Art. 10.
Met behoud van de toepassing van artikel 9 worden de vergunningsaanvragen beoordeeld op basis van de volgende criteria:
de technische en financiële mogelijkheden van de aanvrager;
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten;
in voorkomend geval, het eventuele gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager in het kader van een eerdere vergunning blijk heeft gegeven;
in voorkomend geval, de activiteiten die de aanvrager in het verleden verricht heeft in het [volumegebied] waarop de aanvraag betrekking heeft, of de vroegere vergunningen waarvan de aanvrager houder was in dat [volumegebied];
in voorkomend geval, de eventuele interferentie met andere al vergunde activiteiten in de ondergrond;
de milieu-impact van de voorgenomen activiteiten;
als toepassing gemaakt werd van artikel 6, § 1, derde lid, de voorkeur voor individuele natuurlijke personen of rechtspersonen;
als de procedure overeenkomstig artikel 8 gevolgd wordt, de vergoeding die de aanvrager bereid is te betalen aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikel 27;
als een keuze gemaakt moet worden uit verschillende aanvragen die na een beoordeling op basis van de criteria, vermeld in punten 1° tot en met 8°, gelijkwaardig zijn gebleken, de noodzaak om de koolwaterstoffen op een rationele en efficiënte manier op te sporen of te winnen, de milieuvriendelijkheid van de voorgenomen technieken, de mate van marktconcentratie, de tewerkstelling en het economische belang.
De criteria, vermeld in het eerste lid, kunnen eveneens een grond tot weigering van de vergunning uitmaken.
De Vlaamse Regering kan nadere regels uitwerken voor de criteria, vermeld in het eerste lid.