Art. 13.
De houder of laatste houder van een vergunning neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden om te voorkomen dat de activiteiten waarop de vergunning slaat:
1
milieuverstoring veroorzaken;
2
schade door bodembeweging veroorzaken;
3
de openbare veiligheid schaden;
4
[het planmatige beheer van de koolwaterstofvoorraden en van andere toepassingen in de ondergrond verstoren.]