Art. 50.

§ 1

De opslagcomplexen worden via een systeem van routinematige en [niet-routinematige] inspecties gecontroleerd, met als doel de naleving van de eisen, vermeld in dit hoofdstuk, te controleren en te bevorderen, en de effecten op het milieu en de volksgezondheid te monitoren.
Die inspecties kunnen onder meer bezoeken aan de bovengrondse installaties, inclusief de injectiefaciliteiten, inhouden, evenals een beoordeling van de injectie- en monitoringswerkzaamheden van de exploitant en [een controle] van alle relevante door de exploitant bijgehouden gegevens.

§ 2

Routine-inspecties worden ten minste jaarlijks uitgevoerd, tot drie jaar na de afsluiting, en [nadien] vijfjaarlijks totdat de verantwoordelijkheid aan het Vlaamse Gewest is overgedragen. Daarbij worden de relevante injectie- en monitoringsfaciliteiten [onderzocht], alsook alle relevante gevolgen [van het opslagcomplex voor het milieu en de volksgezondheid].

§ 3

[Niet-routinematige] inspecties worden uitgevoerd in de volgende gevallen:
als de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 51, § 1, in kennis is gesteld, of op een andere manier op de hoogte is gebracht van [lekkages of] significante onregelmatigheden [...];
als uit de overeenkomstig artikel 49 ingediende verslagen blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet voldoende in acht worden genomen;
om ernstige klachten betreffende het milieu of de volksgezondheid te onderzoeken;
in andere situaties waarin de Vlaamse Regering dergelijke inspecties passend acht.

§ 4

Na elke inspectie wordt een verslag met de inspectieresultaten opgesteld. In dat verslag wordt de naleving van de eisen van de bepalingen van dit hoofdstuk geėvalueerd, en wordt aangegeven of verdere actie vereist is.
Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken exploitant, en wordt binnen een termijn van twee maanden na de inspectie voor het publiek beschikbaar gemaakt overeenkomstig de daarop toepasselijke regelgeving.

§ 5

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de inspecties.