Art. 25.

§ 1

Bij de uitoefening van hun opdracht kunnen de leden van de inspectiedienst, op elk ogenblik:
zonder voorafgaande verwittiging, op vertoon van hun legitimatiekaart, zich toegang verschaffen tot alle plaatsen van de kritieke infrastructuur die aan hun toezicht onderworpen zijn; zij hebben slechts toegang tot bewoonde lokalen mits een machtiging die vooraf is uitgereikt door een rechter van de politierechtbank;
ter plaatse kennis nemen van het B.P.E. en van alle bescheiden, documenten en andere informatiebronnen nodig voor het volbrengen van hun opdracht;
overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten voor de uitoefening van hun opdracht.

§ 2

De Koning kan, voor een bepaalde sector of deelsector, de inspectiedienst toelaten zich een kopie te laten overmaken van het B.P.E. en van alle bescheiden, documenten en andere informatiebronnen die deze dienst nodig acht voor de uitoefening van zijn opdracht. De Koning kan ook de nadere regels vaststellen volgens dewelke de kopie wordt overgemaakt aan deze dienst.

§ 3

Op basis van de gedane vaststellingen kan de inspectiedienst aanbevelingen, instructies of waarschuwingen aan de exploitant geven betreffende de naleving van de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten. [Hij kan een termijn bepalen om zich in regel te stellen. De inspectiedienst of de in artikel 24, § 3, eerste lid, bedoelde leden van deze dienst, kunnen processen-verbaal opstellen.]

[§ 4

Na elke inspectie stelt de inspectiedienst een inspectieverslag op.
]