Habitatrichtlijn
Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,
Overwegende dat behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, met inbegrip van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, een wezenlijk doel van algemeen belang is waarnaar de Gemeenschap overeenkomstig artikel 130 R van het Verdrag streeft;
Overwegende dat in het milieuactieprogramma van de Gemeenschap (1987-1992) op natuurbehoud en bescherming van de natuurlijke rijkdommen gerichte maatregelen worden aangekondigd;
Overwegende dat deze richtlijn bijdraagt tot het algemene doel van een duurzame ontwikkeling, aangezien zij tot hoofddoel heeft, met inachtneming van de vereisten op economisch, sociaal, cultureel en regionaal gebied, het behoud van de biologische diversiteit te bevorderen; dat het behoud van deze biologische diversiteit in bepaalde gevallen de instandhouding en ook de aanmoediging van menselijke activiteiten kan vereisen;
Overwegende dat de natuurlijke habitats op het Europese grondgebied van de Lid-Staten steeds meer achteruitgaan en dat een toenemend aantal wilde soorten ernstig bedreigd is; dat het noodzakelijk is op communautair niveau maatregelen te nemen voor de instandhouding van de bedreigde habitats en soorten, aangezien deze tot het natuurlijk erfgoed van de Gemeenschap behoren en de bedreiging voor hun voortbestaan vaak van grensoverschrijdende aard is;
Overwegende dat het noodzakelijk is bepaalde typen natuurlijke habitats en bepaalde soorten wegens de bedreigingen waaraan zij zijn blootgesteld, als prioritair aan te merken, ten einde een snelle tenuitvoerlegging van maatregelen voor hun instandhouding te bevorderen;
Overwegende dat er speciale beschermingszones moeten worden aangewezen om volgens een welbepaald tijdschema een coherent Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen, ten einde het herstel of de handhaving van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te waarborgen;
Overwegende dat alle aangewezen zones, inclusief die welke in het kader van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake de instandhouding van wilde vogels als speciale beschermingszone zijn aangewezen of in de toekomst zullen zijn aangewezen, in het coherente Europese ecologische netwerk moeten worden geïntegreerd;
Overwegende dat in elke aangewezen zone, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de nodige maatregelen in de praktijk moeten worden gebracht;
Overwegende dat de gebieden die in aanmerking komen voor aanwijzing als speciale beschermingszones, door de Lid-Staten worden voorgesteld, doch dat er niettemin een procedure moet worden ingesteld om in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid te openen dat er een gebied wordt aangewezen dat niet door een Lid-Staat is voorgesteld doch dat de Gemeenschap voor de handhaving of het voortbestaan van een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort van essentieel belang acht;
Overwegende dat elk plan of programma dat een significant effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een aangewezen gebied of een gebied dat in de toekomst aangewezen zal zijn, op passende wijze moet worden beoordeeld;
Overwegende dat erkend wordt dat de vaststelling van maatregelen ter bevordering van het behoud van de prioritaire natuurlijke habitats en het voortbestaan van prioritaire soorten van communautair belang een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle Lid-Staten is; dat zulks voor sommige Lid-Staten echter tot buitensporige financiële lasten kan leiden, aangezien die habitats en soorten ongelijkmatig over de Gemeenschap zijn verspreid en het beginsel dat de vervuiler betaalt in het speciale geval van natuurbescherming slechts in beperkte mate kan worden toegepast;
Overwegende dat derhalve overeengekomen is dat in dit uitzonderlijke geval moet worden voorzien in een bijdrage door communautaire cofinanciering binnen de grenzen van de middelen die uit hoofde van de besluiten van de Gemeenschap beschikbaar worden gesteld;
Overwegende dat het beheer van landschapselementen en -structuren die van groot belang zijn voor de wilde flora en fauna in het kader van het ruimtelijke-ordenings- en ontwikkelingsbeleid moet worden aangemoedigd;
Overwegende dat er een systeem moet worden gecreëerd voor toezicht op de staat van instandhouding van de in deze richtlijn bedoelde natuurlijke habitats en soorten;
Overwegende dat er in aanvulling op Richtlijn 79/409/EEG een algemeen stelsel moet worden opgezet voor de bescherming van bepaalde soorten flora en fauna; dat er voor bepaalde soorten beheersmaatregelen moeten worden genomen, indien hun staat van instandhouding zulks rechtvaardigt, inclusief het verbieden van bepaalde methoden voor het vangen of doden, waarbij onder bepaalde voorwaarden wordt voorzien in de mogelijkheid tot ontheffingen;
Overwegende dat de Commissie op gezette tijden een samenvattend verslag zal opstellen dat onder meer is gebaseerd op de door de Lid-Staten verstrekte gegevens over de toepassing van de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, ten einde het toezicht op de stand van uitvoering van de richtlijn te waarborgen;
Overwegende dat de verbetering van de wetenschappelijke en technische kennis onontbeerlijk is voor de toepassing van deze richtlijn, en dat het daartoe benodigde onderzoek en wetenschappelijke werk derhalve dienen te worden, aangemoedigd;
Overwegende dat de bijlagen in verband met de vooruitgang van wetenschap en techniek moeten kunnen worden aangepast; dat er een procedure dient te worden ingesteld voor wijziging van de bijlagen door de Raad;
Overwegende dat er een regelgevend comité moet worden ingesteld om de Commissie bij te staan bij de toepassing van deze richtlijn en met name bij de besluitvorming over de communautaire co-financiering;
Overwegende dat er aanvullende maatregelen moeten worden getroffen ter reglementering van het reïntroduceren van bepaalde inheemse plante- of diersoorten en het eventueel introduceren van niet-inheemse soorten;
Overwegende dat verbetering van de kennis en algemene informatie omtrent de doelstellingen van deze richtlijn onontbeerlijk zijn om een doeltreffende uitvoering te waarborgen,
(...)


Definities


Artikel 1.
In deze richtlijn wordt verstaan onder
a)
instandhouding: een geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantesoorten in een gunstige staat van instandhouding als bedoeld in de letters e) en i);
b)
natuurlijke habitats: land- of waterzones met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken, en die zowel geheel natuurlijk als halfnatuurlijk kunnen zijn;
c)
typen natuurlijke habitats van communautair belang: habitats die op het in artikel 2 bedoelde grondgebied:
i)
gevaar lopen in hun natuurlijke verspreidingsgebied te verdwijnen;
of
ii)
een beperkt natuurlijk verspreidingsgebied hebben ten gevolge van hun achteruitgang of wegens hun intrinsiek beperkte areaal;
of
iii)
[opmerkelijke voorbeelden zijn van één of meer van de volgende negen biogeografische regio's: Alpiene gebied, Atlantische zone, Zwarte-Zeegebied, boreale zone, continentale zone, Macaronesië, Middellandse-Zeegebied, Pannonisch gebied en steppegebied.]
Deze typen habitats zijn of kunnen worden opgenomen in bijlage I;
d)
prioritaire typen natuurlijke habitats: op het in artikel 2 bedoelde grondgebied voorkomende typen natuurlijke habitats die gevaar lopen te verdwijnen en voor welker instandhouding de Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op het in artikel 2 bedoelde grondgebied ligt. Deze prioritaire typen natuurlijke habitats zijn in bijlage I met een sterretje (*) gemerkt;
e)
staat van instandhouding van een natuurlijke habitat: de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied.
De “staat van instandhouding” van een natuurlijke habitat wordt als “gunstig” beschouwd wanneer:
het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i);
f)
habitat van een soort: een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft;
g)
soorten van communautair belang: soorten die op het in artikel 2 bedoelde grondgebied:
i)
bedreigd zijn, uitgezonderd de soorten waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied slechts een marginaal gedeelte van dat grondgebied beslaat en die in het west-palearctische gebied niet bedreigd of kwetsbaar zijn of
ii)
kwetsbaar zijn, dat wil zeggen waarvan het waarschijnlijk wordt geacht dat zij in de naaste toekomst bij voortbestaan van de bedreigende factoren zullen overgaan naar de categorie van bedreigde soorten, of
iii)
zeldzaam zijn, dat wil zeggen waarvan de populaties van kleine omvang zijn en die, hoewel zij momenteel noch bedreigd noch kwetsbaar zijn, in die situatie dreigen te komen. Deze soorten leven in geografische gebieden die van beperkte omvang zijn, of zijn over een grotere oppervlakte versnipperd, of
iv)
endemisch zijn en bijzondere aandacht vereisen wegens het specifieke karakter van hun habitat en/of de potentiële gevolgen van hun exploitatie voor hun staat van instandhouding.
Deze soorten zijn of kunnen worden opgenomen in bijlage II en/of IV of V;
h)
prioritaire soorten: de in letter g), onder i), bedoelde soorten voor welker instandhouding de Gemeenschap bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op het in artikel 2 bedoelde grondgebied ligt. Deze prioritaire soorten zijn in bijlage II met een sterretje (*) gemerkt;
i)
staat van instandhouding van een soort: het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het in artikel 2 bedoelde grondgebied.
De “staat van instandhouding” wordt als “gunstig” beschouwd wanneer:
uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en
het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en
er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
j)
gebied: een geografisch bepaalde zone, waarvan de oppervlakte duidelijk is afgebakend;
k)
gebied van communautair belang: een gebied dat er in de biogeografische regio of regio's waartoe het behoort, significant toe bijdraagt een type natuurlijke habitat van bijlage I of een soort van bijlage II in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen en ook significant kan bijdragen tot de coherentie van het in artikel 3 bedoelde Natura 2000-netwerk, en/of significant bijdraagt tot de instandhouding van de biologische diversiteit in de betrokken biogeografische regio of regio's.
Voor de diersoorten met een zeer groot territorium komen de gebieden van communautair belang overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn;
l)
speciale beschermingszone: een door de Lid-Staten bij een wettelijk, bestuursrechtelijk en/of op een overeenkomst berustend besluit aangewezen gebied van communautair belang waarin de instandhoudingmaatregelen worden toegepast die nodig zijn om de natuurlijke habitats en/of de populaties van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen;
m)
specimen: elk dier of elke plant, levend of dood, van de in de bijlagen IV en V genoemde soorten, elk deel van een dier of plant van deze soorten of elk daaruit verkregen produkt, alsmede alle andere goederen, voor zover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van dieren of planten van deze soorten of daaruit verkregen produkten;
n)
comité: het bij artikel 20 ingestelde comité.

Art. 2.

1

Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.

2

De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.

3

In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.


Instandhouding van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten


Art. 3.

1

Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen.
Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG aangewezen speciale beschermingszones.

2

Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.

3

Waar zij zulks nodig achten, streven de Lid-Staten naar bevordering van de ecologische coherentie van Natura 2000 door het handhaven en in voorkomend geval ontwikkelen van de in artikel 10 genoemde landschapselementen die van primair belang zijn voor de wilde flora en fauna.

Art. 4.

1

Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurljike verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.

2

Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere Lid-Staat voor elk van de [negen] in artikel 1, letter c) onder iii), genoemde biogeografische regio's en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de Lid-Staten een ontwerplijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen.
De Lid-Staten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast.
De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21.

3

De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld.

4

Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging.

5

Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4.

Art. 5.

1

In uitzonderlijke gevallen, wanneer de Commissie constateert dat een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort die haar op grond van relevante en betrouwbare wetenschappelijke informatie onontbeerlijk lijkt voor het behoud van dat prioritaire type natuurlijke habitat of het voortbestaan van die prioritaire soort, ontbreekt op een nationale lijst als bedoeld in artikel 4, lid 1, wordt een procedure voor bilateraal overleg tussen deze Lid-Staat en de Commissie geopend om de door beide partijen gebruikte wetenschappelijke gegevens te vergelijken.

2

Indien het meningsverschil na een overlegperiode van ten hoogste zes maanden niet is opgelost, zendt de Commissie de Raad een voorstel toe betreffende de selectie van dat gebied als gebied van communautair belang.

3

De Raad spreekt zich binnen drie maanden na de indiening van het voorstel met eenparigheid van stemmen uit.

4

Gedurende de overlegperiode en in afwachting van een besluit van de Raad is het betrokken gebied onderworpen aan de bepalingen van artikel 6, lid 2.

Art. 6.

1

De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.

2

De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.

3

Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

4

Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.

Art. 7.
De uit artikel 6, leden 2, 3 en 4, voortvloeiende verplichtingen komen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste zin, van Richtlijn 79/409/EEG, voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de onderhavige richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een Lid-Staat overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG, indien deze datum later valt.

Art. 8.

1

Samen met hun voorstellen voor gebieden die vermoedelijk zullen worden aangewezen als speciale beschermingszones met prioritaire typen natuurlijke habitats en/of prioritaire soorten, doen de Lid-Staten de Commissie in voorkomend geval hun ramingen toekomen betreffende de communautaire co-financiering die zij nodig achten om aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 1, te kunnen voldoen.

2

In overeenstemming met elke betrokken Lid-Staat stelt de Commissie vast welke maatregelen voor gebieden van communautair belang waarvoor om co-financiering is verzocht, van essentieel belang zijn voor het behoud of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de prioritaire typen natuurlijke habitats en prioritaire soorten in de betrokken gebieden en wat de totale kosten van die maatregelen zijn.

3

De Commissie maakt in overeenstemming met de betrokken Lid-Staat een raming van de financiering, inclusief co-financiering, die voor de uitvoering van de in lid 2 bedoelde maatregelen nodig is en houdt daarbij onder andere rekening met de concentratie van prioritaire natuurlijke habitats en/of prioritaire soorten op het grondgebied van die Lid-Staat en met de relatieve lasten die de benodigde maatregelen met zich brengen.

4

De Commissie stelt aan de hand van de in de leden 2 en 3 bedoelde raming, rekening houdend met de financieringsbronnen die uit hoofde van de relevante communautaire instrumenten beschikbaar zijn, volgens de procedure van artikel 21, een prioritair actiekader vast van voor co-financiering in aanmerking komende maatregelen die genomen moeten worden wanneer het gebied overeenkomstig artikel 4, lid 4, wordt aangewezen.

5

De maatregelen die bij gebrek aan voldoende middelen niet in het actiekader zijn opgenomen, worden, evenals de maatregelen van bovengenoemd actiekader die niet voor de noodzakelijke co-financiering of slechts voor een gedeeltelijke co-financiering in aanmerking zijn gekomen, overeenkomstig de procedure van artikel 21 in het kader van de om de twee jaar plaatsvindende herziening van het actiekader opnieuw bezien en kunnen in afwachting van deze herziening door de Lid-Staten worden uitgesteld. Bij deze herziening wordt in voorkomend geval rekening gehouden met de nieuwe situatie in het betrokken gebied.

6

In gebieden waarin de maatregelen die afhangen van co-financiering zijn uitgesteld, onthouden de Lid-Staten zich van alle nieuwe maatregelen die wellicht tot achteruitgang van die gebieden zullen leiden.

Art. 9.
De Commissie evalueert volgens de procedure van artikel 21 periodiek de bijdrage van Natura 2000 tot de verwezenlijking van de in de artikelen 2 en 3 genoemde doelstellingen. In dit verband kan, wanneer de natuurlijke ontwikkeling, zoals die blijkt uit het in artikel 11 bedoelde toezicht, dat rechtvaardigt, worden overwogen om een speciale beschermingszone haar status te ontnemen.

Art. 10.
Wanneer de Lid-Staten zulks in verband met hun ruimtelijke-ordeningsbeleid en hun ontwikkelingsbeleid nodig achten, en met name om Natura 2000 ecologisch meer coherent te maken, streven zij ernaar een adequaat beheer te bevorderen van landschapselementen die van primair belang zijn voor de wilde flora en fauna.
Het gaat daarbij om elementen die door hun lineaire en continue structuur (zoals waterlopen met hun oevers of traditionele systemen van terreinbegrenzing) of hun verbindingsfunctie (zoals vijvers of bosjes) essentieel zijn voor de migratie, de geografische verdeling en de genetische uitwisseling van wilde soorten.

Art. 11.
De Lid-Staten zien toe op de staat van instandhouding van de in artikel 2 bedoelde soorten en natuurlijke habitats, waarbij zij bijzondere aandacht schenken aan de prioritaire typen natuurlijke habitats en de prioritaire soorten.


Bescherming van de soorten


Art. 12.

1

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
a)
het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten;
b)
het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
c)
het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur;
d)
de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.

2

Met betrekking tot deze soorten verbieden de Lid-Staten het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens, uitgezonderd die welke reeds legaal waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.

3

De in lid 1, letters a) en b), en in lid 2 opgenomen verbodsbepalingen gelden ongeacht de levensfase waarin de in dit artikel bedoelde dieren zich bevinden.

4

De Lid-Staten stellen een systeem in van toezicht op het bij toeval vangen en doden van de diersoorten, genoemd in bijlage IV, letter a). In het licht van de verkregen gegevens verrichten de Lid-Staten de verdere onderzoekwerkzaamheden of treffen zij de instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat het bij toeval vangen en doden geen significante negatieve weerslag heeft op de betrokken soorten.

Art. 13.

1

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter b), vermelde plantesoorten, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
a)
het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van specimens van de genoemde soorten in de natuur, in hun natuurlijke verspreidingsgebied;
b)
het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens van de genoemde soorten, uitgezonderd die welke reeds legaal waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.

2

De in lid 1, letters a) en b), opgenomen verbodsbepalingen gelden ongeacht de fase van de biologische cyclus waarin de in dit artikel bedoelde planten zich bevinden.

Art. 14.

1

Indien de Lid-Staten zulks op grond van het in artikel 11 genoemde toezicht nodig achten, treffen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het aan de natuur onttrekken en de exploitatie van specimens van de in bijlage V genoemde wilde dier- en plantesoorten verenigbaar zijn met het behoud van die soorten in een gunstige staat van instandhouding.

2

Indien dergelijke maatregelen nodig worden geacht, moeten zij de voortzetting van het in artikel 11 genoemde toezicht omvatten. Voorts kunnen zij met name behelzen:
voorschriften betreffende de toegang tot bepaalde terreinen;
een tijdelijk of plaatselijk verbod op het onttrekken van specimens aan de natuur en het exploiteren van bepaalde populaties;
voorschriften omtrent de onttrekkingsperioden en/of -wijzen;
het bij de onttrekking toepassen van jacht- en visserijregels die beantwoorden aan de eisen van instandhouding;
instelling van een stelsel van onttrekkingsvergunningen of quota;
voorschriften betreffende het kopen, het verkopen, het te koop aanbieden, het in bezit hebben en het vervoeren voor verkoop van specimens;
het in gevangenschap fokken van diersoorten alsmede de kunstmatige vermeerdering van plantesoorten onder strikt gecontroleerde omstandigheden om de onttrekking van die soorten aan de natuur te verminderen;
de beoordeling van het effect van de getroffen maatregelen.

Art. 15.
Wat betreft het vangen of doden van in bijlage V, letter a), genoemde wilde diersoorten verbieden de Lid-Staten, in gevallen waarin overeenkomstig artikel 16 afwijkingen worden toegepast voor het aan de natuur onttrekken, het vangen of het doden van de in bijlage IV, letter a), genoemde soorten, alle niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van de populaties van deze soorten tot gevolg kunnen hebben, en in het bijzonder:
a)
het gebruik van de middelen voor het vangen en het doden die worden genoemd in bijlage VI, letter a);
b)
elke vorm van vangen en doden vanuit de in bijlage VI, letter b), genoemde vervoermiddelen.

Art. 16.

1

Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de. Lid-Staten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters a) en b):
a)
in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
b)
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom;
c)
in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
d)
ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
e)
ten einde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben.

2

De Lid-Staten zenden de Commissie om de twee jaar een verslag toe conform het door het comité opgestelde model over de op grond van lid 1 toegestane afwijkingen. De Commissie geeft uiterlijk binnen twaalf maanden na ontvangst van het verslag haar mening over die afwijkingen en stelt het comité daarvan op de hoogte.

3

In het verslag moet het volgende worden vermeld:
a)
voor welke soorten en om welke reden de afwijking is toegestaan, met inbegrip van de aard van het risico, met in voorkomend geval een opgave van de alternatieve oplossingen die niet zijn gekozen en van de gebruikte wetenschappelijke gegevens;
b)
welke middelen, inrichtingen of methoden mogen worden gebruikt voor het vangen of doden en om welke redenen;
c)
waar en wanneer dergelijke afwijkingen worden toegestaan;
d)
welke autoriteit de bevoegdheid heeft om te verklaren en te controleren dat aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan en om te beslissen welke middelen, inrichtingen of methoden mogen worden gebruikt, door welke diensten en binnen welke grenzen, en wie met de uitvoering belast zijn;
e)
welke controlemaatregelen er zijn genomen en welke resultaten er zijn verkregen.


Informatie


Art. 17.

1

Na afloop van de in artikel 23 bedoelde periode stellen de LidStaten om de zes jaar een verslag op over de toepassing van de in het kader van deze richtlijn genomen maatregelen. Dat verslag bevat met name informatie over de in artikel 6, lid 1, bedoelde instandhoudingsmaatregelen, alsmede een beoordeling van het effect van die maatregelen op de staat van instandhouding van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II en de voornaamste resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht. Het verslag wordt in een redactie conform het door het comité opgestelde model aan de Commissie toegezonden en openbaar gemaakt.

2

De Commissie stelt op basis van de in lid 1 bedoelde verslagen een samenvattend verslag op. Dit verslag bevat een passende beoordeling van de gemaakte vorderingen en in het bijzonder van de bijdrage van Natura 2000 tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen. Het gedeelte van het ontwerpverslag dat betrekking heeft op de door een Lid-Staat verstrekte gegevens wordt ter verificatie aan de autoriteiten van die Lid-Staat toegestuurd. De eindversie van het verslag wordt, na aan het comité te zijn voorgelegd, uiterlijk twee jaar na ontvangst van de in lid 1 bedoelde verslagen gepubliceerd door de Commissie en toegezonden aan de Lid-Staten, het Europese Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité.

3

De Lid-Staten kunnen de krachtens deze richtlijn aangewezen zones aangeven door middel van daartoe door het comité ontworpen communautaire borden.


Onderzoek


Art. 18.

1

De Lid-Staten en de Commissie bevorderen onderzoek en wetenschappelijk werk dat met het oog op de in artikel 2 genoemde doelstellingen en de in artikel 11 bedoelde verplichting nodig is. Ten behoeve van een goede coördinatie van het onderzoek dat in de Lid-Staten en op communautair niveau wordt verricht, wisselen zij gegevens uit.

2

Zij besteden daarbij bijzondere aandacht aan het wetenschappelijk werk dat nodig is om uitvoering te geven aan de artikelen 4 en 10 en stimuleren het onderzoek in grensoverschrijdend samenwerkingsverband tussen de Lid-Staten.


Wijziging van de bijlagen


Art. 19.
Wijzigingen die nodig zijn om de bijlagen I, II, III, V en VI van deze richtlijn aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen, worden op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Raad vastgesteld.
Wijzigingen die nodig zijn om bijlage IV van deze richtlijn aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen, worden op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen door de Raad vastgesteld.


Comité


Art. 20.
[De Commissie wordt bijgestaan door een comité.]

Art. 21.

[1

Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

2

Het comité stelt zijn reglement van orde vast.]


Aanvullende bepalingen


Art. 22.
Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de Lid-Staten:
a)
na te gaan of herintroductie van de inheemse soorten van bijlage IV wenselijk is, wanneer die kan bijdragen tot de instandhouding van die soorten, op voorwaarde dat een onderzoek, waarbij ook rekening wordt gehouden met de ter zake in andere Lid-Staten of elders opgedane ervaring, heeft uitgewezen dat die herintroductie een doeltreffende bijdrage is tot het herstel van een gunstige staat van instandhouding voor die soorten en eerst na passende raadpleging van de belanghebbenden plaatsvindt;
b)
erop toe te zien dat de opzettelijke introductie in de vrije natuur van een soort die op hun grondgebied niet inheems is, zodanig aan voorschriften wordt gebonden dat daardoor geen schade wordt toegebracht aan de natuurlijke habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied of aan de inheemse wilde flora en fauna, en een dergelijke introductie te verbieden indien zij zulks nodig achten. De resultaten van de verrichte evaluaties worden ter informatie aan het comité gezonden;
c)
zich in te zetten voor bevolkingseducatie en algemene voorlichting aangaande de noodzaak wilde dier- en plantesoorten te beschermen en hun habitats alsmede de natuurlijke habitats in stand te houden.


Slotbepalingen


Art. 23.

1

De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2

Wanneer de Lid-Staten die bepalingen aannemen, wordt daarin of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

3

De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Art. 24.
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Bijlage I.
Typen natuurlijke habitats van communautair belang voor de instandhouding waarvan aanwijzing van speciale beschermingszones vereist is


[Interpretatie
Aanwijzigingen voor de interpretatie van habitattypes vindt men in de “Interpretation Manual of European Union Habitats” zoals goedgekeurd door het Comité opgericht volgens art. 20 (Habitat Comité) en gepubliceerd door de Europese Commissie (1) .
De code komt overeen met de code van NATURA 2000
Het ”*” teken duidt een prioritair habitattype aan.
1. KUSTHABITATS EN HALOFYTENVEGETATIES
11.
Mariene wateren en getijdengebieden
1110
Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken
1120
* Posidonia-velden (Posidonion oceanicae)
1130
Estuaria
1140
Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten
1150
* Kustlagunen
1160
Grote, ondiepe kreken en baaien
1170
Riffen
1180
Onderzeese structuren, ontstaan door het opborrelen van gassen
12.
Kliffen en keienstranden
1210
Eenjarige vloedmerkvegetatie
1220
Meerjarige vegetatie van keienstranden
1230
Klifvegetatie van de Atlantische kust en de Oostzeekust
1240
Klifvegetatie van de Middellandse-Zeekust met endemische Limonium spp.
1250
Klifvegetatie van het Macaronesisch gebied
13.
Atlantische en continentale kwelders en schorren
1310
Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten
1320
Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)
1330
Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)
1340
* Zoutmoerassen in het binnenland
14.
Mediterrane en thermo-atlantische kwelders en schorren
1410
Mediterrane schorren (Juncetalia maritimi)
1420
Mediterrane en thermo-atlantische zoutminnende struikvegetaties (Sarcocornetea fructicosi)
1430
Zout- en stikstofminnende struikvegetaties (Pegano-Salsoletea)
15.
Inlandse zout- en gipssteppen
1510
* Mediterrane zoutsteppen (Limonietalia)
1520
* Iberische gipsvegetaties (Gypsophiletalia)
1530
* Pannonische zoutsteppen en zoutmoerassen
16.
Archipels, kusten en oprijzingsgebieden van de boreale Oostzee
1610
Esker-eilanden van de Oostzee met hun zandstrand-, keienstrand-, rotskustvegetaties en de sublittorale vegetaties
1620
Eilandjes van de boreale Oostzee
1630
* Kustweiden van de boreale Oostzee
1640
Zandstranden met meerjarige vegetatie van de boreale Oostzee
1650
Smalle baaien van de boreale Oostzee
2. ZEEKUST- EN LANDDUINEN
21.
Kustduinen van de Atlantische Oceaan, de Noordzee en de Oostzee
2110
Embryonale wandelende duinen
2120
Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”)
2130
* Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”)
2140
* Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum
2150
* Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea)
2160
Duinen met Hippophaë rhamnoides
2170
Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae)
2180
Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied
2190
Vochtige duinvalleien
21A0
Machairs (* in Ierland)
22.
Kustduinen van de Middellandse Zeekust
2210
Vastgelegde kustduinen van Crucianellion maritimae
2220
Duinen met Euphorbia terracina
2230
Duingrasland van Malcolmietalia
2240
Duingrasland van Brachypodietalia en eenjarige planten
2250
* Littorale jeneverbesbosjes (Juniperus spp.)
2260
Sclerofiele duinvegetatie van het Cisto-Lavanduletalia
2270
* Duinbossen met Pinus pinea en/of Pinus pinaster
23.
Oude, ontkalkte landduinen
2310
Psammofiele heide met Calluna en Genista
2320
Psammofiele heide met Calluna en Empetrum nigrum
2330
Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen
2340
* Pannonische binnenlandse duinen
3. ZOETWATERHABITATS
31.
Stilstaande wateren
3110
Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflorae)
3120
Mineraalarme oligotrofe wateren van de zandvlakten in het westelijke Middellandse-Zeegebied met Isoetes-soorten.
3130
Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea
3140
Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties
3150
Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition
3160
Dystrofe natuurlijke poelen en meren
3170
* Niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied
3180
* Turloughs
3190
Gipskarstmeren
31A0
* Lotusvelden in warmwaterbronnen in Transsylvanië
32.
Stromende wateren – delen van waterlopen met een natuurlijke of halfnatuurlijke dynamiek (kleine, middelgrote en grote beddingen) waarvan de waterkwaliteit niet significant aangetast is
3210
Natuurlijke rivieren van Fennoscandinavië
3220
Alpiene rivieren met oevervegetatie van kruidachtige planten
3230
Alpiene rivieren met houtige oevervegetatie met Myricaria germanica
3240
Alpiene rivieren met houtige oevervegetatie met Salix elaeagnos
3250
Continu stromende mediterrane rivieren met Glaucium flavum
3260
Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion
3270
Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p.
3280
Continu stromende mediterrane rivieren behorend tot het Paspalo-Agrostidion met rivierbossen met Salix spp. en Populus alba
3290
Mediterrane rivieren met periodiek stromend water behorend tot het Paspalo-Agrostidion
32A0
Tufsteenwatervallen in karstrivieren in de Dinarische Alpen
4. HEIDE- EN STRUIKVEGETATIES VAN DE GEMATIGDE KLIMAATZONE
4010
Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix
4020
* Gematigde Zuid-Atlantische vochtige heide met Erica ciliaris en Erica tetralix
4030
Droge Europese heide
4040
* Littorale Atlantische droge heide met Erica vagans
4050
* De endemische heide van het Macaronesische gebied
4060
Alpiene en boreale heide
4070
* Duinbossen met Pinus mugo en/of Rhododendron hirsutum (Mugo-Rhododendretum hirsuti)
4080
Struikvegetaties van subarctische Salix spp.
4090
Endemische heide met Genista anglica in het montane Middellandse-Zeegebied
40A0
* Subcontinentale peri-Pannonische struikvegetatie
40B0
Potentilla fruticosa-kreupelbos in het Rhodope-gebergte
40C0
* Pontisch-Sarmatisch loofverliezend kreupelbos
5. SCLEROFIEL STRUIKGEWAS (MATORRALS)
51.
Submediterraan en gematigd struikgewas
5110
Stabiele xero-thermofiele formaties met Buxus sempervirens op rotshellingen (Berberidion p.p.)
5120
Bergformaties van Cytisus purgans
5130
Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland
5140
* Formaties van Cistus palhinhae op maritieme heide
52.
Mediterrane matorrals met boomlaag
5210
Boomvormige matorrals met Juniperus ssp.
5220
* Boomvormige matorrals met Zyziphus
5230
* Boomvormige matorrals met Laurus nobilis
53.
Thermo-mediterrane en halfsteppe-struikvegetaties
5310
Laurus nobilis-kreupelbos
5320
Lage wolfsmelkvegetaties nabij kliffen
5330
Thermo-mediterrane en halfwoestijn-struikvegetaties
54.
Phrygana-vegetaties
5410
West-mediterrane phrygana's van kliftoppen (Astralago-Plantaginetum subulatae)
5420
Sarcopoterium spinosum phryganas
5430
Endemische phrygana's van het Euphorbio-Verbascion
6. NATUURLIJKE EN HALFNATUURLIJKE GRASLANDEN
61.
Natuurlijke graslanden
6110
* Kalkminnend of basifiel grasland op rotsbodem behorend tot het Alysso-Sedion albi
6120
* Kalkminnend grasland op dorre zandbodem
6130
Grasland op zinkhoudende bodem behorend tot het Violetalia calami-nariae
6140
Silicicool grasland met Festuca eskia in de Pyreneeën
6150
Boreo-alpien silicicool grasland
6160
Oro-Iberisch grasland met Festuca indigesta
6170
Alpien en subalpien kalkminnend grasland
6180
Mesofiele Macaronesische graslanden
6190
Pannonisch grasland op rotsbodem (Stipo-Festucetalia pallentis)
62.
Halfnatuurlijke droge graslanden met struikopslag
6210
Droge half-natuurlijke graslanden en struikvormende-facies op kalkhoudende bodems (Festuco Brometalia) (*gebieden waar opmerkelijke orchideeën groeien)
6220
* Halfsteppen met grassen en eenjarige planten (Thero-Brachypodietea)
6230
* Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa)
6240
* Sub-Pannonisch steppengrasland
6250
* Pannonische steppengraslanden op loess
6260
* Pannonische steppengraslanden op zand
6270
* Soortenrijke, laaggelegen, droge tot mesofiele Fennoscandinavische graslanden
6280
* Noordse Alvar en vlakke pre-Cambrische kalkplateau's
62A0
Oostelijke submediterrane droge graslanden (Scorzoneratalia villosae)
62B0
* Cypriotisch grasland op serpentijngesteente
62C0
* Pontisch-Sarmatische steppen
62D0
Zuurminnende graslanden in het montane Moesia-gebied
63.
Sclerofiele bossen met beweiding (Dehesa's)
6310
Dehesa's met wintergroene Quercus ssp.
64.
Halfnatuurlijke vochtige graslanden met hoge kruiden
6410
Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem (Molinion caeruleae)
6420
Mediterraan vochtig grasland met hoge kruiden van het Molinion-Holoschoenion
6430
Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones
6440
Periodiek overstroomd alluviaal grasland van Cnidion dubii
6450
Alluviale Noord-boreale graslanden.
6460
Venige graslanden van Troodos
65.
Mesofiele graslanden
6510
Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)
6520
Hooiland in gebergte
6530
* Fennoscandinavische bosgraslanden
6540
Submediterraan grasland van het Molinion-Holoschoenion
7. VENEN
71.
Hoogveen
7110
* Actief hoogveen
7120
Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is
7130
Bedekkingsveen (* voor actief veen)
7140
Overgangs- en trilveen
7150
Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion
7160
Mineraalrijke bronnen en bronnen van laagvenen in Fennoscandinavië
72.
Laagveen
7210
* Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae
7220
* Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)
7230
Alkalisch laagveen
7240
* Alpiene pionierformaties van het Caricion bicoloris-atrofuscae
73.
Boreale venen
7310
* Aapa-veen
7320
* Palsa-veen
8. ROTSACHTIGE HABITATS EN GROTTEN
81.
Puinhellingen
8110
Kiezelhoudende puinhellingen van de montane tot de sneeuwzone (Androsacetalia alpinae en Galeopsietalia ladani)
8120
Kalkhoudende puinhellingen en kalkhoudende leistenen van de montane tot de alpine zone (Thlapsietea rotundifolii)
8130
Thermofiele puinhellingen van het westelijke Middellandse-Zeegebied
8140
Puinhellingen van het oostelijke Middellandse-Zeegebied
8150
Midden-Europese kiezelpuinhellingen van hooggelegen gebieden
8160
* Midden-Europese kalkpuinhellingen van het heuvelgebied tot het montaan gebied
82.
Chasmofytische vegetatie van rotshellingen
8210
Kalkhoudende rotshellingen met rotsvegetaties
8220
Kiezelhoudende rotshellingen met rotsvegetaties
8230
Kiezelhoudende rotsen met pionierformaties van het Sedo-Scleranthion, of van het Sedo albi-Veronicion dillenii
8240
* Naakte, kalkhoudende rotsbodem
83.
Overige rotsachtige habitats
8310
Niet voor publiek opengestelde grotten
8320
Lavavlakten en natuurlijke uitgravingen
8330
Geheel of gedeeltelijk onder het zeeoppervlak gelegen grotten
8340
Permanente gletsjers
9. BOSSEN
Natuurlijke en nagenoeg natuurlijke bossen van inheemse soorten. Het betreft bossen met hoog opstaande bomen, met inbegrip van struiklaag, en een typische ondergroei, die aan de volgende criteria beantwoorden: zij zijn zeldzaam of restanten en/of zij vormen het leefgebied van soorten van communautair belang
90.
Bossen van het Europese boreaal gebied
9010
* Westelijke taiga
9020
* Oude natuurlijke loofbossen van het hemi-boreale deel van Fenno-scandinavië, rijk aan epifyten (Quercus, Tillia, Acer, Fraxinus, Ulmus)
9030
* Natuurlijke bossen van de eerste fasen in de successie op geologisch omhoogrijzende kustgebieden
9040
Noordse subalpiene/subarctische bossen met Betula pubescens ssp. Czerepanovii
9050
Fennoscandinavische bossen met Picea abies met soortenrijke kruidlaag.
9060
Naaldbossen op of in nabijheid van fluvio-glaciale eskers
9070
Fennoscandinavische bosweiden
9080
* Moerasbossen van loofbomen in Fennoscandinavië.
91.
Bossen van het Europese gematigd gebied
9110
Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum
9120
Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion)
9130
Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum
9140
Midden-Europese subalpiene beukenbossen met Acer spp. en Rumex arifolius
9150
Midden-Europese kalkminnende beukenbossen behorend tot het Cephalanthero-Fagion
9160
Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haag-beukbossen behorend tot het Carpinion-betuli
9170
Eiken-haagbeukenbossen behorend tot het Galio-Carpinetum
9180
* Hellingbossen of ravijnbossen behorend tot het Tilio-Acerion
9190
Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur
91A0
Oude eikenbossen van de Britse eilanden met Ilex- en Blechnum spp.
91B0
Warmteminnende essenbossen met Fraxinus angustofolia
91C0
* De Caledonische bossen
91D0
* Veenbossen
91E0
* Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)
91F0
Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus minor, Fraxinus excelsior of Fraxinus angustifolia, langs de grote rivieren (Ulmenion minoris)
91G0
* Pannonische bossen met Quercus petraea en Carpinus betulus
91H0
* Pannonische bossen met Quercus pubescens
91I0
* Euro-Siberische steppebossen met Quercus spp.
91J0
* Bossen van de Britse eilanden met Taxus baccata
91K0
Illyrische beukenbossen (Aremonio-Fagion)
91L0
Illyrische eiken-haagbeukenbossen (Erythronio-Carpinion)
91M0
Pannonisch-Balkanese bossen met moseik en wintereik
91N0
* Pannonische kreupelbos op landduinen (Junipero-Populetum albae)
91P0
Poolse variant van het zilversparren-lariksbos (Abietetum polonicum)
91Q0
West-Karpatische kalkminnende grovedennenbossen
91R0
Dinarische grovedennenbossen op dolomietbodem (Genisto januensis-Pinetum)
91S0
* West-Pontische beukenbossen
91T0
Midden-Europese korstmos-grovedennenbossen
91U0
Sarmatisch steppe-dennenbos
91V0
Dacische beukenbossen (Symphyto-Fagion)
91W0
Beukenbossen in het Moesia-gebied
91X0
* Beukenbossen in het Dobroedzja-gebied
91Y0
Dacische eiken-haagbeukenbossen
91Z0
Bossen van zilverlinden in het Moesia-gebied
91AA
* Oostelijke witte-eikenbossen
91BA
Zilversparrenbossen in het Moesia-gebied
91CA
Grovedennenbossen in het Rhodope- en het Balkangebergte
92.
Mediterrane winterkale bossen
9210
* Beukenbossen in de Apennijnen met Taxus en Ilex
9220
* Beukenbossen in de Apennijnen met Abies alba en beukenbossen met Abies nebrodensis
9230
De Galicisch-Portugese eikenbossen met Quercus robur en Quercus pyrenaica
9240
Iberische bossen met Quercus faginea en Quercus canariensis
9250
Bossen met Quercus trojana
9260
Bossen met Castanea sativa
9270
Griekse beukenbossen met Abies borisii-regis
9280
Bossen met Quercus frainetto
9290
Cipressenbossen (Acero-Cupression)
92A0
Galerijbossen met Salix alba en Populus alba
92B0
Oeverformaties langs mediterrane waterlopen met periodiek stromend water, met Rhododendron ponticum, Salix spp. en andere
92C0
Bossen van Platanus orientalis en Liquidambar orientalis (Platanion orientalis)
92D0
Zuidelijke galerijbossen en stroombegeleidende struikvegetaties (Nerio-Tamariceteae en Securinegion tinctoriae)
93.
Mediterrane sclerofiele bossen
9310
Egeïsche bossen met Quercus brachyphylla
9320
Bossen met Olea en Ceratonia
9330
Bossen met Quercus suber
9340
Bossen met Quercus ilex en Quercus rotundifolia
9350
Bossen met Quercus macrolepis
9360
* Laurierbossen op de Macaronesische eilanden (Laurus, Ocotea)
9370
* Palmbossen met Phoenix
9380
Bossen met Ilex aquifolium
9390
* Struikgewas en lage bosvegetatie met Quercus alnifolia
93A0
Bosland met Quercus infectoria (Anagyro foetidae-Quercetum infectoriae)
94.
Naaldbossen van de gematigde bergen
9410
Zuurminnende bossen met Picea van het montane en alpiene gebied (Vaccinio-Picetea)
9420
Alpiene bossen met Larix decidua en/of Pinus cembra
9430
Montane en subalpiene bossen met Pinus uncinata (* op gips- of kalkhoudend substraat)
95.
Naaldbossen van de Mediterrane en Macaronesische bergen
9510
* Bossen van de zuidelijke Apennijnen met Abies alba
9520
Bossen met Abies pinsapo
9530
* (Sub)-mediterrane dennenbossen met endemische zwarte den
9540
Mediterrane dennenbossen van het type endemische mesogeïsche den
9550
Canarische endemische dennebossen
9560
* Endemische bossen met Juniperus spp.
9570
* Bossen met Tetraclinis articulata
9580
* Mediterrane bossen met Taxus baccata
9590
* Bossen met Cedrus brevifolia (Cedrosetum brevifoliae)
95A0
Hoge dennenbossen in het montane Middellandse-Zeegebied
]
(1)
“De Interpretation Manual of European Union Habitats, version EUR 15/2” goedgekeurd door het Habitat Comité op 4 oktober 1999 en “Amendments to the “Interpretation Manual of European Union Habitats” with a view to EU enlargement” (Hab. 01/11b-rev. 1) goedgekeurd door het Habitat Comité op 24 april 2002 na schriftelijk overleg, Europese Commissie, DG ENV.

Bijlage II.
Dieren- en plantensoorten van communautair belang voor de instandhouding waarvan aanwijzing van speciale beschermingszones vereist is


[Interpretatie

a)

Bijlage II is complementair aan bijlage I voor de realisatie van een coherent netwerk van speciale beschermingsgebieden

b)

De soorten die in deze bijlage voorkomen, worden aangeduid door:
de naam van de soort of van de ondersoort of
door de verzamelnaam van de soorten die behoren tot een hoger taxon of tot een aangegeven deel van dit taxon.
De afkorting “spp.” achter de naam van een familie of een genus dient ter aanduiding van alle soorten van deze familie of van dit genus.

c)

Symbolen
Een sterretje (*) voor de naam geeft aan dat dit een prioritaire soort is.
De meeste soorten in deze bijlage vermeld, komen in bijlage IV voor. Indien een in deze bijlage vermelde soort niet in bijlage IV of V voorkomt, staat achter de naam van die soort het teken (o). Indien een in deze bijlage vermelde soort niet in bijlage IV voorkomt maar wel in bijlage V, dan staat achter de naam van die soort het teken (V).
a) DIEREN
GEWERVELDE DIEREN
ZOOGDIEREN
INSECTIVORA
Talpidae
 
Galemys pyrenaicus
CHIROPTERA
Rhinolophidae
 
Rhinolophus blasii
 
Rhinolophus euryale
 
Rhinolophus ferrumequinum
 
Rhinolophus hipposideros
 
Rhinolophus mehelyi
Vespertilionidae
 
Barbastella barbastellus
 
Miniopterus schreibersii
 
Myotis bechsteinii
 
Myotis blythii
 
Myotis capaccinii
 
Myotis dasycneme
 
Myotis emarginatus
 
Myotis myotis
Pteropodidae
 
Rousettus aegyptiacus
RODENTIA
Gliridae
 
Myomimus roachi
Sciuridae
 
* Marmota marmota latirostris
 
* Pteromys volans (Sciuropterus russicus)
 
Spermophilus citellus (Citellus citellus)
 
* Spermophilus suslicus (Citellus suslicus)
Castoridae
 
Castor fiber (met uitzondering van de Estse, de Letse, de Litouwse, de Finse en de Zweedse populaties)
Cricetidae
 
Mesocricetus newtoni
Microtidae
 
Dinaromys bogdanovi
 
Microtus cabrerae
 
* Microtus oeconomus arenicola
 
* Microtus oeconomus mehelyi
 
Microtus tatricus
Zapodidae
 
Sicista subtilis
CARNIVORA
Canidae
 
* Alopex lagopus
 
* Canis lupus (met uitzondering van de Estse populatie; Griekse populaties: enkel bezuiden de 39e breedtegraad; Spaanse populaties: enkel die bezuiden de Duero; met uitzondering van de Letse, de Litouwse en de Finse populaties).
Ursidae
 
* Ursus arctos (met uitzondering van de Estse, de Finse en de Zweedse populaties)
Mustelidae
 
* Gulo gulo
 
Lutra lutra
 
Mustela eversmanii
 
* Mustela lutreola
 
Vormela peregusna
Felidae
 
* Lynx lynx (met uitzondering van de Estse, de Finse en de Zweedse populaties)
 
* Lynx pardinus
Phocidae
 
Halichoerus grypus (V)
 
* Monachus monachus
 
Phoca hispida bottnica (V)
 
* Phoca hispida saimensis
 
Phoca vitulina (V)
ARTIODACTYLA
Cervidae
 
* Cervus elaphus corsicanus
 
Rangifer tarandus fennicus (o)
Bovidae
 
* Bison bonasus
 
Capra aegagrus (natuurlijke populaties)
 
* Capra pyrenaica pyrenaica
 
Ovis gmelini musimon (Ovis ammon musimon) (natuurlijke populaties – Corsica en Sardinië)
 
Ovis orientalis ophion (Ovis gmelini ophion)
 
* Rupicapra pyrenaica ornata (Rupicapra rupicapra ornata)
 
Rupicapra rupicapra balcanica
 
* Rupicapra rupicapra tatrica
CETACEA
 
Phocoena phocoena
 
Tursiops truncatus
REPTIELEN
CHELONIA (TESTUDINES)
Testudinidae
 
Testudo graeca
 
Testudo hermanni
 
Testudo marginata
Cheloniidae
 
* Caretta caretta
 
* Chelonia mydas
Emydidae
 
Emys orbicularis
 
Mauremys caspica
 
Mauremys leprosa
SAURIA
Lacertidae
 
Dinarolacerta mosorensis
 
Lacerta bonnali (Lacerta monticola)
 
Lacerta monticola
 
Lacerta schreiberi
 
Gallotia galloti insulanagae
 
* Gallotia simonyi
 
Podarcis lilfordi
 
Podarcis pityusensis
Scincidae
 
Chalcides simonyi (Chalcides occidentalis)
Gekkonidae
 
Phyllodactylus europaeus
OPHIDIA (SERPENTES)
Colubridae
 
* Coluber cypriensis
 
Elaphe quatuorlineata
 
Elaphe situla
 
* Natrix natrix cypriaca
Viperidae
 
* Macrovipera schweizeri (Vipera lebetina schweizeri)
 
Vipera ursinii( met uitzondering van Vipera ursinii rakosiensis en Vipera ursinii macrops)
 
* Vipera ursinii macrops
 
* Vipera ursinii rakosiensis
AMFIBIEËN
CAUDATA
Salamandridae
 
Chioglossa lusitanica
 
Mertensiella luschani (Salamandra luschani)
 
* Salamandra aurorae (Salamandra atra aurorae)
 
Salamandrina terdigitata
 
Triturus carnifex (Triturus cristatus carnifex)
 
Triturus cristatus (Triturus cristatus cristatus)
 
Triturus dobrogicus (Triturus cristatus dobrogicus)
 
Triturus karelinii (Triturus cristatus karelinii)
 
Triturus montandoni
 
Triturus vulgaris ampelensis
Proteidae
 
* Proteus anguinus
Plethodontidae
 
Hydromantes (Speleomantes) ambrosii
 
Hydromantes (Speleomantes) flavus
 
Hydromantes (Speleomantes) genei
 
Hydromantes (Speleomantes) imperialis
 
Hydromantes (Speleomantes) strinatii
 
Hydromantes (Speleomantes) supramontis
ANURA
Discoglossidae
 
* Alytes muletensis
 
Bombina bombina
 
Bombina variegata
 
Discoglossus galganoi (inclusief Discoglossus “jeanneae”)
 
Discoglossus montalentii
 
Discoglossus sardus
Ranidae
 
Rana latastei
Pelobatidae
 
* Pelobates fuscus insubricus
VISSEN
PETROMYZONIFORMES
Petromyzonidae
 
Eudontomyzon spp. (o)
 
Lampetra fluviatilis (V) (met uitzondering van de Finse en de Zweedse populaties)
 
Lampetra planeri (o) (met uitzondering van de Estse, de Finse en de Zweedse populaties)
 
Lethenteron zanandreai (V)
 
Petromyzon marinus (o) (met uitzondering van de Zweedse populaties) ACIPENSERIFORMES
Acipenseridae
 
* Acipenser naccarii
 
* Acipenser sturio
CLUPEIFORMES
Clupeidae
 
Alosa spp. (V)
SALMONIFORMES
Salmonidae
 
Hucho hucho (natuurlijke populaties) (V)
 
Salmo macrostigma (o)
 
Salmo marmoratus (o)
 
Salmo salar (enkel in zoetwater) (V) (met uitzondering van de Finse populaties)
Coregonidae
 
* Coregonus oxyrhynchus (anadrome populaties in bepaalde sectoren van de Noordzee)
Umbridae
 
Umbra krameri (o)
CYPRINIFORMES
Cyprinidae
 
Alburnus albidus (o) (Alburnus vulturius)
 
Aulopyge huegelii (o)
 
Anaecypris hispanica
 
Aspius aspius (V) (met uitzondering van de Finse populaties)
 
Barbus comiza (V)
 
Barbus meridionalis (V)
 
Barbus plebejus (V)
 
Chalcalburnus chalcoides (o)
 
Chondrostoma genei (o)
 
Chondrostoma knerii (o)
 
Chondrostoma lusitanicum (o)
 
Chondrostoma phoxinus (o)
 
Chondrostoma polylepis (o) (met inbegrip van C. willkommi)
 
Chondrostoma soetta (o)
 
Chondrostoma toxostoma (o)
 
Gobio albipinnatus (o)
 
Gobio kessleri (o)
 
Gobio uranoscopus (o)
 
Iberocypris palaciosi (o)
 
* Ladigesocypris ghigii (o)
 
Leuciscus lucumonis (o)
 
Leuciscus souffia (o)
 
Pelecus cultratus (V)
 
Phoxinellus spp. (o)
 
* Phoxinus percnurus
 
Rhodeus sericeus amarus (o)
 
Rutilus pigus (V)
 
Rutilus rubilio (o)
 
Rutilus arcasii (o)
 
Rutilus macrolepidotus (o)
 
Rutilus lemmingii (o)
 
Rutilus frisii meidingeri (V)
 
Rutilus alburnoides (o)
 
Scardinius graecus (o)
 
Squalius microlepis (o)
 
Squalius svallize (o)
Cobitidae
 
Cobitis elongata (o)
 
Cobitis taenia (o) (met uitzondering van de Finse populaties)
 
Cobitis trichonica (o)
 
Misgurnus fossilis (o)
 
Sabanejewia aurata (o)
 
Sabanejewia larvata (o) (Cobitis larvata en Cobitis conspersa)
SILURIFORMES
Siluridae
 
Silurus aristotelis (V)
ATHERINIFORMES
Cyprinodontidae
 
Aphanius iberus (o)
 
Aphanius fasciatus (o)
 
* Valencia hispanica
 
* Valencia letourneuxi (Valencia hispanica)
PERCIFORMES
Percidae
 
Gymnocephalus baloni
 
Gymnocephalus schraetzer (V)
 
* Romanichthys valsanicola
 
Zingel spp. ((o) met uitzondering van Zingel asper en Zingel zingel (V))
Gobiidae
 
Knipowitschia croatica (o)
 
Knipowitschia (Padogobius) panizzae (o)
 
Padogobius nigricans (o)
 
Pomatoschistus canestrini (o)
SCORPAENIFORMES
Cottidae
 
Cottus gobio (o) (met uitzondering van de Finse populaties)
 
Cottus petiti (o)
ONGEWERVELDE DIEREN
GELEEDPOTIGEN
CRUSTACEA
Decapoda
 
Austropotamobius pallipes (V)
 
* Austropotamobius torrentium (V)
Isopoda
 
* Armadillidium ghardalamensis
INSECTA
Coleoptera
 
Agathidium pulchellum (o)
 
Bolbelasmus unicornis
 
Boros schneideri (o)
 
Buprestis splendens
 
Carabus hampei
 
Carabus hungaricus
 
* Carabus menetriesi pacholei
 
* Carabus olympiae
 
Carabus variolosus
 
Carabus zawadszkii
 
Cerambyx cerdo
 
Corticaria planula (o)
 
Cucujus cinnaberinus
 
Dorcadion fulvum cervae
 
Duvalius gebhardti
 
Duvalius hungaricus
 
Dytiscus latissimus
 
Graphoderus bilineatus
 
Leptodirus hochenwarti
 
Limoniscus violaceus (o)
 
Lucanus cervus (o)
 
Macroplea pubipennis (o)
 
Mesosa myops (o)
 
Morimus funereus (o)
 
* Osmoderma eremita
 
Oxyporus mannerheimii (o)
 
Pilemia tigrina
 
* Phryganophilus ruficollis
 
Probaticus subrugosus
 
Propomacrus cypriacus
 
* Pseudogaurotina excellens
 
Pseudoseriscius cameroni
 
Pytho kolwensis
 
Rhysodes sulcatus (o)
 
* Rosalia alpina
 
Stephanopachys linearis (o)
 
Stephanopachys substriatus (o)
 
Xyletinus tremulicola (o)
Hemiptera
 
Aradus angularis (o)
Lepidoptera
 
Agriades glandon aquilo (o)
 
Arytrura musculus
 
* Callimorpha (Euplagia, Panaxia) quadripunctaria (o)
 
Catopta thrips
 
Chondrosoma fiduciarium
 
Clossiana improba (o)
 
Coenonympha oedippus
 
Colias myrmidone
 
Cucullia mixta
 
Dioszeghyana schmidtii
 
Erannis ankeraria
 
Erebia calcaria
 
Erebia christi
 
Erebia medusa polaris (o)
 
Eriogaster catax
 
Euphydryas (Eurodryas, Hypodryas) aurinia (o)
 
Glyphipterix loricatella
 
Gortyna borelii lunata
 
Graellsia isabellae (V)
 
Hesperia comma catena (o)
 
Hypodryas maturna
 
Leptidea morsei
 
Lignyoptera fumidaria
 
Lycaena dispar
 
Lycaena helle
 
Maculinea nausithous
 
Maculinea teleius
 
Melanargia arge
 
* Nymphalis vaualbum
 
Papilio hospiton
 
Phyllometra culminaria
 
Plebicula golgus
 
Polymixis rufocincta isolata
 
Polyommatus eroides
 
Proterebia afra dalmata
 
Pseudophilotes bavius
 
Xestia borealis (o)
 
Xestia brunneopicta (o)
 
* Xylomoia strix
Mantodea
 
Apteromantis aptera
Odonata
 
Coenagrion hylas (o)
 
Coenagrion mercuriale (o)
 
Coenagrion ornatum (o)
 
Cordulegaster heros
 
Cordulegaster trinacriae
 
Gomphus graslinii
 
Leucorrhinia pectoralis
 
Lindenia tetraphylla
 
Macromia splendens
 
Ophiogomphus cecilia
 
Oxygastra curtisii
Orthoptera
 
Baetica ustulata
 
Brachytrupes megacephalus
 
Isophya costata
 
Isophya harzi
 
Isophya stysi
 
Myrmecophilus baronii
 
Odontopodisma rubripes
 
Paracaloptenus caloptenoides
 
Pholidoptera transsylvanica
 
Stenobothrus (Stenobothrodes) eurasius
ARACHNIDA
Pseudoscorpiones
 
Anthrenochernes stellae (o)
WEEKDIEREN
GASTROPODA
 
Anisus vorticulus
 
Caseolus calculus
 
Caseolus commixta
 
Caseolus sphaerula
 
Chilostoma banaticum
 
Discula leacockiana
 
Discula tabellata
 
Discus guerinianus
 
Elona quimperiana
 
Geomalacus maculosus
 
Geomitra moniziana
 
Gibbula nivosa
 
* Helicopsis striata austriaca (o)
 
Hygromia kovacsi
 
Idiomela (Helix) subplicata
 
Lampedusa imitatrix
 
* Lampedusa melitensis
 
Leiostyla abbreviata
 
Leiostyla cassida
 
Leiostyla corneocostata
 
Leiostyla gibba
 
Leiostyla lamellosa
 
* Paladilhia hungarica
 
Sadleriana pannonica
 
Theodoxus transversalis
 
Vertigo angustior (o)
 
Vertigo genesii (o)
 
Vertigo geyeri (o)
 
Vertigo moulinsiana (o)
BIVALVIA
Unionoida
 
Margaritifera durrovensis (Margaritifera margaritifera) (V)
 
Margaritifera margaritifera (V)
 
Unio crassus
Dreissenidae
 
Congeria kusceri
b) PLANTEN
PTERIDOPHYTA
ASPLENIACEAE
 
Asplenium jahandiezii (Litard.) Rouy
 
Asplenium adulterinum Milde
BLECHNACEAE
 
Woodwardia radicans (L.) Sm.
DICKSONIACEAE
 
Culcita macrocarpa C. Presl
DRYOPTERIDACEAE
 
Diplazium sibiricum (Turcz. ex Kunze) Kurata
 
* Dryopteris corleyi Fraser-Jenk.
 
Dryopteris fragans (L.) Schott
HYMENOPHYLLACEAE
 
Trichomanes speciosum Willd.
ISOETACEAE
 
Isoetes boryana Durieu
 
Isoetes malinverniana Ces. & De Not.
MARSILEACEAE
 
Marsilea batardae Launert
 
Marsilea quadrifolia L.
 
Marsilea strigosa Willd.
OPHIOGLOSSACEAE
 
Botrychium simplex Hitchc.
 
Ophioglossum polyphyllum A. Braun
GYMNOSPERMAE
PINACEAE
 
* Abies nebrodensis (Lojac.) Mattei
ANGIOSPERMAE
ALISMATACEAE
 
* Alisma wahlenbergii (Holmberg) Juz.
 
Caldesia parnassifolia (L.) Parl.
 
Luronium natans (L.) Raf.
AMARYLLIDACEAE
 
Leucojum nicaeense Ard.
 
Narcissus asturiensis (Jordan) Pugsley
 
Narcissus calcicola Mendonça
 
Narcissus cyclamineus DC.
 
Narcissus fernandesii G. Pedro
 
Narcissus humilis (Cav.) Traub
 
* Narcissus nevadensis Pugsley
 
Narcissus pseudonarcissus L. subsp. nobilis (Haw.) A. Fernandes
 
Narcissus scaberulus Henriq.
 
Narcissus triandrus L. subsp. capax (Salisb.) D. A. Webb.
 
Narcissus viridiflorus Schousboe
ASCLEPIADACEAE
 
Vincetoxicum pannonicum (Borhidi) Holub
BORAGINACEAE
 
* Anchusa crispa Viv.
 
Echium russicum J.F.Gemlin
 
* Lithodora nitida (H. Ern) R. Fernandes
 
Myosotis lusitanica Schuster
 
Myosotis rehsteineri Wartm.
 
Myosotis retusifolia R. Afonso
 
Omphalodes kuzinskyanae Willk.
 
* Omphalodes littoralis Lehm.
 
* Onosma tornensis Javorka
 
Solenanthus albanicus (Degen & al.) Degen & Baldacci
 
* Symphytum cycladense Pawl.
CAMPANULACEAE
 
Adenophora lilifolia (L.) Ledeb.
 
Asyneuma giganteum (Boiss.) Bornm.
 
* Campanula bohemica Hruby
 
* Campanula gelida Kovanda
 
Campanula romanica Săvul.
 
* Campanula sabatia De Not.
 
* Campanula serrata (Kit.) Hendrych
 
Campanula zoysii Wulfen
 
Jasione crispa (Pourret) Samp. subsp. serpentinica Pinto da Silva
 
Jasione lusitanica A. DC.
CARYOPHYLLACEAE
 
Arenaria ciliata L. subsp. pseudofrigida Ostenf. & O.C. Dahl
 
Arenaria humifusa Wahlenberg
 
* Arenaria nevadensis Boiss. & Reuter
 
Arenaria provincialis Chater & Halliday
 
* Cerastium alsinifolium Tausch Cerastium dinaricum G. Beck & Szysz.
 
Dianthus arenarius L. subsp. arenarius
 
* Dianthus arenarius subsp. bohemicus (Novak) O.Schwarz
 
Dianthus cintranus Boiss. & Reuter subsp. cintranus Boiss. & Reuter
 
* Dianthus diutinus Kit.
 
* Dianthus lumnitzeri Wiesb.
 
Dianthus marizii (Samp.) Samp.
 
* Dianthus moravicus Kovanda
 
* Dianthus nitidus Waldst. et Kit.
 
Dianthus plumarius subsp. regis-stephani (Rapcs.) Baksay
 
Dianthus rupicola Biv.
 
* Gypsophila papillosa P. Porta
 
Herniaria algarvica Chaudhri
 
* Herniaria latifolia Lapeyr. subsp. litardierei Gamis
 
Herniaria lusitanica (Chaudhri) subsp. berlengiana Chaudhri
 
Herniaria maritima Link
 
* Minuartia smejkalii Dvorakova
 
Moehringia jankae Griseb. ex Janka
 
Moehringia lateriflora (L.) Fenzl.
 
Moehringia tommasinii Marches.
 
Moehringia villosa (Wulfen) Fenzl
 
Petrocoptis grandiflora Rothm.
 
Petrocoptis montsicciana O. Bolos & Rivas Mart.
 
Petrocoptis pseudoviscosa Fernández Casas
 
Silene furcata Rafin. subsp. angustiflora (Rupr.) Walters
 
* Silene hicesiae Brullo & Signorello
 
Silene hifacensis Rouy ex Willk.
 
* Silene holzmanii Heldr. ex Boiss.
 
Silene longicilia (Brot.) Otth.
 
Silene mariana Pau
 
* Silene orphanidis Boiss
 
* Silene rothmaleri Pinto da Silva
 
* Silene velutina Pourret ex Loisel.
CHENOPODIACEAE
 
* Bassia (Kochia) saxicola (Guss.) A. J. Scott
 
* Cremnophyton lanfrancoi Brullo et Pavone
 
* Salicornia veneta Pignatti & Lausi
CISTACEAE
 
Cistus palhinhae Ingram
 
Halimium verticillatum (Brot.) Sennen
 
Helianthemum alypoides Losa & Rivas Goday
 
Helianthemum caput-felis Boiss.
 
* Tuberaria major (Willk.) Pinto da Silva & Rozeira
COMPOSITAE
 
* Anthemis glaberrima (Rech. f.) Greuter
 
Artemisia campestris L. subsp. bottnica A.N. Lundström ex Kindb.
 
* Artemisia granatensis Boiss.
 
* Artemisia laciniata Willd.
 
Artemisia oelandica (Besser) Komaror
 
* Artemisia pancicii (Janka) Ronn.
 
* Aster pyrenaeus Desf. ex DC
 
* Aster sorrentinii (Tod) Lojac.
 
Carlina onopordifolia Besser
 
* Carduus myriacanthus Salzm. ex DC.
 
* Centaurea alba L. subsp. heldreichii (Halacsy) Dostal
 
* Centaurea alba L. subsp. princeps (Boiss. & Heldr.) Gugler
 
* Centaurea akamantis T. Georgiadis & G. Chatzikyriakou
 
* Centaurea attica Nyman subsp. megarensis (Halacsy & Hayek) Dostal
 
* Centaurea balearica J. D. Rodriguez
 
* Centaurea borjae Valdes-Berm. & Rivas Goday
 
* Centaurea citricolor Font Quer
 
Centaurea corymbosa Pourret
 
Centaurea gadorensis G. Blanca
 
* Centaurea horrida Badaro
 
Centaurea immanuelis-loewii Degen
 
Centaurea jankae Brandza
 
* Centaurea kalambakensis Freyn & Sint.
 
Centaurea kartschiana Scop.
 
* Centaurea lactiflora Halacsy
 
Centaurea micrantha Hoffmanns. & Link subsp. herminii (Rouy) Dostál
 
* Centaurea niederi Heldr.
 
* Centaurea peucedanifolia Boiss. & Orph.
 
* Centaurea pinnata Pau
 
Centaurea pontica Prodan & E. I. Nyárády
 
Centaurea pulvinata (G. Blanca) G. Blanca
 
Centaurea rothmalerana (Arènes) Dostál
 
Centaurea vicentina Mariz
 
Cirsium brachycephalum Juratzka
 
* Crepis crocifolia Boiss. & Heldr.
 
Crepis granatensis (Willk.) B. Blanca & M. Cueto
 
Crepis pusilla (Sommier) Merxmüller
 
Crepis tectorum L. subsp. nigrescen
 
Erigeron frigidus Boiss. ex DC.
 
* Helichrysum melitense (Pignatti) Brullo et al
 
Hymenostemma pseudanthemis (Kunze) Willd.
 
Hyoseris frutescens Brullo et Pavone
 
* Jurinea cyanoides (L.) Reichenb.
 
* Jurinea fontqueri Cuatrec.
 
* Lamyropsis microcephala (Moris) Dittrich & Greuter
 
Leontodon microcephalus (Boiss. ex DC.) Boiss.
 
Leontodon boryi Boiss.
 
* Leontodon siculus (Guss.) Finch & Sell
 
Leuzea longifolia Hoffmanns. & Link
 
Ligularia sibirica (L.) Cass.
 
* Palaeocyanus crassifolius (Bertoloni) Dostal
 
Santolina impressa Hoffmanns. & Link
 
Santolina semidentata Hoffmanns. & Link
 
Saussurea alpina subsp. esthonica (Baer ex Rupr) Kupffer
 
* Senecio elodes Boiss. ex DC.
 
Senecio jacobea L. subsp. gotlandicus (Neuman) Sterner
 
Senecio nevadensis Boiss. & Reuter
 
* Serratula lycopifolia (Vill.) A.Kern
 
Tephroseris longifolia (Jacq.) Griseb et Schenk subsp. moravica
CONVOLVULACEAE
 
* Convolvulus argyrothamnus Greuter
 
* Convolvulus fernandesii Pinto da Silva & Teles
CRUCIFERAE
 
Alyssum pyrenaicum Lapeyr.
 
* Arabis kennedyae Meikle
 
Arabis sadina (Samp.) P. Cout.
 
Arabis scopoliana Boiss
 
* Biscutella neustriaca Bonnet
 
Biscutella vincentina (Samp.) Rothm.
 
Boleum asperum (Pers.) Desvaux
 
Brassica glabrescens Poldini
 
Brassica hilarionis Post
 
Brassica insularis Moris
 
* Brassica macrocarpa Guss.
 
Braya linearis Rouy
 
* Cochlearia polonica E. Fröhlich
 
* Cochlearia tatrae Borbas
 
* Coincya rupestris Rouy
 
* Coronopus navasii Pau
 
Crambe tataria Sebeok
 
Degenia velebitica (Degen) Hayek
 
Diplotaxis ibicensis (Pau) Gómez-Campo
 
* Diplotaxis siettiana Maire
 
Diplotaxis vicentina (P. Cout.) Rothm.
 
Draba cacuminum Elis Ekman
 
Draba cinerea Adams
 
Draba dorneri Heuffel.
 
Erucastrum palustre (Pirona) Vis.
 
* Erysimum pieninicum (Zapal.) Pawl.
 
* Iberis arbuscula Runemark
 
Iberis procumbens Lange subsp. microcarpa Franco & Pinto da Silva
 
* Jonopsidium acaule (Desf.) Reichenb.
 
Jonopsidium savianum (Caruel) Ball ex Arcang.
 
Rhynchosinapis erucastrum (L.) Dandy ex Clapham subsp. cintrana (Coutinho) Franco & P. Silva (Coincya cintrana (P. Cout.) Pinto da Silva)
 
Sisymbrium cavanillesianum Valdés & Castroviejo
 
Sisymbrium supinum L.
 
Thlaspi jankae A.Kern.
CYPERACEAE
 
Carex holostoma Drejer
 
* Carex panormitana Guss.
 
Eleocharis carniolica Koch
DIOSCOREACEAE
 
* Borderea chouardii (Gaussen) Heslot
DROSERACEAE
 
Aldrovanda vesiculosa L.
ELATINACEAE
 
Elatine gussonei (Sommier) Brullo et al
ERICACEAE
 
Rhododendron luteum Sweet
EUPHORBIACEAE
 
* Euphorbia margalidiana Kuhbier & Lewejohann
 
Euphorbia transtagana Boiss.
GENTIANACEAE
 
* Centaurium rigualii Esteve
 
* Centaurium somedanum Lainz
 
Gentiana ligustica R. de Vilm. & Chopinet
 
Gentianella anglica (Pugsley) E. F. Warburg
 
* Gentianella bohemica Skalicky
GERANIACEAE
 
* Erodium astragaloides Boiss. & Reuter
 
Erodium paularense Fernández-González & Izco
 
* Erodium rupicola Boiss.
GLOBULARIACEAE
 
* Globularia stygia Orph. ex Boiss.
GRAMINEAE
 
Arctagrostis latifolia (R. Br.) Griseb.
 
Arctophila fulva (Trin.) N. J. Anderson
 
Avenula hackelii (Henriq.) Holub
 
Bromus grossus Desf. ex DC.
 
Calamagrostis chalybaea (Laest.) Fries
 
Cinna latifolia (Trev.) Griseb.
 
Coleanthus subtilis (Tratt.) Seidl
 
Festuca brigantina (Markgr.-Dannenb.) Markgr.-Dannenb.
 
Festuca duriotagana Franco & R. Afonso
 
Festuca elegans Boiss.
 
Festuca henriquesii Hack.
 
Festuca summilusitana Franco & R. Afonso
 
Gaudinia hispanica Stace & Tutin
 
Holcus setiglumis Boiss. & Reuter subsp. duriensis Pinto da Silva
 
Micropyropsis tuberosa Romero – Zarco & Cabezudo
 
Poa granitica Br.-Bl. subsp. disparilis (E. I. Nyárády) E. I. Nyárády
 
* Poa riphaea (Ascher et Graebner) Fritsch
 
Pseudarrhenatherum pallens (Link) J. Holub
 
Puccinellia phryganodes (Trin.) Scribner + Merr.
 
Puccinellia pungens (Pau) Paunero
 
* Stipa austroitalica Martinovsky
 
* Stipa bavarica Martinovsky & H. Scholz
 
Stipa danubialis Dihoru & Roman
 
* Stipa styriaca Martinovsky
 
* Stipa veneta Moraldo
 
* Stipa zalesskii Wilensky
 
Trisetum subalpestre (Hartman) Neuman
GROSSULARIACEAE
 
* Ribes sardoum Martelli
HIPPURIDACEAE
 
Hippuris tetraphylla L. Fil.
HYPERICACEAE
 
* Hypericum aciferum (Greuter) N.K.B. Robson
IRIDACEAE
 
Crocus cyprius Boiss. et Kotschy
 
Crocus hartmannianus Holmboe
 
Gladiolus palustris Gaud.
 
Iris aphylla L. subsp. hungarica Hegi
 
Iris humilis Georgi subsp. arenaria (Waldst. et Kit.) A. et D.Löve
JUNCACEAE
 
Juncus valvatus Link
 
Luzula arctica Blytt
LABIATAE
 
Dracocephalum austriacum L.
 
* Micromeria taygetea P. H. Davis
 
Nepeta dirphya (Boiss.) Heldr. ex Halacsy
 
* Nepeta sphaciotica P. H. Davis
 
Origanum dictamnus L.
 
Phlomis brevibracteata Turril
 
Phlomis cypria Post
 
Salvia veneris Hedge
 
Sideritis cypria Post
 
Sideritis incana subsp. glauca (Cav.) Malagarriga
 
Sideritis javalambrensis Pau
 
Sideritis serrata Cav. ex Lag.
 
Teucrium lepicephalum Pau
 
Teucrium turredanum Losa & Rivas Goday
 
* Thymus camphoratus Hoffmanns. & Link
 
Thymus carnosus Boiss.
 
* Thymus lotocephalus G. López & R. Morales (Thymus cephalotos L.)
LEGUMINOSAE
 
Anthyllis hystrix Cardona, Contandr. & E. Sierra
 
* Astragalus algarbiensis Coss. ex Bunge
 
* Astragalus aquilanus Anzalone
 
Astragalus centralpinus Braun-Blanquet
 
* Astragalus macrocarpus DC. subsp. lefkarensis
 
* Astragalus maritimus Moris
 
Astragalus peterfii Jáv.
 
Astragalus tremolsianus Pau
 
* Astragalus verrucosus Moris
 
* Cytisus aeolicus Guss. ex Lindl.
 
Genista dorycnifolia Font Quer
 
Genista holopetala (Fleischm. ex Koch) Baldacci
 
Melilotus segetalis (Brot.) Ser. subsp. fallax Franco
 
* Ononis hackelii Lange
 
Trifolium saxatile All.
 
* Vicia bifoliolata J.D. Rodríguez
LENTIBULARIACEAE
 
* Pinguicula crystallina Sm.
 
Pinguicula nevadensis (Lindb.) Casper
LILIACEAE
 
Allium grosii Font Quer
 
* Androcymbium rechingeri Greuter
 
* Asphodelus bento-rainhae P. Silva
 
* Chionodoxa lochiae Meikle in Kew Bull.
 
Colchicum arenarium Waldst. et Kit.
 
Hyacinthoides vicentina (Hoffmans. & Link) Rothm.
 
* Muscari gussonei (Parl.) Tod.
 
Scilla litardierei Breist.
 
* Scilla morrisii Meikle
 
Tulipa cypria Stapf
 
Tulipa hungarica Borbas
LINACEAE
 
* Linum dolomiticum Borbas
 
* Linum muelleri Moris (Linum maritimum muelleri)
LYTHRACEAE
 
* Lythrum flexuosum Lag.
MALVACEAE
 
Kosteletzkya pentacarpos (L.) Ledeb.
NAJADACEAE
 
Najas flexilis (Willd.) Rostk. & W.L. Schmidt
 
Najas tenuissima (A. Braun) Magnus
OLEACEAE
 
Syringa josikaea Jacq. Fil. ex Reichenb.
ORCHIDACEAE
 
Anacamptis urvilleana Sommier et Caruana Gatto
 
Calypso bulbosa L.
 
* Cephalanthera cucullata Boiss. & Heldr.
 
Cypripedium calceolus L.
 
Dactylorhiza kalopissii E.Nelson
 
Gymnigritella runei Teppner & Klein
 
Himantoglossum adriaticum Baumann
 
Himantoglossum caprinum (Bieb.) V.Koch
 
Liparis loeselii (L.) Rich.
 
* Ophrys kotschyi H.Fleischm. et Soo
 
* Ophrys lunulata Parl.
 
Ophrys melitensis (Salkowski) J et P Devillers-Terschuren
 
Platanthera obtusata (Pursh) subsp. oligantha (Turez.) Hulten
OROBANCHACEAE
 
Orobanche densiflora Salzm. ex Reut.
PAEONIACEAE
 
Paeonia cambessedesii (Willk.) Willk.
 
Paeonia clusii F.C. Stern subsp. rhodia (Stearn) Tzanoudakis
 
Paeonia officinalis L. subsp. banatica (Rachel) Soo
 
Paeonia parnassica Tzanoudakis
PALMAE
 
Phoenix theophrasti Greuter
PAPAVERACEAE
 
Corydalis gotlandica Lidén
 
Papaver laestadianum (Nordh.) Nordh.
 
Papaver radicatum Rottb. subsp. hyperboreum Nordh.
PLANTAGINACEAE
 
Plantago algarbiensis Sampaio (Plantago bracteosa (Willk.) G. Sampaio)
 
Plantago almogravensis Franco
PLUMBAGINACEAE
 
Armeria berlengensis Daveau
 
* Armeria helodes Martini & Pold
 
Armeria neglecta Girard
 
Armeria pseudarmeria (Murray) Mansfeld
 
* Armeria rouyana Daveau
 
Armeria soleirolii (Duby) Godron
 
Armeria velutina Welw. ex Boiss. & Reuter
 
Limonium dodartii (Girard) O. Kuntze subsp. lusitanicum (Daveau) Franco
 
* Limonium insulare (Beg. & Landi) Arrig. & Diana
 
Limonium lanceolatum (Hoffmans. & Link) Franco
 
Limonium multiflorum Erben
 
* Limonium pseudolaetum Arrig. & Diana
 
* Limonium strictissimum (Salzmann) Arrig.
POLYGONACEAE
 
Persicaria foliosa (H. Lindb.) Kitag.
 
Polygonum praelongum Coode & Cullen
 
Rumex rupestris Le Gall
PRIMULACEAE
 
Androsace mathildae Levier
 
Androsace pyrenaica Lam.
 
* Cyclamen fatrense Halda et Sojak
 
* Primula apennina Widmer
 
Primula carniolica Jacq.
 
Primula nutans Georgi
 
Primula palinuri Petagna
 
Primula scandinavica Bruun
 
Soldanella villosa Darracq.
RANUNCULACEAE
 
* Aconitum corsicum Gayer (Aconitum napellus subsp. corsicum)
 
Aconitum firmum (Reichenb.) Neilr subsp. moravicum Skalicky
 
Adonis distorta Ten.
 
Aquilegia bertolonii Schott
 
Aquilegia kitaibelii Schott
 
* Aquilegia pyrenaica D.C. subsp. cazorlensis (Heywood) Galiano
 
* Consolida samia P.H. Davis
 
* Delphinium caseyi B.L.Burtt
 
Pulsatilla grandis Wenderoth Pulsatilla patens (L.) Miller
 
* Pulsatilla pratensis (L.) Miller subsp. hungarica Soo
 
* Pulsatilla slavica G.Reuss.
 
* Pulsatilla subslavica Futak ex Goliasova
 
Pulsatilla vulgaris Hill. subsp. gotlandica (Johanss.) Zaemelis & Paegle
 
Ranunculus kykkoensis Meikle
 
Ranunculus lapponicus L.
 
* Ranunculus weyleri Mares
RESEDACEAE
 
*Reseda decursiva Forssk.
ROSACEAE
 
Agrimonia pilosa Ledebour
 
Potentilla delphinensis Gren. & Godron
 
Potentilla emilii-popii Nyárády
 
* Pyrus magyarica Terpo
 
Sorbus teodorii Liljefors
RUBIACEAE
 
Galium cracoviense Ehrend.
 
* Galium litorale Guss.
 
Galium moldavicum (Dobrescu) Franco
 
* Galium sudeticum Tausch
 
* Galium viridiflorum Boiss. & Reuter
SALICACEAE
 
Salix salvifolia Brot. subsp. australis Franco
SANTALACEAE
 
Thesium ebracteatum Hayne
SAXIFRAGACEAE
 
Saxifraga berica (Beguinot) D.A. Webb
 
Saxifraga florulenta Moretti
 
Saxifraga hirculus L.
 
Saxifraga osloënsis Knaben
 
Saxifraga tombeanensis Boiss. ex Engl.
SCROPHULARIACEAE
 
Antirrhinum charidemi Lange
 
Chaenorrhinum serpyllifolium (Lange) Lange subsp. lusitanicum R. Fernandes
 
* Euphrasia genargentea (Feoli) Diana
 
Euphrasia marchesettii Wettst. ex Marches.
 
Linaria algarviana Chav.
 
Linaria coutinhoi Valdés
 
Linaria loeselii Schweigger
 
* Linaria ficalhoana Rouy
 
Linaria flava (Poiret) Desf.
 
* Linaria hellenica Turrill
 
Linaria pseudolaxiflora Lojacono
 
* Linaria ricardoi Cout.
 
Linaria tonzigii Lona
 
* Linaria tursica B. Valdés & Cabezudo
 
Odontites granatensis Boiss.
 
* Pedicularis sudetica Willd.
 
Rhinanthus oesilensis (Ronniger & Saarsoo) Vassilcz
 
Tozzia carpathica Wol.
 
Verbascum litigiosum Samp.
 
Veronica micrantha Hoffmanns. & Link
 
* Veronica oetaea L.-A. Gustavsson
SOLANACEAE
 
*Atropa baetica Willk.
THYMELAEACEAE
 
* Daphne arbuscula Celak
 
Daphne petraea Leybold
 
* Daphne rodriguezii Texidor
ULMACEAE
 
Zelkova abelicea (Lam.) Boiss.
UMBELLIFERAE
 
* Angelica heterocarpa Lloyd
 
Angelica palustris (Besser) Hoffm.
 
* Apium bermejoi Llorens
 
Apium repens (Jacq.) Lag.
 
Athamanta cortiana Ferrarini
 
* Bupleurum capillare Boiss. & Heldr.
 
* Bupleurum kakiskalae Greuter
 
Eryngium alpinum L.
 
* Eryngium viviparum Gay
 
* Ferula sadleriana Lebed.
 
Hladnikia pastinacifolia Reichenb.
 
* Laserpitium longiradium Boiss.
 
* Naufraga balearica Constans & Cannon
 
* Oenanthe conioides Lange
 
Petagnia saniculifolia Guss.
 
Rouya polygama (Desf.) Coincy
 
* Seseli intricatum Boiss.
 
Seseli leucospermum Waldst. et Kit
 
Thorella verticillatinundata (Thore) Briq.
VALERIANACEAE
 
Centranthus trinervis (Viv.) Beguinot
VIOLACEAE
 
Viola delphinantha Boiss.
 
* Viola hispida Lam.
 
Viola jaubertiana Mares & Vigineix
 
Viola rupestris F.W. Schmidt subsp. relicta Jalas
LAGERE PLANTEN
BRYOPHYTA
 
Bruchia vogesiaca Schwaegr. (o)
 
Bryhnia novae-angliae (Sull & Lesq.) Grout (o)
 
* Bryoerythrophyllum campylocarpum (C. Müll.) Crum. (Bryoerythrophyllum machadoanum (Sergio) M. O. Hill) (o)
 
Buxbaumia viridis (Moug.) Moug. & Nestl. (o)
 
Cephalozia macounii (Aust.) Aust. (o)
 
Cynodontium suecicum (H. Arn. & C. Jens.) I. Hag. (o)
 
Dichelyma capillaceum (Dicks) Myr. (o)
 
Dicranum viride (Sull. & Lesq.) Lindb. (o)
 
Distichophyllum carinatum Dix. & Nich. (o)
 
Drepanocladus (Hamatocaulis) vernicosus (Mitt.) Warnst. (o)
 
Encalypta mutica (I. Hagen) (o)
 
Hamatocaulis lapponicus (Norrl.) Hedenäs (o)
 
Herzogiella turfacea (Lindb.) I. Wats. (o)
 
Hygrohypnum montanum (Lindb.) Broth. (o)
 
Jungermannia handelii (Schiffn.) Amak. (o)
 
Mannia triandra (Scop.) Grolle (o)
 
* Marsupella profunda Lindb. (o)
 
Meesia longiseta Hedw. (o)
 
Nothothylas orbicularis (Schwein.) Sull. (o)
 
Ochyraea tatrensis Vana (o)
 
Orthothecium lapponicum (Schimp.) C. Hartm. (o)
 
Orthotrichum rogeri Brid. (o)
 
Petalophyllum ralfsii (Wils.) Nees & Gott. (o)
 
Plagiomnium drummondii (Bruch & Schimp.) T. Kop. (o)
 
Riccia breidleri Jur. (o)
 
Riella helicophylla (Bory & Mont.) Mont. (o)
 
Scapania massolongi (K. Müll.) K. Müll. (o)
 
Sphagnum pylaisii Brid. (o)
 
Tayloria rudolphiana (Garov) B. & S. (o)
 
Tortella rigens (N. Alberts) (o)
MACARONESISCHE SOORTEN
PTERIDOPHYTA
HYMENOPHYLLACEAE
 
Hymenophyllum maderensis Gibby & Lovis
DRYOPTERIDACEAE
 
* Polystichum drepanum (Sw.) C. Presl.
ISOETACEAE
 
Isoetes azorica Durieu & Paiva ex Milde
MARSILEACEAE
 
* Marsilea azorica Launert & Paiva
ANGIOSPERMAE
ASCLEPIADACEAE
 
Caralluma burchardii N. E. Brown
 
* Ceropegia chrysantha Svent.
BORAGINACEAE
 
Echium candicans L. fil.
 
* Echium gentianoides Webb & Coincy
 
Myosotis azorica H. C. Watson
 
Myosotis maritima Hochst. in Seub.
CAMPANULACEAE
 
* Azorina vidalii (H. C. Watson) Feer
 
Musschia aurea (L. f.) DC.
 
* Musschia wollastonii Lowe
CAPRIFOLIACEAE
 
* Sambucus palmensis Link
CARYOPHYLLACEAE
 
Spergularia azorica (Kindb.) Lebel
CELASTRACEAE
 
Maytenus umbellata (R. Br.) Mabb.
CHENOPODIACEAE
 
Beta patula Ait.
CISTACEAE
 
Cistus chinamadensis Banares & Romero
 
* Helianthemum bystropogophyllum Svent.
COMPOSITAE
 
Andryala crithmifolia Ait.
 
* Argyranthemum lidii Humphries
 
Argyranthemum thalassophylum (Svent.) Hump.
 
Argyranthemum winterii (Svent.) Humphries
 
* Atractylis arbuscula Svent. & Michaelis
 
Atractylis preauxiana Schultz.
 
Calendula maderensis DC.
 
Cheirolophus duranii (Burchard) Holub
 
Cheirolophus ghomerytus (Svent.) Holub
 
Cheirolophus junonianus (Svent.) Holub
 
Cheirolophus massonianus (Lowe) Hansen & Sund.
 
Cirsium latifolium Lowe
 
Helichrysum gossypinum Webb
 
Helichrysum monogynum Burtt & Sund.
 
Hypochoeris oligocephala (Svent. & Bramw.) Lack
 
* Lactuca watsoniana Trel.
 
* Onopordum nogalesii Svent.
 
* Onorpordum carduelinum Bolle
 
* Pericallis hadrosoma (Svent.) B. Nord.
 
Phagnalon benettii Lowe
 
Stemmacantha cynaroides (Chr. Son. in Buch) Ditt
 
Sventenia bupleuroides Font Quer
 
* Tanacetum ptarmiciflorum Webb & Berth
CONVOLVULACEAE
 
* Convolvulus caput-medusae Lowe
 
* Convolvulus lopez-socasii Svent.
 
* Convolvulus massonii A. Dietr.
CRASSULACEAE
 
Aeonium gomeraense Praeger
 
Aeonium saundersii Bolle
 
Aichryson dumosum (Lowe) Praeg.
 
Monanthes wildpretii Banares & Scholz
 
Sedum brissemoretii Raymond-Hamet
CRUCIFERAE
 
* Crambe arborea Webb ex Christ
 
Crambe laevigata DC. ex Christ
 
* Crambe sventenii R. Petters ex Bramwell & Sund.
 
* Parolinia schizogynoides Svent.
 
Sinapidendron rupestre (Ait.) Lowe
CYPERACEAE
 
Carex malato-belizii Raymond
DIPSACACEAE
 
Scabiosa nitens Roemer & J. A. Schultes
ERICACEAE
 
Erica scoparia L. subsp. azorica (Hochst.) D. A. Webb
EUPHORBIACEAE
 
* Euphorbia handiensis Burchard
 
Euphorbia lambii Svent.
 
Euphorbia stygiana H. C. Watson
GERANIACEAE
 
* Geranium maderense P. F. Yeo
GRAMINEAE
 
Deschampsia maderensis (Haeck. & Born.) Buschm.
 
Phalaris maderensis (Menezes) Menezes
GLOBULARIACEAE
 
* Globularia ascanii D. Bramwell & Kunkel
 
* Globularia sarcophylla Svent.
LABIATAE
 
* Sideritis cystosiphon Svent.
 
* Sideritis discolor (Webb ex de Noe) Bolle
 
Sideritis infernalis Bolle
 
Sideritis marmorea Bolle
 
Teucrium abutiloides L'Hér.
 
Teucrium betonicum L'Hér.
LEGUMINOSAE
 
* Anagyris latifolia Brouss. ex. Willd.
 
Anthyllis lemanniana Lowe
 
* Dorycnium spectabile Webb & Berthel
 
* Lotus azoricus P. W. Ball
 
Lotus callis-viridis D. Bramwell & D. H. Davis
 
* Lotus kunkelii (E. Chueca) D. Bramwell & al.
 
* Teline rosmarinifolia Webb & Berthel.
 
* Teline salsoloides Arco & Acebes.
 
Vicia dennesiana H. C. Watson
LILIACEAE
 
* Androcymbium psammophilum Svent.
 
Scilla maderensis Menezes
 
Semele maderensis Costa
LORANTHACEAE
 
Arceuthobium azoricum Wiens & Hawksw.
MYRICACEAE
 
* Myrica rivas-martinezii Santos.
OLEACEAE
 
Jasminum azoricum L.
 
Picconia azorica (Tutin) Knobl.
ORCHIDACEAE
 
Goodyera macrophylla Lowe
PITTOSPORACEAE
 
* Pittosporum coriaceum Dryand. ex. Ait.
PLANTAGINACEAE
 
Plantago malato-belizii Lawalree
PLUMBAGINACEAE
 
* Limonium arborescens (Brouss.) Kuntze
 
Limonium dendroides Svent.
 
*Limonium spectabile (Svent.) Kunkel & Sunding
 
*Limonium sventenii Santos & Fernández Galván
POLYGONACEAE
 
Rumex azoricus Rech. fil.
RHAMNACEAE
 
Frangula azorica Tutin
ROSACEAE
 
* Bencomia brachystachya Svent.
 
Bencomia sphaerocarpa Svent.
 
* Chamaemeles coriacea Lindl.
 
Dendriopoterium pulidoi Svent.
 
Marcetella maderensis (Born.) Svent.
 
Prunus lusitanica L. subsp. azorica (Mouillef.) Franco
 
Sorbus maderensis (Lowe) Dode
SANTALACEAE
 
Kunkeliella subsucculenta Kammer
SCROPHULARIACEAE
 
* Euphrasia azorica H.C. Watson
 
Euphrasia grandiflora Hochst. in Seub.
 
* Isoplexis chalcantha Svent. & O'Shanahan
 
Isoplexis isabelliana (Webb & Berthel.) Masferrer
 
Odontites holliana (Lowe) Benth.
 
Sibthorpia peregrina L.
SOLANACEAE
 
* Solanum lidii Sunding
UMBELLIFERAE
 
Ammi trifoliatum (H. C. Watson) Trelease
 
Bupleurum handiense (Bolle) Kunkel
 
Chaerophyllum azoricum Trelease
 
Ferula latipinna Santos
 
Melanoselinum decipiens (Schrader & Wendl.) Hoffm.
 
Monizia edulis Lowe
 
Oenanthe divaricata (R. Br.) Mabb.
 
Sanicula azorica Guthnick ex Seub.
VIOLACEAE
 
Viola paradoxa Lowe
LAGERE PLANTEN
BRYOPHYTA
 
* Echinodium spinosum (Mitt.) Jur. (o)
 
* Thamnobryum fernandesii Sergio (o)]

Bijlage III.
Criteria voor de selectie van gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang en als speciale beschermingszones


Fase 1 Nationale beoordeling van het relatieve belang van de gebieden voor elk type natuurlijke habitat van bijlage I en elke soort van bijlage II (met inbegrip van de prioritaire typen natuurlijke habitats en de prioritaire soorten)

A

Criteria voor de beoordeling van het gebied voor een type natuurlijke habitat van bijlage I
a)
Mate van representativiteit van het type natuurlijke habitat in het gebied.
b)
Door het type natuurlijke habitat bestreken oppervlakte van het gebied ten opzichte van de totale door dit type natuurlijke habitat op het nationale grondgebied bestreken oppervlakte.
c)
Mate van instandhouding van de structuur en de functies van het betrokken type natuurlijke habitat en herstelmogelijkheid.
d)
Algemene beoordeling van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van het betrokken type natuurlijke habitat.

B

Criteria voor de beoordeling van het gebied voor een soort van bijlage II
a)
Omvang en dichtheid van de populatie van de soort in het gebied ten opzichte van de populaties op het nationale grondgebied.
b)
Mate van instandhouding van de elementen van de habitat die van belang zijn voor de betrokken soort en herstelmogelijkheid.
c)
Mate van isolatie van de populatie in het gebied ten opzichte van het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort.
d)
Algemene beoordeling van de betekenis van het gebied voor de instandhouding van de betrokken soort.

C

Volgens deze criteria delen de Lid-Staten de gebieden in die zij op de nationale lijst voorstellen als gebieden welke in aanmerking komen voor aanwijzing als gebied van communautair belang, al naar gelang van hun betekenis voor de instandhouding van de in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats of de in bijlage II genoemde soorten.

D

Deze lijst omvat de gebieden met prioritaire typen natuurlijke habitats en de prioritaire soorten die volgens de onder A en B aangegeven criteria door de Lid-Staten zijn geselecteerd.

Fase 2 Beoordeling van het communautair belang van de op de nationale lijsten geplaatste gebieden

1

Alle door de Lid-Staten in fase 1 aangewezen gebieden met prioritaire typen natuurlijke habitats en/of prioritaire soorten worden beschouwd als gebieden van communautair belang.

2

De beoordeling van het communautaire belang van de overige gebieden die voorkomen op de lijsten van de Lid-Staten, d.w.z. van de bijdrage die zij leveren tot het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een natuurlijke habitat uit bijlage I of van een soort uit bijlage II en/of de coherentie van Natura 2000, geschiedt met inachtneming van de volgende criteria:
a)
de relatieve betekenis van het gebied op nationaal niveau;
b)
de geografische ligging van het gebied ten opzichte van de trekroutes van diersoorten van bijlage II, mede gelet op de vraag of het gebied eventueel deel uitmaakt van een samenhangend ecosysteem aan weerszijden van een of meer binnengrenzen van de Gemeenschap;
c)
de totale oppervlakte van het gebied;
d)
het aantal typen natuurlijke habitats van bijlage I en soorten van bijlage II in het gebied;
e)
de algemene ecologische waarde van het gebied voor de betrokken bio-geografische regio's en/of voor het gehele in artikel 2 bedoelde grondgebied, zowel wat betreft het karakteristieke of unieke aspect van de bestanddelen als wat betreft de combinatie daarvan.

Bijlage IV.
Dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd

[De soorten die in deze bijlage voorkomen, worden aangeduid door:
de naam van de soort of van de ondersoort of
door de verzamelnaam van de soorten die behoren tot een hoger taxon of tot een aangegeven deel van dit taxon.
De afkorting “spp.” achter de naam van een familie of een genus dient ter aanduiding van alle soorten van deze familie of van dit genus.
a) DIEREN
GEWERVELDE DIEREN
ZOOGDIEREN
INSECTIVORA
Erinaceidae
 
Erinaceus algirus
Soricidae
 
Crocidura canariensis
 
Crocidura sicula
Talpidae
 
Galemys pyrenaicus
MICROCHIROPTERA
 
Alle soorten
MEGACHIROPTERA
Pteropodidae
 
Rousettus aegyptiacus
RODENTIA
Gliridae
 
Alle soorten met uitzondering van Glis glis en Eliomys quercinus
Sciuridae
 
Marmota marmota latirostris
 
Pteromys volans (Sciuropterus russicus)
 
Spermophilus citellus (Citellus citellus)
 
Spermophilus suslicus (Citellus suslicus)
 
Sciurus anomalus
Castoridae
 
Castor fiber (met uitzondering van de Estse, de Letse, de Litouwse, de Poolse, de Finse en de Zweedse populaties)
Cricetidae
 
Cricetus cricetus (met uitzondering van de Hongaarse populaties)
 
Mesocricetus newtoni
Microtidae
 
Dinaromys bogdanovi
 
Microtus cabrerae
 
Microtus oeconomus arenicola
 
Microtus oeconomus mehelyi
 
Microtus tatricus
Zapodidae
 
Sicista betulina
 
Sicista subtilis
Hystricidae
 
Hystrix cristata
CARNIVORA
Canidae
 
Alopex lagopus
 
Canis lupus (met uitzondering van de Griekse populaties benoorden de 39e breedtegraad; de Estse populaties, de Spaanse populaties benoorden de Duero; de Bulgaarse, de Letse, de Litouwse, de Poolse, de Slowaakse populaties en de Finse populaties in het rendierbeschermingsgebied als omschreven in paragraaf 2 van de Finse Wet nr. 848/90 van 14 september 1990 inzake rendierbescherming)
Ursidae
 
Ursus arctos
Mustelidae
 
Lutra lutra
 
Mustela eversmanii
 
Mustela lutreola
 
Vormela peregusna
Felidae
 
Felis silvestris
 
Lynx lynx (met uitzondering van de Estse populatie)
 
Lynx pardinus
Phocidae
 
Monachus monachus
 
Phoca hispida saimensis
ARTIODACTYLA
Cervidae
 
Cervus elaphus corsicanus
Bovidae
 
Bison bonasus
 
Capra aegagrus (natuurlijke populaties)
 
Capra pyrenaica pyrenaica
 
Ovis gmelini musimon (Ovis ammon musimon) (natuurlijke populaties – Corsica en Sardinië)
 
Ovis orientalis ophion (Ovis gmelini ophion)
 
Rupicapra pyrenaica ornata (Rupicapra rupicapra ornata)
 
Rupicapra rupicapra balcanica
 
Rupicapra rupicapra tatrica
CETACEA
 
Alle soorten
REPTIELEN
TESTUDINATA
Testudinidae
 
Testudo graeca
 
Testudo hermanni
 
Testudo marginata
Cheloniidae
 
Caretta caretta
 
Chelonia mydas
 
Lepidochelys kempii
 
Eretmochelys imbricata
Dermochelyidae
 
Dermochelys coriacea
Emydidae
 
Emys orbicularis
 
Mauremys caspica
 
Mauremys leprosa
SAURIA
Lacertidae
 
Algyroides fitzingeri
 
Algyroides marchi
 
Algyroides moreoticus
 
Algyroides nigropunctatus
 
Dalmatolacerta oxycephala
 
Dinarolacerta mosorensis
 
Gallotia atlantica
 
Gallotia galloti
 
Gallotia galloti insulanagae
 
Gallotia simonyi
 
Gallotia stehlini
 
Lacerta agilis
 
Lacerta bedriagae
 
Lacerta bonnali (Lacerta monticola)
 
Lacerta monticola
 
Lacerta danfordi
 
Lacerta dugesi
 
Lacerta graeca
 
Lacerta horvathi
 
Lacerta schreiberi
 
Lacerta trilineata
 
Lacerta viridis
 
Lacerta vivipara pannonica
 
Ophisops elegans
 
Podarcis erhardii
 
Podarcis filfolensis
 
Podarcis hispanica atrata
 
Podarcis lilfordi
 
Podarcis melisellensis
 
Podarcis milensis
 
Podarcis muralis
 
Podarcis peloponnesiaca
 
Podarcis pityusensis
 
Podarcis sicula
 
Podarcis taurica
 
Podarcis tiliguerta
 
Podarcis wagleriana
Scincidae
 
Ablepharus kitaibelii
 
Chalcides bedriagai
 
Chalcides ocellatus
 
Chalcides sexlineatus
 
Chalcides simonyi (Chalcides occidentalis)
 
Chalcides viridianus
 
Ophiomorus punctatissimus
Gekkonidae
 
Cyrtopodion kotschyi
 
Phyllodactylus europaeus
 
Tarentola angustimentalis
 
Tarentola boettgeri
 
Tarentola delalandii
 
Tarentola gomerensis
Agamidae
 
Stellio stellio
Chamaeleontidae
 
Chamaeleo chamaeleon
Anguidae
 
Ophisaurus apodus
OPHIDIA
Colubridae
 
Coluber caspius
 
Coluber cypriensis
 
Coluber hippocrepis
 
Coluber jugularis
 
Coluber laurenti
 
Coluber najadum
 
Coluber nummifer
 
Coluber viridiflavus
 
Coronella austriaca
 
Eirenis modesta
 
Elaphe longissima
 
Elaphe quatuorlineata
 
Elaphe situla
 
Natrix natrix cetti
 
Natrix natrix corsa
 
Natrix natrix cypriaca
 
Natrix tessellata
 
Telescopus falax
Viperidae
 
Vipera ammodytes
 
Macrovipera schweizeri (Vipera lebetina schweizeri)
 
Vipera seoanni (met uitzondering van de Spaanse populaties)
 
Vipera ursinii
 
Vipera xanthina
Boidae
 
Eryx jaculus
AMFIBIEËN
CAUDATA
Salamandridae
 
Chioglossa lusitanica
 
Euproctus asper
 
Euproctus montanus
 
Euproctus platycephalus
 
Mertensiella luschani (Salamandra luschani)
 
Salamandra atra
 
Salamandra aurorae
 
Salamandra lanzai
 
Salamandrina terdigitata
 
Triturus carnifex (Triturus cristatus carnifex)
 
Triturus cristatus (Triturus cristatus cristatus)
 
Triturus italicus
 
Triturus karelinii (Triturus cristatus karelinii)
 
Triturus marmoratus
 
Triturus montandoni
 
Triturus vulgaris ampelensis
Proteidae
 
Proteus anguinus
Plethodontidae
 
Hydromantes (Speleomantes) ambrosii
 
Hydromantes (Speleomantes) flavus
 
Hydromantes (Speleomantes) genei
 
Hydromantes (Speleomantes) imperialis
 
Hydromantes (Speleomantes) strinatii (Hydromantes (Speleomantes) italicus)
 
Hydromantes (Speleomantes) supramontis
ANURA
Discoglossidae
 
Alytes cisternasii
 
Alytes muletensis
 
Alytes obstetricans
 
Bombina bombina
 
Bombina variegata
 
Discoglossus galganoi (inclusief Discoglossus “jeanneae”)
 
Discoglossus montalentii
 
Discoglossus pictus
 
Discoglossus sardus
Ranidae
 
Rana arvalis
 
Rana dalmatina
 
Rana graeca
 
Rana iberica
 
Rana italica
 
Rana latastei
 
Rana lessonae
Pelobatidae
 
Pelobates cultripes
 
Pelobates fuscus
 
Pelobates syriacus
Bufonidae
 
Bufo calamita
 
Bufo viridis
Hylidae
 
Hyla arborea
 
Hyla meridionalis
 
Hyla sarda
VISSEN
ACIPENSERIFORMES
Acipenseridae
 
Acipenser naccarii
 
Acipenser sturio
SALMONIFORMES
Coregonidae
 
Coregonus oxyrhynchus (anadrome populaties in bepaalde sectoren van de Noordzee, met uitzondering van de Finse populaties)
CYPRINIFORMES
Cyprinidae
 
Anaecypris hispanica
 
Phoxinus percnurus
ATHERINIFORMES
Cyprinodontidae
 
Valencia hispanica
PERCIFORMES
Percidae
 
Gymnocephalus baloni
 
Romanichthys valsanicola
 
Zingel asper
ONGEWERVELDE DIEREN
GELEEDPOTIGEN
CRUSTACEA
Isopoda
 
Armadillidium ghardalamensis
INSECTA
Coleoptera
 
Bolbelasmus unicornis
 
Buprestis splendens
 
Carabus hampei
 
Carabus hungaricus
 
Carabus olympiae
 
Carabus variolosus
 
Carabus zawadszkii
 
Cerambyx cerdo
 
Cucujus cinnaberinus
 
Dorcadion fulvum cervae
 
Duvalius gebhardti
 
Duvalius hungaricus
 
Dytiscus latissimus
 
Graphoderus bilineatus
 
Leptodirus hochenwarti
 
Pilemia tigrina
 
Osmoderma eremita
 
Phryganophilus ruficollis
 
Probaticus subrugosus
 
Propomacrus cypriacus
 
Pseudogaurotina excellens
 
Pseudoseriscius cameroni
 
Pytho kolwensis
 
Rosalia alpina
Lepidoptera
 
Apatura metis
 
Arytrura musculus
 
Catopta thrips
 
Chondrosoma fiduciarium
 
Coenonympha hero
 
Coenonympha oedippus
 
Colias myrmidone
 
Cucullia mixta
 
Dioszeghyana schmidtii
 
Erannis ankeraria
 
Erebia calcaria
 
Erebia christi
 
Erebia sudetica
 
Eriogaster catax
 
Fabriciana elisa
 
Glyphipterix loricatella
 
Gortyna borelii lunata
 
Hypodryas maturna
 
Hyles hippophaes
 
Leptidea morsei
 
Lignyoptera fumidaria
 
Lopinga achine
 
Lycaena dispar
 
Lycaena helle
 
Maculinea arion
 
Maculinea nausithous
 
Maculinea teleius
 
Melanargia arge
 
Nymphalis vaualbum
 
Papilio alexanor
 
Papilio hospiton
 
Parnassius apollo
 
Parnassius mnemosyne
 
Phyllometra culminaria
 
Plebicula golgus
 
Polymixis rufocincta isolata
 
Polyommatus eroides
 
Proserpinus proserpina
 
Proterebia afra dalmata
 
Pseudophilotes bavius
 
Xylomoia strix
 
Zerynthia polyxena
Mantodea
 
Apteromantis aptera
Odonata
 
Aeshna viridis
 
Cordulegaster heros
 
Cordulegaster trinacriae
 
Gomphus graslinii
 
Leucorrhinia albifrons
 
Leucorrhinia caudalis
 
Leucorrhinia pectoralis
 
Lindenia tetraphylla
 
Macromia splendens
 
Ophiogomphus cecilia
 
Oxygastra curtisii
 
Stylurus flavipes
 
Sympecma braueri
Orthoptera
 
Baetica ustulata
 
Brachytrupes megacephalus
 
Isophya costata
 
Isophya harzi
 
Isophya stysi
 
Myrmecophilus baronii
 
Odontopodisma rubripes
 
Paracaloptenus caloptenoides
 
Pholidoptera transsylvanica
 
Saga pedo
 
Stenobothrus (Stenobothrodes) eurasius
ARACHNIDA
Araneae
 
Macrothele calpeiana
WEEKDIEREN
GASTROPODA
 
Anisus vorticulus
 
Caseolus calculus
 
Caseolus commixta
 
Caseolus sphaerula
 
Chilostoma banaticum
 
Discula leacockiana
 
Discula tabellata
 
Discula testudinalis
 
Discula turricula
 
Discus defloratus
 
Discus guerinianus
 
Elona quimperiana
 
Geomalacus maculosus
 
Geomitra moniziana
 
Gibbula nivosa
 
Hygromia kovacsi
 
Idiomela (Helix) subplicata
 
Lampedusa imitatrix
 
Lampedusa melitensis
 
Leiostyla abbreviata
 
Leiostyla cassida
 
Leiostyla corneocostata
 
Leiostyla gibba
 
Leiostyla lamellosa
 
Paladilhia hungarica
 
Patella ferruginea
 
Sadleriana pannonica
 
Theodoxus prevostianus
 
Theodoxus transversalis
BIVALVIA
Anisomyaria
 
Lithophaga lithophaga
 
Pinna nobilis
Unionoida
 
Margaritifera auricularia
 
Unio crassus
Dreissenidae
 
Congeria kusceri
ECHINODERMATA
Echinoidea
 
Centrostephanus longispinus
b) PLANTEN
Bijlage IV, onder b), bevat alle in bijlage II, onder b) (1) vermelde plantensoorten, met bovendien de onderstaande soorten:
PTERIDOPHYTA
ASPLENIACEAE
 
Asplenium hemionitis L.
ANGIOSPERMAE
AGAVACEAE
 
Dracaena draco (L.) L.
AMARYLLIDACEAE
 
Narcissus longispathus Pugsley
 
Narcissus triandrus L.
BERBERIDACEAE
 
Berberis maderensis Lowe
CAMPANULACEAE
 
Campanula morettiana Reichenb.
 
Physoplexis comosa (L.) Schur.
CARYOPHYLLACEAE
 
Moehringia fontqueri Pau
COMPOSITAE
 
Argyranthemum pinnatifidum (L.f.) Lowe subsp. succulentum (Lowe) C. J. Humphries
 
Helichrysum sibthorpii Rouy
 
Picris willkommii (Schultz Bip.) Nyman
 
Santolina elegans Boiss. ex DC.
 
Senecio caespitosus Brot.
 
Senecio lagascanus DC. subsp. lusitanicus (P. Cout.) Pinto da Silva
 
Wagenitzia lancifolia (Sieber ex Sprengel) Dostal
CRUCIFERAE
 
Murbeckiella sousae Rothm.
EUPHORBIACEAE
 
Euphorbia nevadensis Boiss. & Reuter
GESNERIACEAE
 
Jankaea heldreichii (Boiss.) Boiss.
 
Ramonda serbica Pancic
IRIDACEAE
 
Crocus etruscus Parl.
 
Iris boissieri Henriq.
 
Iris marisca Ricci & Colasante
LABIATAE
 
Rosmarinus tomentosus Huber-Morath & Maire
 
Teucrium charidemi Sandwith
 
Thymus capitellatus Hoffmanns. & Link
 
Thymus villosus L. subsp. villosus L.
L. LILIACEAE
 
Androcymbium europaeum (Lange) K. Richter
 
Bellevalia hackelli Freyn
 
Colchicum corsicum Baker
 
Colchicum cousturieri Greuter
 
Fritillaria conica Rix
 
Fritillaria drenovskii Degen & Stoy.
 
Fritillaria gussichiae (Degen & Doerfler) Rix
 
Fritillaria obliqua Ker-Gawl.
 
Fritillaria rhodocanakis Orph. ex Baker
 
Ornithogalum reverchonii Degen & Herv.-Bass.
 
Scilla beirana Samp.
 
Scilla odorata Link
ORCHIDACEAE
 
Ophrys argolica Fleischm.
 
Orchis scopulorum Simsmerh.
 
Spiranthes aestivalis (Poiret) L. C. M. Richard
PRIMULACEAE
 
Androsace cylindrica DC.
 
Primula glaucescens Moretti
 
Primula spectabilis Tratt.
RANUNCULACEAE
 
Aquilegia alpina L.
SAPOTACEAE
 
Sideroxylon marmulano Banks ex Lowe
SAXIFRAGACEAE
 
Saxifraga cintrana Kuzinsky ex Willk.
 
Saxifraga portosanctana Boiss.
 
Saxifraga presolanensis Engl.
 
Saxifraga valdensis DC.
 
Saxifraga vayredana Luizet
SCROPHULARIACEAE
 
Antirrhinum lopesianum Rothm.
 
Lindernia procumbens (Krocker) Philcox
SOLANACEAE
 
Mandragora officinarum L.
THYMELAEACEAE
 
Thymelaea broterana P. Cout.
UMBELLIFERAE
 
Bunium brevifolium Lowe
VIOLACEAE
 
Viola athois W. Becker
 
Viola cazorlensis Gandoger]
(1)
Met uitzondering van de bryophyta in bijlage II, onder b).

Bijlage V.
Dier- en plantensoorten van communautair belang waarvoor het onttrekken aan de natuur en de exploitatie aan beheersmaatregelen kunnen worden onderworpen

[De soorten die in deze bijlage voorkomen, worden aangeduid door:
de naam van de soort of van de ondersoort of
door de verzamelnaam van de soorten die behoren tot een hoger taxon of tot een aangegeven deel van dit taxon.
De afkorting “spp.” achter de naam van een familie of een genus dient ter aanduiding van alle soorten van deze familie of van dit genus.
a) DIEREN
GEWERVELDE DIEREN
ZOOGDIEREN
RODENTIA
Castoridae
 
Castor fiber (Finse, Zweedse, Letse, Litouwse, Estse en Poolse populaties)
Cricetidae
 
Cricetus cricetus (Hongaarse populaties)
CARNIVORA
Canidae
 
Canis aureus
 
Canis lupus (Spaanse populaties benoorden de Duero, Griekse populaties benoorden de 39e breedtegraad, Finse populaties in het rendierbeschermingsgebied als omschreven in paragraaf 2 van de Finse Wet nr. 848/90 van 14 september 1990 inzake rendierbescherming, Bulgaarse, Letse, Litouwse, Estse, Poolse en Slowaakse populaties)
Mustelidae
 
Martes martes
 
Mustela putorius
Felidae
 
Lynx lynx (Estse populatie)
Phocidae
 
Alle niet in bijlage IV vermelde soorten.
Viverridae
 
Genetta genetta
 
Herpestes ichneumon
DUPLICIDENTATA
Leporidae
 
Lepus timidus
ARTIODACTYLA
Bovidae
 
Capra ibex
 
Capra pyrenaica (met uitzondering van Capra pyrenaica pyrenaica)
 
Rupicapra rupicapra (met uitzondering van Rupicapra rupicapra balcanica, Rupicapra rupicapra ornata en Rupicapra rupicapra tatrica)
AMFIBIEËN
ANURA
Ranidae
 
Rana esculenta
 
Rana perezi
 
Rana ridibunda
 
Rana temporaria
VISSEN
PETROMYZONIFORMES
Petromyzonidae
 
Lampetra fluviatilis
 
Lethenteron zanandrai
ACIPENSERIFORMES
Acipenseridae
 
Alle niet in bijlage IV vermelde soorten.
CLUPEIFORMES
Clupeidae
 
Alosa spp.
SALMONIFORMES
Salmonidae
 
Thymallus thymallus
 
Coregonus spp. (met uitzondering van Coregonus oxyrhynchus – anadrome populaties in bepaalde sectoren van de Noordzee)
 
Hucho hucho
 
Salmo salar (alleen in zoet water)
CYPRINIFORMES
Cyprinidae
 
Aspius aspius
 
Barbus spp.
 
Pelecus cultratus
 
Rutilus friesii meidingeri
 
Rutilus pigus
SILURIFORMES
Siluridae
 
Silurus aristotelis
PERCIFORMES
Percidae
 
Gymnocephalus schraetzer
 
Zingel zingel
ONGEWERVELDE DIEREN
COELENTERATA
CNIDARIA
 
Corallium rubrum
MOLLUSCA
GASTROPODA – STYLOMMATOPHORA
 
Helix pomatia
BIVALVIA – UNIONOIDA
Margaritiferidae
 
Margaritifera margaritifera
Unionidae
 
Microcondylaea compressa
 
Unio elongatulus
ANNELIDA
HIRUDINOIDEA – ARHYNCHOBDELLAE
Hirudinidae
 
Hirudo medicinalis
ARTHROPODA
CRUSTACEA – DECAPODA
Astacidae
 
Astacus astacus
 
Austropotamobius pallipes
 
Austropotamobius torrentium
Scyllaridae
 
Scyllarides latus
INSECTA – LEPIDOPTERA
Saturniidae
 
Graellsia isabellae
b) PLANTEN
ALGAE
RHODOPHYTA
CORALLINACEAE
 
Lithothamnium coralloides Crouan frat.
 
Phymatholithon calcareum (Poll.) Adey & McKibbin
LICHENES
CLADONIACEAE
 
Cladonia L. subgenus Cladina (Nyl.) Vain.
BRYOPHYTA
MUSCI
LEUCOBRYACEAE
 
Leucobryum glaucum (Hedw.) AAngstr.
SPHAGNACEAE
 
Sphagnum L. spp. (met uitzondering van Sphagnum pylaisii Brid.)
PTERIDOPHYTA
 
Lycopodium spp.
ANGIOSPERMAE
AMARYLLIDACEAE
 
Galanthus nivalis L.
 
Narcissus bulbocodium L.
 
Narcissus juncifolius Lagasca
COMPOSITAE
 
Arnica montana L.
 
Artemisia eriantha Tem
 
Artemisia genipi Weber
 
Doronicum plantagineum L. subsp. tournefortii (Rouy) P. Cout.
 
Leuzea rhaponticoides Graells
CRUCIFERAE
 
Alyssum pintadasilvae Dudley.
 
Malcolmia lacera (L.) DC. subsp. graccilima (Samp.) Franco
 
Murbeckiella pinnatifida (Lam.) Rothm. subsp. herminii (Rivas-Martinez) Greuter & Burdet
GENTIANACEAE
 
Gentiana lutea L.
IRIDACEAE
 
Iris lusitanica Ker-Gawler
LABIATAE
 
Teucrium salviastrum Schreber subsp. salviastrum Schreber
LEGUMINOSAE
 
Anthyllis lusitanica Cullen & Pinto da Silva
 
Dorycnium pentaphyllum Scop. subsp. transmontana Franco
 
Ulex densus Welw. ex Webb.
LILIACEAE
 
Lilium rubrum Lmk
 
Ruscus aculeatus L.
PLUMBAGINACEAE
 
Armeria sampaio (Bernis) Nieto Feliner
ROSACEAE
 
Rubus genevieri Boreau subsp. herminii (Samp.) P. Cout.
SCROPHULARIACEAE
 
Anarrhinum longipedicelatum R. Fernandes
 
Euphrasia mendonçae Samp.
 
Scrophularia grandiflora DC. subsp. grandiflora DC.
 
Scrophularia berminii Hoffmanns & Link
 
Scrophularia sublyrata Brot.]

Bijlage VI.
Verboden methoden en middelen voor het vangen en doden en verboden wijzen van vervoer


A) Niet-selectieve middelen
ZOOGDIEREN
Blindgemaakte of verminkte levende dieren die als lokdieren worden gebruikt
Bandrecorders
Elektrische en elektronische apparaten waarmee dieren kunnen worden gedood of bewusteloos gemaakt
Kunstmatige lichtbronnen
Spiegels en andere verblindende voorwerpen
Apparaten om vangstplaatsen te verlichten
Zoekers met een elektronische beeldversterker of beeldomkeerder voor het schieten in het donker
Explosieven
Netten die qua werking en gebruik niet-selectief zijn
Vallen die qua werking en gebruik niet-selectief zijn
Kruisbogen
Vergif en giftig of verdovend lokaas
Uitgassen of uitroken
Automatische of semi-automatische wapens waarvan de houder meer dan twee patronen kan bevatten
VISSEN
Vergif
Explosieven

B) Wijzen van vervoer Vangen en/of doden vanuit
luchtvaartuigen
rijdende motorvoertuigen