Bijlage II.
Criteria voor de vaststelling en actualisering van het in artikel†48 bedoelde monitoringsplan en voor de monitoring in de periode na afsluiting


1 Vaststelling en actualisering van hef monitoringsplan
Het in artikel†48 bedoelde monitoringsplan wordt vastgesteld overeenkomstig de in fase 3 van bijlage†I uitgevoerde risicoanalysebeoordeling, en geactualiseerd teneinde te voldoen aan de monitoringseisen van artikel†48, met gebruikmaking van de volgende criteria:

1.1 Vaststelling van het plan
Het monitoringsplan bevat nadere gegevens betreffende de monitoring die moet gebeuren in de voornaamste fasen van het project, inclusief de monitoring in de voorbereidingsperiode, de exploitatieperiode en de periode na afsluiting. In elke fase worden de volgende elementen gespecificeerd:
a)
de gemonitorde parameters;
b)
de gebruikte monitoringstechnologie en een rechtvaardiging voor de keuze van die technologie;
c)
de plaatsen waar wordt gemonitord en de redenen voor die ruimtelijke verdeling;
d)
de monitoringsfrequentie en de redenen voor die spreiding in de tijd.
De te monitoren parameters worden zo gekozen dat zij de monitoringsdoeleinden dienen. Het monitoringsplan moet echter in ieder geval de continue of periodieke monitoring omvatten van de volgende items:
e)
de vluchtige emissie van koolstofdioxide aan de injectiefaciliteit;
f)
de volumetrische koolstofdioxidestroom in de injectieboorputten;
g)
de koolstofdioxidedruk en -temperatuur in de injectieboorputten (om de massastroom te bepalen);
h)
de chemische analyse van het geÔnjecteerde materiaal;
i)
temperatuur en druk van het reservoir (om het fasegedrag van het koolstofdioxide en de fasetoestand te bepalen).
De keuze van de monitoringstechnologie wordt gebaseerd op de beste praktijken die op het tijdstip van ontwerp beschikbaar zijn. De volgende opties worden nader bekeken en naar gelang van de behoeften gebruikt:
j)
technologieŽn die het mogelijk maken het bestaan, de plaats en de migiatieroutes van koolstofdioxide in de ondergrond en aan de oppervlakte te detecteren;
k)
technologieŽn die informatie kunnen opleveren over het druk-volumegedrag en de distributie van saturatie in horizontale en verticale richting van de koolstofdioxidepluim, meer bepaald ter verfijning van de numerieke 3D-simulatie op de 3D-geologische modellen van de opslagformatie als uitgewerkt overeenkomstig artikel†39 en bijlage†I;
l)
technologieŽn die een brede zonale spreiding mogelijk maken teneinde informatie te verzamelen over eventueel vroeger over het hoofd geziene potentiŽle [migratiewegen] in het geheel van het gebied van het opslagcomplex en de omgeving daarvan, in het geval van [significante] onregelmatigheden of de migratie van koolstofdioxide uit het opslagcomplex.

1.2 Actualisering van het plan
De bij de monitoring verzamelde gegevens worden bijeengebracht en geÔnterpreteerd. De resultaten van de waarnemingen worden vergeleken met het gedrag dat werd voorspeld in de dynamische simulatie van het 3D-druk-volume- en saturatiegedrag, uitgevoerd in de context van de karakterisering van de veiligheid overeenkomstig artikel†39 en bijlage†I, fase 3.
Wanneer er een aanzienlijke afwijking wordt geconstateerd tussen het waargenomen en het voorspelde gedrag wordt het 3D-model opnieuw geijkt met het oog op een betere weergave van het reŽle gedrag. Die herijking wordt gebaseerd op de gegevenswaarneming van het monitoringsplan. Waar nodig om het vertrouwen in de bij de herijking gebruikte aannamen te versterken, worden aanvullende gegevens verzameld.
Fase 2 en 3 van bijlage†I worden herhaald met gebruikmaking van het (de) herijkte 3D-model(len) ten einde nieuwe gevarenscenario's en fluxen te genereren en de risicobeoordeling te herzien en te actualiseren.
Wanneer nieuwe koolstofdioxidebronnen, lekroutes en fluxen of waargenomen significante afwijkingen van eerdere beoordelingen worden vastgesteld als resultaat van de verwerking van waarnemingen en de herijking van modellen, wordt het monitoringsplan dienovereenkomstig geactualiseerd.

2 Monitoring in de periode nu afsluiting
De monitoring in de periode na afsluiting wordt gebaseerd op de informatie die is ingezameld en in een model gegoten is tijdens de tenuitvoerlegging van het monitoringsplan als bedoeld in artikel†48, en hierboven in punt 1.2 van deze bijlage. De monitoring in de periode na afsluiting wordt vooral gebruikt om de informatie te verkrijgen die nodig is voor de vaststelling van het in artikel†53 bedoelde besluit.