Art. 17.

ž 1

De externe beschermingsmaatregelen bedoeld in de artikelená15 en 16, worden uitgevoerd door de politiediensten, onder de operationele co÷rdinatie en leiding van de politieofficier aangewezen in toepassing van de artikelená7/1 tot 7/3 van de wet op het politieambt.

ž 2

De ADCC richt haar bevelen, onderrichtingen en richtlijnen aan de politiediensten namens de Minister van Binnenlandse Zaken, respectievelijk in toepassing van de artikelená61, 62 en 97, eerste lid van de wet van 7ádecember 1998 tot organisatie van een ge´ntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

ž 3

De burgemeester richt zijn bevelen, onderrichtingen en richtlijnen aan de lokale politie, in toepassing van artikelá42 van de wet van 7ádecember 1998 tot organisatie van een ge´ntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, of, in voorkomend geval, aan de gedeconcentreerde dienst van de federale politie belast met de luchtvaartpolitie, de scheepvaartpolitie, de spoorwegpolitie of de wegpolitie.