Afdeling 5.
Informatie-uitwisseling


Art. 18.
[De ADCC, de politiediensten, het OCAD en, in voorkomend geval, de autoriteit bedoeld in artikel 7, § 1, van de wet van 7 april 2019, wat de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen betreft] [wisselen] de nuttige informatie voor het nemen van externe beschermingsmaatregelen voor de kritieke infrastructuren [uit].

Art. 19.
[De exploitant, het beveiligingscontactpunt, de sectorale overheid, de ADCC, het OCAD, de politiediensten en, in voorkomend geval, de autoriteit bedoeld in artikel 7, § 1, van de wet van 7 april 2019, wat de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen betreft,] werken te allen tijde samen, door een adequate informatie-uitwisseling betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuur, teneinde te waken over een overeenstemming tussen de interne beveiligingsmaatregelen en de externe beschermingsmaatregelen.

Art. 20.
De Koning [kan bepalen], voor een bepaalde sector, of in voorkomend geval, per deelsector, de informatie [...] die pertinent kan zijn voor het vervullen van de opdrachten van de ADCC, van de politiediensten en van het OCAD op het vlak van de bescherming van kritieke infrastructuren en de nadere regels van toegang tot die informatie.

Art. 21.
De ADCC kan aan de exploitant informatie over de dreiging en over de externe beschermingsmaatregelen overmaken die de exploitant toelaten zijn graduele interne beveiligingsmaatregelen op gepaste wijze toe te passen en ze in overeenstemming te brengen met de externe beschermingsmaatregelen.
[De ADCC kan een kopie van deze informatie aan de door de betrokken sectorale overheid aangewezen dienst overzenden.]

Art. 22.
[De sectorale overheid, de ADCC, het OCAD, de politiediensten en de autoriteit bedoeld in artikel 7, § 1, van de wet van 7 april 2019,] beperken de toegang tot de informatie bedoeld in hoofdstuk 2, tot de personen die er de kennis van nodig hebben en er toegang toe moeten hebben voor de uitoefening van hun functies of hun opdracht die de veiligheid en/of de bescherming van de kritieke infrastructuren tot doel hebben.

Art. 22bis.
Voor de sector financiėn[, met uitzondering van de deelsector van de exploitanten van een handelsplatform,] maakt de Nationale Bank van Belgiė aan de Minister van Financiėn een verslag over met betrekking tot de taken die zij krachtens deze wet vervult, volgens een passende frequentie van ten hoogste drie jaar.
De Nationale Bank van Belgiė brengt de Minister echter onmiddellijk op de hoogte van elke concrete en nakende dreiging voor een kritieke infrastructuur van de sector financiėn.
[Voor de exploitanten van een handelsplatform bezorgt de FSMA de minister van Financiėn een verslag met betrekking tot de taken die zij krachtens deze wet vervult, volgens een passende frequentie van ten hoogste drie jaar. De FSMA brengt hem echter onmiddellijk op de hoogte van elke concrete en nakende dreiging voor een kritieke infrastructuur die onder de bevoegdheid van haar sectoor valt.]

Art. 23.

§ 1

Onverminderd de artikelen 20 en 25, § 1, 2°, is de exploitant gehouden tot het beroepsgeheim voor wat de inhoud van het B.P.E. betreft en mag hij enkel toegang geven tot het B.P.E. aan personen die er de kennis van nodig hebben en er toegang toe moeten hebben voor de uitoefening van hun functies of van hun opdracht.
[Hij is aan hetzelfde geheim gehouden voor wat betreft alle informatie die hem ter kennis wordt gebracht met toepassing van de artikelen 5 tot en met 10, het artikel 13, §§ 6 en 7, en de artikelen 14, 19, 21 en 25.]

§ 2

Inbreuken op § 1 worden bestraft met de straffen voorzien bij artikel 458 van het Strafwetboek.

Art. 23/1.
De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie zijn niet van toepassing op informatie, documenten of gegevens, in welke vorm ook, bedoeld in artikel 22.