Art. 9.
Een vergunning wordt niet verleend in de volgende gevallen:
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een soortgelijke vergunning in het kader van dit hoofdstuk is verleend;
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor op dat ogenblik al een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag in het kader van hoofdstuk III is verleend;
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de opsporing of de winning van koolwaterstoffen;
als de aanvraag voor een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen] gebeurt op basis van opsporingsresultaten verkregen in strijd met artikel 5, § 2.
Een vergunning kan onder meer geweigerd worden in de volgende gevallen:
als de aanvraag slaat op een [volumegebied] waarvoor al een opslagvergunning in het kader van hoofdstuk III [, een opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte in het kader van hoofdstuk III/1, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval] of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ voor het opslaan van gas is verleend;
als de Vlaamse Regering dat opportuun acht vanuit overwegingen van nationale veiligheid, omdat een staat van buiten de Europese Economische Ruimte of een onderdaan of rechtspersoon daarvan feitelijk zeggenschap heeft over de aanvrager;
als het niet aannemelijk is dat de opsporing of de winning van de koolwaterstoffen binnen het [volumegebied] waarvoor de vergunning zal gelden, economisch of technisch haalbaar is.