Art. 11.

§ 1

Een vergunning geeft de duur aan waarvoor ze geldt. Met behoud van de toepassing van artikel 19, § 2, bedraagt de geldigheidsduur van de vergunning niet langer dan noodzakelijk is om de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend, op een behoorlijke wijze te verrichten.

§ 2

[Een vergunning geeft aan voor welk volumegebied ze geldt, en welke verticale projectie op het aardoppervlak daarmee overeenstemt. Het vergunningsgebied en de daarmee overeenstemmende verticale projectie op het aardoppervlak worden zo afgebakend dat de uitoefening van de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend, vanuit technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan plaatsvinden.]
Als een winningsvergunning [voor koolwaterstoffen na de verlening ervan blijkt te gelden voor een volumegebied waarin zich een voorkomen met koolwaterstoffen bevindt] waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder verplicht om zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst met de [voor het aangrenzende volumegebied tot het winnen van koolwaterstoffen gerechtigde en, als artikel 63/8, § 1, toepassing vindt, met de voor het aangrenzende volumegebied tot het winnen van aardwarmte gerechtigde], tenzij de Vlaamse Regering ontheffing verleent van de verplichting om een overeenkomst te sluiten. De overeenkomst strekt ertoe dat de winning [van de koolwaterstoffen] in onderlinge overeenstemming plaatsvindt, en kan bepalen dat de concrete realisatie van de winning maar door een van hen wordt uitgevoerd. Voor de overeenkomst en alle latere wijzigingen ervan is de goedkeuring van de Vlaamse Regering noodzakelijk.

[§ 3

De Vlaamse Regering kan bijzondere vergunningsvoorwaarden opnemen in opsporings- en winningsvergunningen voor koolwaterstoffen.
]