Omzendbrief LNE 2011/1. - Milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten
22 JULI 2011. - Omzendbrief LNE 2011/1. - Milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten ten gevolge van het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011 (C-435/09, Europese Commissie t. BelgiŽ)

Aan :

de diensten van de Vlaamse Overheid

de deputaties van de provincies

de colleges van burgemeester en schepenen

Inhoudstafel

A. Aanleiding en opzet

B. Beschrijving en verduidelijking van het juridische kader ingevolge het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Europese Commissie t. BelgiŽ (zaak C-435/09)

B.1 Het arrest van het Hof van Justitie en de gevatte Vlaamse Regelgeving

B.2 Verplichting om het arrest uit te voeren en alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de volle werking van de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG te waarborgen

C. Richtsnoeren voor de behandeling van nieuwe en hangende vergunningsaanvragen voor projecten die behoren tot de projectcategorieŽn die zijn opgenomen in zowel bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG als in bijlage II bij het Project-m.e.r.-besluit en die de omvang- of capaciteitsdrempels, vermeld in bijlage II van dat besluit, niet bereiken

C.1 Toepassingsgebied

C.2 Richtsnoeren


A. Aanleiding en opzet

Deze omzendbrief beschrijft en verduidelijkt het juridische kader van de milieueffectbeoordeling en vergunningverlening voor bepaalde projecten ten gevolge van rechtspraak van het Hof van Justitie over richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (1). Die rechtspraak wordt hierna toegelicht (deel B). Deel C bevat richtsnoeren voor de maatregelen die de advies- en vergunningverlenende instanties kunnen nemen in het kader van hun verplichting om de volle werking van de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG te waarborgen, in afwachting van de wijzigingen in de Vlaamse regelgeving die noodzakelijk zijn om het arrest van het Hof van Justitie uit te voeren. De wijzigingen aan de Vlaamse regelgeving worden verwacht in de loop van 2012. Deze omzendbrief houdt op uitwerking te hebben zodra de wijzigingen in de Vlaamse regelgeving in werking treden.

Deze omzendbrief is bestemd voor de diensten van de Vlaamse overheid en de provincie- en gemeentebesturen in hun hoedanigheid van overheidsinstanties die betrokken zijn bij de vergunningverlening van de voormelde projecten.


B. Beschrijving en verduidelijking van het juridische kader ingevolge het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Europese Commissie t. BelgiŽ (zaak C-435/09)

Samenvatting deel B.1 en B.2

In een arrest van 24 maart 2011 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de Vlaamse regelgeving niet in overeenstemming is met een aantal bepalingen van richtlijn 85/337/EEG omdat ze een aantal projecten die zijn opgenomen in bijlage II van die richtlijn, alleen op basis van het criterium omvang van het project’ uitsluit van een zogenaamde screening, dus zonder rekening te houden met andere relevante criteria, onder meer met betrekking tot de aard en de ligging van het project.

Het arrest heeft tot gevolg dat bepaalde aspecten van de Vlaamse regelgeving op het gebied van milieueffectbeoordeling van projecten zullen moeten worden herzien. Op grond van vaste rechtspraak over de doorwerking van het Unierecht moet elke overheidsinstantie die betrokken is bij de vergunningverlening voor die projecten echter onmiddellijk de nodige medewerking verlenen om de richtlijnbepalingen in kwestie volledig uit te voeren.

Dit betekent concreet dat alle instanties die als advies- of vergunningverlener optreden bij vergunningsaanvragen voor concrete projecten die onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief vallen (zie verder), het concrete project moeten onderzoeken om te bepalen of de vergunningsaanvrager een milieueffectrapport moet opmaken (de zogenaamde screening). Die screening moet uitgevoerd worden voor er een beslissing wordt genomen over de vergunningsaanvraag, en het resultaat moet ter beschikking worden gesteld van het publiek.


B.1. Het arrest van het Hof van Justitie en de gevatte Vlaamse regelgeving

Op 24 maart 2011 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Europese Commissie t. BelgiŽ (zaak C-435/09) (hierna het ’voormeld arrest’ te noemen) een uitspraak gedaan die gevolgen heeft voor de behandeling van vergunningsaanvragen voor projecten die behoren tot de projectcategorieŽn die zijn opgenomen in zowel bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG als in bijlage II bij het Project-m.e.r.-besluit (2) en die de omvang- of capaciteitsdrempels, vermeld in bijlage II van dat besluit, niet bereiken.

Bijlage I bij het Project-m.e.r.-besluit bevat een lijst van categorieŽn van projecten waarvoor overeenkomstig hoofdstuk III van titel IV van het decreet van het Vlaams Parlement van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM te noemen) (3) een milieueffectrapport moet worden opgemaakt. Bijlage II bij het Project-m.e.r.-besluit bevat een lijst van categorieŽn van projecten waarvoor overeenkomstig hoofdstuk III van titel IV van het DABM al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid). Dergelijke projecten mogen niet worden vergund zonder dat voorafgaandelijk is onderzocht, met toetsing aan de relevante criteria van bijlage II bij het DABM, of een milieueffectrapport moet worden opgemaakt. De lijst van bijlage II bij het Project-m.e.r-besluit is de overname van de lijst van categorieŽn van projecten die is opgenomen als bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG (4), met toevoeging van een aantal omvang- of capaciteitsdrempels voor sommige projectcategorieŽn. Daardoor was de voorbije jaren in Vlaanderen de volgende juridische regeling toepasselijk : 1į voor projecten die de omvang- of capaciteitsdrempels bereikten, gold de verplichting om voorafgaandelijk aan de vergunningsbeslissing een milieueffectrapport op te maken, tenzij voor het project een ontheffing van die verplichting werd verkregen die, na toetsing van het project aan de relevante criteria van bijlage II bij het DABM, in voorkomend geval, door de bevoegde administratie werd verleend (’de ontheffingsbeslissing’) en 2į voor projecten die de omvang- of capaciteitsdrempels niet bereikten, gold geen enkele m.e.r.-verplichting. Het arrest van het Hof van Justitie heeft tot gevolg dat die juridische regeling, voor zover ze projecten die de omvangof capaciteitsdrempels van bijlage II niet bereiken, al op voorhand uitsluit van elke m.e.r-verplichting, als onverenigbaar met enkele artikelen en bijlagen van richtlijn 85/337/EEG moet worden beschouwd.

Het Hof van Justitie heeft in het voormelde arrest geoordeeld dat het Vlaamse Gewest niet de nodige maatregelen heeft bepaald voor de correcte of volledige uitvoering van artikel 4, tweede en derde lid, gelezen in samenhang met bijlage II en III van richtlijn 85/337/EEG (5). Die artikelen en bijlagen regelen de zogenaamde screening van projecten. Meer bepaald heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het Vlaamse Gewest de beoordelingsmarge waarover het beschikt op het gebied van de omzetting van die artikelen en bijlagen van de richtlijn in de Vlaamse regelgeving, heeft overschreden doordat het voor sommige categorieŽn van projecten die zijn opgelijst in bijlage II bij het Project-m.e.r.-besluit, drempelwaarden en selectiecriteria heeft vastgesteld die alleen met de omvang van het project rekening houden. Volgens het Hof van Justitie wordt de beoordelingsmarge van het Vlaamse Gewest op het gebied van de vaststelling van drempelwaarden en selectiecriteria die toepasselijk zijn in het kader van de selectie van de categorieŽn van projecten die onderworpen moeten worden aan de screening, begrensd door de verplichting om elk project dat wegens de aard, omvang of ligging ervan een aanzienlijk milieueffect kan hebben, aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen voordat een vergunning wordt verleend. Uit het voormelde arrest volgt dat het Vlaamse Gewest de verplichting heeft om ervoor te zorgen dat zijn regelgeving waarborgt dat naar aanleiding van de screening van projecten niet alleen rekening wordt gehouden met de omvang van het project, maar ook met alle andere relevante criteria die zijn opgesomd in bijlage III van de richtlijn.

B.2. Verplichting om het arrest uit te voeren en alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de volle werking van de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG te waarborgen

Ingevolge artikel 260, eerste lid, van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is een lidstaat ertoe gehouden onmiddellijk de maatregelen te nemen die nodig zijn om een arrest van het Hof van Justitie uit te voeren. Voor arresten waarin het Hof vaststelt dat de lidstaat niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen heeft genomen om uitvoering te geven aan verplichtingen die voortvloeien uit een richtlijn van de Europese Unie, betekent dat concreet dat de lidstaat verplicht is zo snel mogelijk het wettelijke en bestuursrechtelijke kader in overeenstemming te brengen met de richtlijn en in afwachting daarvan alle andere maatregelen te nemen om de zogenaamde volle werking van de bepalingen in kwestie van de richtlijn te waarborgen. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat alle administratieve overheden en overheidsinstanties van de lidstaten hun volle medewerking moeten verlenen aan de effectieve en uniforme toepassing van het Unierecht.

Het Hof van Justitie heeft al verduidelijkt wat de lidstaat moet doen als het heeft vastgesteld dat de lidstaat de grenzen van de beoordelingsmarge waarover hij beschikt voor de omzetting van artikel 2, eerste lid, en artikel 4, tweede lid, van richtlijn 85/337/EEG, heeft overschreden. In dat geval moeten alle betrokken overheidsinstanties de nationale bepalingen waarop het arrest van het Hof van Justitie betrekking heeft, buiten toepassing laten. Die instanties moeten binnen het kader van hun bevoegdheden ook alle algemene en bijzondere maatregelen nemen die nodig zijn om te verzekeren dat de projecten worden gescreend om vast te stellen of ze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen (6). Het Hof van Justitie heeft ook al verduidelijkt wat de lidstaat moet doen als het artikel van de richtlijn in kwestie rechtstreeks werking heeft. De nationale rechters en elke andere overheidsinstantie, gemeentelijke instanties inbegrepen, zijn ertoe gehouden om een dergelijke richtlijnbepaling toe te passen en de bepalingen van het nationale recht die daarmee niet verenigbaar zijn, buiten toepassing te laten (7). Het Hof van Justitie heeft eerder bevestigd dat artikel 2, eerste lid, van richtlijn 85/337/EEG, in samenhang met artikel 1, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, van die richtlijn, rechtstreeks werking heeft, ook al laten die bepalingen een zekere beoordelingsmarge voor de lidstaat bij de omzetting ervan en ook al heeft een rechtstreekse toepassing van die artikelen negatieve gevolgen voor de rechten van derden (8). In gevallen waarin de niet-nakoming door de lidstaat van de bepalingen van het Unierecht is vastgesteld en de rechtstreekse werking van de bepalingen is erkend, stelt de werking van het Unierecht voor de bevoegde nationale autoriteiten met andere woorden een verbod van rechtswege in om een met het Unierecht onverenigbaar verklaard nationaal voorschrift toe te passen, alsook eventueel de verplichting om alle maatregelen te nemen om de volledige doorwerking van het gemeenschapsrecht te vergemakkelijken (9).

Aangezien het Hof van Justitie heeft vastgesteld dat de regelgeving die in het Vlaamse Gewest toepasselijk is, niet alle maatregelen bevat die nodig zijn om artikel 4, tweede en derde lid, gelezen in samenhang met bijlage II en III van richtlijn 85/337/EEG, volledig en correct uit te voeren, zijn wijzigingen in de regelgeving nodig om uitvoering te geven aan het arrest. In afwachting van de inwerkingtreding van die wijzigingen moet elke overheidsinstantie die betrokken is bij die regelgeving, alle maatregelen nemen die nodig zijn om de volle werking van de bepalingen in kwestie van de richtlijn te waarborgen. Dat betekent concreet dat alle instanties die als advies- of vergunningverlener optreden bij vergunningsaanvragen voor concrete projecten die onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief vallen (zie verder), het concrete project moeten onderzoeken om te bepalen of de vergunningsaanvrager een milieueffectrapport moet opmaken (de zogenaamde screening). Die screening moet uitgevoerd worden voor er een beslissing is genomen over de vergunningsaanvraag, en het resultaat moet ter beschikking worden gesteld van het publiek.

Het onderzoek moet bestaan uit een toetsing van het concrete project aan alle relevante criteria van bijlage II bij het DABM (10).

Ingevolge artikel 260, tweede lid, van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie houdt de Europese Commissie toezicht op de uitvoering door de betrokken lidstaat van het arrest van het Hof van Justitie. Als de lidstaat te lang wacht met het nemen van de maatregelen die nodig zijn om het arrest uit te voeren en om de volle werking van de bepalingen in kwestie van de richtlijn te waarborgen, kan de Commissie de lidstaat na een enkele ingebrekestelling opnieuw voor het Hof van Justitie dagvaarden en het Hof van Justitie verzoeken om de lidstaat als sanctie een forfaitaire som en/of dwangsom op te leggen. In afwachting van de inwerkingtreding van de noodzakelijke wijzigingen van de Vlaamse regelgeving wordt door middel van deze omzendbrief op de snelst mogelijke wijze uitvoering gegeven aan het arrest. Deze omzendbrief houdt op uitwerking te hebben zodra de wijzigingen in de Vlaamse regelgeving in werking treden.†


C. Richtsnoeren voor de behandeling van nieuwe en hangende vergunningsaanvragen voor projecten die binnen het toepassingsgebied van deze omzendbrief vallen

C.1. Toepassingsgebied

Om te bepalen of het project dat het voorwerp vormt van de vergunningsaanvraag, tot het toepassingsgebied van deze omzendbrief behoort, moet de volgende stapsgewijze aanpak gevolgd worden :

1. Is het project dat voorwerp vormt van de vergunningsaanvraag, opgenomen in bijlage I van het Project-m.e.r.-besluit?

Ja, het project valt onder ťťn van de activiteiten genoemd in bijlage I van het Project-m.e.r.-besluit en het overschrijdt de vermelde drempelwaarde.

In dat geval moet voor het project een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid) goedgekeurd milieueffectrapport deel uitmaken van de vergunningsaanvraag en valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief. Voor de opmaak van het milieueffectrapport voor het voorgenomen project is het D.A.B.M. van toepassing

Nee, ga naar vraag 2.

2. Is het project dat het voorwerp vormt van de vergunningsaanvraag, opgenomen in bijlage II van het Project-m.e.r.-besluit?

Ja, het project valt onder ťťn van de activiteiten genoemd in bijlage II van het Project-m.e.r.-besluit en het overschrijdt de vermelde drempelwaarde. In dat geval moet er voor het project een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid goedgekeurd milieueffectrapport of een door de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid opgestelde ontheffingsbeslissing deel uitmaken van de vergunningsaanvraag en valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief. Voor de opmaak van het milieueffectrapport of een verzoek tot ontheffing voor het voorgenomen project is het D.A.B.M. van toepassing

Nee, ga naar vraag 3.

3. Is het voorgenomen project vermeld in de lijst (11) die is opgenomen in de bijlage bij deze omzendbrief ?

Ja, dan valt het voorgenomen project onder het toepassingsgebied.

Nee, dan valt het voorgenomen project niet onder het toepassingsgebied en hoeven er voor de milieueffectbeoordeling geen verdere acties ondernomen te worden.

De richtsnoeren van deze omzendbrief zijn zowel van toepassing op nieuwe als op reeds hangende vergunningsaanvragen.

Deze omzendbrief is van toepassing op elk type van vergunningsaanvraag voor dergelijke projecten. Het gaat bijgevolg niet alleen over de aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning, maar onder meer ook over de zogenaamde natuurvergunningsplicht om vegetaties of kleine landschapselementen (12) te wijzigen, en over de kapmachtiging (13).

C.2. Richtsnoeren

Om te bepalen of een project onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief valt, moet de stapsgewijze aanpak (C1 Toepassingsgebied) gevolgd worden. Als een project onder het toepassingsgebied valt, moet de vergunningverlenende overheid ervoor zorgen dat voorafgaandelijk aan de beslissing over de vergunningsaanvraag een screening wordt uitgevoerd. De vergunningverlenende overheid moet in de motivering van haar beslissing over de vergunningsaanvraag een duidelijk identificeerbare passage opnemen waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is. Dit dient te gebeuren voor zowel nieuwe als voor hangende vergunningsaanvragen.

De projecten die onder toepassingsgebied van deze omzendbrief vallen zijn in voorkomend geval ook bepalend voor het toepassingsgebied van de Plan-MER (14).

Een screening als vermeld in deze omzendbrief houdt in dat voor het concrete project nagegaan wordt of het, in het licht van zijn concrete kenmerken, de concrete plaatselijke omstandigheden en de concrete kenmerken van zijn potentiŽle milieueffecten, aanzienlijke milieueffecten kan hebben (de zogenaamde beoordeling geval per geval). Als uit de screening voor het concrete project blijkt dat er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn, moet de vergunningsaanvrager een milieueffectrapport opmaken.

De vraag wanneer een milieueffectrapport vereist is voor een project dat onder het toepassingsgebied valt, is slechts in abstracto te beantwoorden. In het algemeen geldt dat voor projecten een milieueffectrapport nodig is als de activiteit een aanzienlijk milieueffect kan hebben wegens haar aard, omvang of ligging. Daarbij moet rekening worden gehouden met de criteria van bijlage II bij het DABM, onder andere :

- de kenmerken van de projecten, waarbij in het bijzonder de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, de verontreiniging en hinder, alsook het risico van ongevallen in overweging moeten worden genomen;
- de plaats van de projecten, waarbij rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de geografische gebieden waarop de projecten een invloed kunnen hebben, door in het bijzonder het bestaande grondgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu in overweging te nemen;
- de kenmerken van het potentiŽle effect, in het bijzonder met betrekking tot het bereik van het effect (geografische gebied en de grootte van de getroffen bevolking.

De vergunningverlenende overheid moet de screening voor elk concreet project afzonderlijk uitvoeren. De vergunningverlenende overheid kan de screening uitvoeren op basis van onder meer de gegevens uit de vergunningsaanvraag. In voorkomend geval reiken de adviesverlenende instanties relevante gegevens aan. Vanzelfsprekend wordt nuttige informatie die werd aangereikt via het openbaar onderzoek, in de screening betrokken.

In voorkomend geval kan het aangewezen zijn dat de initiatiefnemer bijkomende verduidelijkende informatie aan de vergunningverlenende overheid bezorgt. De initiatiefnemer kan evenwel geen nieuwe informatie of essentiŽle wijzigingen in de informatie aanbrengen ten opzichte van de oorspronkelijke vergunningsaanvraag.

De vergunningverlenende overheid moet ten slotte in de motivering van haar beslissing over de vergunningsaanvraag een duidelijk identificeerbare passage opnemen waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is door middel van een toetsing aan de relevante criteria van bijlage II bij het DABM, en waaruit blijkt waarom die screening in voorkomend geval heeft geleid tot de conclusie dat voor het project geen milieueffectrapport moest worden opgemaakt.

De vergunningverlenende overheid kan de vergunning voor projecten die onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief vallen niet verlenen voor ze over voldoende informatie beschikt die een toetsing van het project aan alle relevante screeningscriteria mogelijk maakt ťn als uit de screening blijkt dat het project geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als de vergunning niet verleend wordt omdat uit de screening blijkt dat het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dan moet de initiatiefnemer een milieueffectrapport laten opmaken. Voor de opmaak van het milieueffectrapport voor het voorgenomen project is het D.A.B.M. van toepassing.

Als voor het voorgenomen project verschillende vergunningen vereist zijn, zijn overleg en afstemming tussen de vergunningverleners over de screeningsbeslissing noodzakelijk.

Meer informatie

Een handleiding vindt u op de website van de dienst Milieueffectrapportage (Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid)) : www.mervlaanderen.be

Meer informatie over de procedure voor de opmaak van een milieueffectrapport en de procedure voor opmaak van een verzoek tot ontheffing kan u vinden op de website van de dienst Milieueffectrapportage (Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid)) : www.mervlaanderen.be

Met vragen kunt u altijd terecht bij de dienst Milieueffectrapportage (Vlaamse overheid (Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid)) op het volgende e-mailadres : mer@vlaanderen.be. Voor vragen specifiek over screening project-MER kan u screening ’project-MER’ in de titel vermelden.

Joke Schauvliege

Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur

Philippe Muyters

Vlaams minister van FinanciŽn, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport

Bijlage (15)

1.† Landbouw, bosbouw en aquacultuur
a) †Ruilverkavelingsprojecten
b) †Projecten voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of semi-natuurlijke gebieden voor intensieve landbouw
c) ††Waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten
d) †Eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik
e) †Intensieve veeteeltbedrijven (voor zover niet in bijlage I opgenomen) (16)
f) †Intensieve aquacultuur van vis
g) †Landwinning uit zee
2. Extractieve bedrijven
a) Steengroeven, dagbouwmijnen en turfwinning (niet onder bijlage I vallende projecten)
b) Ondergrondse mijnbouw
c) Winning van mineralen door afbaggering van de zee- of rivierbodem
d) Diepboringen met name
- geothermische boringen;
- boringen in verband met de opslag van kernafval;
- boringen voor watervoorziening,
met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond;†
e) Oppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van steenkool, aardolie, aardgas, ertsen en bitumineuze schisten
3. Energiebedrijven
a) IndustriŽle installaties voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (niet onder bijlage I vallende projecten)
b) IndustriŽle installaties voor het transport van gas, stoom en warm water; transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen (niet onder bijlage I vallende projecten)
c) Bovengrondse opslag van aardgas
d) Ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen
e) Bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen
f) Industrieel briketteren van steenkool en bruinkool
g) Installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval (niet onder bijlage I vallende projecten)
h) Installaties voor de productie van hydro-elektrische energie
i) Installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken)†
4. Productie en verwerking van metalen
a) Installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten†
b) Installaties voor verwerking van ferrometalen door :
i) warmwalsen;
ii) smeden met hamers;
iii) het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal
c) Smelterijen van ferrometalen†
d) Installaties voor het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten enz.).
e) Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procťdť
f) Automobielfabrieken en -assemblagebedrijven en fabrieken van automobielmotoren
g) Scheepswerven
h) Installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen
i) Spoorwegmaterieelfabrieken†
j) Uitstampen door middel van springstoffen
k) Installaties voor het roosten en sinteren van ertsen†
5. Minerale industrie
a) Cokesovenbedrijven (droge distillatie van steenkool)
b) Installaties voor de vervaardiging van cement
c) Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten (niet onder bijlage I vallende projecten)
d) Installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van glasvezels
e) Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels
f) Fabricage van keramische producten door middel van bakken, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein†
6. Chemische industrie (niet onder bijlage I vallende projecten)
a) Behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliŽn
b) Productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden
c) Opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten
7. Voedings- en genotmiddelenindustrie†
a) Vervaardiging van plantaardige en dierlijke oliŽn en vetten
b)† †Conservenfabrieken voor dierlijke en plantaardige producten
c) Zuivelfabrieken†
d) Bierbrouwerijen en mouterijen
e) Suikerwaren- en siroopfabrieken
f) Installaties voor het slachten van dieren†
g) Zetmeelfabrieken
h) Vismeel- en visoliefabrieken
i) Suikerfabrieken
8. Textiel-, leder-, hout- en papierindustrie
a) IndustriŽle installaties voor de fabricage van papier en karton (niet onder bijlage I vallende projecten)
b) Installaties voor de voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel
c) Installaties voor het looien van huiden
d) Installaties voor het produceren en bewerken van celstof†
9. Rubberverwerkende industrie
Vervaardiging en behandeling van producten op basis van elastomeren
10. Infrastructuurprojecten
a) Industrieterreinontwikkeling†
b) Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen
c) Aanleg van spoorwegen en faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations (niet onder bijlage I vallende projecten)
d) Aanleg van vliegvelden (niet onder bijlage I vallende projecten)
e) Aanleg van wegen, havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens (niet onder bijlage I vallende projecten)
f) Aanleg van waterwegen (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I, werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen (= floodrelief werken))
g) Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (niet onder bijlage I vallende projecten).
h) Trams, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies, welke uitsluitend of overwegend voor personenvervoer zijn bestemd
i) Aanleg van olie- en gaspijpleidinginstallaties (niet onder bijlage I vallende projecten)
j) Aanleg van aquaducten over lange afstand.†
k) Kustwerken om erosie te bestrijden en maritieme werken die de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken, pieren, havenhoofden, en andere kustverdedigingswerken, met uitzondering van het onderhoud en herstel van deze werken
l) Niet in bijlage I opgenomen werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater
m) Niet in bijlage I opgenomen projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden
11. Andere projecten
a) Permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen
b) Installaties voor de verwijdering van afval (niet onder bijlage I vallende projecten).
c) Rioolwaterzuiveringsinstallaties (niet onder bijlage I vallende projecten).†
d) Slibstortplaatsen
e) Opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken
f) Testbanken voor motoren, turbines of reactoren
g) Installaties voor de vervaardiging van kunstmatige minerale vezels
h) Installaties voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen†
i) Vilderijen
12. Toerisme en recreatie†
a) Skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen†
b) Jachthavens
c) Vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen
d) Permanente kampeer- en caravanterreinen†
e) Themaparken
13 - Wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I of II, waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben††
- Projecten van bijlage I die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten, en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt


Nota's.

(1) PB L 5 juli 1985, afl. 175, 40

(2) Besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieŽn van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage (Belgisch Staatsblad van 17 februari 2005)

(3) Ingevoegd in het DABM bij het decreet van het Vlaams Parlement van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffecten veiligheidsrapportage (B.S 13 februari 2003),

(4) Bijlage II bij het Project-M.e.r.-besluit bevat daarnaast nog andere categorieŽn van projecten.

(5) Zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003

(6) Overweging 61 van het arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 1996 in de zaak C-72/95, Kraaijeveld

(7) Overwegingen 29 tot en met 31 van het arrest van 22 juni 1989 in de zaak C-03/88 Fratelli Costanzo

(8) Overwegingen 54 tot en met 61 van het arrest van januari 2004 in de zaak C-201/02, Wells

(9) Overweging 7 van het arrest van 13 juli 1972 in de zaak C-148/71 Commissie t. ItaliŽ

(10) Bijlage II bij het DABM is op zich de omzetting van bijlage III bij de richtlijn in de Vlaamse regelgeving.

(11) Deze lijst is bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG. Deze lijst overlapt de lijst die is opgenomen als bijlage II bij het Project-m.e.r.-besluit. Beide lijsten verschillen niet fundamenteel. De lijst die is opgenomen als bijlage II bij het Project-m.e.r.-besluit, bevat onder meer een aantal omvang- of capaciteitsdrempels, toegevoegd in vergelijking met de lijst die is opgenomen als bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG. Rubriek 2), d), tweede streepje, en 3), g), vallen onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief voor zover ze geen betrekking hebben op de verwachte effecten op het leefmilieu die verband houden met de bescherming tegen ioniserende straling.

(12) De natuurvergunningsplicht is geregeld in hoofdstuk IV Voorwaarden voor het wijzigen van vegetaties of kleine landschapselementen van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Voor bepaalde streng beschermde vegetaties en kleine landschapselementen gaat het in feite om een ontheffing of afwijking die verkregen moet worden van het verbod tot wijziging ervan (cf. artikel 7 en 10 van het voormelde besluit). Voor de wijziging van andere vegetaties en kleine landschapselementen geldt een vergunningsplicht voor zover de wijziging plaatsvindt in een of meer van de gebieden, bepaald in artikel 13, ß 4 en ß 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Er zijn evenwel een aantal vrijstellingen van toepassing die zowel voor de verbodsbepalingen als voor de vergunningsplicht gelden (zie artikel 9 van het voormelde besluit).

(13) Bedoeld wordt de verplichting tot het bekomen van een machtiging van het Agentschap voor Natuur en Bos voor het kappen van bomen in openbare bossen andere dan domeinbossen (cfr. artikel 50 van het Bosdecreet) en in privť-bossen (cfr. artikel 81 van het Bosdecreet).

(14) Het toepassingsgebied van de plan-m.e.r.-plicht is bepaald in artikel 4.2.3 van het decreet houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (Belgisch Staatsblad van 20 juni 2007). Voor ruimtelijke uitvoeringsplannen die het kader kunnen vormen voor vergunningen voor projecten die onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief vallen, kan nog steeds een onderzoek tot milieueffectrapportage uitgevoerd worden. Dit is concreet het geval als het ruimtelijk uitvoeringsplan het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt. Het onderzoek tot milieueffectrapportage onderzoekt of het plan of programma (bijvoorbeeld het ruimtelijk uitvoeringsplan) aanzienlijke milieueffecten kan hebben.

(15) Deze lijst is bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG. Deze lijst overlapt de lijst die is opgenomen als bijlage II bij het Project-MER-besluit. Beide lijsten verschillen niet fundamenteel. De lijst die is opgenomen als bijlage II bij het Project-m.e.r.-besluit, bevat onder meer een aantal omvang- of capaciteitsdrempels, toegevoegd in vergelijking met de lijst die is opgenomen als bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG. Rubriek 2), d), tweede streepje, en 3), g), vallen onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief voor zover ze geen betrekking hebben op de verwachte effecten op het leefmilieu die verband houden met de bescherming tegen ioniserende straling.

(16) In deze rubriek en in een aantal van de volgende rubrieken wordt verwezen naar bijlage I van de richtlijn : analoge rubrieken zijn nagenoeg identiek terug te vinden in bijlage I bij het Project-m.e.r.-besluit.†