Art. 8.

§ 1

Wanneer als gevolg van maatregelen, genomen in uitvoering van artikel 3, 3°, van dit decreet gebouwen, inrichtingen of kunstwerken moeten worden gewijzigd of gesloopt of wanneer werken, werkzaamheden of wijzigingen in of op de bodem of de ondergrond moeten stopgezet, beperkt, omgeschakeld of in de oorspronkelijke staat hersteld worden, is de eigenaar of exploitant er slechts toe gehouden deze verplichting na te komen, wanneer diegene, aan wie de bescherming ten goede komt, hierom verzoekt.


In dit geval wordt de rechtstreekse materiėle schade, die door de eigenaar of de exploitant wordt geleden, vergoed ten laste van diegene aan wie de bescherming ten goede komt.

 

§ 2

De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op de gebouwen, inrichtingen, kunstwerken en werkzaamheden, alsmede de wijzigingen in of op de bodem of de ondergrond, die bestaan of uitgeoefend worden op het ogenblik dat het in artikel 7 van dit decreet bepaalde openbaar onderzoek wordt ingesteld en voor zover ze op dat ogenblik beantwoorden aan alle geldende wettelijke en reglementaire beschikkingen ter zake.

 

§ 3

Het recht op vergoeding bedoeld in § 1 van dit artikel ontstaat slechts vanaf het ogenblik dat diegene aan wie de bescherming ten goede komt, de eigenaar of exploitant per aangetekend schrijven verzoekt om wijziging of sloping van de gebouwen, inrichtingen of kunstwerken of om de stopzetting, beperking of omschakeling van werken of werkzaamheden of om het herstel in de oorspronkelijke staat van wijzigingen in de grond of de ondergrond, vermeld in § 2 van dit artikel.

 

§ 4

Op straffe van verval, dient de vordering tot schadevergoeding, bepaald in dit artikel, te worden ingediend binnen drie jaar na het in § 3 bedoelde verzoek.