Art. 47.

§ 1

Een koolstofdioxidestroom moet voor het overgrote gedeelte bestaan uit koolstofdioxide. Om dat te waarborgen, mag geen afval of ander materiaal aan de koolstofdioxidestroom worden toegevoegd met het doel [zich van dat afval of ander materiaal te ontdoen].
Een koolstofdioxidestroom kan evenwel incidentele aanverwante stoffen uit [de bron of het afvang- of injectieproces] bevatten, alsmede [spoorelementen] die zijn toegevoegd als hulpmiddel bij de monitoring en het controleren van migratie. De concentraties van alle incidentele en toegevoegde stoffen mogen geen niveaus overschrijden die de integriteit van de opslaglocatie of van de relevante transportinfrastructuur in het gedrang brengen, een significant risico voor het milieu of de menselijke gezondheid vormen, of in strijd zijn met de voorschriften van de toepasselijke regelgeving.

§ 2

De exploitant mag koolstofdioxidestromen enkel aanvaarden en injecteren indien een analyse van de samenstelling, inclusief corrosieve stoffen, van de stromen en een risicobeoordeling zijn verricht, en indien de risicobeoordeling heeft aangetoond dat de verontreinigingsniveaus overeenstemmen met de in § 1 gestelde voorwaarden.
De exploitant houdt een register bij van de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van hun samenstelling.

§ 3

De Vlaamse Regering bepaalt, conform de Europese verplichtingen ter zake, de nadere regels voor de aanvaardingscriteria voor de koolstofdioxidestroom en de aanvaardingsprocedure.