Art. 7.

§ 1

In de volgende gevallen wordt de procedure, vermeld in artikel 6, niet gevolgd:
als de houder van een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen die met gebruikmaking van die vergunning de aanwezigheid van koolwaterstoffen heeft aangetoond, gedurende de geldigheidsduur van die vergunning, voor hetzelfde [volumegebied] of gedeelten daarvan een aanvraag voor een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] indient. Als de aanwezigheid van koolwaterstoffen maar in een deel van het vergunde [volumegebied] is aangetoond, kan de winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] beperkt worden tot dat deel van het [volumegebied]. In afwijking van artikel 11, § 1, blijft de opsporingsvergunning [voor koolwaterstoffen], voor zover ze betrekking heeft op het aangevraagde [volumegebied], in elk geval gelden tot wanneer de beslissing over de aanvraag voor de winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] onherroepelijk wordt;
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een soortgelijke vergunning in het kader van dit hoofdstuk of een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag in het kader van hoofdstuk III is verleend;
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de opsporing of de winning van koolwaterstoffen;
tijdens de eerste twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit decreet, als het een aanvraag overeenkomstig artikel 34, § 2, betreft.

§ 2

De Vlaamse Regering kan in de volgende gevallen beslissen de procedure, vermeld in artikel 6, niet te volgen:
als er geologische redenen of redenen in verband met de opsporing of winning zijn om de vergunning voor een [volumegebied] bij voorkeur aan de houder van een vergunning voor een aangrenzend [volumegebied] toe te kennen. In dat geval worden de houders van vergunningen voor eventuele andere aangrenzende [volumegebieden] uitgenodigd om binnen een termijn van negentig dagen eveneens een aanvraag in te dienen of hun opmerkingen mee te delen;
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een opslagvergunning in het kader van hoofdstuk III [, een opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte in het kader van hoofdstuk III/1, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval] of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ voor het opslaan van gas is verleend.