Onderafdeling II.
Vergunningscriteria


Art. 9.
Een vergunning wordt niet verleend in de volgende gevallen:
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een soortgelijke vergunning in het kader van dit hoofdstuk is verleend;
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag in het kader van hoofdstuk III is verleend;
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de opsporing of de winning van koolwaterstoffen;
als de aanvraag voor een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] gebeurt op basis van opsporingsresultaten verkregen in strijd met artikel 5, § 2.
Een vergunning kan onder meer geweigerd worden in de volgende gevallen:
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor al een opslagvergunning in het kader van hoofdstuk III [, een opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte in het kader van hoofdstuk III/1, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval] of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ voor het opslaan van gas is verleend;
als de Vlaamse Regering dat opportuun acht vanuit overwegingen van nationale veiligheid, omdat een staat van buiten de Europese Economische Ruimte of een onderdaan of rechtspersoon daarvan feitelijk zeggenschap heeft over de aanvrager;
als het niet aannemelijk is dat de opsporing of de winning van de koolwaterstoffen binnen het [volumegebied] waarvoor de vergunning zal gelden, economisch of technisch haalbaar is.

Art. 10.
Met behoud van de toepassing van artikel 9 worden de vergunningsaanvragen beoordeeld op basis van de volgende criteria:
de technische en financiėle mogelijkheden van de aanvrager;
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten;
in voorkomend geval, het eventuele gebrek aan efficiėntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager in het kader van een eerdere vergunning blijk heeft gegeven;
in voorkomend geval, de activiteiten die de aanvrager in het verleden verricht heeft in het [volumegebied] waarop de aanvraag betrekking heeft, of de vroegere vergunningen waarvan de aanvrager houder was in dat [volumegebied];
in voorkomend geval, de eventuele interferentie met andere al vergunde activiteiten in de ondergrond;
de milieu-impact van de voorgenomen activiteiten;
als toepassing gemaakt werd van artikel 6, § 1, derde lid, de voorkeur voor individuele natuurlijke personen of rechtspersonen;
als de procedure overeenkomstig artikel 8 gevolgd wordt, de vergoeding die de aanvrager bereid is te betalen aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikel 27;
als een keuze gemaakt moet worden uit verschillende aanvragen die na een beoordeling op basis van de criteria, vermeld in punten 1° tot en met 8°, gelijkwaardig zijn gebleken, de noodzaak om de koolwaterstoffen op een rationele en efficiėnte manier op te sporen of te winnen, de milieuvriendelijkheid van de voorgenomen technieken, de mate van marktconcentratie, de tewerkstelling en het economische belang.
De criteria, vermeld in het eerste lid, kunnen eveneens een grond tot weigering van de vergunning uitmaken.
De Vlaamse Regering kan nadere regels uitwerken voor de criteria, vermeld in het eerste lid.