Afdeling IV.
Verplichtingen inzake exploitatie, afsluiting en de periode na afsluiting


Onderafdeling I.
Aanvaardingscriteria voor de koolstofdioxidestroom en aanvaardingsprocedure


Art. 47.

§ 1

Een koolstofdioxidestroom moet voor het overgrote gedeelte bestaan uit koolstofdioxide. Om dat te waarborgen, mag geen afval of ander materiaal aan de koolstofdioxidestroom worden toegevoegd met het doel [zich van dat afval of ander materiaal te ontdoen].
Een koolstofdioxidestroom kan evenwel incidentele aanverwante stoffen uit [de bron of het afvang- of injectieproces] bevatten, alsmede [spoorelementen] die zijn toegevoegd als hulpmiddel bij de monitoring en het controleren van migratie. De concentraties van alle incidentele en toegevoegde stoffen mogen geen niveaus overschrijden die de integriteit van de opslaglocatie of van de relevante transportinfrastructuur in het gedrang brengen, een significant risico voor het milieu of de menselijke gezondheid vormen, of in strijd zijn met de voorschriften van de toepasselijke regelgeving.

§ 2

De exploitant mag koolstofdioxidestromen enkel aanvaarden en injecteren indien een analyse van de samenstelling, inclusief corrosieve stoffen, van de stromen en een risicobeoordeling zijn verricht, en indien de risicobeoordeling heeft aangetoond dat de verontreinigingsniveaus overeenstemmen met de in § 1 gestelde voorwaarden.
De exploitant houdt een register bij van de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en geļnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van hun samenstelling.

§ 3

De Vlaamse Regering bepaalt, conform de Europese verplichtingen ter zake, de nadere regels voor de aanvaardingscriteria voor de koolstofdioxidestroom en de aanvaardingsprocedure.

Onderafdeling II.
Monitoring


Art. 48.

§ 1

De exploitant moet zorgen voor monitoring van de injectiefaciliteiten, het opslagcomplex (inclusief waar mogelijk de koolstofdioxidepluim) en het omliggende milieu, met als doel:
het vergelijken van het feitelijke en het gemodelleerde gedrag van het koolstofdioxide en het formatiewater in de opslaglocatie;
het detecteren van significante onregelmatigheden;
het detecteren van migratie van koolstofdioxide;
het detecteren van lekkage van koolstofdioxide;
het detecteren van significante negatieve effecten voor het omliggende milieu, in het bijzonder voor het drinkwater, voor de omwonende bevolking en voor de gebruikers van de biosfeer in de omgeving;
het evalueren van de doeltreffendheid van eventuele overeenkomstig artikel 51 getroffen corrigerende maatregelen;
het actualiseren van de veiligheids- en integriteitsbeoordeling van het opslagcomplex op korte en lange termijn, met inbegrip van de beoordeling van de vraag of het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent is ingesloten.

§ 2

De exploitant verzekert de monitoring op basis van een monitoringsplan dat door hem is uitgewerkt overeenkomstig de in bijlage II van dit decreet vermelde eisen, met inbegrip van monitoringspecificaties [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan]. Het monitoringsplan wordt ingediend bij de minister en moet worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering.
Het monitoringsplan wordt geactualiseerd overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit decreet en zulks in ieder geval om de vijf jaar, teneinde rekening te houden met de wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, de wijzigingen in de beoordeelde risico's voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijke kennis en verbeteringen inzake de best beschikbare technieken. Een geactualiseerd monitoringsplan wordt ingediend bij de minister en moet opnieuw worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

Onderafdeling III.
Rapportering door de exploitant


Art. 49.
Elk jaar, of, als de Vlaamse Regering dat in het kader van een bepaalde opslagvergunning nodig acht, met een hogere frequentie, dient de exploitant de volgende gegevens in bij de minister:
alle resultaten van de monitoring overeenkomstig artikel 48 tijdens de verslagperiode, met inbegrip van de informatie over de gebruikte monitoringstechnologie;
de hoeveelheden en kenmerken van de tijdens de verslagperiode geleverde en geļnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van de samenstelling van deze stromen, zoals geregistreerd overeenkomstig [artikel 47, § 2, tweede lid];
het bewijs dat een financiėle zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden wordt overeenkomstig artikel 57 en [artikel 43, 9°];
alle andere informatie die de minister als relevant beschouwt om de naleving van de opslagvergunningsvoorwaarden te [beoordelen] en om de kennis te vergroten over het gedrag van het koolstofdioxide in de opslaglocatie.

Onderafdeling IV.
Inspecties


Art. 50.

§ 1

De opslagcomplexen worden via een systeem van routinematige en [niet-routinematige] inspecties gecontroleerd, met als doel de naleving van de eisen, vermeld in dit hoofdstuk, te controleren en te bevorderen, en de effecten op het milieu en de volksgezondheid te monitoren.
Die inspecties kunnen onder meer bezoeken aan de bovengrondse installaties, inclusief de injectiefaciliteiten, inhouden, evenals een beoordeling van de injectie- en monitoringswerkzaamheden van de exploitant en [een controle] van alle relevante door de exploitant bijgehouden gegevens.

§ 2

Routine-inspecties worden ten minste jaarlijks uitgevoerd, tot drie jaar na de afsluiting, en [nadien] vijfjaarlijks totdat de verantwoordelijkheid aan het Vlaamse Gewest is overgedragen. Daarbij worden de relevante injectie- en monitoringsfaciliteiten [onderzocht], alsook alle relevante gevolgen [van het opslagcomplex voor het milieu en de volksgezondheid].

§ 3

[Niet-routinematige] inspecties worden uitgevoerd in de volgende gevallen:
als de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 51, § 1, in kennis is gesteld, of op een andere manier op de hoogte is gebracht van [lekkages of] significante onregelmatigheden [...];
als uit de overeenkomstig artikel 49 ingediende verslagen blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet voldoende in acht worden genomen;
om ernstige klachten betreffende het milieu of de volksgezondheid te onderzoeken;
in andere situaties waarin de Vlaamse Regering dergelijke inspecties passend acht.

§ 4

Na elke inspectie wordt een verslag met de inspectieresultaten opgesteld. In dat verslag wordt de naleving van de eisen van de bepalingen van dit hoofdstuk geėvalueerd, en wordt aangegeven of verdere actie vereist is.
Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken exploitant, en wordt binnen een termijn van twee maanden na de inspectie voor het publiek beschikbaar gemaakt overeenkomstig de daarop toepasselijke regelgeving.

§ 5

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de inspecties.

Onderafdeling V.
Maatregelen in het geval van lekkages of significante onregelmatigheden


Art. 51.

§ 1

Bij [lekkages of] significante onregelmatigheden [...] stelt de exploitant de minister onmiddellijk met [een beveiligde zending] in kennis, en treft hij de nodige corrigerende maatregelen, waaronder maatregelen betreffende de bescherming van de volksgezondheid. In geval van lekkages en significante onregelmatigheden die een lekkagerisico inhouden, stelt de exploitant ook [het Departement Omgeving] daarvan in kennis.
De nodige corrigerende maatregelen worden getroffen met als minimumbasis het plan met corrigerende maatregelen dat is ingediend bij de minister en door de Vlaamse Regering is goedgekeurd.

§ 2

De minister [kan van de exploitant op elk moment eisen] de nodige corrigerende maatregelen te treffen, alsmede maatregelen betreffende de bescherming van de volksgezondheid. Deze kunnen een aanvulling zijn op of verschillen van die welke in het plan met corrigerende maatregelen zijn opgenomen. De minister kan ook altijd zelf corrigerende maatregelen treffen.
Als de exploitant nalaat de nodige corrigerende maatregelen te treffen, neemt de minister de vereiste corrigerende maatregelen zelf.
De Vlaamse Regering verhaalt op de exploitant de kosten die in verband met de in het eerste en het tweede lid bedoelde maatregelen zijn gemaakt, [met inbegrip van het aanspreken van de financiėle zekerheid overeenkomstig artikel 57].

Onderafdeling VI.
Verplichtingen bij afsluiting en in de periode na afsluiting


Art. 52.

§ 1

Een opslaglocatie wordt in de volgende gevallen afgesloten:
als de in de opslagvergunning vervatte relevante voorwaarden zijn vervuld;
op met bewijsmateriaal gestaafd verzoek van de exploitant, na instemming van de Vlaamse Regering;
als de Vlaamse Regering daartoe besluit na intrekking van een opslagvergunning overeenkomstig artikel 46, eerste lid.

§ 2

Nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig § 1, 1° of 2°, blijft de exploitant verantwoordelijk voor de monitoring, de rapportering en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de verplichtingen van dit hoofdstuk, alsook voor alle verplichtingen inzake het inleveren van rechten in geval van lekkages [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan], en preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig titel XV Milieuschade van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, totdat de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie is overgedragen aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikelen 53 en 54. De exploitant is ook verantwoordelijk voor de afdichting van de opslaglocatie en de verwijdering van de injectiefaciliteiten.
Aan de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan op basis van een door de exploitant uitgewerkt plan voor de periode na afsluiting, gebaseerd op de beste praktijken en in overeenstemming met de in bijlage II bij dit decreet bedoelde eisen. Een voorlopig plan voor de periode na afsluiting wordt ingediend bij de minister en moet worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering.
Voordat een opslaglocatie wordt afgesloten overeenkomstig § 1, 1° of 2°, wordt het voorlopige plan voor de periode na afsluiting indien nodig geactualiseerd op basis van de uit te voeren risicoanalyse, van de beste praktijken en technologische verbeteringen, vervolgens ingediend bij de minister, en door de Vlaamse Regering goedgekeurd als het definitieve plan voor de periode na afsluiting.

§ 3

Nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig § 1, 3°, is het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor de monitoring en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk, alsook voor alle verplichtingen inzake het inleveren van rechten in geval van lekkages [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan], en de preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig hoofdstukken II en III van titel XV Milieuschade van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Aan de verplichtingen voor de periode na afsluiting, vermeld in het eerste lid, wordt door het Vlaamse Gewest voldaan op basis van het voorlopige en eventueel geactualiseerde plan voor de periode na afsluiting, vermeld in artikel 52, § 2.
De Vlaamse Regering verhaalt op de exploitant de kosten die in verband met de in het eerste en het tweede lid bedoelde maatregelen zijn gemaakt, [met inbegrip van het aanspreken van de financiėle zekerheid overeenkomstig artikel 57].

§ 4

De minister legt de volgende registers aan en houdt ze bij:
een register van de verleende opslagvergunningen;
een permanent register van alle afgesloten opslaglocaties en de omliggende opslagcomplexen, met inbegrip van kaarten en dwarsdoorsneden van hun ruimtelijke omvang en de beschikbare informatie [die relevant is] om te beoordelen of het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent ingesloten zal blijven.
Bij relevante planningsprocedures en bij het vergunnen van activiteiten die de geologische opslag van koolstofdioxide in de geregistreerde opslaglocaties kunnen beļnvloeden of daardoor beļnvloed kunnen worden, wordt rekening gehouden met deze registers.

Onderafdeling VII.
Overdracht van de verantwoordelijkheid


Art. 53.
Als een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 1° of 2°, worden alle wettelijke verplichtingen betreffende de monitoring en de corrigerende maatregelen overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk, het inleveren van rechten in geval van lekkages [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet en zijn uitvoeringsbesluiten], en de preventieve en herstelmaatregelen overeenkomstig hoofdstukken II en III van titel XV Milieuschade van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, op eigen initiatief of op verzoek van de exploitant overgedragen aan het Vlaamse Gewest, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
[alle] beschikbare gegevens tonen aan dat het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent ingesloten blijft;
een bepaalde minimumperiode is verstreken, te bepalen door de Vlaamse Regering. Deze minimumperiode bedraagt ten minste twintig jaar na de afsluiting, tenzij de Vlaamse Regering ervan overtuigd is dat vóór het verstrijken van de periode van 20 jaar, aan de in 1° bedoelde voorwaarde is voldaan;
de financiėle verplichtingen ingevolge artikel 58 zijn nagekomen;
de opslaglocatie is met zorg afgedicht en de injectiefaciliteiten zijn verwijderd.
De exploitant maakt in dat verband een verslag op waarin wordt aangetoond dat aan de voorwaarde van het eerste lid, 1°, is voldaan en dient dit bij de minister in opdat de Vlaamse Regering de overdracht van verantwoordelijkheid kan goedkeuren. Dit verslag staaft ten minste:
dat het feitelijke gedrag van het geļnjecteerde koolstofdioxide in overeenstemming is met het gemodelleerde gedrag;
dat er geen detecteerbare lekken zijn;
dat de opslaglocatie evolueert naar een toestand van stabiliteit op lange termijn.
Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat de voorwaarden in het eerste lid, onder 1° en 2°, zijn vervuld, stelt zij een ontwerpbesluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid op. Het ontwerpbesluit legt vast hoe wordt bepaald dat de voorwaarde in het eerste lid, onder 4°, is vervuld, en bevat ook geactualiseerde voorschriften voor het afdichten van de opslaglocatie en het verwijderen van de injectiefaciliteiten.
Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat de voorwaarden in het eerste lid, onder 1° en 2°, niet zijn vervuld, brengt zij de exploitant van haar motieven op de hoogte.
De Vlaamse Regering bepaalt, conform de Europese verplichtingen ter zake, de nadere regels.

Art. 54.

§ 1

De Vlaamse Regering stelt de in artikel 53, tweede lid, bedoelde verslagen binnen een maand na ontvangst ter beschikking van de Europese Commissie. Ook alle andere relevante gegevens die in aanmerking worden genomen bij het nemen van het besluit over de overdracht van de verantwoordelijkheid worden ter beschikking van de Europese Commissie gesteld.
De Vlaamse Regering stelt de Europese Commissie in kennis van het overeenkomstig artikel 53, derde lid, genomen ontwerpbesluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid, en van alle andere gegevens die in aanmerking werden genomen bij het nemen van het ontwerpbesluit.

§ 2

De Vlaamse Regering wacht in voorkomend geval het advies van de Europese Commissie over het ontwerpbesluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid af.

§ 3

Als de Vlaamse Regering van oordeel is dat de voorwaarden in artikel 53, eerste lid, onder 1° tot en met 4°, vervuld zijn, neemt ze een definitief besluit ter goedkeuring van de overdracht van de verantwoordelijkheid, en stelt ze de exploitant van dat besluit in kennis. Ze stelt ook de Europese Commissie in kennis van haar definitief besluit, waarbij zij een eventuele afwijking van het advies van de Europese Commissie met redenen omkleedt.

Art. 55.
Na de overdracht van de verantwoordelijkheid worden de routine-inspecties van artikel 50, § 2, stopgezet en kan de monitoring worden beperkt tot het niveau waarop lekkage of significante onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Wanneer echter lekkages of significante onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt de monitoring geļntensiveerd [teneinde de omvang van het probleem en de doeltreffendheid van de corrigerende maatregelen te beoordelen].
Ingeval er sprake is van een fout in hoofde van de exploitant, met inbegrip van het verstrekken van onvolledige gegevens, het verbergen van relevante informatie, nalatigheid, moedwillige misleiding of het verzuimen van het toepassen van due diligence (zorgvuldige bedrijfsvoering), verhaalt de Vlaamse Regering [op de voormalige exploitant de kosten die gemaakt zijn] na de overdracht van de verantwoordelijkheid. Met behoud van toepassing van artikel 58 worden voor het overige geen kosten verhaald op de voormalige exploitant na de overdracht van de verantwoordelijkheid.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de monitoring in de periode na de overdracht van de verantwoordelijkheid.

Art. 56.
Als een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 3°, wordt de overdracht van de verantwoordelijkheid geacht plaats te vinden wanneer en op voorwaarde dat uit alle beschikbare gegevens blijkt dat het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent ingesloten blijft en nadat de opslaglocatie met zorg is afgedicht en de injectiefaciliteiten zijn verwijderd.

Onderafdeling VIII.
Financiėle zekerheden


Art. 57.

§ 1

In het kader van een aanvraag voor een opslagvergunning moet de potentiėle exploitant aantonen dat er afdoende [voorzieningen] kunnen worden [aangelegd], via een financiėle zekerheid of een gelijkwaardige voorziening ten voordele van de Vlaamse Regering, om te waarborgen dat aan alle verplichtingen ingevolge een opslagvergunning kan worden voldaan, inclusief [de voorschriften voor] de afsluiting en [...] de periode na afsluiting, alsook aan alle verplichtingen [inzake het inleveren van rechten in geval van lekkage ingevolge de opname van de opslaglocatie binnen de werkingssfeer van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan]. Deze financiėle zekerheid of gelijkwaardige voorziening moet rechtsgeldig en effectief gesteld zijn voordat de injectie aanvangt.
De financiėle zekerheid of gelijkwaardige voorziening wordt periodiek bijgesteld [om] rekening te houden met wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico en de geraamde kosten van alle verplichtingen ingevolge de verleende opslagvergunning en [inzake het inleveren van rechten in geval van lekkage ingevolge de opname van de opslaglocatie binnen de werkingssfeer van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan].

§ 2

De financiėle zekerheid of gelijkwaardige voorziening, vermeld in § 1, blijft [rechtsgeldig] en effectief gesteld:
nadat een opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 1° of 2°, totdat de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie is overgedragen aan het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikelen 53 en 54;
na de intrekking van een opslagvergunning overeenkomstig artikel 46, eerste lid, totdat een nieuwe opslagvergunning is uitgereikt of, als de opslaglocatie is afgesloten overeenkomstig artikel 52, § 1, 3°, totdat de overdracht van de verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 56, en op voorwaarde dat is voldaan aan de in artikel 58 bedoelde financiėle verplichtingen.

§ 3

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de financiėle zekerheden.

Onderafdeling IX.
Financiėle bijdrage


Art. 58.

§ 1

Voordat de overdracht van verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 53 tot en met 56 kan plaatsvinden, moet de exploitant een financiėle bijdrage ter beschikking stellen aan de Vlaamse Regering. Met deze financiėle bijdrage kunnen de [door] het Vlaamse Gewest [na de overdracht van de verantwoordelijkheid gemaakte kosten] gedekt worden om ervoor te zorgen dat [...] het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent in de geologische opslaglocatie ingesloten blijft.
Voor het bedrag van de financiėle bijdrage wordt rekening gehouden met de in bijlage I bij dit decreet vermelde parameters [en elementen] inzake de voorgeschiedenis van [de] koolstofdioxideopslag die relevant zijn voor het bepalen van de verplichtingen die na de overdracht van de verantwoordelijkheid gelden. De financiėle bijdrage moet ten minste de geraamde monitoringskosten voor een periode van dertig jaar dekken.

§ 2

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de financiėle bijdrage.