Hoofdstuk II.
Het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen


Afdeling I.
Vergunningen voor het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen


Onderafdeling I.
Aanvraagprocedure


Art. 5.

§ 1

Het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen kan alleen met een vergunning van de Vlaamse Regering.

§ 2

Een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] kan alleen verleend worden op basis van de resultaten die voortvloeien uit een voorafgaande opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen.
De resultaten verkregen uit een opsporingsvergunning [voor koolwaterstoffen] kunnen door een andere persoon dan de houder van de vergunning slechts worden aangewend na de rechten op de opsporingsresultaten te hebben verworven van de houder of laatste houder van de opsporingsvergunning [voor koolwaterstoffen], en deze daarvoor passend te hebben vergoed.

§ 3

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraagprocedure om een vergunning te verkrijgen, en de vormelijke en inhoudelijke voorwaarden waaraan een dergelijke aanvraag moet voldoen.

Art. 6.

§ 1

Nadat een aanvraag voor een vergunning is ingediend en volledig bevonden werd, neemt de Vlaamse Regering het initiatief om in het Publicatieblad van de Europese [Unie] een uitnodiging te publiceren om aanvragen in te dienen voor een soortgelijke vergunning voor hetzelfde [volumegebied].
Die uitnodiging maakt melding van de aard van de vergunning, het [volumegebied] waarvoor een aanvraag kan worden ingediend, de termijn waarin een aanvraag tot mededinging kan worden ingediend, de toepasselijke regelgeving, en de voorgenomen datum waarop of de termijn waarin over de vergunningsaanvraag beslist zal worden.
Als de voorkeur wordt gegeven aan aanvragen die uitgaan van individuele natuurlijke personen of rechtspersonen, moet dat in de uitnodiging worden vermeld.

§ 2

Andere belangstellenden kunnen binnen een termijn van negentig dagen na de publicatie van de uitnodiging in het Publicatieblad van de Europese [Unie] eveneens een aanvraag indienen voor een soortgelijke vergunning voor hetzelfde [volumegebied].

Art. 7.

§ 1

In de volgende gevallen wordt de procedure, vermeld in artikel 6, niet gevolgd:
als de houder van een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen die met gebruikmaking van die vergunning de aanwezigheid van koolwaterstoffen heeft aangetoond, gedurende de geldigheidsduur van die vergunning, voor hetzelfde [volumegebied] of gedeelten daarvan een aanvraag voor een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] indient. Als de aanwezigheid van koolwaterstoffen maar in een deel van het vergunde [volumegebied] is aangetoond, kan de winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] beperkt worden tot dat deel van het [volumegebied]. In afwijking van artikel 11, § 1, blijft de opsporingsvergunning [voor koolwaterstoffen], voor zover ze betrekking heeft op het aangevraagde [volumegebied], in elk geval gelden tot wanneer de beslissing over de aanvraag voor de winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] onherroepelijk wordt;
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een soortgelijke vergunning in het kader van dit hoofdstuk of een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag in het kader van hoofdstuk III is verleend;
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de opsporing of de winning van koolwaterstoffen;
tijdens de eerste twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit decreet, als het een aanvraag overeenkomstig artikel 34, § 2, betreft.

§ 2

De Vlaamse Regering kan in de volgende gevallen beslissen de procedure, vermeld in artikel 6, niet te volgen:
als er geologische redenen of redenen in verband met de opsporing of winning zijn om de vergunning voor een [volumegebied] bij voorkeur aan de houder van een vergunning voor een aangrenzend [volumegebied] toe te kennen. In dat geval worden de houders van vergunningen voor eventuele andere aangrenzende [volumegebieden] uitgenodigd om binnen een termijn van negentig dagen eveneens een aanvraag in te dienen of hun opmerkingen mee te delen;
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een opslagvergunning in het kader van hoofdstuk III [, een opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte in het kader van hoofdstuk III/1, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval] of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ voor het opslaan van gas is verleend.

Art. 8.
De Vlaamse Regering kan ook op eigen initiatief beslissen een uitnodiging tot het indienen van aanvragen voor een vergunning in het Publicatieblad van de Europese [Unie] te publiceren. De voorschriften, vermeld in artikel 6, § 1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Belangstellenden kunnen binnen een termijn van negentig dagen na de publicatie van de uitnodiging een aanvraag indienen.

Onderafdeling II.
Vergunningscriteria


Art. 9.
Een vergunning wordt niet verleend in de volgende gevallen:
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een soortgelijke vergunning in het kader van dit hoofdstuk is verleend;
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag in het kader van hoofdstuk III is verleend;
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de opsporing of de winning van koolwaterstoffen;
als de aanvraag voor een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] gebeurt op basis van opsporingsresultaten verkregen in strijd met artikel 5, § 2.
Een vergunning kan onder meer geweigerd worden in de volgende gevallen:
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor al een opslagvergunning in het kader van hoofdstuk III [, een opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte in het kader van hoofdstuk III/1, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval] of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ voor het opslaan van gas is verleend;
als de Vlaamse Regering dat opportuun acht vanuit overwegingen van nationale veiligheid, omdat een staat van buiten de Europese Economische Ruimte of een onderdaan of rechtspersoon daarvan feitelijk zeggenschap heeft over de aanvrager;
als het niet aannemelijk is dat de opsporing of de winning van de koolwaterstoffen binnen het [volumegebied] waarvoor de vergunning zal gelden, economisch of technisch haalbaar is.

Art. 10.
Met behoud van de toepassing van artikel 9 worden de vergunningsaanvragen beoordeeld op basis van de volgende criteria:
de technische en financiėle mogelijkheden van de aanvrager;
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten;
in voorkomend geval, het eventuele gebrek aan efficiėntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager in het kader van een eerdere vergunning blijk heeft gegeven;
in voorkomend geval, de activiteiten die de aanvrager in het verleden verricht heeft in het [volumegebied] waarop de aanvraag betrekking heeft, of de vroegere vergunningen waarvan de aanvrager houder was in dat [volumegebied];
in voorkomend geval, de eventuele interferentie met andere al vergunde activiteiten in de ondergrond;
de milieu-impact van de voorgenomen activiteiten;
als toepassing gemaakt werd van artikel 6, § 1, derde lid, de voorkeur voor individuele natuurlijke personen of rechtspersonen;
als de procedure overeenkomstig artikel 8 gevolgd wordt, de vergoeding die de aanvrager bereid is te betalen aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikel 27;
als een keuze gemaakt moet worden uit verschillende aanvragen die na een beoordeling op basis van de criteria, vermeld in punten 1° tot en met 8°, gelijkwaardig zijn gebleken, de noodzaak om de koolwaterstoffen op een rationele en efficiėnte manier op te sporen of te winnen, de milieuvriendelijkheid van de voorgenomen technieken, de mate van marktconcentratie, de tewerkstelling en het economische belang.
De criteria, vermeld in het eerste lid, kunnen eveneens een grond tot weigering van de vergunning uitmaken.
De Vlaamse Regering kan nadere regels uitwerken voor de criteria, vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling III.
Vergunningsvoorwaarden


Art. 11.

§ 1

Een vergunning geeft de duur aan waarvoor ze geldt. Met behoud van de toepassing van artikel 19, § 2, bedraagt de geldigheidsduur van de vergunning niet langer dan noodzakelijk is om de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend, op een behoorlijke wijze te verrichten.

§ 2

[Een vergunning geeft aan voor welk volumegebied ze geldt, en welke verticale projectie op het aardoppervlak daarmee overeenstemt. Het vergunningsgebied en de daarmee overeenstemmende verticale projectie op het aardoppervlak worden zo afgebakend dat de uitoefening van de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend, vanuit technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan plaatsvinden.]
Als een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen na de verlening ervan blijkt te gelden voor een volumegebied waarin zich een voorkomen met koolwaterstoffen bevindt] waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder verplicht om zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst met de [voor het aangrenzende volumegebied tot het winnen van koolwaterstoffen gerechtigde en, als artikel 63/8, § 1, toepassing vindt, met de voor het aangrenzende volumegebied tot het winnen van aardwarmte gerechtigde], tenzij de Vlaamse Regering ontheffing verleent van de verplichting om een overeenkomst te sluiten. De overeenkomst strekt ertoe dat de winning [van de koolwaterstoffen] in onderlinge overeenstemming plaatsvindt, en kan bepalen dat de concrete realisatie van de winning maar door een van hen wordt uitgevoerd. Voor de overeenkomst en alle latere wijzigingen ervan is de goedkeuring van de Vlaamse Regering noodzakelijk.

[§ 3

De Vlaamse Regering kan bijzondere vergunningsvoorwaarden opnemen in opsporings- en winningsvergunningen voor koolwaterstoffen.
]

Art. 12.

§ 1

Een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] geldt eveneens voor andere stoffen [en aardwarmte] die onvermijdelijk meekomen met de winning van koolwaterstoffen.
[De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het winnen van andere stoffen en aardwarmte die onvermijdelijk meekomen met de winning van koolwaterstoffen.]
Een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] geeft het tarief aan van de jaarlijkse vergoeding die de vergunninghouder overeenkomstig artikel 27 aan het Vlaamse Gewest verschuldigd is, in voorkomend geval onderverdeeld per type koolwaterstof.

§ 2

Een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen geeft aan binnen welke periode nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, de opsporingsactiviteiten of verkenningsonderzoeken, vermeld in de vergunning, moeten worden verricht.
Een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen geeft aan onder welke voorwaarden koolwaterstoffen als monsters of formatiebeproevingen aan de ondergrond onttrokken mogen worden.

Onderafdeling IV.
Verplichtingen van de vergunninghouders


Art. 13.
De houder of laatste houder van een vergunning neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden om te voorkomen dat de activiteiten waarop de vergunning slaat:
milieuverstoring veroorzaken;
schade door bodembeweging veroorzaken;
de openbare veiligheid schaden;
[het planmatige beheer van de koolwaterstofvoorraden en van andere toepassingen in de ondergrond verstoren.]

Art. 14.
De houder van een vergunning deelt elke substantiėle wijziging in een vergunningscriterium, vermeld in artikelen 9 en 10, onmiddellijk [...] mee aan de Vlaamse Regering.

Art. 15.

§ 1

Koolwaterstoffen worden gewonnen overeenkomstig een [winningsplan voor koolwaterstoffen], waarvoor de goedkeuring van de Vlaamse Regering noodzakelijk is. Het [winningsplan voor koolwaterstoffen] is gebaseerd op de resultaten die voortvloeien uit het onderzoek in het kader van een voorafgaande opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen.
Het is verboden om koolwaterstoffen te winnen voor men over een door de Vlaamse Regering goedgekeurd [winningsplan voor koolwaterstoffen] beschikt, of op een wijze die substantieel afwijkt van het door de Vlaamse Regering goedgekeurde [winningsplan voor koolwaterstoffen].
Als dat noodzakelijk is voor een efficiėnte winning van de koolwaterstoffen, kan het [winningsplan voor koolwaterstoffen] op initiatief van de vergunninghouder gewijzigd of geactualiseerd worden. Voor het gewijzigde of geactualiseerde [winningsplan voor koolwaterstoffen] is opnieuw de goedkeuring van de Vlaamse Regering noodzakelijk.

§ 2

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de inhoud en de goedkeuringsprocedure van het [winningsplan voor koolwaterstoffen].

Art. 16.
De houder van een vergunning dient jaarlijks [...] een rapport in bij de Vlaamse Regering met een overzicht van de in het voorbije jaar verrichte activiteiten, en een overzicht van de in het eerstvolgende jaar geplande activiteiten. Als er in het voorbije jaar geen activiteiten verricht zijn, of in het eerstvolgende jaar geen activiteiten gepland zijn, is de vergunninghouder niet ontslagen van zijn verplichting om dat in een jaarlijks rapport aan de Vlaamse Regering te melden.
Het jaarlijkse rapport wordt ingediend uiterlijk voor het einde van de derde maand nadat een jaarlijkse periode verstreken is vanaf de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de vergunning verleend is.

Art. 17.
De houder of laatste houder van een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] verricht voor de aanvang van het winnen van koolwaterstoffen, tijdens het winnen en tot dertig jaar na het beėindigen van het winnen metingen om de kans op bodembeweging in te schatten als gevolg van het winnen van koolwaterstoffen. De Vlaamse Regering kan, als daar aanleiding toe bestaat, de termijn van dertig jaar inkorten of verlengen, met dien verstande dat inkorting enkel mogelijk is indien uit alle beschikbare gegevens blijkt dat de kans op bodembeweging verwaarloosbaar klein is.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor die metingen en de rapportage over de resultaten daarvan.

Art. 18.
Met behoud van de toepassing van artikel 33 en met inachtneming van de resultaten van de metingen, vermeld in artikel 17, kan de Vlaamse Regering de houder of laatste houder van een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] verplichten om een financiėle zekerheid te stellen voor het dekken van de aansprakelijkheid voor de schade waarvan vermoed wordt dat ze kan ontstaan door bodembeweging als gevolg van het winnen van koolwaterstoffen.
Met behoud van de toepassing van artikel 33 kan de Vlaamse Regering ook de houder of laatste houder van een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen verplichten om een financiėle zekerheid te stellen voor het dekken van de aansprakelijkheid voor de schade waarvan vermoed wordt dat ze kan ontstaan door bodembeweging als gevolg van het opsporen van koolwaterstoffen.
Als toepassing gemaakt wordt van artikel 32, kan de Vlaamse Regering de houder of laatste houder van [een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen] verplichten om een financiėle zekerheid te stellen voor het dekken van de kosten die gepaard gaan met de verwijdering, overeenkomstig artikel 32, § 3, van alle door zijn toedoen opgetrokken gebouwen en installaties.
[De Vlaamse Regering kan de houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen verplichten om vóór het aanleggen van boorgaten een financiėle zekerheid te stellen om de kosten te dekken die gepaard gaan met het veilig afsluiten van de aangelegde boorgaten.]
De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag en de termijn waarvoor en het tijdstip en de wijze waarop een financiėle zekerheid gesteld moet worden.

Onderafdeling V.
Wijziging, overdracht, intrekking, schorsing en afstand van de vergunning


Art. 19.

§ 1

Een vergunning kan op verzoek van de houder of ambtshalve door de Vlaamse Regering gewijzigd worden.
Een vergunning kan niet in die mate worden gewijzigd dat ze voor een andere activiteit of een groter [volumegebied] geldt.

§ 2

Een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning kan alleen worden ingewilligd als de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning onvoldoende is gebleken om de activiteiten waarvoor de vergunning geldt, op een behoorlijke wijze te verrichten, en als die activiteiten verricht zijn [in overeenstemming met de vergunning en dit decreet en er, als het een winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, niet is afgeweken van het winningsplan voor koolwaterstoffen]. De verlenging duurt op haar beurt niet langer dan noodzakelijk is om de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend, op een behoorlijke wijze te verrichten.
In het besluit van de Vlaamse Regering waarin de geldigheidsduur van de vergunning wordt verlengd, kan een beperking worden opgenomen van het oorspronkelijk vergunde [volumegebied] tot een deel daarvan. Artikel 11, § 2, is van overeenkomstige toepassing.

§ 3

Een aanvraag tot verkleining van het [volumegebied] waarvoor een vergunning geldt, kan alleen worden ingewilligd met inachtneming van de voorschriften, vermeld in artikel 11, § 2.
Het besluit van de Vlaamse Regering waarbij het [volumegebied] waarvoor de vergunning geldt, verkleind wordt, kan gepaard gaan met een beperking van de oorspronkelijke geldigheidsduur van de vergunning, op voorwaarde dat de nieuwe geldigheidsduur voldoende is om de activiteiten waarvoor de vergunning geldt, op een behoorlijke wijze te verrichten.

Art. 20.
Een vergunning kan pas worden overgedragen, inclusief het overdragen dat volgt uit wijzigingen in de vennootschapsstructuur, na de schriftelijke toestemming van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beoordeelt de aanvraag tot overdracht met inachtneming van de criteria, vermeld in artikel 9, tweede lid, en in artikel 10.
Als de Vlaamse Regering instemt met de overdracht, neemt de nieuwe vergunninghouder alle verplichtingen in het kader van dit decreet over van de oude vergunninghouder.

Art. 21.

§ 1

Een vergunning kan alleen in de volgende gevallen door de Vlaamse Regering worden ingetrokken:
als de bij de aanvraag verstrekte gegevens in die mate onjuist of onvolledig blijken te zijn dat de Vlaamse Regering op basis van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit gekomen zou zijn bij de beoordeling van de aanvraag;
als dat wordt gerechtvaardigd door een substantiėle wijziging in een vergunningscriterium;
als de [opsporings- of winningsactiviteiten] niet overeenkomstig de vergunning [of dit decreet] zijn uitgevoerd of als substantieel van het winningsplan [voor koolwaterstoffen] is afgeweken;
als de [opsporings- of winningsactiviteiten] gedurende minstens twee opeenvolgende jaren hebben stilgelegen;
als de houder van een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] nagelaten heeft zijn jaarlijkse vergoeding aan het Vlaamse Gewest te betalen overeenkomstig artikel 27;
als de vergunning niet langer noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de activiteiten waarvoor ze is verleend;
als de uitvoering van de vergunning [op een ongunstige wijze] interfereert met andere [voordien] vergunde activiteiten in de [...] ondergrond.

§ 2

Voor de Vlaamse Regering kan overgaan tot intrekking van een vergunning, stuurt ze een ingebrekestelling aangetekend naar de vergunninghouder. De ingebrekestelling bevat een omschrijving van de redenen voor de geplande intrekking en de vermelding van een termijn van ten minste negentig dagen waarin de vergunninghouder uitleg kan verschaffen, bezwaar kan aantekenen, of zijn activiteiten in overeenstemming kan brengen met de vergunning[, met dit decreet] en, als het een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] betreft, met het winningsplan [voor koolwaterstoffen].
Binnen een termijn van negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse Regering een besluit over het al dan niet intrekken van de vergunning.

Art. 22.

§ 1

De Vlaamse Regering kan een vergunning onder meer in de volgende gevallen geheel of gedeeltelijk schorsen:
als dat wordt gerechtvaardigd door een substantiėle wijziging in een vergunningscriterium;
als de [opsporings- of winningsactiviteiten] niet overeenkomstig de vergunning [of dit decreet] zijn uitgevoerd of als substantieel is afgeweken van het winningsplan [voor koolwaterstoffen];
als de houder van een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] nagelaten heeft zijn jaarlijkse vergoeding aan het Vlaamse Gewest te betalen overeenkomstig artikel 27;
als de uitvoering van de vergunning [op een ongunstige wijze] interfereert met andere [voordien] vergunde activiteiten in de [...] ondergrond.

§ 2

Voor de Vlaamse Regering kan overgaan tot een gehele of gedeeltelijke schorsing van een vergunning, stuurt ze een ingebrekestelling aangetekend naar de vergunninghouder. De ingebrekestelling bevat een omschrijving van de redenen voor de geplande schorsing en de vermelding van een termijn van ten minste vijf dagen waarin de vergunninghouder uitleg kan verschaffen, bezwaar kan aantekenen, of zijn activiteiten in overeenstemming kan brengen met de vergunning[, met dit decreet] en, als het een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] betreft, met het winningsplan [voor koolwaterstoffen].
Zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse Regering een besluit over het al dan niet schorsen van de vergunning. Een besluit tot volledige of gedeeltelijke schorsing van de vergunning vermeldt de voorwaarden waaraan de vergunninghouder moet voldoen om de schorsing ongedaan te maken.

§ 3

Als de vergunninghouder heeft voldaan aan alle voorwaarden om de schorsing ongedaan te maken, neemt de Vlaamse Regering een besluit waarbij de schorsing van de vergunning wordt opgeheven.

Art. 23.
De Vlaamse Regering beoordeelt een aanvraag tot afstand van een vergunning.

Art. 24.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de procedure van een ambtshalve wijziging en voor de procedure om een wijziging, overdracht of afstand van een vergunning te verkrijgen, en voor de procedure van de intrekking of schorsing van een vergunning.

Art. 25.
Geen van de besluiten, vermeld in deze onderafdeling, heeft invloed op de aansprakelijkheid van de houder of laatste houder van de vergunning voor de vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de activiteiten waarop de vergunning betrekking heeft of had.
Van een besluit tot [wijziging of] intrekking van de vergunning en van een besluit waarbij de afstand van een vergunning wordt goedgekeurd, wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Onderafdeling VI.
Bijzondere bepalingen


Art. 26.
Afdeling I, met uitzondering van artikel 5, is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen in opdracht van het Vlaamse Gewest, als dat uitsluitend in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of van gegevens voor het door het Vlaamse Gewest gevoerde beleid gebeurt.
Bij het nemen van een besluit over een vergunning sluit de Vlaamse Regering zo veel mogelijk aan bij de bepalingen van afdeling I, voor zover dat met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.

Afdeling II.
Vergoedingen aan en deelnemingen door het Vlaamse Gewest


Onderafdeling I.
Vergoedingen aan het Vlaamse Gewest


Art. 27.

§ 1

De houder van een [winningsvergunning voor koolwaterstoffen] is jaarlijks een vergoeding verschuldigd aan het Vlaamse Gewest.

§ 2

De Vlaamse Regering bepaalt het tarief van de jaarlijkse vergoeding bij het verlenen van de [winningsvergunning voor koolwaterstoffen]. Het tarief bedraagt ten minste 2 % en ten hoogste 20 % van de gemiddelde marktwaarde van de in de voorbije winningsperiode gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen. Het tarief kan binnen een [winningsvergunning voor koolwaterstoffen] variėren naargelang van het type koolwaterstof dat gewonnen wordt.
Het tarief wordt in elk geval zo vastgesteld dat het onafhankelijke beheer van de vergunninghouder gewaarborgd blijft.
Een winningsperiode start op de dag van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de [winningsvergunning voor koolwaterstoffen] verleend is, en nadien op elke verjaardag daarvan, en duurt telkens één jaar.

§ 3

Als toepassing wordt gemaakt van onderafdeling II, wordt het bedrag van de jaarlijkse vergoeding dat de vergunninghouder verschuldigd is, beperkt in verhouding tot de grootte van zijn belang in de deelneming.

§ 4

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de aangifte van de gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen, het tarief en de inning van de vergoeding.

Art. 28.
Onderafdeling I is niet van toepassing op het winnen van koolwaterstoffen in opdracht van het Vlaamse Gewest, als dat uitsluitend in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of van gegevens voor het door het Vlaamse Gewest gevoerde beleid gebeurt.

Onderafdeling II.
Deelnemingen door het Vlaamse Gewest


Art. 29.

§ 1

De Vlaamse Regering kan het verlenen van een vergunning afhankelijk maken van een deelneming door het Vlaamse Gewest in de activiteit waarop de vergunning betrekking heeft, via een door de Vlaamse Regering in de vergunning aangewezen vennootschap.
Met behoud van de toepassing van artikel 30, § 1, tweede lid, 1°, bepaalt de Vlaamse Regering in de vergunning de grootte van het belang van het Vlaamse Gewest in de deelneming.

§ 2

Als de Vlaamse Regering het verlenen van een vergunning afhankelijk heeft gemaakt van een deelneming door het Vlaamse Gewest, verlenen de vergunninghouder en de in de vergunning aangewezen vennootschap hun medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst, krachtens welke de vergunninghouder en de aangewezen vennootschap de activiteit waarop de deelneming betrekking heeft, voor hun gezamenlijke rekening zullen verrichten.
De overeenkomst komt tot stand binnen een termijn van zes maanden nadat de vergunning is verleend. De Vlaamse Regering kan die termijn eenmalig met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.
Voor de overeenkomst, en ook voor de wijziging of de ontbinding ervan, is de goedkeuring van de Vlaamse Regering noodzakelijk.

§ 3

Voor men over een door de Vlaamse Regering goedgekeurde overeenkomst beschikt, wordt er geen activiteit verricht waarop de deelneming betrekking heeft.

Art. 30.

§ 1

De overeenkomst wordt zo opgesteld dat het onafhankelijke beheer van de vergunninghouder gewaarborgd blijft.
Daartoe worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat voor de activiteiten waarop de deelneming betrekking heeft, wordt samengewerkt, en waarbij:
de vergunninghouder een belang van ten minste 60 % in de deelneming neemt;
de vergunninghouder en de aangewezen vennootschap, elk in verhouding tot de grootte van ieders belang in de deelneming, bijdragen in de uitgaven en investeringen, en delen in de opbrengsten, in de eigendom van de infrastructuur en in de rechten die het gevolg zijn van de gedane uitgaven en investeringen;
als de deelneming betrekking heeft op de winning van koolwaterstoffen, zowel de vergunninghouder als de aangewezen vennootschap ervoor kunnen kiezen hun aandeel in de gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen in natura op te nemen, met dien verstande dat ze ernaar streven zo veel mogelijk samen te werken bij de verkoop van de gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen;
voor besluiten over de vraag bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor de uitvoering van werkzaamheden of voor het verrichten van diensten, de vergunninghouder niet verplicht is vooraf aan de aangewezen vennootschap informatie te verschaffen over het te nemen besluit, en de aangewezen vennootschap geen stem uitbrengt bij het nemen van het besluit;
voor andere besluiten dan de besluiten, vermeld in punt 4°, de vergunninghouder en de aangewezen vennootschap ieder een stemgewicht bezitten in verhouding tot de grootte van hun belang in de deelneming, en de aangewezen vennootschap haar stem uitsluitend op grond van transparante, objectieve en niet-discriminerende beginselen uitbrengt en niet belet dat die besluiten gebaseerd worden op normale commerciėle overwegingen;
op de overeenkomst het Belgische recht van toepassing is, en de Belgische hoven en rechtbanken bevoegd zijn om kennis te nemen van alle geschillen over de toepassing van de overeenkomst.

§ 2

Met behoud van de toepassing van § 1 kan de aangewezen vennootschap, ongeacht haar stemgewicht, zich steeds verzetten tegen elk besluit van de vergunninghouder dat niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in de vergunning, afbreuk doet aan zijn verplichtingen in het kader van de vergunning, of afbreuk doet aan de bescherming van de financiėle belangen van de aangewezen vennootschap of het Vlaamse Gewest.
De aangewezen vennootschap maakt van de mogelijkheid om zich tegen besluiten van de vergunninghouder te verzetten, inzonderheid met betrekking tot besluiten als vermeld in § 1, tweede lid, 4°, en besluiten over investeringen, slechts op niet-discriminerende wijze gebruik.

Art. 31.
In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:
de rechten die voor hem uit de vergunning voortvloeien, uit te oefenen voor de samenwerking met de aangewezen vennootschap;
het door hem aangaan, wijzigen of beėindigen van een duurzame samenwerking met derden voor de activiteiten waarop de deelneming betrekking heeft, te onderwerpen aan de goedkeuring van de aangewezen vennootschap;
zijn kennis en ervaring op het gebied van de verkenning, opsporing, winning en afzet van koolwaterstoffen en de daarmee samenhangende gebieden, zoals het transport, de opslag en de behandeling ervan, ten goede te doen komen aan de samenwerking met de aangewezen vennootschap;
als de deelneming betrekking heeft op de winning van koolwaterstoffen, de aangewezen vennootschap tijdig in te lichten en in staat te stellen om een vergelijkbaar belang te nemen in te treffen regelingen die verband houden met de winning en de afzet van de koolwaterstoffen, zoals het transport, de opslag en de behandeling ervan.

Afdeling III.
Het bezetten van gronden door de vergunninghouder


Art. 32.

§ 1

De vergunninghouder kan onder de onderstaande voorwaarden, binnen het door de vergunning aangegeven gebied op het aardoppervlak, gronden bezetten om alle gebouwen en bovengrondse installaties op te richten en alle werkzaamheden uit te voeren die noodzakelijk zijn om de activiteiten te verrichten waarop de vergunning betrekking heeft.
Het bezetten van gronden waarop bouwwerken zijn opgetrokken, is alleen mogelijk met de toestemming van alle rechthebbenden ten aanzien van het aardoppervlak en de daarop opgerichte bouwwerken.
Het bezetten van andere gronden is alleen mogelijk na het betalen van een jaarlijkse vergoeding aan alle houders van een zakelijk recht op het aardoppervlak. Aan pachters van wie de lopende pachtovereenkomst wordt beėindigd op basis van artikel 6, § 3, van de Pachtwet, wordt overeenkomstig de artikelen 45 en 46 van de Pachtwet een vergoeding betaald.
Bij gebrek aan overeenstemming wordt het bedrag van de vergoeding voor de houders van een zakelijk recht op verzoek van de meest gerede partij door de vrederechter bepaald, die daarvoor zo nodig een beroep op deskundigen kan doen. De vergoeding bedraagt in elk geval ten minste anderhalve keer de opbrengst die de gronden voor de houder van het zakelijk recht zouden hebben opgeleverd als ze niet bezet waren geweest.

§ 2

De eigendom van de door toedoen van de vergunninghouder opgetrokken gebouwen en installaties blijft, in afwijking van artikel 546 van het Burgerlijk Wetboek, bij de oorspronkelijke eigenaar liggen. Artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek is voor hem of voor de vergunninghouder niet van toepassing.

§ 3

Het bezetten van gronden door de vergunninghouder is altijd tijdelijk en eindigt in elk geval uiterlijk op het ogenblik dat de vergunning niet meer geldt. De vergunninghouder verwijdert alle door zijn toedoen opgetrokken gebouwen en installaties binnen zes maanden nadat de vergunning niet meer geldt of nadat de vergunde activiteit stopgezet werd.

§ 4

Als de gronden of de daarop opgerichte bouwwerken na de beėindiging van de activiteiten waarop de vergunning betrekking heeft, volgens het oordeel van de vrederechter niet meer geschikt zijn of zullen zijn voor het gebruik dat er voor de bezetting aan gegeven werd, of als de bezetting zodanig lang duurt dat de eigenaar, volgens het oordeel van de vrederechter, op een onevenredige wijze beroofd wordt van het ongestoorde recht op zijn eigendom, kan de eigenaar van de gronden of van de bouwwerken eisen dat ze worden aangekocht door de vergunninghouder.
Bij gebrek aan overeenstemming wordt de verkoopprijs op verzoek van de meest gerede partij door de vrederechter bepaald, die daarvoor zo nodig een beroep op deskundigen kan doen. De verkoopprijs bedraagt in elk geval ten minste anderhalve keer de waarde die de gronden of de bouwwerken hadden voor ze bezet werden. De vergoedingen die al in het kader van § 1 aan de eigenaar betaald werden, worden bij de bepaling van de verkoopprijs in rekening gebracht.

Afdeling IV.
De vergoeding van schade


Art. 33.

§ 1

Met behoud van de toepassing van artikel 35 is de houder of laatste houder van [een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen] van rechtswege verplicht elke schade te vergoeden die veroorzaakt werd door de activiteit waarop de vergunning betrekking heeft.
[...]

§ 2

De vrederechter is bevoegd om het bedrag van de schadevergoeding vast te stellen, ongeacht de hoogte van het bedrag.

Afdeling V.
Verhouding met oude concessies, vergunningen of andersoortige toestemmingen die verleend zijn in het kader van de gecoördineerde Mijnwetten


Art. 34.

§ 1

Alle concessies, vergunningen of andersoortige toestemmingen die in het kader van de gecoördineerde Mijnwetten zijn verleend, vervallen van rechtswege twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit decreet.
Indien een vergunningsaanvraag wordt ingediend overeenkomstig § 2, eerste of tweede lid, en de Vlaamse Regering heeft binnen de periode, vermeld in § 1, eerste lid, over deze vergunningsaanvraag nog geen beslissing genomen, dan treedt het verval pas in op de dag van de beslissing van de Vlaamse Regering over de vergunningsaanvraag.

§ 2

Tijdens de periode van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit decreet kan de houder van een in de eerste paragraaf vermelde concessie, vergunning of andersoortige toestemming echter, voor zover ze betrekking heeft op de opsporing of de winning van koolwaterstoffen, voor het gebied waarop zijn concessie, vergunning of andersoortige toestemming betrekking heeft of voor een gedeelte daarvan, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet een aanvraag voor een opsporingsvergunning [voor koolwaterstoffen] indienen, zonder dat de procedure, vermeld in artikel 6, gevolgd wordt.
In afwijking van artikel 5, § 2, eerste lid, kan de houder van een in de eerste paragraaf vermelde concessie, vergunning of andersoortige toestemming tijdens de in het eerste lid vermelde periode en voor het in het eerste lid vermelde gebied, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet onmiddellijk een aanvraag voor een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] indienen, zonder dat de procedure, vermeld in artikel 6, gevolgd wordt, op voorwaarde dat hij kan aantonen dat alle voor de winning vereiste informatie reeds voldoende gekend is.
De bepalingen van het eerste lid van deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op eenieder die in de periode voor de bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad een vergunningsaanvraag heeft ingediend in het kader van het koninklijk besluit nr. 83 van 28 november 1939 betreffende het opsporen en het ontginnen van bitumineuze gesteenten, van petroleum en van brandbare gassen en van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1997 houdende regeling van de vorm en de wijze van onderzoek van de aanvragen tot het verkrijgen van een vergunning voor het opsporen en het ontginnen van petroleum en brandbare gassen.

§ 3

Tijdens de periode van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit decreet kunnen, buiten de gevallen opgesomd in § 2, voor de gebieden die het voorwerp uitmaken van in het kader van de gecoördineerde Mijnwetten verleende concessies, vergunningen of andersoortige toestemmingen, voor zover ze betrekking hebben op de opsporing of de winning van koolwaterstoffen, geen aanvragen voor vergunningen in het kader van dit decreet worden ingediend.

Art. 35.
Met behoud van de toepassing van [artikel 33, 62 en 63/25] blijft de voormalige houder van een overeenkomstig artikel 34, § 1, vervallen concessie, vergunning of andersoortige toestemming, of, in voorkomend geval, de nv Mijnschade en Bemaling Limburgs Mijngebied als die de aansprakelijkheid voor mijnschade heeft overgenomen in het kader van het decreet van 19 december 1997, van rechtswege verplicht elke schade te vergoeden die veroorzaakt werd door de activiteiten waarop de vervallen concessie, vergunning of andersoortige toestemming betrekking had.
De vrederechter is bevoegd om het bedrag van de schadevergoeding vast te stellen, ongeacht de hoogte van het bedrag.

Art. 36.
De voormalige houder van een overeenkomstig artikel 34, § 1, vervallen concessie, vergunning of andersoortige toestemming, of, in voorkomend geval, de nv Mijnschade en Bemaling Limburgs Mijngebied als die de verplichting heeft overgenomen in het kader van het decreet van 19 december 1997, blijft verplicht om in het onderhoud van de mijn te voorzien, tenzij in een besluit van de Vlaamse Regering waarbij in het kader van dit decreet voor hetzelfde gebied een vergunning wordt verleend, daarover andere bepalingen worden opgenomen.