Art. 32.

§ 1

De vergunninghouder kan onder de onderstaande voorwaarden, binnen het door de vergunning aangegeven gebied op het aardoppervlak, gronden bezetten om alle gebouwen en bovengrondse installaties op te richten en alle werkzaamheden uit te voeren die noodzakelijk zijn om de activiteiten te verrichten waarop de vergunning betrekking heeft.
Het bezetten van gronden waarop bouwwerken zijn opgetrokken, is alleen mogelijk met de toestemming van alle rechthebbenden ten aanzien van het aardoppervlak en de daarop opgerichte bouwwerken.
Het bezetten van andere gronden is alleen mogelijk na het betalen van een jaarlijkse vergoeding aan alle houders van een zakelijk recht op het aardoppervlak. Aan pachters van wie de lopende pachtovereenkomst wordt beëindigd op basis van artikel 6, § 3, van de Pachtwet, wordt overeenkomstig de artikelen 45 en 46 van de Pachtwet een vergoeding betaald.
Bij gebrek aan overeenstemming wordt het bedrag van de vergoeding voor de houders van een zakelijk recht op verzoek van de meest gerede partij door de vrederechter bepaald, die daarvoor zo nodig een beroep op deskundigen kan doen. De vergoeding bedraagt in elk geval ten minste anderhalve keer de opbrengst die de gronden voor de houder van het zakelijk recht zouden hebben opgeleverd als ze niet bezet waren geweest.

§ 2

De eigendom van de door toedoen van de vergunninghouder opgetrokken gebouwen en installaties blijft, in afwijking van artikel 546 van het Burgerlijk Wetboek, bij de oorspronkelijke eigenaar liggen. Artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek is voor hem of voor de vergunninghouder niet van toepassing.

§ 3

Het bezetten van gronden door de vergunninghouder is altijd tijdelijk en eindigt in elk geval uiterlijk op het ogenblik dat de vergunning niet meer geldt. De vergunninghouder verwijdert alle door zijn toedoen opgetrokken gebouwen en installaties binnen zes maanden nadat de vergunning niet meer geldt of nadat de vergunde activiteit stopgezet werd.

§ 4

Als de gronden of de daarop opgerichte bouwwerken na de beëindiging van de activiteiten waarop de vergunning betrekking heeft, volgens het oordeel van de vrederechter niet meer geschikt zijn of zullen zijn voor het gebruik dat er voor de bezetting aan gegeven werd, of als de bezetting zodanig lang duurt dat de eigenaar, volgens het oordeel van de vrederechter, op een onevenredige wijze beroofd wordt van het ongestoorde recht op zijn eigendom, kan de eigenaar van de gronden of van de bouwwerken eisen dat ze worden aangekocht door de vergunninghouder.
Bij gebrek aan overeenstemming wordt de verkoopprijs op verzoek van de meest gerede partij door de vrederechter bepaald, die daarvoor zo nodig een beroep op deskundigen kan doen. De verkoopprijs bedraagt in elk geval ten minste anderhalve keer de waarde die de gronden of de bouwwerken hadden voor ze bezet werden. De vergoedingen die al in het kader van § 1 aan de eigenaar betaald werden, worden bij de bepaling van de verkoopprijs in rekening gebracht.