Art. 48.

§ 1

De exploitant moet zorgen voor monitoring van de injectiefaciliteiten, het opslagcomplex (inclusief waar mogelijk de koolstofdioxidepluim) en het omliggende milieu, met als doel:
het vergelijken van het feitelijke en het gemodelleerde gedrag van het koolstofdioxide en het formatiewater in de opslaglocatie;
het detecteren van significante onregelmatigheden;
het detecteren van migratie van koolstofdioxide;
het detecteren van lekkage van koolstofdioxide;
het detecteren van significante negatieve effecten voor het omliggende milieu, in het bijzonder voor het drinkwater, voor de omwonende bevolking en voor de gebruikers van de biosfeer in de omgeving;
het evalueren van de doeltreffendheid van eventuele overeenkomstig artikel 51 getroffen corrigerende maatregelen;
het actualiseren van de veiligheids- en integriteitsbeoordeling van het opslagcomplex op korte en lange termijn, met inbegrip van de beoordeling van de vraag of het opgeslagen koolstofdioxide volledig en permanent is ingesloten.

§ 2

De exploitant verzekert de monitoring op basis van een monitoringsplan dat door hem is uitgewerkt overeenkomstig de in bijlage II van dit decreet vermelde eisen, met inbegrip van monitoringspecificaties [overeenkomstig de relevante bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan]. Het monitoringsplan wordt ingediend bij de minister en moet worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering.
Het monitoringsplan wordt geactualiseerd overeenkomstig het bepaalde in bijlage II bij dit decreet en zulks in ieder geval om de vijf jaar, teneinde rekening te houden met de wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, de wijzigingen in de beoordeelde risico's voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijke kennis en verbeteringen inzake de best beschikbare technieken. Een geactualiseerd monitoringsplan wordt ingediend bij de minister en moet opnieuw worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering.