Hoofdstuk I.
Algemene bepalingen


Artikel 1.
Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2.
Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
diepe ondergrond: ondergrond vanaf een diepte van ten minste [500 meter ten opzichte van het TAW-referentiepunt (Tweede Algemene Waterpassing)];
koolwaterstof: elke in de diepe ondergrond aanwezige substantie van organische oorsprong, in een daar via natuurlijke weg ontstane concentratie van hoofdzakelijk koolstof- en waterstofverbindingen of koolstof, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, zoals onder meer bruinkool, steenkool, aardolie en aardgas, of mijngas, zijnde eender welk gas dat onttrokken kan worden uit een mijn;
opsporen van koolwaterstoffen: onderzoek doen naar de aanwezigheid van koolwaterstoffen of naar nadere gegevens daarover, met gebruikmaking van een boorgat;
winnen van koolwaterstoffen: met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander ondergronds werk onttrekken van koolwaterstoffen aan de diepe ondergrond, anders dan in de vorm van monsters of formatiebeproevingen;
opsporen van potentiële opslagcomplexen: beoordelen van potentiële opslagcomplexen voor de geologische opslag van koolstofdioxide aan de hand van activiteiten die in de ondergrond binnendringen, zoals boorwerkzaamheden om geologische informatie te verkrijgen over geologische lagen in het potentiële opslagcomplex en, zo nodig, injectieproeven verrichten om de opslaglocatie te karakteriseren;
geologisch opslaan van koolstofdioxide: injecteren in combinatie met opslaan van koolstofdioxidestromen in geologische formaties in de diepe ondergrond;
verkenningsonderzoek: onderzoek naar de aanwezigheid van [koolwaterstoffen of naar de aanwezigheid van winbare aardwarmte, dan wel] naar nadere gegevens daarover, zonder gebruikmaking van een boorgat;
opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen: exclusieve schriftelijke toestemming om koolwaterstoffen op te sporen in de diepe ondergrond;
winningsvergunning [voor koolwaterstoffen]: exclusieve schriftelijke toestemming om koolwaterstoffen te winnen in de diepe ondergrond;
10°
opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag: exclusieve schriftelijke toestemming om opsporingswerkzaamheden uit te voeren met betrekking tot potentiële opslagcomplexen voor koolstofdioxide in de diepe ondergrond, inclusief de voorwaarden waaronder die opsporingswerkzaamheden mogen plaatsvinden;
11°
opslagvergunning: exclusieve schriftelijke toestemming of toestemmingen waarbij de exploitant wordt gemachtigd tot de geologische opslag van koolstofdioxide in een opslaglocatie in de diepe ondergrond, en waarin de voorwaarden [waaronder die mag plaatsvinden] zijn gespecificeerd;
12°
opslaglocatie: een omschreven volumegebied binnen een geologische formatie, dat gebruikt wordt voor de geologische opslag van koolstofdioxide en bijbehorende bovengrondse voorzieningen en injectiefaciliteiten;
13°
geologische formatie: lithostratigrafische onderverdeling waarbinnen duidelijk te onderscheiden [gesteentelagen] kunnen worden aangetroffen en in kaart kunnen worden gebracht;
14°
opslagcomplex: opslaglocatie en omringende geologische gebieden die een weerslag kunnen hebben op de [algehele] integriteit van de opslag en de veiligheid ervan; d.w.z. omliggende opslagformaties [die koolstofdioxide kunnen gaan bevatten];
15°
lekkage: het weglekken van koolstofdioxide uit het opslagcomplex;
16°
waterkolom: verticale continue massa water van de oppervlakte tot de bodemafzetting van een waterlichaam;
17°
hydraulische eenheid: hydraulisch verbonden poriënruimte waar de drukdoorgave met technische middelen kan worden gemeten, en die is afgebakend door [stromingsbarrières] zoals storingen, zoutkoepels of lithologische grenzen, of door wigvormige uitloop of [dagzomende] aardlagen van de formatie;
18°
exploitant: particuliere of publieke natuurlijke persoon of rechtspersoon die de opslaglocatie exploiteert en beheert of die over de beslissende economische macht over de technische functionering van de opslaglocatie beschikt;
19°
[belangrijke] wijziging: iedere wijziging waarin de opslagvergunning niet voorziet, die aanzienlijke effecten op het milieu [of] de volksgezondheid tot gevolg kan hebben;
20°
koolstofdioxidestroom: stroom stoffen die resulteert uit het afvangen van koolstofdioxide;
21°
afvalstoffen: afvalstoffen als vermeld in het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;
22°
koolstofdioxidepluim: het zich verspreidende volume van koolstofdioxide in de geologische formatie;
23°
migratie: beweging van koolstofdioxide binnen het opslagcomplex;
24°
significante onregelmatigheid: onregelmatigheid bij de injectie- of opslagwerkzaamheden of in de toestand van het opslagcomplex zelf, die het risico van lekkage doet ontstaan of een risico voor het milieu of de volksgezondheid oplevert;
25°
significant risico: combinatie van een [waarschijnlijkheid van het zich voordoen van] schade en een omvang van schade die niet [kan] worden genegeerd zonder het doel van de milieuveilige geologische opslag van koolstofdioxide voor de betrokken opslaglocatie [aan te tasten];
26°
corrigerende maatregelen: maatregelen om significante onregelmatigheden te corrigeren of lekkages te dichten om het weglekken van koolstofdioxide uit het opslagcomplex te voorkomen of te doen ophouden;
27°
afsluiting van een opslaglocatie: definitieve stopzetting van de injectie van koolstofdioxide in een opslaglocatie;
28°
periode na afsluiting: periode na de afsluiting van een opslaglocatie, inclusief de periode na de overdracht van de verantwoordelijkheid aan het Vlaamse Gewest;
29°
transportnetwerk: netwerk van pijpleidingen, met inbegrip van de daarvoor benodigde pompstations, om koolstofdioxide naar de opslaglocatie te transporteren;
30°
minister: Vlaamse minister, bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen, als het de opsporing of de winning van koolwaterstoffen [of aardwarmte][, of de structuurvisie voor de diepe ondergrond] betreft, dan wel de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, als het de geologische opslag van koolstofdioxide betreft;
31°
rechthebbende: houder van een zakelijk recht of een ander genotsrecht;
32°
aangewezen vennootschap: investeringsmaatschappij als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 betreffende de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid;
33°
gecoördineerde Mijnwetten: de wetten op de mijnen, de graverijen en de groeven, gecoördineerd op 15 september 1919;
34°
Pachtwet: afdeling III van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door artikel 1 van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen;
35°
[volumegebied: omschreven driedimensionaal gebied in de diepe ondergrond, afgebakend met behulp van x-, y- en z-coördinaten (Lambert BD72-stelsel en Tweede Algemene Waterpassing), grensvlakken van geologische lagen of andere geologische criteria;]
36°
[aardwarmte: in de ondergrond aanwezige warmte die daar langs natuurlijke weg [of door warmteopslag] is ontstaan;]
37°
[opsporen van aardwarmte: onderzoek doen naar de aanwezigheid van winbare aardwarmte of naar nadere gegevens daarover, met gebruikmaking van een boorgat;]
38°
[winnen van aardwarmte: het onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond met gebruikmaking van een boorgat, in voorkomend geval met inbegrip van het terugvoeren van bij de winning opgepompt water in hetzelfde geothermische reservoir;]
39°
[opsporingsvergunning voor aardwarmte: exclusieve schriftelijke toestemming om winbare aardwarmte op te sporen in de diepe ondergrond en om die aardwarmte tijdens de duur van de opsporingsvergunning overeenkomstig de vergunningsvoorwaarden te winnen;]
40°
[winningsvergunning voor aardwarmte: exclusieve schriftelijke toestemming om aardwarmte te winnen in de diepe ondergrond;]
41°
[bodembeweging: elke beweging van de aardbodem die geheel of gedeeltelijk toegeschreven kan worden aan activiteiten die onder dit decreet vergund worden, hetzij bodembeweging op lange termijn zoals bodemdaling of bodemstijging, hetzij kortstondige bodembeweging zoals seismiciteit;]
42°
[Algemene Groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (Publicatieblad van 26 juni 2014, L 187, blz. 1-78), en de latere wijzigingen ervan;]
43°
[aquifer: watervoerende laag in de ondergrond;]
44°
[door het Vlaamse Gewest verzekerbaar geologisch risico: risico op een te laag gerealiseerd vermogen voor zover dit te wijten is aan de afwijkingen van één of meer specifieke aquiferparameters bestaande uit:
a)
de bruto aquiferdikte;
b)
de netto-brutoverhouding van de aquifer;
c)
de aquiferpermeabiliteit;
d)
de diepte van de top van de aquifer;
e)
de saliniteit van het formatiewater;
f)
de geothermische gradiënt.
]

Art. 3.
De in de diepe ondergrond van nature aanwezige koolwaterstoffen zijn eigendom van het Vlaamse Gewest.
De eigendom van koolwaterstoffen die met gebruikmaking van een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] worden gewonnen, gaat door het winnen ervan over op de vergunninghouder, op voorwaarde dat een vergoeding wordt betaald aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig hoofdstuk II, afdeling II. De eigendom van koolwaterstoffen die met gebruikmaking van een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen als monsters of formatiebeproevingen aan de ondergrond worden onttrokken, gaat over op de vergunninghouder zonder dat er een vergoeding aan het Vlaamse Gewest betaald moet worden.

Art. 4.
De rechthebbenden ten aanzien van het aardoppervlak en de daarop opgerichte bouwwerken moeten toestaan dat de houder van een vergunning in de ondergrond koolwaterstoffen [of aardwarmte] opspoort of wint, potentiële opslagcomplexen voor koolstofdioxide opspoort of koolstofdioxide geologisch opslaat, overeenkomstig de regels waaraan die activiteiten onderworpen zijn, als die activiteiten plaatsvinden op een diepte van ten minste [500 meter ten opzichte van het TAW-referentiepunt].
Die verplichting doet echter geen afbreuk aan het recht van de rechthebbenden op een vergoeding voor de door die activiteiten veroorzaakte schade aan het aardoppervlak en de daarop opgerichte bouwwerken, en op een vergoeding van het genotsverlies ten gevolge van de bezetting van hun gronden.