Art. 4.
De rechthebbenden ten aanzien van het aardoppervlak en de daarop opgerichte bouwwerken moeten toestaan dat de houder van een vergunning in de ondergrond koolwaterstoffen [of aardwarmte] opspoort of wint, potentiŽle opslagcomplexen voor koolstofdioxide opspoort of koolstofdioxide geologisch opslaat, overeenkomstig de regels waaraan die activiteiten onderworpen zijn, als die activiteiten plaatsvinden op een diepte van ten minste [500 meter ten opzichte van het TAW-referentiepunt].
Die verplichting doet echter geen afbreuk aan het recht van de rechthebbenden op een vergoeding voor de door die activiteiten veroorzaakte schade aan het aardoppervlak en de daarop opgerichte bouwwerken, en op een vergoeding van het genotsverlies ten gevolge van de bezetting van hun gronden.