaterstand 
 

De pakketten onder W.1.4 zijn telkens een uitbreiding van pakket W.1.5.1 en W.1.5.2.

W.1.5 meting ter plaatse van de volgende parameters:
W.1.5.1 

temperatuur 

W.1.5.2 zuurtegraad en elektrische geleidbaarheid
W.1.6 meting ter plaatse van opgeloste zuurstof
W.1.7

meting ter plaatse van vrije chloor en gebonden chloor

W.1.8

afmeting zwevende stoffen

W.1.9 [...]
W.2

organoleptische parameters in water, bestemd voor menselijke consumptie: kleur, troebelingsgraad, reuk en smaak

W.3 anorganische fysicochemische parameters:
W.3.1 chloride, sulfaat, nitraat, nitriet, totaal orthofosfaat, opgelost fluoride en ammonium
W.3.2 natrium, calcium, kalium, magnesium en totale hardheid
W.3.3 zuurtegraad en elektrische geleidbaarheid
W.3.6 buffercapaciteit 
W.3.7 totaal anorganisch gebonden fluoride
W.4 metalen 
W.4.1

standaardreeks:
kwik, cadmium, lood, arseen, chroom, nikkel, koper, zink, antimoon, seleen, mangaan, ijzer en aluminium

W.4.2 aanvullende elementen:
W.4.2.1 zilver
W.4.2.2 vanadium
W.4.2.3 barium
W.4.2.4 molybdeen
W.4.2.5 tin
W.4.2.6 titanium
W.4.2.7 kobalt
W.4.2.8 boor
W.4.2.9 tin inclusief tindioxide
W.4.2.10 titanium inclusief titaniumdioxide
W.5 algemene verontreinigingsparameters:
W.5.1

BZV, CZV, Kjeldahlstikstof, bezinkbare stoffen, zwevende stoffen, (totaal) fosfor en totaal stikstof

W.5.2

minerale olie met gaschromatografie (met vlamionisatie-detectie)

W.5.3

perchloorethyleenextraheerbare stoffen en perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen (infraroodspectrometrische bepaling)

W.5.4 petroleumetherextraheerbare stoffen (gravimetrische bepaling)
W.5.5 TOC als verschilmeting (TOC = TC-TIC)
W.5.6

TOC als sommeting (TOC = POC + NPOC)

W.5.7 NPOC
W.5.8

totaal cyanide

W.5.9 vrije cyanide
W.5.10 opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide
W.5.11 fenolindex 
W.5.12 chroom (VI)
W.5.13 [...]
W.5.14

methyleenblauwactieve stoffen (MBAS)

W.5.15 [...]
W.5.16

oxideerbaarheid

W.5.17 ureum
W.5.18 bromaat
W.5.19 kleur van afvalwater
W.6

organische groepsparameters

W.6.1

extraheerbare organische halogeenverbindingen (EOX)

W.6.2 adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX)
W.6.3 purgeerbare organische halogeenverbindingen (POX)
W.7 specifieke organische stoffen:
W.7.1 vluchtige organische halogeenverbindingen en monocyclische aromatische koolwaterstoffen
W.7.2 matig vluchtige organische halogeenverbindingen, uitgezonderd polychloorbifenylen en organochloorpesticiden
W.7.3 fenolen
W.7.5 polychloorbifenylen 
W.7.6 polycyclische aromatische koolwaterstoffen
W.7.7 polychloordibenzodioxines en polychloordibenzofuranen
W.7.8 gebromeerde brandvertragers
W.7.9 organofluorverbindingen
W.7.10 organotinverbindingen
W.7.11 organochloorpesticiden
W.7.12 organofosforpesticiden
W.7.13 triazinetype herbiciden
W.7.14 uronen (fenylurea), carbamaten en anilides
W.7.15 zure herbiciden
W.7.16 glyfosaat en AMPA 
W.7.17

pesticiden, opgenomen in WAC/IV/A/027 of WAC/IV/A/028, die niet behoren tot de overige pakketten onder W.7.

W.7.19 oppervlakteactieve stoffen:
W.7.19.1  kationische oppervlakteactieve stoffen 
W.8 bacteriologische parameters
W.8.1

totaal kiemgetal (22 °C, 37 °C), coliformen, Escherichia coli en enterokokken

W.8.2 Salmonella
W.8.3 Legionella pneumophila en Legionella species
W.8.4

coagulase positieve stafylokokken

W.8.5  Clostridium perfringens 
W.8.6  Pseudomonas aeruginosa 
W.9. hydrobiologische parameters:
W.9.1 biotische index
W.9.2

ecotoxiciteit:

W.9.2.1 acute toxiciteit voor watervlooien
W.9.2.2 acute toxiciteit voor vissen
W.9.2.3

groei-inhibitie voor eencellige algen

W.9.2.4

inhibitie van de bioluminescentie in Vibrio fischeri

W.10

andere monsternemingen, analyses, metingen of beproevingen:

W.10.1

chlorofyl A

W.10.2 kwalitatieve karakterisatie van minerale olie met GC-MS
lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b):
L.1 monsterneming en analyse met testbuisjes van afgassen (emissie) en omgevingslucht (immissie) in daartoe geëigende situaties
L.2

emissiemetingen - basispakket: rookgastemperatuur, druk, watergehalte, gassnelheid, gasdebiet, stofgehalte in een gaskanaal en een continue meting van zwaveldioxide, stikstofoxide, zuurstof, koolstofdioxide, koolstofmonoxide en vluchtige organische componenten als totaal organische koolstof

L.3 emissiemetingen - stookinstallaties tot 10 MW: rookgastemperatuur, druk, watergehalte, gassnelheid, gasdebiet, stofgehalte in een gaskanaal en een continue meting van zwaveldioxide, stikstofoxide, zuurstof, koolstofdioxide en koolstofmonoxide
L.4 emissiemetingen - monsterneming en analyse van zware metalen:
  L.4.1 Cd, Tl, As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V, Se, Sn en Hg als totaalgehalte (als som van stof- en gasvormig) en als gehalte stofvormig
  L.4.2 andere metalen, als totaalgehalte (als som van stof- en gasvormig):
    L.4.2.1 Be 
    L.4.2.2 Ti
    L.4.2.3 In
    L.4.2.4 Mo
 

De pakketten onder L.4.2 zijn telkens een uitbreiding van pakket L.4.1

  L 4.3 Pt (gehalte stofvormig)
 

Pakket L.4.3 is een uitbreiding van pakket L.4.1

  L.4.4

specifieke metaalverbindingen:

    L.4.4.1

arseenwaterstof

    L.4.4.2 Cr(VI)-verbindingen zoals calciumchromaat
    L.4.4.3 Cr(III)-chromaat, zinkchromaat en strontiumchromaat
    L.4.4.4 arseentrioxide en arseenpentoxide
    L.4.4.5 arseenzuren en hun zouten
 

De pakketten onder L.4.4 zijn telkens een uitbreiding van pakket L.4.1

L.5

emissiemetingen - monsterneming en analyse van anorganische stoffen:

  L.5.1 gasvormige anorganische chloorverbindingen als HCl
  L.5.2

natchemische bepaling van zwaveloxiden SOx

  L.5.3

chloor

  L.5.4 NH3O
  L.5.5 waterstofsulfide
  L.5.6 broom en zijn damp- of gasvormige verbindingen, uitgedrukt als HBr
  L.5.7

cyaanwaterstof

  L.5.8

N2O

  L.5.9 bemonstering van stofdeeltjes met specifieke grootte (PM10 en PM2,5)
  L.5.10 chloorcyaan
  L.5.11 fosgeen
  L.5.12

fosforwaterstof

  L.5.13 hydrazine
  L.5.14 natchemische bepaling van zwaveltrioxide SO3 
  L.5.15 gasvormige anorganische fluorverbindingen als HF
L.6

emissiemetingen - monsterneming en analyse van vluchtige organische stoffen (VOS) - basispakket VOS: aromatische koolwaterstoffen, paraffinische koolwaterstoffen, alifatische halogeenkoolwaterstoffen, esters, ketonen, alcoholen en ethers

L.7 emissiemetingen - monsterneming en analyse van organische stoffen:
  L.7.1

olefinische koolwaterstoffen

  L.7.2 glycolethers
  L.7.3 chloorbenzenen en chloortoluenen
  L.7.4

methylmethacrylaat

  L.7.5

naftaleen

  L.7.6

dimethylformamide

  L.7.7

pinenen

  L.7.8 N-methylpyrrolidon
 

De pakketten onder L.7 zijn telkens een uitbreiding van pakket L.6.

L.8

emissiemetingen - monsterneming en analyse van zeer vluchtige organische stoffen (ZVOS):
  L.8.1 ZVOS met uitzondering van methaan, ethyleenoxide en vinylchloride
  L.8.2

methaan

  L.8.3 ethyleenoxide
  L.8.4

vinylchloride

L.9 emissiemetingen - monsterneming en analyse van weinig vluchtige organische stoffen:
  L.9.1 dioxines (PCDD's en PCDF's) 
  L.9.2

dioxineachtige PCB's

  L.9.3 PCB's
  L.9.4 polyaromatische koolwaterstoffen (PAK's)
 

De pakketten onder L.9 zijn telkens een uitbreiding van pakket L.2.

L.10

emissiemetingen - monsterneming en analyse van reactieve organische stoffen:

  L.10.1 formaldehyde 
  L.10.2 andere aldehydes dan formaldehyde
  L.10.3

fenol

  L.10.4 alifatische amines
  L.10.5 zwavelkoolstof 
  L.10.6 carbonzuren
 

L.10.7

isocyanaten
  L.10.8 maleïnezuuranhydride
  L.10.9 thio-alcoholen (mercaptanen) en thio-ethers
L.11 bepaling van niet-geleide emissies:
  L.11.1 uitvoeren van lekdetectieprogramma's (LDAR) en emissiebepaling
  L.11.2

meting van andere diffuse bronnen: te specificeren

 

Pakket L.11.2 is een uitbreiding van een pakket onder L.4, L.5, L.6, L.7, L.8, L.9, L.10, L.15 en L.17. 

L.12 immissiemetingen:
 

L.12.1

de continue meting van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolstofmonoxide, ozon en zwevend stof met specifieke groottekarakteristiek PM10 en PM2,5

  L.12.2 bepaling van neervallend stof
  L.12.3 bepaling van de volgende metalen in neervallend stof en zwevend stof: Cd, Tl, As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V, Se, Sn en Hg
  L.12.4 bepaling van gasvormig kwik in omgevingslucht
L.13 immissiemetingen - monsterneming en analyse van vluchtige en zeer vluchtige stoffen ((Z)VOS) in omgevingslucht:
  L.13.1 benzeen 
  L.13.2 vinylchloride
L.14 immissiemetingen - monsterneming en analyse van organische stoffen en andere stoffen:
  L.14.1

vluchtige polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) naftaleen, acenafteen, acenaftyleen, fenantheen, antraceen en fluoreen

  L.14.2 niet-vluchtige polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's): fluorantheen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(g,h,i)peryleen, indeno(1,2,3,c,d)pyreen en dibenzo(a,h)anthraceen
  L.14.3 dioxines (PCDD's en PCDF's):
    L.14.3.1  gesuspendeerd in omgevingslucht of als gas
   

L.14.3.2

 als depositie in neerslagkruik
  L.14.4 PCB's
  L.14.5 dioxineachtige PCB's
  L.14.6 BTEX: veldmeting met automatische monitoren
  L.14.7 HF en HCl
  L.14.8 SO2, NO2, O3 en BTEX door middel van passieve samplers en analyse
  L.14.9 NH3
L.15 bepaling van de belasting aan asbestvezels en andere vezels in omgevingslucht met behulp van elektronenmicroscopie
L.16 keuring en kalibratie van vast opgestelde apparatuur voor volgende metingen en bemonsteringen in emissies:
  L.16.1 anorganische gasvormige componenten
    L.16.1.1 O2
    L.16.1.2 CO 
    L.16.1.3 NOx 
    L.16.1.4 SO2 
    L.16.1.5 HCl 
    L.16.1.6 HF 
    L.16.1.7 NH3 
    L.16.1.8 N2O 
    L.16.1.9 Hg 
    L.16.1.10 Cl2
  L.16.2 stof 
  L.16.3 organische gasvormige componenten
    L.16.3.1 TOC via FID 
    L.16.3.2 fosgeen 
  L.16.4 lange termijnbemonstering van dioxines en PCB's
  De pakketten onder L.16 zijn telkens een uitbreiding van pakket L.2 en van een pakket dat de desbetreffende parameter bevat.  
L.17 nemen van geurmonsters en uitvoeren van geuranalyses door middel van olfactometrie
L.18 bepaling van geurverspreiding door middel van snuffelploegmetingen
L.19 meting van het NH3-verwijderingsrendement van gaswassers, opgenomen in de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen
L.20 monsterneming en analyse van trichlooramine in zwembadlucht
Pakket voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c): uitvoering van de volgende monsternemingen en bodemanalyses:   
  a) monsterneming en analyse van het organische koolstofgehalte (%OC) van de bodem
  b) monsterneming en analyse van de zuurtegraad (pH) van de bodem
  c) bepaling van de bodemtextuur op een van de volgende manieren:
    1) volgens de handmatige bepaling;
    2) volgens de granulometrische bepaling;
    3) volgens de handmatige en de granulometrische bepaling.

lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d):

   M-B1 pakket bodem-stikstof, voor het nemen van bodemmonsters en het uitvoeren van de volgende analyses op de bodem: 
    a) bepaling van het vochtgehalte; 
    b)  bepaling van nitraatstikstof;
    c)

bepaling van ammoniumstikstof.

  M-B2 pakket snel vrijkomende organische stikstof, voor het nemen van monsters, het uitvoeren van incubatieproeven en het uitvoeren van de volgende analyses voor het bepalen van de stikstofmineralisatie uit organische meststoffen:
    a) bepaling van het vochtgehalte van de bodem; 
    [...] [...]
    c) bepaling van ammoniumstikstof in de bodem;
    d) bepaling van nitraatstikstof in de bodem. 
 

Dit pakket is een uitbreiding van pakket M-B1.

  M-B3 pakket bodem-fosfor, voor het nemen van bodemmonsters en het uitvoeren van de volgende analyses op de bodem: 
    a) bepaling van oxalaatextraheerbaar fosfaatgehalte (Pox); 
    b) bepaling van fosfaatbindend vermogen;
    c) bepaling van fosfaat in grond, extraheerbaar met een ammoniumlactaat-azijnzuurbuffer (P-AL).
  M-B4

pakket bodem-overige parameters, voor het nemen van bodemmonsters en het uitvoeren van de volgende analyses op de bodem: 

    a) bepaling van het organische koolstofgehalte.
  M-M1 pakket meststoffen-bemonstering voor anorganische parameters, voor het nemen van monsters van meststoffen met het oog op de analyse van anorganische parameters. 
  M-M2 pakket meststoffen-anorganische parameters, voor het uitvoeren van de volgende anorganische analyses op meststoffen: 
    a) bepaling van drogestofgehalte;
    b) bepaling van totale fosfor;
    c) bepaling van ammoniumstikstof;
    d) bepaling van totale stikstof.
  M-M3 pakket meststoffen-bemonstering voor microbiologische parameters, voor het nemen van monsters van meststoffen met het oog op het uitvoeren van microbiologische analyses.
  M-M4 pakket meststoffen-microbiologische parameters, voor het uitvoeren van de volgende microbiologische analyses op meststoffen:
    a) detectie van Escherichia coli;
    b) detectie van Enterococcacea;
    c) detectie van Salmonella;
    d) detectie van Clostridium perfringens.
  M-D1

pakket diervoeders, voor het nemen van monsters van diervoeders en het uitvoeren van de volgende analyses op diervoeders:

    a) bepaling van drogestofgehalte;
    b) bepaling van totale fosfor;
    c) bepaling van ruw eiwit.
lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) : 
  MA. monsternemingen van afvalstoffen en andere materialen en monstervoorbehandeling ter plaatse
  MA.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel
  MA.3 gebruik als bouwstof - vaste stoffen
  MA.4 verbranden
  MA.5 storten
  MA.6 eindproducten bij de verwerking van dierlijke bijproducten
  MA.7 asbest
  MA.7.1 asbest in hopen
  MA.7.2 asbest in lagen
   

A.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel

A.2.1 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - anorganische parameters :

  

zuurtegraad, droogrest/vocht, organische stof, totale stikstof, difosforpentoxide, nitraatstikstof en ammoniakale stikstof, geleidbaarheid

 

metalen (totaalconcentratie) :

arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink

 

A.2.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - organische parameters :

  

BTEXS : benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen en styreen

alkanen: hexaan, heptaan en octaan

 

chloorkoolwaterstoffen :

monochloorbenzeen, 1,2-dichloorbenzeen, 1,3-dichloorbenzeen, 1,4-dichloorbenzeen, som trichloorbenzenen, som tetrachloorbenzenen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen, 1,2-dichloorethaan, dichloormethaan, trichloormethaan, trichlooretheen, tetrachloormethaan, tetrachlooretheen, vinylchloride, 1, 1, 1-trichloorethaan, 1, 1,2-trichloorethaan, 1, 1-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen

 

polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :

naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen

 

minerale olie

 

polychloorbifenylen (PCB) :

PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180

 

A.2.3  gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - specifieke parameters :

  

steentjes, groter dan 5 mm


graad van verontreiniging (glas, metaal, kunststoffen) groter dan 2 mm

kiem krachtige zaden

fytotoxiciteit

rijpheidsgraad

stabiliteit met gesloten respirometer

 

A.3     gebruik als bouwstof

A.3.1  gebruik als niet-vormgegeven bouwstof :

  

droogrest

 

metalen (totaalconcentratie en uitloogbare fractie via de kolomtest) :  arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink

 

BTEXS:

benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen en styreen

 

alkanen:

hexaan, heptaan en octaan

 

polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :

naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen

 

minerale olie

 

polychloorbifenylen (PCB) :

PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180

 

A.3.2  gebruik als vormgegeven bouwstof :

Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket A.3.1.

 

metalen (uitloogbare fractie met maximale beschikbaarheidstest en via de standtest) : arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink

 

pH, sulfaat, chloriden en calcium (via uitloging in de maximale beschikbaarheidstest en in de standtest)

 

geleidbaarheid (via uitloging in de standtest)

 

A.3.3 fysische verontreinigingen :

vlottende verontreinigingen, niet-vlottende verontreinigingen en glas

 

A.4 verbranden


droogrest, vlampunt, gloeiverlies, totaal organische koolstof (TOC), calorische waarde, pentachloorfenol (PCP), benzo(a)pyreen, chloriden, fluoriden, zwavel, extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX)

 

metalen (totaalconcentratie) : cadmium, thallium, kwik, antimoon, arseen, lood, chroom, kobalt, koper, mangaan, nikkel, vanadium en tin

 

polychloorbifenylen (PCB) :

PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180

 

A.5     storten

A.5.1  storten - algemene parameters :

 

droogrest, minerale olie met GC-FID, extraheerbare apolaire koolwaterstoffen met IR, gloeiverlies, totaal organische koolstof (TOC), totaal oplosmiddelen (aspecifiek), totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX), steekvastheid (afschuifspanning)

 

metalen (totaalconcentratie) : arseen, thallium, kwik, cadmium, beryllium, barium, lood, chroom, koper, nikkel, zink, molybdeen, antimoon en seleen

 

vrije cyaniden

 

fluoriden

 

1-stapsschudproef met bepaling in eluaat van : pH, arseen, barium, lood, cadmium, chroom totaal, chroom VI, koper, nikkel, kwik, zink, molybdeen, antimoon, seleen, fluoride, cyanide (totaal), ammonium, nitriet, chloride, sulfaat, totaal opgeloste vaste stoffen (TOS), opgeloste organische koolstof (DOC), fenolindex

 

A.5.2  storten - specifieke organische parameters :

 

monocyclische aromatische koolwaterstoffen (BTEXS) :benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen

 

polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen

 

polychloorbifenylen (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180

 

A.6     microbiologische bepalingen op de eindproducten bij de verwerking van dierlijke bijproducten :

 

Salmonella

Enterobacteriaceae

Clostridium perfringens

 

A.7 asbest

 

lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f) :
 

B.1         bodem - vaste deel

 

klei

 

organisch materiaal (TOC)

 

metalen (totaalconcentratie) :

arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink

 

cyaniden :

vrije cyaniden, niet-chlooroxideerbare cyaniden

 

monocyclische aromatische koolwaterstoffen :

benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen

1,2,3-trimethylbenzeen, 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen

 

alkanen:

hexaan, heptaan en octaan

 

chloorkoolwaterstoffen :

dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, vinylchloride, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, trichlooretheen, tetrachlooretheen, monochloorbenzeen, 1,2-dichloorbenzeen, 1,3 dichloorbenzeen, 1,4-dichloorbenzeen, som trichloorbenzenen, som tetrachloorbenzenen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen

 

chloorfenolen :

2-chloorfenol, 2,4-dichloorfenol, 2,4,5-trichloorfenol, 2,4,6-trichloorfenol, 2,3,4,6-tetrachloorfenol, pentachloorfenol

 

methyltertiairbutylether

 

minerale olie

 

polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :

naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen

 

pH (KCl)

 

B.4 asbest in bodem

Dit pakket is geen uitbreidingspakket.

 

B.5 waterbodem

droogrest

klei

organisch materiaal (TOC)

metalen (totaalconcentratie) :

arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink

cyaniden :

vrije cyaniden, niet-chlooroxideerbare cyaniden

monocyclische aromatische koolwaterstoffen :

benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen

alkanen :

hexaan, heptaan en octaan

minerale olie

organochloorpesticiden (OCP) :

aldrin, dieldrin, chloordaan ($ en γ- isomeer), DDT, DDE, DDD, hexachloorcyclohexaan ($-, β- en γ- isomeer), endosulfan ($, β en sulfaat)

polychloorbifenylen (PCB) :

PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180

polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :

naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen

pH (KCl)

 

B.6 gebruik van bodemmaterialen

 

Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket B.1 of het volledige pakket B.5.

polychloorbifenylen (PCB) :

PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180

stenen

bodemvreemde materialen

schudtest met bepaling in eluaat van :

arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink, pH en geleidbaarheid

 

B.7 storten van bodemmaterialen


Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket B.1 of het volledige pakket B.5.

extraheerbare apolaire koolwaterstoffen met IR

gloeiverlies

totaal oplosmiddelen (aspecifiek)

totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX)

steekvastheid (afschuifspanning)

1-stapsschudproef (CMA/2/II/A12) met bepaling in eluaat van :

pH, arseen, barium, lood, cadmium, chroom totaal, chroom VI, koper, nikkel, kwik, zink, molybdeen, antimoon, seleen, fluoride, cyanide, ammonium, nitriet, chloride, sulfaat, totaal opgeloste vaste stoffen (TDS), opgeloste organische koolstof (DOC), fenolindex

 

G.1 grondwater

 

metalen (totaalconcentratie) :

arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink

chroom VI

cyaniden :

totaal cyaniden

monocyclische aromatische koolwaterstoffen :

benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen

1,2,3-trimethylbenzeen, 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen

chloorkoolwaterstoffen :

dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, vinylchloride, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, trichlooretheen, tetrachlooretheen, monochloorbenzeen, 1,2-dichloorbenzeen, 1,3-

dichloorbenzeen, 1,4-dichloorbenzeen, som trichloorbenzenen, som tetrachloorbenzenen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen

chloorfenolen :

2-chloorfenol, 2,4-dichloorfenol, 2,4,5-trichloorfenol, 2,4,6-trichloorfenol, 2,3,4,6-tetrachloorfenol, pentachloorfenol

methyltertiairbutylether

minerale olie

polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :

naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen

organochloorpesticiden (OCP) :

aldrin, dieldrin, chloordaan (cis+trans), DDT, DDE, DDD, hexachloorcyclohexaan ($-, β- en γ-isomeer), endosulfan ($, β en sulfaat)

BL.1 omgevingslucht in het kader van bodemverontreiniging

VOC-VOCl : benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen, 1,2,3-trimethylbenzeen, 1,2,4-trimethylbenzeen, dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen,

1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, trichlooretheen, tetrachlooretheen

vinylchloride

 


Bijlage 4. Erkenning milieudeskundigen houders voor gassen of gevaarlijke stoffen - (deel)domeinen

De aanvraag om een erkenning als deskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen als vermeld in artikel 6, 1°, a), kan worden ingediend voor een of meer van de volgende domeinen en deeldomeinen:

 

A.

attestaties (hoofdstukken 5.6, 5.16 en 5.17 van titel II van het VLAREM):

  A1.

attestatie houders: prototypekeuringen van in serie gebouwde houders; individuele keuringen van andere; aanvaarding van gelijkwaardige systemen voor opslag

  A2. attestatie overvulbeveiligingssystemen
  A3. attestatie lekdetectiesystemen
  A4. attestatie gelijkwaardige alternatieven voor niet toegankelijke leidingen
B. controle bij plaatsing van nieuwe houders:
  B1. controle vóór de plaatsing en vóór de ingebruikname van houders van brandbare vloeistoffen (hoofdstuk 5.6 van titel II van het VLAREM)
  B2.1.  controle vóór de plaatsing en vóór de ingebruikname van houders van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en groep 2 (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  B2.2.  controle vóór de plaatsing en vóór de ingebruikname van houders van gevaarlijke vloeistoffen van groep 3 (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  B3.  controle vóór de plaatsing en vóór de ingebruikname van vaste houders van gevaarlijke gassen (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
C. uitvoeren van periodieke onderzoeken van houders:
  C1.  uitvoeren van de periodieke onderzoeken van ondergrondse en bovengrondse houders van brandbare vloeistoffen  (hoofdstuk 5.6 van titel II van het VLAREM)
  C2.1. uitvoeren van de periodieke onderzoeken van ondergrondse en bovengrondse houders van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en groep 2 (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  C2.2.  uitvoeren van de periodieke onderzoeken van ondergrondse en bovengrondse houders van vloeistoffen van groep 3 (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  C3.  uitvoeren van de periodieke onderzoeken van vaste houders voor opslag van gevaarlijke gassen (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
D.

uitvoeren van de controles en periodieke onderzoeken van installaties voor het behandelen van gassen (hoofdstuk 5.16 van titel II van het VLAREM):

E. uitvoeren van de controles en periodieke onderzoeken van damprecuperatiesystemen (hoofdstuk 5.6 van titel II van het VLAREM) 

Bijlage 5. Graden als bedoeld in artikel 9 en 10 (milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en de discipline bodemcorrosie) en artikel 21 tot en met 24 (juryvoorzitter van de examencommissie bij de opleiding als technicus vloeibare brandstof, gasvormige brandstof of verwarmingsaudit of stookolietechnicus)

1.1.
De academisch gerichte opleidingen en de daarop betrekking hebbende graden in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden:
1.1.1.wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
1.1.2.
toegepaste wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
1.1.3.
toegepaste biologische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.
1.2.
De opleidingen en de daarop betrekking hebbende graden in de volgende studiegebieden:
1.2.1.
Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor:
a)
in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
b)
binnen een associatie in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.  

Bijlage 6. Technische vereisten waaraan de meetapparatuur van de technicus vloeibare brandstof of gasvormige brandstof moet voldoen als vermeld in artikel 40, eerste lid, 2°

Voor het opmeten van de verschillende parameters worden uitsluitend meettoestellen gebruikt die voldoen aan de volgende minimale technische specificaties:

 

Parameter

Toestel

Resolutie

Absolute fout

rookindex

lekdichte rookindexpomp, filterpapier, referentieschaal

 

1

zuurstof

(O2)

zuurstofanalysator

0,1 %

± 0,3 %

koolstofdioxide (CO2)

koolstofdioxide

analysator

0,1 %

± 0,3 %

koolstofmonoxide (CO)

koolstofmonoxide-analysator

1 ppm

± 20 ppm

rookgastemperatuur

omgevingstemperatuur

thermometer

1 °C

± 3 °C

onderdruk/trek

onderdrukmeter

1 Pa

± 2 Pa

 

De verschillende meettoestellen bevinden zich steeds in goede staat van werking en onderhoud. Vóór elke meting wordt het meettoestel gecontroleerd (goede werking, lekdichtheid) en gekalibreerd (nulpuntinstelling) volgens de voorschriften van de fabrikant. [...]

 

Elektronische meetapparatuur wordt minstens eenmaal om de twee jaar door de fabrikant of invoerder ervan nagekeken en geijkt. [...]  


Bijlage 7. Overzicht van de minimuminhoud van het kwaliteitshandboek voor erkende milieudeskundigen in de discipline geluid en trillingen

MINIMUMCHECKLIST VOOR HET KWALITEITSHANDBOEK

 

Hieronder volgt een overzicht van hoe het kwaliteitshandboek er moet uitzien.

 

HOOFDSTUK I: ORGANISATIE 

  I.1. Identiteit
I.2. Doelstelling van het kwaliteitsbeleid
I.3. Verklaring onafhankelijkheid en integriteit
I.4. Organisatiestructuur
I.4.a. Organisatieschema: organogram opstellen
I.4.b. Functiebeschrijvingen
I.5. Aanwerving en selectie: bijvoorbeeld wat te doen als iemand vertrekt
I.6. Opleiding personeel + eigen opleiding als milieudeskundige
HOOFDSTUK II: OPERATIONALITEIT
  II.1. Ruimten en omgeving
  II.1.a. Ligging, indeling van de lokalen
  II.2. Uitrusting van het laboratorium
  II.2.a. Beheer apparatuur
  II.2.b. Kalibratie en onderhoud apparatuur
   

eerstelijnskalibratie : ijking voor en na elke meting 

   

tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking ten opzichte van referentietoestel dat tweejaarlijks wordt geijkt

door de fabrikant 

   

derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse ijking door de fabrikant 

  II.3. Uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek volgens titel II van het VLAREM
  II.3.a. Algemeen: er wordt verwezen naar de procedure die op zich naar de geldende wetgeving verwijst
  II.3.b. Uitvoering van de geluidsmetingen
  II.3.c. Analyses van de meetresultaten
  II.3.d. Rapportage
  titel: Volledig akoestisch onderzoek
  naam en adres van het laboratorium en van de plaats van onderzoek
  een unieke identificatie van het rapport op elke pagina, met vermelding van het totaal aantal pagina's
  naam en adres van de klant
  eenduidige vermelding van de toegepaste methode
  een beschrijving van, de conditie van en een ondubbelzinnige identificatie van het te onderzoeken onderwerp of object, inclusief tekeningen op schaal, schetsen en eventueel foto's
  datum van de metingen en/of datum van ontvangst van de beproefde of geijkte objecten
  verwijzing naar de gebruikte procedures
  beschrijving van de resultaten met inbegrip van de eenheden
  10° namen, functies en handtekeningen of gelijkwaardige identificatie van de persoon of personen die het beproevingsrapport of kalibratiecertificaat hebben vrijgegeven
  11° voor zover dat relevant is, een verklaring dat de resultaten alleen betrekking hebben op de beproefde of gekalibreerde objecten
  12° een verklaring dat het rapport of het kalibratiecertificaat alleen in zijn geheel mag worden gereproduceerd, tenzij vooraf schriftelijke toestemming van het laboratorium wordt verkregen
  13° voor de interpretatie van de beproevingsresultaten, moeten de afwijkingen van, aanvullingen op of uitzonderingen op de beproevingsmethode, alsook informatie over de specifieke beproevingsomstandigheden, zoals omgevingsomstandigheden worden opgenomen
  14° voor zover dat relevant is, een verklaring van het voldoen/niet voldoen aan de eisen en/of specificaties
  15° voor zover dat van toepassing is, een verklaring en informatie over de geschatte meetonzekerheid
  16° voor zover dat passend en vereist is, opinies en interpretaties
  17° aanvullende informatie die door specifieke methoden, klanten of groepen klanten kan worden vereist
  II.4. Uitvoering van een geluidsmeting volgens hoofdstuk 6.7 van titel II van het VLAREM
  II.4.a. Algemeen: er wordt verwezen naar de procedure die op zich naar de geldende wetgeving verwijst
  II.4.b. Uitvoering van de geluidsmetingen
  II.4.c. Analyses van de meetresultaten
  II.4.d. Rapportage 
  II.5. Opstellen van een saneringsplan
  II.5.a. Algemeen; er wordt verwezen naar de procedure die op zich naar de geldende wetgeving verwijst
  II.5.b. Voorspellingen 
  II.5.c. Analyses van de voorspellingen
  II.5.d. Rapportage
  II.6. Het beproeven of controleren van apparaten en inrichtingen die lawaai kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om lawaai te dempen, op te slorpen, te meten of hinder ervan te verhelpen
  II.6.a. Algemeen; er wordt verwezen naar de procedure die op zich naar de geldende wetgeving verwijst
  II.6.b. Uitvoering van de metingen
  II.6.c. Analyses van de meetresultaten
  II.6.d. Rapportage 
  II.7. Het begeleiden van saneringen volgens titel II van het VLAREM
  II7.a. Algemeen: hoe gaat men te werk als men een opdracht krijgt om een saneringsplan op te volgen
  II7.b. Rapportage 
  II.8. Het opstellen van milieueffectrapporten in de discipline geluid en trillingen
  II8.a. Algemeen: er wordt verwezen naar het richtlijnenhandboek van LNE voor een MER geluid en al de reeds vermelde relevante delen, inclusief bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM
HOOFDSTUK III: KWALITEITSBEHEERSING
  III.1. Werking van het laboratorium
  III.2. Behandeling van klachten
  III.3. Corrigerende maatregelen
  III.4. Documentcontrole
HOOFDSTUK IV: ARCHIVERING
  IV.1.

Archivering

[...]

 

 

 


Bijlage 7/1. De logboeken en de procedures voor erkende milieudeskundigen in de discipline geluid en trillingen

1° Het minimumaantal logboeken

 

Onder logboek wordt verstaan: een eenduidige verwijzing naar een bestand of document waarin informatie wordt bijgehouden om alles traceerbaar te maken. Per logboek wordt de minimuminhoud weergegeven:

 

1) log offerten en bestellingen:   bevat alle gegevens (details, opvolging ...) van offerteaanvragen en bestellingen; 
2) log beheer van apparatuur:   bevat gegevens, zoals de datum van aankoop, de laatste ijking, buitendienststellingen van de apparatuur, en bevat ook alle gegevens over de uitgeleende apparatuur; 
3) log methodologie van alle procedures: bevat alle gegevens over de manier van werken in het laboratorium; 
4) log klachten: bevat alle gegevens over de klachten;
5)  log corrigerende maatregelen:  bevat alle gegevens over correcties die zijn uitgevoerd; 
6) log personeel:  bevat onder meer een omschrijving van wie welke taken uitvoert in het bedrijf; 
7)  log registratie:      is een lijst zonder details van alle uitgevoerde projecten. 

 

 

2° Het minimumaantal procedures

  

In de procedures wordt de manier van werken van het laboratorium omschreven. De procedures kunnen rechtstreeks opgenomen worden in het kwaliteitshandboek of er kan naar verwezen worden in het kwaliteitshandboek:

 

 

1)  administratieve dossierbehandeling (offertes, bestellingen, facturen ...);
2)  kalibratie en onderhoud van de apparatuur;
3)  beheer van de apparatuur; 
4)  rapportage; 
5)  klachtenbehandeling; 
6)  archivering; 
7)  corrigerende maatregelen;
8)  opleiding van personeel;
9)  beheersing kwaliteitssysteem.

 


Bijlage 8. Apparatuurvereisten deskundigen

Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), a., beschikt over minstens:
a) een klasse 1 sonometer, conform de norm IEC 61672;
b) een klasse 1 kalibrator, conform de norm IEC 60942;
c) een anemometer;
d) een meetruimte met een diffuus geluidsveld;
e) een ruisbron die een roze ruis genereert waarvan het spectrum, gemeten in tertsbanden van 100 Hz tot 5 kHz, vlak is binnen een zone van 10dB;
f) de nodige software voor het uitvoeren van zijn taken.
Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), b. voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
a) beschikken over een dode kamer;
b) beschikken over een nagalmkamer;
c) beschikken over de buis van Kundt;
d) kunnen aantonen dat hij samenwerkt met een instelling die in het bezit is van de infrastructuur, vermeld in punt a), b) of c). 
Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 2), beschikt over minstens een toestel voor het meten van trillingen, conform de norm DIN 45669-1.

 


Bijlage 9. Onderwerpen van de opleiding voor de milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, de MER-deskundige en de VR-deskundige, vermeld in artikel 11, 12 en 13 van dit besluit

a) Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid als vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), heeft met gunstig gevolg een opleiding van minstens 60 uur gevolgd, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen :
    1)

elementaire fysische begrippen in verband met de geluidsleer; 

    2)

geluidsgrootheden en -begrippen; 

    3) grondbeginselen geluid;
    4)

gehoor, gehoorschade, effecten van lawaai, geluidshinder; 

    5)

lawaaibeheersing; 

    6) meettechnieken en -apparatuur;
    7) berekenen van emissie- en immissieniveaus;
    8) bronnen van lawaai;
    9) beperken van geluidshinder;
  b) een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), 2), heeft met gunstig gevolg een opleiding van minstens 24 uur gevolgd, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen :
    1)

elementaire fysische begrippen in verband met de trillingsleer; 

    2)

trillingsparameters en -begrippen;

    3) grondbeginselen trillingen;
    4)

effecten van trillingen, trillingshinder; 

    5)

trillingsbeheersing; 

    6) meettechnieken en -apparatuur;
    7) berekenen van emissie- en immissieniveaus;
    8)

bronnen van trillingen; 

    9)

beperken van trillingshinder;

De opleiding voor de MER-deskundige, vermeld in artikel 12, §1, 3° bestaat uit minstens 60 uur per deeldomein of als er geen deeldomeinen zijn, per discipline, uitgezonderd voor [...] het deeldomein geur, waarvoor de opleiding uit minstens 25 uur bestaat. De onderwerpen van de opleiding per deeldomein of, als er geen deeldomeinen zijn, per discipline zijn de volgende:
  a) discipline mens:
    1) deeldomein gezondheid:
      1.1. epidemiologie: begrippen, methoden en technieken van epidemiologisch onderzoek;
      1.2. (eco)toxicologie, inclusief evaluatie van blootstelling en effecten, toxicokinetiek en -dynamiek (ook voor gevoelige populaties);
      1.3. risicoanalyse (van (blootstelling aan) chemische, fysische, biologische stoffen op de gezondheid van de mens);
      1.4. toxicologisch onderzoek en normstelling, verschil normen/gezondheidskundige advieswaarden;
      1.5. biomonitoring;
      1.6. milieugezondheidskunde;
      1.7. psychosomatische en psychosociale gevolgen van milieublootstellingen en gepercipieerde milieublootstelling; gevolgen voor mentaal en sociaal welzijn en lichamelijke effecten;
      1.8. elementaire begrippen over licht, optica en studie van elektromagnetische golven;
      1.9. relatie tussen klimaat en menselijke gezondheid;
      1.10. milderende maatregelen voor het deeldomein mens-gezondheid (zowel voor toxicologie, psychosomatische aspecten als effecten ten gevolge van licht en elektromagnetische golven);
    2) [...]
    3) deeldomein mobiliteit:
      3.1. verkeerskunde;
      3.2. verkeerstechnologie en –planologie;
      3.3. milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein mobiliteit;
      3.4. impactmodellering.
    4) deeldomein ruimtelijke aspecten:
      4.1. stedenbouwkunde:
      4.2. ruimtelijke planning: ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke beleidsplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, planschade, planbaten;
      4.3. ruimtelijke ordening en planologie;
      4.4. milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein ruimtelijke aspecten;
      4.5. geografische informatiesystemen.
  b) discipline biodiversiteit:
    1) principes en concepten van levende organisatievormen van verschillende complexiteit van individu tot gemeenschap;
    2) interacties tussen organismen onderling en tussen organismen en hun niet-levende omgeving;
    3)  werken met determinatiesleutels;
    4) plantenkunde;
    5) dierkunde;
    6) biodiversiteit;
    7) milderende maatregelen met betrekking tot de discipline fauna en flora.
  c) discipline bodem:
    1) deeldomein pedologie: 
      1.1 samenstelling van de bodem, bodemeigenschappen, bodemhorizonten, bodemstructuur en -textuur, bodemgenetische processen en bodemclassificatie;
      1.2 bodemchemie;
      1.3 bodemverontreiniging;
      1.4 bodemsaneringstechnieken.
    2) deeldomein geologie:
      2.1 samenstelling van de bodem, bodemeigenschappen, bodemhorizonten, bodemstructuur en -textuur, bodemgenetische processen en bodemclassificatie;
      2.2 bodemchemie;
      2.3 geologische processen, geologische structuren en geologische geschiedenis;
      2.4 geologische kaarten;
      2.5 indeling, samenstelling en eigenschappen van mineralen en gesteenten;
      2.6 bodemverontreiniging;
      2.7 bodemsaneringstechnieken.
   d) discipline water:  
    1) deeldomein geohydrologie:
      1.1 porositeit, verticale verdeling van grondwater, wet van Darcy, grondwaterstromingen en grondwateronttrekking; 
      1.2 basiskennis hydrologie en hydrochemie;
      1.3 waterkwaliteit, waterecologie en waterverontreiniging; 
      1.4 impactmodellering;
      1.5 waterzuiveringstechnieken.
    2) deeldomein oppervlakte- en afvalwater:
      2.1 basiskennis hydrologie en hydrochemie;
      2.2 waterkwaliteit, waterecologie en waterverontreiniging;
      2.3 impactmodellering;
      2.4 waterbesparing en waterrecuperatie;
      2.5 waterzuiveringstechnieken.
    3) deeldomein mariene waters:
      3.1 basiskennis hydrologie en hydrochemie;
      3.2 waterkwaliteit, waterecologie en waterverontreiniging;
      3.3 waterzuiveringstechnieken.
  e) discipline lucht:
    1) deeldomein geur:
      2.1 basisbegrippen emissie, immissie en eenheid van geur;
      2.2 geurhinder;
      2.3 olfactometrie en snuffelmetingen;
      2.4 impactmodellering;
      2.5 technieken voor geurbestrijding.
    2) deeldomein luchtverontreiniging
      2.1 basisbegrippen emissie, immissie, parts per million, microgram per m³, geleide emissies en niet-geleide emissies;
      2.2 transport van polluenten: atmosferische dispersie en depositie;
      2.3 aantasting ozonlaag, broeikaseffect, fotochemische luchtverontreiniging, verzuring, fijn stof en gevaarlijke stoffen;
      2.4 impactmodellering;
      2.5 luchtzuiveringstechnieken.
  f) [...]
  g) discipline klimaat:
    1) klimatologische processen en hun onderlinge verbanden;
    2) regionale klimatologie;
    3) globale klimaatsverandering
    4) milderende maatregelen met betrekking tot de discipline klimaat.
  h) discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie:
    1) deeldomein landschap
      1.1 landschapsecologie;
      1.2 landschapsgenese;
      1.3 landschapsbeheer; 
      1.4 landschapsontwikkeling en landschapszorg
      1.5 milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein landschap;
      1.6 geografische informatiesystemen.
    2) deeldomein bouwkundig erfgoed
      2.1 monumentenzorg;
      2.2 erfgoed;
      2.3 milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein bouwkundig erfgoed.
    3) deeldomein archeologie
      3.1 inleiding tot archeologie;
      3.2 milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein archeologie.
 [...]  
Een VR-deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, e), heeft met gunstig gevolg een opleiding gevolgd van minstens 60 uur, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen:
  a) gevaarlijke stoffen en hun eigenschappen en gedrag;
  b) het inventariseren, analyseren en evalueren van risico’s voor mens en milieu, bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn;
  c) het gebruiken van methoden om fysische effecten ten gevolge van de vrijzetting van gevaarlijke stoffen te berekenen en aan schadeberekening en risicoberekening te doen;
  d)  het uitvoeren van schade- en risicoberekeningen;
  e)  ruimtelijke ordening en ruimtelijke planning.

Bijlage 10. Criteria voor de beoordeling van ringtesten en technische proeven

Hoofdstuk 1. Ringtesten

 

Algemene bepalingen met betrekking tot de beoordeling van ringtesten:

 

a)

de toe te passen methoden en de termijnen voor het uitvoeren van de analyses worden uiterlijk op de dag van de verdeling van de ringtestmonsters aan de deelnemende laboratoria meegedeeld. De toe te passen methoden zijn de methoden, vermeld in artikel 45. Het al dan niet toepassen van die methoden of het al dan niet respecteren van de termijnen voor analyse maken deel uit van de beoordeling van het door het laboratorium gerapporteerde resultaat per parameter als vermeld in 3° en 5°;

 

b)

de termijnen en de wijze voor rapportering van de analysewaarden worden uiterlijk op de dag van de verdeling van de ringtestmonsters aan de deelnemende laboratoria meegedeeld. Het al dan niet respecteren van de termijnen en de wijze voor rapportering maakt deel uit van de beoordeling van het door het laboratorium gerapporteerde resultaat per parameter als vermeld in 3° en 5°;

 

c)

een gedeelte van de ruwe meetdata of alle ruwe meetdata over het door het laboratorium gerapporteerde resultaat kan bij of na de rapportering opgevraagd worden. Het al dan niet rapporteren van die ruwe meetdata en het al dan niet traceerbaar zijn van het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, vertrekkend van de ruwe meetdata, maken deel uit van de beoordeling van het door het laboratorium gerapporteerde resultaat per parameter als vermeld in 3° en 5°;

 

d)

de deelnemende laboratoria worden uiterlijk op de dag van de verdeling van de ringtestmonsters schriftelijk op de hoogte gebracht van de manier waarop de ringtestresultaten verwerkt en beoordeeld worden;
 

e)

als aan de deelnemende laboratoria gevraagd wordt om voor een ringtest bijkomende parameters, die niet behoren tot een pakket als vermeld in bijlage 3, te analyseren, wordt met het gerapporteerde resultaat van die bijkomende parameters geen rekening gehouden bij de beoordeling van de ringtestresultaten per pakket, vermeld in 6°, 7° en 8°.

Verwerking per parameter van het gerapporteerde resultaat, voor parameters waarvoor getalwaarden gerapporteerd worden:

 

a)

voor elke parameter waarvoor getalwaarden gerapporteerd worden, wordt een dataset samengesteld op basis van de resultaten die de deelnemende laboratoria gerapporteerd hebben en volgens de modaliteiten als vermeld in 1°, d).

Aansluitend op de toepassing van ISO 13528 wordt een resultaat dat gerapporteerd is door een deelnemend laboratorium niet behouden in de dataset in de volgende gevallen:

 

 

1)

de methode, vermeld in 1°, a) is niet toegepast;

 

 

2)

de termijn voor het uitvoeren van de analyse, vermeld in 1°, a), is niet gerespecteerd;

 

 

3)

de termijn of de wijze voor rapportering, vermeld in 1°, b), is niet gerespecteerd;

 

 

4)

de ruwe meetdata, vermeld in 1°, c), zijn niet gerapporteerd;

 

 

5)

het gerapporteerde resultaat kan niet aangetoond worden, vertrekkend van de gerapporteerde ruwe meetdata;

 

b)

van de dataset, vermeld in a), worden voor elke parameter de statistische kengetallen, namelijk het gemiddelde en de spreiding, berekend via een robuuste statistische methode als vermeld in ISO/IEC 17043 of ISO 13528;

 

c)

als voor een bepaalde parameter uit de statistische verwerking van de dataset blijkt dat die op basis van de eisen, opgenomen in ISO/IEC 17043 of ISO 13528 of met toepassing van 1°, d), niet behouden kan worden, wordt die parameter niet opgenomen in de beoordeling, vermeld in 3° en 5°;

 

d)

als voor een bepaalde parameter het aantal getalwaarden in de dataset kleiner is dan 5 of wanneer meer dan 1/3 maar minder dan 2/3 van de laboratoria een grenswaarde of een waarde lager dan de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, rapporteerde, wordt die parameter niet behouden voor verwerking;

 

e)

aan elke parameter worden een waarde en een spreiding toegewezen. De toegewezen waarde van een parameter is het robuuste gemiddelde van de dataset, vermeld in b), of een bekende waarde op basis van het aanmaakproces. De toegewezen spreiding van een parameter is de robuuste spreiding van de dataset, vermeld in b), zo nodig aangepast volgens de modaliteiten, vermeld in 1°, d), of een vaste waarde op basis van een beoogde of toegestane afwijking, die goedgekeurd is door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. In het laatste geval kan de beoordeling gebeuren ten opzichte van die vaste toegestane afwijking in plaats van op basis van z-scores;

 

f)

als het berekende robuuste gemiddelde kleiner is dan de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, of als 2/3 of meer van de laboratoria een waarde rapporteerden lager dan de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, of als het aanmaakproces uitsluit dat de parameter aanwezig was, wordt de beoordeling uitgevoerd ten opzichte van de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest;

 

g)

op basis van het resultaat voor een parameter dat het deelnemende laboratorium gerapporteerd heeft, de toegewezen waarde van de parameter en de toegewezen spreiding van de parameter wordt voor elk deelnemend laboratorium per parameter een z-score berekend als z = (x-µ)/σ, waarin x = het gerapporteerde resultaat, µ = de toegewezen waarde van de parameter, en σ = de toegewezen spreiding van de parameter;

Beoordeling per parameter van het gerapporteerde resultaat, voor parameters waarvoor getalwaarden gerapporteerd worden:

 

a)

het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, wordt beoordeeld als "goed" wanneer de absolute waarde van de z-score, berekend zoals vermeld in 2°, g), kleiner is dan of gelijk is aan twee, of, als de toegestane afwijking een vaste waarde is zoals vermeld in 2°, e), wanneer de afwijking tussen het gerapporteerde resultaat en de toegewezen waarde van de parameter kleiner is dan of gelijk is aan die vaste afwijking;

 

b)

als een parameter niet of in een zeer lage concentratie aanwezig was volgens de criteria beschreven in 2°, f), wordt het resultaat van een laboratorium beoordeeld als “goed” wanneer het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, indien het een getalwaarde betreft, lager is dan of gelijk is aan tweemaal de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, of als de rapportagegrens, die gehanteerd wordt door het laboratorium, voldoet aan de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest;

 

c)

het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, wordt beoordeeld als “twijfelachtig” als de absolute waarde van de z-score, berekend zoals vermeld in 2°, g), groter is dan twee maar kleiner is dan of gelijk is aan drie;

 

d)

in de volgende gevallen wordt het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, beoordeeld als “slecht”:

 

 

1)

er werd geen resultaat gerapporteerd;

 

 

2)

de absolute waarde van de z-score, berekend zoals vermeld in 2°, g), is groter dan drie;

 

 

3)

het resultaat dat gerapporteerd is, werd niet verkregen door de methode, vermeld in 1°, a), toe te passen;

 

 

4)

de termijn voor het uitvoeren van de analyse, vermeld in 1°, a), werd niet gerespecteerd;

 

 

5)

de termijn of de wijze voor rapportering, vermeld in 1°, b), werd niet gerespecteerd;

 

 

6)

de ruwe meetdata, vermeld in 1°, c), werden niet gerapporteerd;

 

 

7)

het gerapporteerde resultaat kan niet worden aangetoond, vertrekkend van de gerapporteerde ruwe meetdata;

 

 

8)

er werd een rapportagegrens gehanteerd die niet voldoet aan de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest;

 

 

9)

er werd een bovenwaarde gerapporteerd (> getalwaarde) waar dat niet toegelaten is door de methode die volgens 1°, b), toegepast moet worden;

 

 

10)

er werd een vals positief resultaat gerapporteerd; dit wil zeggen dat een resultaat werd gerapporteerd dat hoger is dan tweemaal de rapportagegrens, vermeld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is in het Vlaams Gewest terwijl de parameter niet of in zeer lage concentratie aanwezig was volgens de criteria beschreven in 2°, f);

 

 

11)

er werd geen melding gemaakt van de uitbesteding als dat toegelaten is;

 

 

12)

als de toegestane afwijking een vaste waarde is: de afwijking tussen het gerapporteerde resultaat en de toegewezen waarde van de parameter, vermeld in 2°, e), is groter dan de toegestane afwijking;

 

 

13)

[...]

Voor de verwerking per parameter van het gerapporteerde resultaat voor parameters waarvoor geen getalwaarden gerapporteerd worden, wordt het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, vergeleken met het referentieresultaat, vastgelegd bij het aanmaken van de monsters;

Beoordeling per parameter van het gerapporteerde resultaat, voor parameters waarvoor geen getalwaarden gerapporteerd worden:

 

a)

het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, wordt beoordeeld als "goed" wanneer het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, overeenkomt met het referentieresultaat;

 

b)

in de volgende gevallen wordt het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, beoordeeld als “slecht”:

 

 

1)

er werd geen resultaat gerapporteerd;

 

 

2)

het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, komt niet overeen met het referentieresultaat;

 

 

3)

het resultaat dat het laboratorium gerapporteerd heeft, is niet verkregen door de methode, vermeld in 1°, a), toe te passen;

 

 

4)

de termijn voor het uitvoeren van de analyse, vermeld in 1°, a), werd niet gerespecteerd;

 

 

5)

de termijn of wijze voor rapportering, vermeld in 1°, b), werd niet gerespecteerd;

 

 

6) de ruwe meetdata, vermeld in 1°, c), werden niet gerapporteerd;

 

 

7)

het gerapporteerde resultaat kan niet worden aangetoond, vertrekkend van de gerapporteerde ruwe meetdata;

   

8)

er werd geen melding gemaakt van de uitbesteding als dat toegelaten is;

Beoordeling van de ringtestresultaten per pakket, uitgezonderd microbiologie en het pakket, vermeld in bijlage 3, 3°:

 

a)

het totale aantal te beoordelen parameters voor een pakket wordt berekend als het totale aantal parameters waarvoor een resultaat gerapporteerd moest worden, in voorkomend geval verminderd met:

 

 

1)

het aantal bijkomende parameters, vermeld in 1°, e);

 

 

2)

de niet-behouden parameters, vermeld in 2°, c).

 

 

Als uitbestedingen worden toegelaten binnen een pakket, wordt voor elke deelnemer afzonderlijk dat aantal nog verminderd met het aantal uitbestede parameters op voorwaarde dat van die uitbesteding melding gemaakt is;

 

b)

om een gunstige beoordeling voor een pakket als vermeld in bijlage 3, met vijf of minder parameters te krijgen, mag voor geen enkele parameter die behoort tot het pakket, een beoordeling "twijfelachtig" of "slecht" gescoord worden;

 

c)

om een gunstige beoordeling voor een pakket als vermeld in bijlage 3, met meer dan vijf parameters te krijgen, wordt het aantal parameters waarvoor een beoordeling "twijfelachtig" of "slecht" verkregen mag worden, als volgt bepaald:

 

 

1)

het aantal parameters waarvoor een beoordeling "twijfelachtig" of "slecht" verkregen mag worden, is kleiner dan of gelijk aan een tiende, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, van het totale aantal te beoordelen parameters, berekend volgens a);

 

 

2)

het aantal parameters waarvoor een beoordeling "slecht" verkregen mag worden, is kleiner dan of gelijk aan een twintigste, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, van het totale aantal te beoordelen parameters, berekend volgens a);

 

 

3)

voor pakketten met tien of minder parameters mag voor geen enkele parameter een beoordeling "slecht" verkregen worden;

Beoordeling van ringtestresultaten per pakket met betrekking tot microbiologie:

 

a)

per parameter worden verschillende stalen aangeboden. Een laboratorium is geslaagd voor een parameter als voor niet meer dan een derde, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, van het aantal beoordeelde stalen een beoordeling “twijfelachtig” of “slecht” gescoord wordt en voor niet meer dan een zesde, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, van het aantal beoordeelde stalen een beoordeling “slecht” behaald wordt;

 

b)

een laboratorium is geslaagd voor een pakket als het geslaagd is voor alle parameters die deel uitmaken van het pakket;

Beoordeling van ringtestresultaten per pakket met betrekking tot het pakket, vermeld in bijlage 3, 3°:

 

a)

als voor dezelfde parameter, met uitzondering van de handmatige bepaling van de bodemtextuur, verschillende stalen worden aangeboden, worden de resultaten van de verschillende stalen beoordeeld als volgt:

 

 

1)

de parameter krijgt de beoordeling “goed” als van alle stalen voor die parameter niet meer dan 10% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling “slecht” of “twijfelachtig” kreeg en niet meer dan 5% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling “slecht” kreeg;

 

 

2)

de parameter krijgt de beoordeling “twijfelachtig” als van alle stalen voor die parameter niet meer dan 20% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling “slecht” of “twijfelachtig” kreeg en niet meer dan 10% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling “slecht” kreeg;

 

 

3)

de parameter krijgt de beoordeling “slecht” als van alle stalen voor die parameter meer dan 20% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling “slecht” of “twijfelachtig” kreeg of meer dan 10% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling “slecht” kreeg;

 

b)

als voor de parameter handmatige bepaling van de bodemtextuur verschillende stalen worden aangeboden, worden de resultaten van de verschillende stalen beoordeeld als volgt:

 

 

1)

de parameter krijgt de beoordeling “goed” als niet meer dan 10% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling “slecht” kreeg;

 

 

2)

de parameter krijgt de beoordeling “slecht” als meer dan 10% van de stalen, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, de beoordeling “slecht” kreeg;

 

c)

om een gunstige beoordeling voor een pakket als vermeld in bijlage 3, 3°, te krijgen, moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

    1)

voor geen enkele parameter als vermeld in bijlage 3, 3°, a) en b), mag een beoordeling “twijfelachtig” of “slecht” verkregen worden;

    2)

wat de parameter, vermeld in bijlage 3, 3°, c), betreft: voor hetzij de handmatige bepaling voor minstens één werknemer, hetzij de granulometrische bepaling, moet een beoordeling “goed” verkregen worden.

 

Hoofdstuk 2 - Technische proeven

 

Als het laboratorium moet slagen voor een technische proef, kan die, afhankelijk van het pakket, bestaan uit een of meer van de volgende mogelijkheden:

het door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest bijwonen van een typische monsterneming. Daarbij wordt aan het laboratorium gevraagd om specifieke aspecten van de uitvoering toe te lichten of te demonsteren. Daarvan wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest een verslag opgemaakt met vermelding van de vastgestelde tekortkomingen. Een laboratorium is geslaagd als de tekortkomingen die zijn opgenomen in het verslag, werden weggewerkt. De nodige evidentie daarvoor wordt bezorgd aan en geëvalueerd door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest;

 

het deelnemen aan een door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest georganiseerde meting. Een laboratorium is geslaagd als de resultaten van die meting voldoen aan de criteria die zijn meegedeeld voorafgaand aan de uitvoering van de technische proef;

 

het bijwonen van een typische meting door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Daarbij wordt aan het laboratorium gevraagd om de specifieke aspecten van de meting toe te lichten of te demonstreren. Daarvan wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest een verslag opgesteld met vermelding van de vastgestelde tekortkomingen. Een laboratorium is geslaagd als de tekortkomingen die zijn opgenomen in het verslag, werden weggewerkt. De nodige evidentie daarvoor wordt bezorgd aan en geëvalueerd door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest;

 

een documentaire controle door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest van de inhoud van de rapporten. Daarvan wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest een verslag opgemaakt met vermelding van de vastgestelde tekortkomingen. Een laboratorium is geslaagd als de tekortkomingen die zijn opgenomen in het verslag, werden weggewerkt. De nodige evidentie daarvoor wordt bezorgd aan en geëvalueerd door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest;

 

de controle door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest van de gehanteerde berekenings- en rapportagewijze. Daarvan wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest een verslag opgemaakt met vermelding van de vastgestelde tekortkomingen. Een laboratorium is geslaagd als de tekortkomingen, vermeld in het verslag, werden weggewerkt. De nodige evidentie daarvoor wordt bezorgd aan en geëvalueerd door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest;

 

het uitvoeren van een meting op een door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest aangeboden proefobject. Een laboratorium is geslaagd als de resultaten van die meting niet meer afwijken van de referentiewaarde dan de toegelaten afwijkingen die zijn meegedeeld voorafgaand aan de uitvoering van de technische proef;

 

een documentaire controle door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest van het validatiedossier en de berekende meetonzekerheid, opgesteld door het laboratorium. Daarvan wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest een verslag opgemaakt met vermelding van de vastgestelde tekortkomingen. Een laboratorium is geslaagd als de tekortkomingen die zijn opgenomen in het verslag, werden weggewerkt. De nodige evidentie daarvoor wordt bezorgd aan en geëvalueerd door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest;

 

het deelnemen aan een multiplechoice-examen, georganiseerd door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Een laboratorium is geslaagd als voldaan wordt aan de voorwaarden die zijn meegedeeld voorafgaand aan de deelname aan het examen.

 

 


Bijlage 10/1. Voorwaarden voor acceptatie van ringtesten

De ringtesten voldoen aan de volgende voorwaarden:

 

de aan de deelnemende laboratoria ter beschikking gestelde monsters dienen als dusdanig geschikt te zijn voor monstervoorbehandeling en analyse, zonder dat de deelnemende laboratoria nog een voorafgaande additie moeten uitvoeren. Voor microbiologische bepalingen kan daarop een uitzondering gemaakt worden. Die uitzondering moet goedgekeurd zijn door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest;

de monsters moeten qua samenstelling behoren tot, of representatief zijn voor, de discipline of, in voorkomend geval, het deeldomein waarvoor een erkenning wordt aangevraagd. De monsters moeten qua complexiteit vergelijkbaar zijn met die welke aangeboden worden door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest (gebruik van reële of synthetische matrices en voldoende afwisseling in de matrices). Dat moet gestaafd kunnen worden op basis van hun samenstelling of oorsprong;

het concentratieniveau van de te bepalen parameters moet relevant zijn voor de toetsingswaarden die opgenomen zijn in de wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest. Als in die wetgeving een meetbereik is vastgelegd, moet het concentratieniveau bij de ringtesten daaraan voldoen;

de te bepalen componenten in de monsters moeten overeenstemmen met die welke opgelijst zijn in de verschillende analysemethodes, beschreven in het desbetreffende compendium. Van die componenten moet voor iedere analysemethode minstens hetzelfde aantal aanwezig zijn in een concentratie die niet lager is dan tweemaal de rapportagegrens volgens de wetgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, en niet hoger dan vijfmaal de toetsingswaarde die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, als in een vergelijkbare ringtest, georganiseerd door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest;

de ringtest moet, wat de algemene bepalingen, gegevensverwerking en beoordeling betreft, voldoen aan alle criteria die opgenomen zijn in hoofdstuk 1 van bijlage 10;

als bij de beoordeling een scoringssysteem gebruikt wordt op basis van een consensuswaarde of spreiding van de deelnemers, moeten die waarden gebaseerd zijn op minimaal vijf laboratoria, en mogen daarbij alleen resultaten in rekening gebracht worden die verkregen zijn volgens de methode, vastgelegd in artikel 45;

in geval van een ringtest waarbij de beoordeling berust op vergelijking met een vaste toegestane afwijking, moeten de resultaten beoordeeld worden op basis van de vaste toegestane afwijking die gebruikt wordt in de ringtest, georganiseerd door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.


Bijlage 11. Bijlage ter toevoeging van bijlage XXII aan het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid,

"Bijlage XXII

 

Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

 

Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk.

 

Artikel

Wettelijke verplichting

Art. 34, §4, tweede zin

Die attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten worden ondertekend door de erkende persoon.

Art. 37, 3°

De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2), houdt een kwaliteitshandboek bij dat minstens de inhoud, vermeld in bijlage 7, bevat.

Art. 46, §2

Het erkende laboratorium stelt aan de bevoegde personeelsleden van de VITO alle inlichtingen en documenten ter beschikking die ze vragen met betrekking tot de erkenning.

Art. 49

Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet. De meet- en analyseresultaten worden zodanig uitgedrukt dat toetsing aan de emissiegrenswaarde of norm onmiddellijk mogelijk is.

Art. 50, tweede zin

Die gegevens blijven gedurende ten minste vijf jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de afdeling en de VITO.

Art. 50, laatste zin

Het erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat:

1° de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft en ze aan het laboratorium heeft toevertrouwd, en de volledige identificatie van de monsters als de monsterneming door het erkende laboratorium werd uitgevoerd, of de naam van derden en de volledige identificatie van de monsters;

2° het verslag van de analyse, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden, de resultaten van de metingen en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.

Art. 52

Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), stelt de adviezen met betrekking tot het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden op conform de Code van goede praktijk bodembescherming.

Art. 53, 1°, tweede zin Als het laboratorium monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses laat uitvoeren in een ander daartoe erkend laboratorium, moet de uitbesteding in kwestie expliciet vermeld worden op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door het erkende laboratorium.

 


Bijlage 12. Opleiding en bijscholing met bijhorend examen als vermeld in artikel 43/4, 1° en 2°

De opleiding met het bijhorende examen van een airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), bestaat uit minstens 32 uren. In de opleiding komen de volgende onderwerpen aan bod:

 

a)

module 1: wetgeving:

 

 

1)

titel I en titel II van het VLAREM inzake koelinstallaties;

 

 

2)

certificeringsplichtige handelingen aan koelinstallaties;

 

 

3)

het VLAREL met betrekking tot airco-energiedeskundigen;

 

 

4)

Europese regelgeving met betrekking tot energieprestaties van gebouwen;

 

 

5)

energiedeskundigen;

 

b)

module 2: energetische aspecten:

 

 

1)

inzicht in het energetische concept en beheer van gebouwen;

 

 

2)

elektriciteit;

 

 

3)

verlichting;

 

 

4)

energetische aspecten van koeltechniek:

  • invloed van verschillende parameters;
  • met betrekking tot de verschillende onderdelen van een koelinstallatie;
  • met betrekking tot de werking en regeling van een koelinstallatie;
  • energiebesparing bij koelinstallaties;
  • soorten koelafgiftesystemen en hun invloed op het energieverbruik;
  • met betrekking tot directe en indirecte koelsystemen;
  • met betrekking tot warmtepompen;

 

 

5)

soorten, opbouw, werking en regeling van luchtbehandelingssystemen en hun invloed op het energieverbruik;

 

 

6)

warmteafgiftesystemen: soorten warmteafgiftesystemen en hun invloed op het energieverbruik;

 

c)

module 3: het correct uitvoeren van de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, §3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, §6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, §6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.

De bijscholing met het bijhorende examen van een airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), bestaat uit minstens 6 uren. De bijscholing bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten, vermeld in punt 1°, rekening houdend met de evolutie van de regelgeving en de technieken, en eventuele wijzigingen in de uitvoering van de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, §3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, §6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, §6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.


Bijlage 13. Bijzondere erkenningsvoorwaarde als vermeld in artikel 13/1, 2°, en toelatingsvoorwaarden voor de opleiding voor het behalen van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 24/1, 1°

Een airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), voldoet aan minstens een van de volgende voorwaarden:

 

een certificaat als vermeld in artikel 14, §1, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, behaald hebben; 

een master in de Ingenieurswetenschappen, een master in de Bio-ingenieurswetenschappen, een master in de Industriële Wetenschappen of een bachelor in de Elektromechanica, afstudeerrichting Klimatisering behaald hebben;

een diploma van het secundair onderwijs in koel- en warmtetechnieken, industriële koeltechnieken of koeltechnische installaties behaald hebben;

een van de volgende door de Vlaamse overheid erkende getuigschriften behaald hebben:

 

a)

een getuigschrift van technicus klimaatbeheersing - airconditioning;

 

b)

een getuigschrift van installateur airco- en warmtepompen;

 

c)

een getuigschrift van koeltechnicus;

 

d)

een modulegetuigschrift airco;

in het volwassenenonderwijs het diploma van koeltechnicus, het certificaat van aircotechnicus of het certificaat van koeltechnicus behaald hebben;

onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en in het bezit zijn van de kwalificatie of erkenning die in het andere gewest of in de andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte verplicht wordt gesteld voor de keuring van airconditioningsystemen als vermeld in artikel 15 van richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking);

minstens drie jaar aantoonbare ervaring hebben in onderhoud en afregelaspecten van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW. 

 

Een opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f), laat alleen personen tot de opleiding toe die voldoen aan minstens een van de bovenstaande voorwaarden.


Bijlage 14. Lijst met minimumgegevens van het certificaat als vermeld in artikel 43, §2, artikel 43/1, §3, artikel 43/2, §2, artikel 43/3, §2, artikel 43/4, §3, artikel 43/6, §3, artikel 43/7, §2, artikel 43/8, §2, artikel 43/9, §2, artikel 43/10, §2, en artikel 53/9, 3°

de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer en het e-mailadres van het opleidingscentrum;

het erkenningsnummer dat is toegekend door de Vlaamse overheid aan het opleidingscentrum;

het logo van het opleidingscentrum;

de voor- en achternaam en de geboortedatum [...] van de geslaagde persoon;

de voor- en achternaam en de handtekening van alle juryleden en van de directeur van het erkende opleidingscentrum en de handtekening van de geslaagde persoon;

in geval van een bijscholing of actualisatie-examen: de datum van de bijscholing of het actualisatie-examen;

in geval van een opleiding of examen: als een persoon voldoet aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 13/1, 14, 15, 16, 17, 17/1, 17/2, 17/3, 17/4 of 17/5: het erkenningsnummer dat toegekend wordt aan de geslaagde persoon en de aanvangsdatum van de erkenning;

in geval van een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e): de categorie van certificaat en de activiteiten die de certificaathouder op grond daarvan mag uitvoeren;

in geval van een technicus als vermeld in artikel 6, 2°, f) tot en met i), of een bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b) en c): de activiteiten die de certificaathouder mag verrichten.

Bijlage 15. Lijst met minimumgegevens voor het verslag als vermeld in artikel 43/3, §3, artikel 43/4, §4, artikel 43/6, §4, artikel 43/7, §3, artikel 43/8, §3, artikel 43/9, §3, en artikel 43/10, §3

de datum van het afgelegde examen;

een lijst van de aanwezige examenjuryleden, met vermelding van de voorzitter van de examenjury;

een aanwezigheidslijst van alle kandidaten, met hun handtekeningen;

voor elke kandidaat, de vermelding van de behaalde percentages per onderdeel van het examen en, in voorkomend geval, het totaalpercentage;

de voor- en achternaam, de geboortedatum en -plaats, het rijksregisternummer, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de geslaagde persoon;

de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer en het e-mailadres van de werkgever van de geslaagde kandidaat;

in voorkomend geval, onregelmatigheden of bijzonderheden over het examen;

in geval van een bijscholing of actualisatie-examen: de datum van de bijscholing of het actualisatie-examen;

in geval van een opleiding of examen: als een persoon voldoet aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 13/1, 14, 15, 16, 17, 17/1, 17/2, 17/3, 17/4 of 17/5: het erkenningsnummer dat toegekend wordt aan de geslaagde persoon en de aanvangsdatum van de erkenning;

10°

in geval van een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e): de categorie van certificaat.


Bijlage 16. Inhoud van de algemene opleiding en bijscholing, vermeld in artikel 25/3, 1°, b), en artikel 53/6, 2° en 3°

De programma's van de algemene opleiding en bijscholing beantwoorden ten minste aan de volgende voorwaarden:

ze zijn zo opgevat dat ze de kandidaat in staat stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van het geheel van de decretale en reglementaire taken;

ze omvatten ten minste:

  • 16 uur theoretisch onderricht en 8 uur praktisch onderricht voor de algemene opleiding;
  • 4 uur theoretisch onderricht en 4 uur praktisch onderricht voor een bijscholing.

In de algemene opleiding komen, als dat relevant is, de volgende onderwerpen aan bod:

wetgeving:

 

a)

titel I en II van het VLAREM met betrekking tot de werken, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het VLAREL;

 

b)

het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en de uitvoeringsbesluiten ervan met betrekking tot de werken, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het VLAREL;

 

c)

VLAREL met betrekking tot boorbedrijven;

de verschillende boortechnieken;

de bediening en werking van de machines;

(hydro)geologie;

geotechniek;

de monsternames;

de afwerking van pomp- en peilputten en boringen;

het buiten gebruik stellen van pomp- en peilputten en boringen;

het boorverslag;

10°

informatiebronnen.

 

De bijscholing bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten van de algemene opleiding, rekening houdend met de evolutie van de regelgeving en de technieken, en de disciplines waarvoor het boorbedrijf erkend is.


Bijlage 17. Programma van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen

Het programma van de aanvullende vorming beantwoordt ten minste aan de volgende voorwaarden:

 

a)

het programma is zo opgevat dat het de kandidaat in staat stelt de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven met betrekking tot de taken van de bodemsaneringsdeskundige, vermeld in

artikel 6, 6°;

 

b)

het programma wordt opgesplitst in de volgende twee modules:

PROGRAMMA-INHOUD

Module 1. Relevante milieuwetgeving in verband met bodem, de standaardprocedure 'oriënterend bodemonderzoek', de standaardprocedures en codes van goede praktijk inzake het grondverzet, en het compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en Bodemdecreet, afgekort CMA

1.1. Relevante milieuwetgeving in verband met bodem

Kennis van de volgende wetgeving:

1° het Bodemdecreet en het VLAREBO;

2° de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

3° de bepalingen over verminderde milieuheffing van de afvalstoffenreglementering;

4° de bepalingen van het VLAREL met betrekking tot de erkenning als bodemsaneringsdeskundige.

 

1.2. Standaardprocedure 'oriënterend bodemonderzoek'

Inhoudelijk vertrouwd raken met de standaardprocedure 'oriënterend bodemonderzoek'. Een oriënterend bodemonderzoek correct kunnen uitvoeren en erover rapporteren.

1.3. Standaardprocedures en codes van goede praktijk inzake het grondverzet

Kennis van de wettelijke bepalingen inzake de grondverzetsregeling. Het inhoudelijk vertrouwd raken met de bestaande standaardprocedures en codes van goede praktijk zodat de verschillende studies en verslagen correct kunnen worden uitgevoerd en gerapporteerd:

1° standaardprocedure 'studie van de ontvangende grond';

2° standaardprocedure 'opmaak van een technisch verslag'.

1.4. Het CMA wat betreft de monsterneming in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan

Module 2. Overige standaardprocedures en codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan

2.1. De overige standaardprocedures

Inhoudelijk vertrouwd raken met de bestaande standaardprocedures zodat de verschillende bodemonderzoeken en projecten correct kunnen worden uitgevoerd en gerapporteerd:

1° standaardprocedure 'beschrijvend bodemonderzoek';

2° standaardprocedure 'oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek';

3° standaardprocedure 'bodemsaneringsproject';

4° standaardprocedure 'beperkt bodemsaneringsproject';

5° standaardprocedure 'bodemsaneringswerken, eindevaluatieonderzoek en nazorg'.

2.2. De overige codes van goede praktijk

Inhoudelijk vertrouwd raken met de belangrijkste elementen van de verschillende door de OVAM opgestelde en gepubliceerde codes van goede praktijk.

 

 

c)

het programma omvat ten minste 30 uur voor module 1 en 30 uur voor module 2. Beide modules van de aanvullende vorming kunnen afzonderlijk worden gevolgd; 

Beide modules van de aanvullende vorming worden afgesloten met een examen. Een persoon die slaagt voor het examen, krijgt een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen voor de overeenstemmende module. In afwijking daarvan krijgen de personen, vermeld in artikel 103/2 en 103/3, na het volgen van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen een getuigschrift van de aanvullende vorming voor de gevolgde module.

 

Een persoon die het onderricht van module 1 van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen heeft gevolgd, kan deelnemen aan het examen voor module 1.

 

Een persoon die het onderricht van module 2 van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen heeft gevolgd, kan deelnemen aan het examen voor module 2 als hij in het bezit is van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1.

In afwijking van punt 2° worden de personen, vermeld in artikel 53/4, §3, artikel 103/2 en 103/3, door de erkende opleidingscentra toegelaten om deel te nemen aan het examen van de overeenstemmende module zonder dat ze voorafgaandelijk het onderricht van de modules hebben gevolgd.

 


Bijlage 18. Retributies voor de behandeling van de aanvraag en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu

A. Retributie voor de behandeling van de aanvraag tot erkenning

 

categorie erkenning

bedrag

deskundigen

- milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen

- milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie

- milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen

- MER-deskundige

a) voor een eerste discipline

b) per bijkomende discipline

- VR-deskundige

 

500 euro

500 euro

500 euro

 

500 euro

125 euro

500 euro

milieucoördinatoren en milieuverificateurs

- milieucoördinatoren

 

250 euro

bodemsaneringsdeskundigen

a) type 1

b) type 2

 

250 euro

500 euro

bedrijven

- boorbedrijf

a) voor een eerste discipline

b) per bijkomende discipline

- bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur

 

 

500 euro

125 euro

500 euro

 

 

B. Retributie voor de uitoefening van het toezicht op de erkenning

 

categorie erkenning

bedrag

deskundigen

- milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen

- milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie

- milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen

- MER-deskundige

a) voor een eerste discipline

b) per bijkomende discipline

- VR-deskundige

- airco-energiedeskundige

 

500 euro

500 euro

500 euro

 

500 euro

125 euro

500 euro

125 euro

technici:

- technicus vloeibare brandstof

- technicus gasvormige brandstof

- technicus verwarmingsaudit

- technicus stookolietanks

- koeltechnicus

- technicus voor brandbeveiligingsapparatuur

- technicus voor elektrische schakelinrichtingen

- technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat

- technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen

 

125 euro

125 euro

125 euro

125 euro

125 euro

125 euro

125 euro

125 euro

30 euro

milieucoördinatoren en milieuverificateurs

- milieucoördinatoren

- milieuverificateurs

 

250 euro

250 euro

bodemsaneringsdeskundigen

a) type 1

b) type 2

 

250 euro

500 euro

bedrijven

- boorbedrijf

a) voor een eerste discipline

b) per bijkomende discipline

- koeltechnisch bedrijf

- bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur

 

 

500 euro

125 euro

500 euro

500 euro

 


Bijlage 19. Identificatiegegevens als vermeld in artikel 27, §2, 1°, a), en artikel 32

in geval van een natuurlijke persoon:
  a) de voor- en achternaam;
  b) het privéadres;
  c) het rijksregisternummer;
  d) in voorkomend geval, de naam, de rechtsvorm, het ondernemingsnummer en het adres van de werkgever;
  e) de contactgegevens van de aanvrager;
  f) als de erkenningsaanvraag uitgaat van een natuurlijke persoon die een zelfstandig beroep uitoefent: het ondernemingsnummer;
     
in geval van een rechtspersoon:
  a) de naam;
  b) de rechtsvorm van de rechtspersoon die de aanvraag indient of namens wie ze wordt ingediend;
  c) het adres van de maatschappelijke zetel;
  d) het ondernemingsnummer;
  e) de identificatiegegevens van de personeelsleden en de erkenningen of beroepskwalificaties die ze bezitten;
  f) de identificatiegegevens van de bestuurders.

Bijlage 20. Lijst van de apparatuur, instrumenten en materialen die ten minste aanwezig zijn voor het afnemen van het praktische examen, vermeld in artikel 43/6, §6

 

cat. I

cat. II

cat. III

cat. IV

onderdelen van de koelinstallatie:

-  compressor

-  condensor

-  koelmiddelreservoir

-  filter of droger

-  elektromagnetisch ventiel

-  thermostatisch expansieventiel

-  verdamper

-  afsluitklep

-  veiligheids-, meet- en regelapparatuur: manometers, pressostaten en thermostaten

X

X

X

X

-  manifold en soepele verbindingen

X

X

X

 

-  recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt

X

X

X

 

-  koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen

X

X

X

 

-  tweetrapsvacuümpomp

X

X

 

 

-  weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 10 g

X

X

X

 

-  vacuümmeter

X

X

 

 

-  elektronische lekdetector met een detectie­grens van ten minste 5 g/jaar

X

X

 

X

-  zeepoplossing of een vergelijkbaar product

X

X

 

X

-  cilinder of een netwerk met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van een reduceer­ventiel en een debietregelaar

X

X

 

 

-  verbindingselementen, leidingen en dichtingen

X

X

 

 

-  snijgereedschap voor koperleidingen

X

X

 

 

-  ontbramer

X

X

 

 

-  buigapparaat of -tang

X

X

 

 

-  hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen en soepele verbindingen

X

X

 

 

-  aanhechtingsmateriaal voor hardsolderen

X

X

 

 

-  fosforbevattend aanhechtingsmateriaal met 5% zilver

X

X

 

 

-  beitsmiddel of reinigingsproduct

X

X

 

 

-  handgereedschap: sleutels, schroevendraaiers en tangen

X

X

X

 

-  digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer

X

X

 

 


Bijlage 21. Minimale technische uitrusting als vermeld in artikel 53/7, 7°

 

cat. I

cat. II

cat. III

cat. IV

manifold met soepele verbindingen

X

X

X

 

recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt

X

X

X

 

koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen

X

X

X

 

tweetrapsvacuümpomp

X

X

 

 

weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,01 kg voor koelmiddel­cilinders met een inhoud aan koelmiddel die kleiner is dan 30 kg, met een aanwijsnauw­keurigheid van minimaal 0,1 kg voor koelmiddelcilinders met een koelmiddel­inhoud die groter is dan of gelijk is aan 30 kg, en met een minimale aanwijsnauw­keurigheid van 0,3% van de koelmiddel­inhoud van de koelmiddelcilinder voor koelmiddelcilinders met een inhoud vanaf 300 kg

X

X

X

 

vacuümmeter

X

X

 

 

elektronische lekdetector met een lekdetectiegevoeligheid van ten minste 5 g/jaar

X

X

 

X

zeepoplossing of een vergelijkbaar product

X

X

 

 

cilinder met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van reduceerventiel en debietmeter

X

X

 

 

digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer

X

X

 

 

hardsoldeerinstallatie met gasdruk­regelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen

X

X

 

 

elektrische multimeter

X

X

 

 

ampèremeter

X

X

 

 


Bijlage 22. Lijst met minimumgegevens voor het overzicht van de koeltechnische bedrijven die met gunstig gevolg gekeurd zijn als vermeld in artikel 53/9, 4°

de naam van het bedrijf;
de rechtsvorm van het bedrijf;
het adres van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetels;
het ondernemingsnummer en het vestigingsnummer;
het telefoonnummer van het bedrijf;
het e-mailadres van het bedrijf;
de voor- en achternaam van de directeur van het bedrijf;
de voor- en achternaam, de geboortedatum en -plaats, het certificaatnummer en de categorie van de koeltechnici;
het erkenningsnummer dat toegekend wordt aan het bedrijf en de aanvangsdatum van de erkenning.