Hoofdstuk III.
De geologische opslag van koolstofdioxide


Afdeling I.
Doelstelling en toepassingsgebied


Art. 37.
De milieuveilige geologische opslag van koolstofdioxide heeft als doel bij te dragen tot de bestrijding van klimaatverandering door de permanente insluiting van koolstofdioxide op een zodanige manier te verzekeren dat negatieve effecten op en risico's voor het milieu en de volksgezondheid zoveel mogelijk worden voorkomen of, indien dit niet mogelijk is, worden weggenomen.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de geologische opslag van koolstofdioxide met een geplande opslagcapaciteit van minder dan 100 kiloton voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden of het beproeven van nieuwe producten en procedés.
Het is niet toegestaan koolstofdioxide op te slaan in de waterkolom.

Afdeling II.
Aanduiding van opslaglocaties en opsporingsvergunningen voor koolstofdioxideopslag


Art. 38.

§ 1

Een geologische formatie kan enkel als opslaglocatie worden aangeduid nadat er opsporingswerkzaamheden uitgevoerd zijn om het potentieel van de geologische formatie te beoordelen als opslaglocatie voor koolstofdioxide.
Potentiėle opslaglocaties kunnen alleen opgespoord worden met een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag van de Vlaamse Regering. Zo nodig kan de monitoring van de injectietests in de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag worden opgenomen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraagprocedure om een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag te verkrijgen, en de vormelijke en inhoudelijke voorwaarden waaraan een dergelijke aanvraag moet voldoen.

[§ 1/1

Een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag wordt uitsluitend verleend als uit de ingediende aanvraag en uit alle andere relevante informatie blijkt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de aanvraag voldoet aan alle vereisten, vermeld in dit hoofdstuk, en aan alle andere toepasselijke regelgeving;
de aanvrager is financieel solide en technisch bekwaam en betrouwbaar om de opsporingswerkzaamheden uit te voeren, en er is gezorgd voor professionele en technische ontwikkeling en training van de aanvrager en van alle personeel.
Een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag wordt niet verleend in de volgende gevallen:
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] waarvoor een ander nog over een geldige opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag of opslagvergunning in het kader van dit hoofdstuk beschikt;
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de geologische opslag van koolstofdioxide.
]

[§ 1/2

Met behoud van de toepassing van paragraaf 1/1 worden de vergunningsaanvragen beoordeeld op basis van de volgende criteria:
de technische bekwaamheid van de aanvrager;
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de opsporingswerkzaamheden te verrichten;
in voorkomend geval, het eventuele gebrek aan efficiėntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager in het kader van een andere vergunning blijk heeft gegeven;
in voorkomend geval, de eventuele interferentie met andere al vergunde activiteiten in de ondergrond.
De criteria, vermeld in het eerste lid, kunnen ook een grond tot weigering van de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag uitmaken.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vergunningscriteria.
]

§ 2

Een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag wordt verleend voor een in de ruimte beperkt [volumegebied] en voor een duur die de periode die nodig is voor het verrichten van de opsporingswerkzaamheden waarvoor de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag verleend wordt, niet mag overschrijden. De geldigheidsduur van de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag mag wel verlengd worden indien de oorspronkelijke duur onvoldoende bleek om de betrokken opsporingswerkzaamheden te voltooien en indien de opsporingswerkzaamheden in overeenstemming met de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag zijn uitgevoerd.
De houder van een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag beschikt over het exclusieve recht om opsporingswerkzaamheden uit te voeren met betrekking tot het potentiėle opslagcomplex. Tijdens de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag is geen conflicterend gebruik van het potentiėle opslagcomplex toegestaan.

Art. 39.

§ 1

Een geologische formatie kan enkel als opslaglocatie worden aangeduid als er onder de voorgestelde opslagvergunningsvoorwaarden geen significant risico op lekkage bestaat en er geen significante milieu- of gezondheidrisico's bestaan.
De geschiktheid van een geologische formatie voor gebruik als opslaglocatie wordt bepaald door een karakterisering en [beoordeling] van het potentiėle opslagcomplex en het omliggende gebied overeenkomstig de in bijlage I bij dit decreet gespecificeerde criteria.

§ 2

Alvorens geologische opslag van koolstofdioxide toe te staan op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, stelt de Vlaamse Regering een onderzoek in naar de opslagcapaciteit op het grondgebied of delen daarvan, op basis van de verleende opsporingsvergunningen voor koolstofdioxideopslag.

Afdeling III.
Vergunningen voor de geologische opslag van koolstofdioxide


Onderafdeling I.
Aanvraagprocedure


Art. 40.

§ 1

Het geologisch opslaan van koolstofdioxide kan enkel met een opslagvergunning van de Vlaamse Regering.
Per opslaglocatie is slechts een exploitant toegelaten en is er geen conflicterend gebruik van de opslaglocatie toegestaan.

§ 2

Een opslagvergunning kan alleen verleend worden op basis van de resultaten die voortvloeien uit een voorafgaande opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag.
De resultaten verkregen uit een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag kunnen door een andere persoon dan de houder van de vergunning slechts worden aangewend na de rechten op de opsporingsresultaten te hebben verworven van de houder of laatste houder van de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag, en deze daarvoor passend te hebben vergoed.
Een opslagvergunning wordt bij voorrang verleend aan de houder van een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag voor de betrokken opslaglocatie, mits de opsporingswerkzaamheden voor die locatie voltooid zijn, aan alle voorwaarden van de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag voldaan is en de aanvraag voor een opslagvergunning is ingediend tijdens de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag. Tijdens deze vergunningsprocedure is geen conflicterend gebruik van het opslagcomplex toegestaan.

§ 3

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraagprocedure om een opslagvergunning te verkrijgen, en de vormelijke en inhoudelijke voorwaarden waaraan een dergelijke aanvraag moet voldoen.

Onderafdeling II.
Vergunningscriteria


Art. 41.

§ 1

Een opslagvergunning wordt uitsluitend verleend als uit de ingediende aanvraag en uit alle andere relevante informatie blijkt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de aanvraag voldoet aan alle vereisten, vermeld in dit hoofdstuk, en aan alle andere toepasselijke regelgeving;
de exploitant is financieel solide en technisch bekwaam en betrouwbaar om de locatie te exploiteren en te [beheren], en er is gezorgd voor professionele en technische ontwikkeling en training van de exploitant en van alle personeel;
indien zich in dezelfde hydraulische eenheid meer dan één opslaglocatie bevindt, zijn de potentiėle drukinteracties van dien aard dat alle locaties tegelijk aan de vereisten van dit hoofdstuk kunnen voldoen.
Een opslagvergunning wordt uitsluitend verleend indien de Vlaamse Regering enig uit hoofde van artikel 44 verstrekt advies van de Europese Commissie over de ontwerp-vergunning in overweging heeft genomen.

§ 2

Een opslagvergunning wordt niet verleend in de volgende gevallen:
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] waarvoor een ander nog over een geldige opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag of opslagvergunning in het kader van dit hoofdstuk beschikt;
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de geologische opslag van koolstofdioxide.
Een opslagvergunning kan onder meer geweigerd worden in de volgende gevallen:
als de aanvraag betrekking heeft op een [volumegebied] waarvoor al een vergunning is verleend in het kader van hoofdstuk II [, een vergunning in het kader van hoofdstuk III/1, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval] of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ voor het opslaan van gas;
als het niet aannemelijk is dat de geologische opslag van koolstofdioxide binnen het [volumegebied] waarvoor de opslagvergunning zal gelden, economisch of technisch haalbaar is.

Art. 42.
Met behoud van de toepassing van artikel 41 worden de vergunningsaanvragen beoordeeld op basis van de volgende criteria:
de technische bekwaamheid van de potentiėle exploitant;
de resultaten die voortvloeien uit de voorafgaande opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag;
de overeenkomstig artikel 39 verkregen resultaten uit de karakterisering van de opslaglocatie en het opslagcomplex en uit de [beoordeling] van de verwachte veiligheid van opslag;
de totale hoeveelheid koolstofdioxide die zal worden geļnjecteerd en opgeslagen, alsmede de toekomstige bronnen en [transportmethoden], de samenstelling van de koolstofdioxidestromen, de injectiesnelheden, de injectiedruk en de locatie van de injectiefaciliteiten;
de beschrijving van maatregelen om significante onregelmatigheden te voorkomen;
het voorgestelde monitoringsplan overeenkomstig artikel 48, § 2;
het voorgestelde plan met corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 51, § 1;
het voorlopige plan voor de periode na afsluiting overeenkomstig [artikel 52, § 2];
de overeenkomstig artikel 4.3.7 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid verstrekte informatie;
10°
het bewijs dat de financiėle zekerheid of een gelijkwaardige voorziening, zoals vereist overeenkomstig artikel 57, rechtsgeldig en effectief gesteld zal worden voordat de injectie aanvangt;
11°
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de geologische opslag van koolstofdioxide te verrichten;
12°
in voorkomend geval, het eventuele gebrek aan efficiėntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager in het kader van een andere vergunning blijk heeft gegeven;
13°
in voorkomend geval, de eventuele interferentie met andere reeds vergunde activiteiten in de ondergrond.
Deze criteria kunnen eveneens een grond tot weigering van de opslagvergunning uitmaken.
De Vlaamse Regering [kan nadere regels bepalen] voor de vergunningscriteria.

Onderafdeling III.
Vergunningsvoorwaarden


Art. 43.
Een opslagvergunning bevat ten minste de volgende elementen:
de naam en het adres van de exploitant;
de nauwkeurige ligging en begrenzing van de opslaglocatie en het opslagcomplex, en gegevens betreffende de hydraulische eenheid;
de voorschriften voor het opslagproces, de totale hoeveelheid koolstofdioxide die overeenkomstig de vergunning [geologisch] mag worden opgeslagen, de grenswaarden inzake reservoirdruk en de maximuminjectiesnelheden en -injectiedruk;
de voorschriften voor de samenstelling van de koolstofdioxidestroom en de stroomaanvaardingsprocedure overeenkomstig artikel 47, en, wanneer nodig, verdere voorschriften voor injectie en opslag, met name om significante onregelmatigheden te voorkomen;
het goedgekeurde monitoringsplan, de verplichting om het uit te voeren en eisen inzake de actualisering ervan overeenkomstig artikel 48, alsmede de rapporteringsverplichtingen overeenkomstig artikel 49;
de eis om de Vlaamse Regering in kennis te stellen wanneer zich [lekkages of] significante onregelmatigheden [...] voordoen, het goedgekeurde plan met corrigerende maatregelen en de verplichting om dit plan overeenkomstig artikel 51 uit te voeren als zich [lekkages of] significante onregelmatigheden [...] voordoen;
de voorwaarden voor afsluiting en het goedgekeurde voorlopige plan voor de periode na afsluiting als bedoeld in artikel 52;
alle bepalingen over de wijziging, evaluatie, actualisering en intrekking van de opslagvergunning overeenkomstig artikelen 45 en 46;
de eis om de financiėle zekerheid of een gelijkwaardige voorziening te stellen en aan te houden overeenkomstig artikel 57.

Onderafdeling IV.
Evaluatie van ontwerp-opslagvergunningen door de Europese Commissie


Art. 44.

§ 1

De Vlaamse Regering stelt een vergunningsaanvraag voor een opslagvergunning binnen een maand na ontvangst ter beschikking van de Europese Commissie. Ook alle andere relevante gegevens die in aanmerking worden genomen bij het nemen van een beslissing over de vergunningsaanvraag worden ter beschikking van de Europese Commissie gesteld.
De Vlaamse Regering stelt de Europese Commissie in kennis van de ontwerp-opslagvergunning en van alle andere gegevens die in aanmerking werden genomen bij het vaststellen van de ontwerp-opslagvergunning.

§ 2

De Vlaamse Regering wacht het niet-bindend advies van de Europese Commissie over de ontwerp-opslagvergunning af of wacht de kennisgeving waaruit blijkt dat de Europese Commissie geen advies zal uitbrengen af.
Na het nemen van de definitieve beslissing over de vergunningsaanvraag voor een opslagvergunning stelt de Vlaamse Regering de Europese Commissie hiervan in kennis, waarbij zij een eventuele afwijking van het advies van de Europese Commissie met redenen omkleedt.

Onderafdeling V.
Wijziging, evaluatie, actualisering en intrekking van opslagvergunningen


Art. 45.
De exploitant informeert de Vlaamse Regering over alle geplande wijzigingen in de exploitatie van een opslaglocatie, met inbegrip van wijzigingen in verband met de exploitant. Indien nodig actualiseert de Vlaamse Regering de opslagvergunning of de vergunningsvoorwaarden.
[Belangrijke] wijzigingen in de exploitatie van een opslaglocatie kunnen alleen uitgevoerd worden nadat een nieuwe of geactualiseerde opslagvergunning werd verleend overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Een [belangrijke] wijziging in de exploitatie van een opslaglocatie is een wijziging in de zin van rubriek 13 van bijlage II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieėn van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage.

Art. 46.
De Vlaamse Regering evalueert [en, waar nodig, actualiseert] de opslagvergunning, of, in laatste instantie en na de exploitant te hebben gehoord, trekt zij deze in:
als ze overeenkomstig artikel 51, § 1, in kennis is gesteld, of op een andere manier op de hoogte is gebracht van [lekkages of] significante onregelmatigheden [...];
als uit de overeenkomstig artikel 49 ingediende verslagen of de overeenkomstig artikel 50 uitgevoerde inspecties blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd of dat er risico is op [lekkages of] significante onregelmatigheden [...];
als ze op de hoogte is van andere inbreuken van de exploitant op de vergunningsvoorwaarden;
als dit noodzakelijk blijkt op basis van de recentste wetenschappelijke bevindingen en technologische vooruitgang;
met behoud van de toepassing van de bepalingen in 1° tot en met 4°, vijf jaar na het verlenen van de vergunning en vervolgens om de tien jaar.
Nadat een opslagvergunning is ingetrokken overeenkomstig het eerste lid, verleent de Vlaamse Regering een nieuwe opslagvergunning of sluit ze de opslaglocatie af overeenkomstig artikel 52, § 1, 3°. [Totdat een nieuwe opslagvergunning is verleend, neemt de Vlaamse Regering tijdelijk alle wettelijke verplichtingen op zich betreffende de aanvaardingscriteria indien zij besluit de koolstofdioxide-injecties voort te zetten,] de monitoring en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk, het inleveren van rechten in geval van lekkage [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan], en preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig hoofdstukken II en III van titel XV Milieuschade van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De Vlaamse Regering verhaalt alle kosten op de [voormalige] exploitant, onder meer door de financiėle zekerheid van artikel 57 aan te spreken. Indien de opslaglocatie wordt afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 3°, is artikel 52, § 3, van toepassing.

Afdeling IV.
Verplichtingen inzake exploitatie, afsluiting en de periode na afsluiting


Onderafdeling I.
Aanvaardingscriteria voor de koolstofdioxidestroom en aanvaardingsprocedure


Art. 47.

§ 1

Een koolstofdioxidestroom moet voor het overgrote gedeelte bestaan uit koolstofdioxide. Om dat te waarborgen, mag geen afval of ander materiaal aan de koolstofdioxidestroom worden toegevoegd met het doel [zich van dat afval of ander materiaal te ontdoen].
Een koolstofdioxidestroom kan evenwel incidentele aanverwante stoffen uit [de bron of het afvang- of injectieproces] bevatten, alsmede [spoorelementen] die zijn toegevoegd als hulpmiddel bij de monitoring en het controleren van migratie. De concentraties van alle incidentele en toegevoegde stoffen mogen geen niveaus overschrijden die de integriteit van de opslaglocatie of van de relevante transportinfrastructuur in het gedrang brengen, een significant risico voor het milieu of de menselijke gezondheid vormen, of in strijd zijn met de voorschriften van de toepasselijke regelgeving.

§ 2

De exploitant mag koolstofdioxidestromen enkel aanvaarden en injecteren indien een analyse van de samenstelling, inclusief corrosieve stoffen, van de stromen en een risicobeoordeling zijn verricht, en indien de risicobeoordeling heeft aangetoond dat de verontreinigingsniveaus overeenstemmen met de in § 1 gestelde voorwaarden.
De exploitant houdt een register bij van de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en geļnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van hun samenstelling.

§ 3

De Vlaamse Regering bepaalt, conform de Europese verplichtingen ter zake, de nadere regels voor de aanvaardingscriteria voor de koolstofdioxidestroom en de aanvaardingsprocedure.

Onderafdeling II.
Monitoring


Art. 48.

§ 1

De exploitant moet zorgen voor monitoring van de injectiefaciliteiten, het opslagcomplex (inclusief waar mogelijk de koolstofdioxidepluim) en het omliggende milieu, met als doel:
het vergelijken van het feitelijke en het gemodelleerde gedrag van het koolstofdioxide en het formatiewater in de opslaglocatie;
het detecteren van significante onregelmatigheden;
het detecteren van migratie van koolstofdioxide;
het detecteren van lekkage van koolstofdioxide;
het detecteren van significante negatieve effecten voor het omliggende milieu, in het bijzonder voor het drinkwater, voor de omwonende bevolking en voor de gebruikers van de biosfeer in de omgeving;
het evalueren van de doeltreffendheid van eventuele overeenkomstig artikel 51 getroffen corrigerende maatregelen;
het actualiseren van de veiligheids- en integriteitsbeoordeling van het opslagcomplex op korte en lange termijn, met inbegrip van de beoordeling van de vraag of het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent is ingesloten.

§ 2

De exploitant verzekert de monitoring op basis van een monitoringsplan dat door hem is uitgewerkt overeenkomstig de in bijlage II van dit decreet vermelde eisen, met inbegrip van monitoringspecificaties [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan]. Het monitoringsplan wordt ingediend bij de minister en moet worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering.
Het monitoringsplan wordt geactualiseerd overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit decreet en zulks in ieder geval om de vijf jaar, teneinde rekening te houden met de wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, de wijzigingen in de beoordeelde risico's voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijke kennis en verbeteringen inzake de best beschikbare technieken. Een geactualiseerd monitoringsplan wordt ingediend bij de minister en moet opnieuw worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

Onderafdeling III.
Rapportering door de exploitant


Art. 49.
Elk jaar, of, als de Vlaamse Regering dat in het kader van een bepaalde opslagvergunning nodig acht, met een hogere frequentie, dient de exploitant de volgende gegevens in bij de minister:
alle resultaten van de monitoring overeenkomstig artikel 48 tijdens de verslagperiode, met inbegrip van de informatie over de gebruikte monitoringstechnologie;
de hoeveelheden en kenmerken van de tijdens de verslagperiode geleverde en geļnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van de samenstelling van deze stromen, zoals geregistreerd overeenkomstig [artikel 47, § 2, tweede lid];
het bewijs dat een financiėle zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden wordt overeenkomstig artikel 57 en [artikel 43, 9°];
alle andere informatie die de minister als relevant beschouwt om de naleving van de opslagvergunningsvoorwaarden te [beoordelen] en om de kennis te vergroten over het gedrag van het koolstofdioxide in de opslaglocatie.

Onderafdeling IV.
Inspecties


Art. 50.

§ 1

De opslagcomplexen worden via een systeem van routinematige en [niet-routinematige] inspecties gecontroleerd, met als doel de naleving van de eisen, vermeld in dit hoofdstuk, te controleren en te bevorderen, en de effecten op het milieu en de volksgezondheid te monitoren.
Die inspecties kunnen onder meer bezoeken aan de bovengrondse installaties, inclusief de injectiefaciliteiten, inhouden, evenals een beoordeling van de injectie- en monitoringswerkzaamheden van de exploitant en [een controle] van alle relevante door de exploitant bijgehouden gegevens.

§ 2

Routine-inspecties worden ten minste jaarlijks uitgevoerd, tot drie jaar na de afsluiting, en [nadien] vijfjaarlijks totdat de verantwoordelijkheid aan het Vlaamse Gewest is overgedragen. Daarbij worden de relevante injectie- en monitoringsfaciliteiten [onderzocht], alsook alle relevante gevolgen [van het opslagcomplex voor het milieu en de volksgezondheid].

§ 3

[Niet-routinematige] inspecties worden uitgevoerd in de volgende gevallen:
als de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 51, § 1, in kennis is gesteld, of op een andere manier op de hoogte is gebracht van [lekkages of] significante onregelmatigheden [...];
als uit de overeenkomstig artikel 49 ingediende verslagen blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet voldoende in acht worden genomen;
om ernstige klachten betreffende het milieu of de volksgezondheid te onderzoeken;
in andere situaties waarin de Vlaamse Regering dergelijke inspecties passend acht.

§ 4

Na elke inspectie wordt een verslag met de inspectieresultaten opgesteld. In dat verslag wordt de naleving van de eisen van de bepalingen van dit hoofdstuk geėvalueerd, en wordt aangegeven of verdere actie vereist is.
Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken exploitant, en wordt binnen een termijn van twee maanden na de inspectie voor het publiek beschikbaar gemaakt overeenkomstig de daarop toepasselijke regelgeving.

§ 5

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de inspecties.

Onderafdeling V.
Maatregelen in het geval van lekkages of significante onregelmatigheden


Art. 51.

§ 1

Bij [lekkages of] significante onregelmatigheden [...] stelt de exploitant de minister onmiddellijk met [een beveiligde zending] in kennis, en treft hij de nodige corrigerende maatregelen, waaronder maatregelen betreffende de bescherming van de volksgezondheid. In geval van lekkages en significante onregelmatigheden die een lekkagerisico inhouden, stelt de exploitant ook [het Departement Omgeving] daarvan in kennis.
De nodige corrigerende maatregelen worden getroffen met als minimumbasis het plan met corrigerende maatregelen dat is ingediend bij de minister en door de Vlaamse Regering is goedgekeurd.

§ 2

De minister [kan van de exploitant op elk moment eisen] de nodige corrigerende maatregelen te treffen, alsmede maatregelen betreffende de bescherming van de volksgezondheid. Deze kunnen een aanvulling zijn op of verschillen van die welke in het plan met corrigerende maatregelen zijn opgenomen. De minister kan ook altijd zelf corrigerende maatregelen treffen.
Als de exploitant nalaat de nodige corrigerende maatregelen te treffen, neemt de minister de vereiste corrigerende maatregelen zelf.
De Vlaamse Regering verhaalt op de exploitant de kosten die in verband met de in het eerste en het tweede lid bedoelde maatregelen zijn gemaakt, [met inbegrip van het aanspreken van de financiėle zekerheid overeenkomstig artikel 57].

Onderafdeling VI.
Verplichtingen bij afsluiting en in de periode na afsluiting


Art. 52.

§ 1

Een opslaglocatie wordt in de volgende gevallen afgesloten:
als de in de opslagvergunning vervatte relevante voorwaarden zijn vervuld;
op met bewijsmateriaal gestaafd verzoek van de exploitant, na instemming van de Vlaamse Regering;
als de Vlaamse Regering daartoe besluit na intrekking van een opslagvergunning overeenkomstig artikel 46, eerste lid.

§ 2

Nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig § 1, 1° of 2°, blijft de exploitant verantwoordelijk voor de monitoring, de rapportering en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de verplichtingen van dit hoofdstuk, alsook voor alle verplichtingen inzake het inleveren van rechten in geval van lekkages [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan], en preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig titel XV Milieuschade van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, totdat de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie is overgedragen aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikelen 53 en 54. De exploitant is ook verantwoordelijk voor de afdichting van de opslaglocatie en de verwijdering van de injectiefaciliteiten.
Aan de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan op basis van een door de exploitant uitgewerkt plan voor de periode na afsluiting, gebaseerd op de beste praktijken en in overeenstemming met de in bijlage II bij dit decreet bedoelde eisen. Een voorlopig plan voor de periode na afsluiting wordt ingediend bij de minister en moet worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering.
Voordat een opslaglocatie wordt afgesloten overeenkomstig § 1, 1° of 2°, wordt het voorlopige plan voor de periode na afsluiting indien nodig geactualiseerd op basis van de uit te voeren risicoanalyse, van de beste praktijken en technologische verbeteringen, vervolgens ingediend bij de minister, en door de Vlaamse Regering goedgekeurd als het definitieve plan voor de periode na afsluiting.

§ 3

Nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig § 1, 3°, is het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor de monitoring en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk, alsook voor alle verplichtingen inzake het inleveren van rechten in geval van lekkages [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan], en de preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig hoofdstukken II en III van titel XV Milieuschade van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Aan de verplichtingen voor de periode na afsluiting, vermeld in het eerste lid, wordt door het Vlaamse Gewest voldaan op basis van het voorlopige en eventueel geactualiseerde plan voor de periode na afsluiting, vermeld in artikel 52, § 2.
De Vlaamse Regering verhaalt op de exploitant de kosten die in verband met de in het eerste en het tweede lid bedoelde maatregelen zijn gemaakt, [met inbegrip van het aanspreken van de financiėle zekerheid overeenkomstig artikel 57].

§ 4

De minister legt de volgende registers aan en houdt ze bij:
een register van de verleende opslagvergunningen;
een permanent register van alle afgesloten opslaglocaties en de omliggende opslagcomplexen, met inbegrip van kaarten en dwarsdoorsneden van hun ruimtelijke omvang en de beschikbare informatie [die relevant is] om te beoordelen of het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent ingesloten zal blijven.
Bij relevante planningsprocedures en bij het vergunnen van activiteiten die de geologische opslag van koolstofdioxide in de geregistreerde opslaglocaties kunnen beļnvloeden of daardoor beļnvloed kunnen worden, wordt rekening gehouden met deze registers.

Onderafdeling VII.
Overdracht van de verantwoordelijkheid


Art. 53.
Als een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 1° of 2°, worden alle wettelijke verplichtingen betreffende de monitoring en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk, het inleveren van rechten in geval van lekkages [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet en zijn uitvoeringsbesluiten], en de preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig hoofdstukken II en III van titel XV Milieuschade van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, op eigen initiatief of op verzoek van de exploitant overgedragen aan het Vlaamse Gewest, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
[alle] beschikbare gegevens tonen aan dat het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent ingesloten blijft;
een bepaalde minimumperiode is verstreken, te bepalen door de Vlaamse Regering. Deze minimumperiode bedraagt ten minste twintig jaar na de afsluiting, tenzij de Vlaamse Regering ervan overtuigd is dat vóór het verstrijken van de periode van 20 jaar, aan de in 1° bedoelde voorwaarde is voldaan;
de financiėle verplichtingen ingevolge artikel 58 zijn nagekomen;
de opslaglocatie is met zorg afgedicht en de injectiefaciliteiten zijn verwijderd.
De exploitant maakt in dat verband een verslag op waarin wordt aangetoond dat aan de voorwaarde van het eerste lid, 1°, is voldaan en dient dit bij de minister in opdat de Vlaamse Regering de overdracht van verantwoordelijkheid kan goedkeuren. Dit verslag staaft ten minste:
dat het feitelijke gedrag van het geļnjecteerde koolstofdioxide in overeenstemming is met het gemodelleerde gedrag;
dat er geen detecteerbare lekken zijn;
dat de opslaglocatie evolueert naar een toestand van stabiliteit op lange termijn.
Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat de voorwaarden in het eerste lid, onder 1° en 2°, zijn vervuld, stelt zij een ontwerpbesluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid op. Het ontwerpbesluit legt vast hoe wordt bepaald dat de voorwaarde in het eerste lid, onder 4°, is vervuld, en bevat ook geactualiseerde voorschriften voor het afdichten van de opslaglocatie en het verwijderen van de injectiefaciliteiten.
Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat de voorwaarden in het eerste lid, onder 1° en 2°, niet zijn vervuld, brengt zij de exploitant van haar motieven op de hoogte.
De Vlaamse Regering bepaalt, conform de Europese verplichtingen ter zake, de nadere regels.

Art. 54.

§ 1

De Vlaamse Regering stelt de in artikel 53, tweede lid, bedoelde verslagen binnen een maand na ontvangst ter beschikking van de Europese Commissie. Ook alle andere relevante gegevens die in aanmerking worden genomen bij het nemen van het besluit over de overdracht van de verantwoordelijkheid worden ter beschikking van de Europese Commissie gesteld.
De Vlaamse Regering stelt de Europese Commissie in kennis van het overeenkomstig artikel 53, derde lid, genomen ontwerpbesluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid, en van alle andere gegevens die in aanmerking werden genomen bij het nemen van het ontwerpbesluit.

§ 2

De Vlaamse Regering wacht in voorkomend geval het advies van de Europese Commissie over het ontwerpbesluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid af.

§ 3

Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat de voorwaarden in artikel 53, eerste lid, onder 1° tot en met 4°, vervuld zijn, neemt ze een definitief besluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid, en stelt ze de exploitant van dat besluit in kennis. Ze stelt ook de Europese Commissie in kennis van haar definitief besluit, waarbij zij een eventuele afwijking van het advies van de Europese Commissie met redenen omkleedt.

Art. 55.
Na de overdracht van de verantwoordelijkheid worden de routine-inspecties van artikel 50, § 2, stopgezet en kan de monitoring worden beperkt tot het niveau waarop lekkage of significante onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Wanneer echter lekkages of significante onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt de monitoring geļntensiveerd [teneinde de omvang van het probleem en de doeltreffendheid van de corrigerende maatregelen te beoordelen].
Ingeval er sprake is van een fout in hoofde van de exploitant, met inbegrip van het verstrekken van onvolledige gegevens, het verbergen van relevante informatie, nalatigheid, moedwillige misleiding of het verzuimen van het toepassen van due diligence (zorgvuldige bedrijfsvoering), verhaalt de Vlaamse Regering [op de voormalige exploitant de kosten die gemaakt zijn] na de overdracht van de verantwoordelijkheid. Met behoud van toepassing van artikel 58 worden voor het overige geen kosten verhaald op de voormalige exploitant na de overdracht van de verantwoordelijkheid.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de monitoring in de periode na de overdracht van de verantwoordelijkheid.

Art. 56.
Als een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 3°, wordt de overdracht van de verantwoordelijkheid geacht plaats te vinden wanneer en op voorwaarde dat uit alle beschikbare gegevens blijkt dat het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent ingesloten blijft en nadat de opslaglocatie met zorg is afgedicht en de injectiefaciliteiten zijn verwijderd.

Onderafdeling VIII.
Financiėle zekerheden


Art. 57.

§ 1

In het kader van een aanvraag voor een opslagvergunning moet de potentiėle exploitant aantonen dat er afdoende [voorzieningen] kunnen worden [aangelegd], via een financiėle zekerheid of een gelijkwaardige voorziening ten voordele van de Vlaamse Regering, om te waarborgen dat aan alle verplichtingen ingevolge een opslagvergunning kan worden voldaan, inclusief [de voorschriften voor] de afsluiting en [...] de periode na afsluiting, alsook aan alle verplichtingen [inzake het inleveren van rechten in geval van lekkage ingevolge de opname van de opslaglocatie binnen de werkingssfeer van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan]. Deze financiėle zekerheid of gelijkwaardige voorziening moet rechtsgeldig en effectief gesteld zijn voordat de injectie aanvangt.
De financiėle zekerheid of gelijkwaardige voorziening wordt periodiek bijgesteld [om] rekening te houden met wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico en de geraamde kosten van alle verplichtingen ingevolge de verleende opslagvergunning en [inzake het inleveren van rechten in geval van lekkage ingevolge de opname van de opslaglocatie binnen de werkingssfeer van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan].

§ 2

De financiėle zekerheid of gelijkwaardige voorziening, vermeld in § 1, blijft [rechtsgeldig] en effectief gesteld:
nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 1° of 2°, totdat de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie is overgedragen aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikelen 53 en 54;
na de intrekking van een opslagvergunning overeenkomstig artikel 46, eerste lid, totdat een nieuwe opslagvergunning is uitgereikt of, als de opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 3°, totdat de overdracht van de verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 56, en op voorwaarde dat is voldaan aan de in artikel 58 bedoelde financiėle verplichtingen.

§ 3

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de financiėle zekerheden.

Onderafdeling IX.
Financiėle bijdrage


Art. 58.

§ 1

Voordat de overdracht van verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 53 tot en met 56 kan plaatsvinden, moet de exploitant een financiėle bijdrage ter beschikking stellen aan de Vlaamse Regering. Met deze financiėle bijdrage kunnen de [door] het Vlaamse Gewest [na de overdracht van de verantwoordelijkheid gemaakte kosten] gedekt worden om ervoor te zorgen dat [...] het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent in de geologische opslaglocatie ingesloten blijft.
Voor het bedrag van de financiėle bijdrage wordt rekening gehouden met de in bijlage I bij dit decreet vermelde parameters [en elementen] inzake de voorgeschiedenis van [de] koolstofdioxideopslag die relevant zijn voor het bepalen van de verplichtingen die na de overdracht van de verantwoordelijkheid gelden. De financiėle bijdrage moet ten minste de geraamde monitoringskosten voor een periode van dertig jaar dekken.

§ 2

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de financiėle bijdrage.

Afdeling V.
Toegang van derden


Onderafdeling I.
Toegang tot transportnetwerken en opslaglocaties


Art. 59.

§ 1

Potentiėle gebruikers krijgen onder de voorwaarden, vermeld in § 2 tot en met § 4, toegang tot de transportnetwerken en tot de opslaglocaties, met het oog op de geologische opslag van geproduceerd en afgevangen koolstofdioxide.

§ 2

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder potentiėle gebruikers op een transparante en niet-discriminerende manier toegang krijgen tot de transportnetwerken en opslaglocaties, en neemt daarbij de doelstellingen van eerlijke en open toegang in acht, rekening houdend met:
de opslagcapaciteit die beschikbaar is of redelijkerwijs beschikbaar kan worden gesteld binnen de gebieden die in aanmerking komen voor de geologische opslag van koolstofdioxide, alsmede de transportcapaciteit die beschikbaar is of redelijkerwijs beschikbaar kan worden gesteld;
het door het Vlaamse Gewest beoogde aandeel van de afvang en geologische opslag van koolstofdioxide in het geheel van de reductieverplichtingen voor koolstofdioxide wat betreft het Vlaamse Gewest;
de noodzaak om de toegang te weigeren [als er sprake is van onverenigbaarheid van technische specificaties die redelijkerwijs niet kan worden overwonnen];
de noodzaak om de [naar behoren gemotiveerde] en redelijke behoeften van de eigenaar of exploitant van de opslaglocatie of het transportnetwerk, en de belangen van alle andere gebruikers van de opslaglocatie, het transportnetwerk of de relevante behandelingsfaciliteiten in acht te nemen.

§ 3

Exploitanten van transportnetwerken en [exploitanten van] opslaglocaties kunnen de toegang weigeren op grond van een gebrek aan capaciteit. Dergelijke weigeringen worden altijd naar behoren gemotiveerd.
Een exploitant die de toegang tot zijn transportnetwerk of opslaglocatie weigert op grond van een gebrek aan capaciteit of verbindingsmogelijkheden, voert de nodige capaciteitsverhogende werkzaamheden uit voor zover dat economisch verantwoord is of de potentiėle gebruiker bereid is daarvoor te betalen, op voorwaarde dat het geen negatief effect heeft op de milieuveiligheid van het transport en van de geologische opslag van koolstofdioxide.

§ 4

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toegang tot transportnetwerken en opslaglocaties.

Onderafdeling II.
Geschillenbeslechting


Art. 60.

§ 1

De Vlaamse Regering stelt een geschillenbeslechtingsprocedure vast, met inbegrip van een onafhankelijk van de partijen staande autoriteit die toegang heeft tot alle relevante informatie, om geschillen over de toegang tot transportnetwerken en opslaglocaties op een doeltreffende wijze te beslechten, rekening houdend met de criteria, vermeld in artikel 59, § 2, en het aantal partijen dat bij de onderhandelingen over dergelijke toegang betrokken is.

§ 2

Bij een geschil dat de grenzen van het Vlaamse Gewest overschrijdt, wordt de door de Vlaamse Regering vastgestelde geschillenbeslechtingsprocedure toegepast als het transportnetwerk of de opslaglocatie waartoe de toegang is geweigerd, in het Vlaamse Gewest ligt.
Als, bij grensoverschrijdende geschillen, de jurisdictie over het transportnetwerk of de opslaglocatie in kwestie niet uitsluitend bij het Vlaamse Gewest ligt, wordt overleg gepleegd om het geschil op een samenhangende wijze te beslechten.

Afdeling VI.
Het bezetten van gronden door de vergunninghouder


Art. 61.
Voor een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag of voor een opslagvergunning is artikel 32 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling VII.
De vergoeding van schade


Art. 62.

§ 1

Met behoud van de toepassing van artikel 35 is de houder [of laatste houder] van een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag of van een opslagvergunning van rechtswege verplicht elke schade te vergoeden die veroorzaakt werd door de activiteit waarop de vergunning betrekking heeft, tot wanneer de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie overeenkomstig artikelen 53 tot en met 56 aan het Vlaamse Gewest is overgedragen.
[...]

§ 2

De vrederechter is bevoegd om het bedrag van de schadevergoeding vast te stellen, ongeacht de hoogte van het bedrag.

Afdeling VIII.
Informatie aan het publiek


Art. 63.
De Vlaamse Regering stelt alle elementen die betrekking hebben op de geologische opslag van koolstofdioxide ter beschikking van het publiek, overeenkomstig de daarop toepasselijke regelgeving.