M.B. eenheidsreglement gerecycleerde granulaten
Eenheidsreglement gerecycleerde granulaten

1. Toepassingsgebied

Dit reglement is van toepassing voor de certificatie van gerecycleerde granulaten die geproduceerd zijn:
op een vaste locatie,
door een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf. Op de bouw- of sloopwerf mag in geen geval puin aangevoerd worden van een andere locatie dan van de betreffende werf. Het terrein moet, behalve aan de toegang, vanaf het moment waarop gestart wordt met het lossen van het puin tot na het breken, ontoegankelijk worden gemaakt voor rollend materieel. De gerecycleerde granulaten moeten ter plaatse gebruikt worden of worden afgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de certificaathouder van de mobiele installatie en onder certificaat van die laatste.
Gerecycleerde granulaten geproduceerd overeenkomstig het eenheidsreglement mogen in of als bouwstof worden gebruikt. Volgende toepassingen zijn toegelaten:
toepassingen waarvoor een geharmoniseerd Europees kader bestaat;
toepassingen gebaseerd op de standaardbestekken van het Vlaamse gewest;
mengcentrale voor hydraulisch gebonden mengsels;
toepassingen als bouwstof in een “werk” gebaseerd op het ministerieel besluit van 9 mei 2008 houdende vaststelling van de lijst van bouwkundig bodemgebruik van uitgegraven bodem (niet-limitatieve lijst).
Voorliggend eenheidsreglement certificeert de milieuhygiënische kwaliteit van de gerecycleerde granulaten.
De bouwtechnische eisen maken geen onderdeel uit van de certificering onder het eenheidsreglement. Wel moet er om in aanmerking te kunnen komen voor certificatie onder het eenheidsreglement tevens voldaan zijn aan de bouwtechnische eisen van volgende documenten, al naargelang de toepassing:
de geharmoniseerde Europese normen zoals NBN EN 13242, NBN EN 12620,...;
de standaardbestekken gepubliceerd door het Vlaams Gewest (SB 250 voor de Wegenbouw, SB 230 voor de Waterbouwkundige werken,...);
technische voorschriften gepubliceerd door het OCW, WTCB,...;
andere technische voorschriften.
Voor gerecycleerde granulaten waarvoor een geharmoniseerde EN-norm van toepassing is, wordt het certificaat pas uitgereikt nadat de producent voldaan heeft aan alle reglementaire bepalingen van de CE-markering niveau 2+.
De gerecycleerde granulaten moeten gecertificeerd worden door een certificatie-instelling volgens de regels nader bepaald in voorliggend eenheidsreglement. Het certificaat wordt afgeleverd per product en productie-eenheid.
Het eenheidsreglement is van toepassing vanaf de inwerkingtreding van het ministerieel besluit houdende de goedkeuring van het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten overeenkomstig het VLAREMA na publicatie bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.

2. Definities

Onderstaande lijst is een aanvullende lijst van definities van toepassing op het eenheidsreglement die nog niet in andere wetgeving (bijv. VLAREMA, VLAREM, Decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid,...) of in het FPC-handboek voor de bouwtechnische keuring zijn gegeven, tenzij onder dit eenheidsreglement er een andere invulling aan wordt gegeven.
aanleveringsbon: weegbon die bij de aanlevering wordt opgesteld onder voorbehoud van verdere verwerking;
certificaathouder: producent van gerecycleerde granulaten die hiervoor gecertificeerd is overeenkomstig het eenheidsreglement door een certificatie-instelling;
Certificatiereglement [product]: document dat de procedure- en beleidsregels van het [product] certificatiesysteem vastlegt;
het FPC-handboek is een systeem van productcontrole overeenkomstig EN 16236 dat er voor moet zorgen dat de op de markt gebrachte producten de opgegeven prestatiekenmerken vertonen. Het FPC-handboek geeft de methodiek die ervoor zorgt (en bewijst) dat het productieverloop onder controle is. Het omvat een permanente interne controle van de productie, uitgeoefend door de fabrikant van het product, procedures om te garanderen dat het product presteert naar de opgegeven waarden die in het initiële typeonderzoek zijn aangetoond. Het FPC-systeem dient te bestaan uit schriftelijke vastgestelde procedures (een werkhandboek) en regelmatige inspecties en proeven en/of beoordelingen, en dient de resultaten daarvan te gebruiken voor de beoordeling van inkomende grondstoffen of onderdelen, uitrusting, het productieproces en het product. Het FPC-systeem moet een voldoende niveau van vertrouwen geven en handhaven om te garanderen dat het product voldoet aan de eisen van deze Europese norm;
hoogwaardig betongranulaat: betongranulaat dat afkomstig is van het breken van betonpuin met een hoge drukweerstand afkomstig van cementbetonverhardingen, lineaire elementen en andere gelijkwaardige constructieve elementen afkomstig van gebouwen en kunstwerken;
leverancier (EN 45011/3.1): de partij tot wiens bevoegdheid het behoort te bewerkstelligen dat het product beantwoordt aan de eisen waarop de certificatie gebaseerd is;
milieuvergunningstoestand: overzicht van de juridische situatie t.o.v. de milieuvergunningsreglementering. In deze context wordt hieronder verstaan: de milieuvergunning klasse 1 en klasse 2 en de melding;
opschorting autonome levering: periode waarin de certificaathouder de betreffende producten/soorten niet meer mag leveren zonder voorafgaande toelating van de certificatie-instelling;
partij (gerecycleerd granulaat): een bepaalde hoeveelheid van een product dat gescheiden wordt opgeslagen;
productiebatch: een hoeveelheid te verwerken afvalstof (puin) die als een afgesloten geheel beschouwd moet worden. Een productiebatch wordt afgebakend binnen een bepaalde puinstroom, afkomstig van een specifiek proces of herkomst. De certificaathouder definieert in zijn technisch dossier de wijze waarop een productiebatch wordt samengesteld;
productie-uur: uur waarin de GPS van de breker een activiteit heeft gemeten zonder verplaatsing en waarbij er geen inschrijvingen zijn geweest in het onderhoudsregister (bv afstellen, mechanische controle,...);
productiedag: dag waarop er, door 1 bewerkingsinstallatie, minstens enige productie is geweest. Bij registratie van het aantal werkuren via de GPS op het webgebaseerd informatiesysteem kan een productiedag ook gedefinieerd worden als 8 werkuren binnen 5 opeenvolgende werkdagen. De certificaathouder legt in zijn technisch dossier vast op welke wijze hij een productiedag definieert,
product: in dit reglement slaat de term “product” op een gerecycleerd granulaat, gerecycleerde brokken of freesasfalt onderscheiden naar soort en kaliber en die aan de vereiste voorwaarden van dit eenheidsreglement voldoet;
productiedeel: te onderscheiden productie sinds de laatste controleproef van de overige productie; Indien geen onderscheid gemaakt kan worden, wordt de volledige voorraad bedoeld van betreffende product bedoeld;
productiedeelpartij: productiedeel van een bepaald product;
productieperiode: periode, van maximaal 28 opeenvolgende kalenderdagen, waarin er minstens enige productie is geweest;
proefmonster: hoeveelheid nodig voor de uitvoering van een proef;
puin met hoogmilieurisico-profiel (HMRP): puin waarvan er onvoldoende garanties zijn over de herkomst of de milieuhygiënische kwaliteit van het puin en waarvoor niet voldaan is aan de acceptatiecriteria om als laagmilieurisico-profiel te aanvaarden;
puin met laagmilieurisico-profiel (LMRP): Een van de stromen vermeld in artikel 7.6.1.1 van dit eenheidsreglement waarvan de herkomst is gekend en er bepaalde garanties zijn over de milieuhygiënische kwaliteit van het puin;
register van verwerkte afvalstoffen: het register dat de verwerker bijhoudt overeenkomstig artikel 7.2.1.4 van het VLAREMA;
soort: groep van zaken die zich door gemeenschappelijke kenmerken onderscheiden. Meer specifiek wordt in dit reglement door de term soort een onderscheid gemaakt tussen brekerzeefzand, zeefzand asfalt, betongranulaten, metselwerkgranulaten, menggranulaten, asfaltgranulaten (al dan niet PAK-houdend), sorteerzeefzand en sorteerzeefgranulaat;
sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval: is een vergunde inrichting voor het uitsorteren van afvalstoffen uit puin via een aparte installatie (vb. sorteerlijn) De sortering is een aparte activiteit en vindt plaats voorafgaand aan het eventuele breekproces;
sorteerinrichting-puinbreker: bedrijf waarbij het sorteren en het breken van bouwen sloopafval tot één juridische entiteit behoren. Sorteer- en breekactiviteiten moeten dan ook zodanig van elkaar gescheiden zijn dat een controle van het sorteerzeefpuin overeenkomstig het kwaliteitsborgingsysteem voor puin van sorteerinrichtingen mogelijk is. Dit moet in het werkplan gespecifieerd zijn;
vaste locatie: geografische plaats waar puin wordt aangevoerd, die door een fysische afscheiding ontoegankelijk wordt gemaakt en waar alle toegangswegen kunnen worden afgesloten met een poort. In dit reglement betreft het locaties met puinbewerkingsinstallatie;
verwerkingstoelating: een voor de certificaathouder bedoelde verwerkingstoelating van een erkende sloopbeheerorganisatie.

3. Certificatie-instelling


Art. 3.1 Mandaat
De certificatie-instelling moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
1
De certificatie-instelling is voldoende representatief voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij het gebruik van gerecycleerde granulaten. De certificatie-instelling wordt geacht hieraan te voldoen als haar structuur of haar aandeelhouderschap bestaat uit één of meer organisaties, die voldoende representatief zijn binnen de sector die bij het gebruik van gerecycleerde granulaten in het Vlaamse Gewest betrokken is.
2
De werking en de structuur van de certificatie-instelling zijn in overeenstemming met de norm NBN EN ISO/IEC 17065 en de certificatie-instelling is daartoe geaccrediteerd door BELAC of door een ander lid van de European Accreditation (EA). De accreditatie heeft betrekking op de uit te voeren activiteiten.
3
Er kan aangetoond worden dat er volledig wordt voldaan aan dit eenheidsreglement, door minstens drie producenten op te volgen gedurende één jaar. Gedurende die periode worden de producenten opgevolgd door een reeds aanvaarde certificatie-instelling.
De certificatie-instelling is ertoe gemachtigd om op te treden om het merk tegen elk misbruik door de certificaathouders te beschermen, en onrechtmatige verwijzingen naar de specificatie waarvoor de certificatie van toepassing is, tegen te gaan.

Art. 3.2 Informatieplicht
De certificatie-instelling stelt jaarlijks een overzichtstabel op van de geproduceerde hoeveelheden gerecycleerde granulaten op basis van de afleveringsbonnen. Er moet een onderverdeling gemaakt worden:
per soort geproduceerd granulaat waarbij de geproduceerde hoeveelheden hoogwaardig betongranulaat afzonderlijk worden gerapporteerd;
in gerecycleerde granulaten die geproduceerd zijn op een vaste locatie en de gerecycleerde granulaten van een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf. Bij de gerecycleerde granulaten geproduceerd door een mobiele installatie op een bouw- en sloopwerf gebeurt er een verdere onderverdeling in gebruik ter plaatse en afgevoerde hoeveelheden;
in gerecycleerde granulaten bekomen van de productie afkomstig van puin met een hoogmilieurisico-profiel en puin met een laagmilieurisico-profiel.
De certificatie-instelling stelt jaarlijks een overzichtstabel op van de geproduceerde hoeveelheden gerecycleerde granulaten die niet voldoen aan het eenheidsreglement en worden afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting.
Aan de certificatie-instelling kan ook gevraagd worden om specifieke informatie te verstrekken aan de OVAM of aan de toezichthouder.
Ieder jaar, vóór 15 maart, bezorgen de certificatie-instellingen een dergelijk overzicht van het afgelopen jaar aan de OVAM. Die lijst wordt tevens digitaal ter beschikking gesteld via de website van de certificatie-instelling.
De certificatie-instelling stelt jaarlijks een overzichtstabel op van de geaccepteerde hoeveelheden puin. Er moet een onderverdeling gemaakt worden:
per soort geaccepteerd puin (betonpuin, metselwerkpuin, mengpuin, asfaltpuin);
in puin geaccepteerd door een vaste locatie en puin geaccepteerd door een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf. Bij een bouw- en sloopwerf wordt er van uitgegaan dat de hoeveelheid geaccepteerd puin dezelfde is als de hoeveelheid geproduceerde granulaten;
in puin geaccepteerd als LMRP en puin geaccepteerd als HMRP en een verdere onderverdeling per stroom zoals vermeld in art. 7.6.1.1.
Ieder jaar, vóór 15 maart, bezorgen de certificatie-instellingen een dergelijk overzicht van het afgelopen jaar aan de OVAM. Die lijst wordt tevens digitaal ter beschikking gesteld via de website van de certificatie-instelling.
Deze info moet op vraag van OVAM ook kunnen voorgelegd worden voor een welbepaalde certificaathouder en productie-eenheid.

Art. 3.3 Beheer van het eenheidsreglement

Art. 3.3.1
De certificatie van de gerecycleerde granulaten moet overeenkomstig het eenheidsreglement gebeuren.

Art. 3.3.2
Een certificatie-instelling kan een aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor het certificeren van gerecycleerde granulaten overeenkomstig het eenheidsreglement. De aanvraag moet met een aangetekende brief verstuurd worden naar de OVAM. In de aanvraag moet ook het reglement bijgevoegd worden op basis waarvan de keuring en de certificatie zal gebeuren en waarvoor een accreditatie werd bekomen.
De OVAM doet een uitspraak en betekent die uiterlijk 90 kalenderdagen na de ontvangstdatum. De termijn wordt geschorst vanaf de verzending van de aanvraag tot aanvullingen door de OVAM. De aanvullingen worden opnieuw met aangetekende brief naar de OVAM gestuurd. De termijn begint opnieuw te lopen vanaf de datum dat de aanvullingen zijn ontvangen.
De OVAM betekent de beslissing aan de aanvrager.

Art. 3.3.3
De OVAM zorgt voor een overzicht van de certificatie-instellingen met een verwijzing of een link naar hun respectieve websites.
Wanneer de certificatie-instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 3.1 en artikel 3.2, wordt de certificatie-instelling verwijderd uit het overzicht van de certificatie-instellingen. Om terug in aanmerking te komen voor het certificeren van gerecycleerde granulaten, moet de certificatie-instelling een nieuwe aanvraag indienen overeenkomstig artikel 3.3.2.

Art. 3.3.4
In het geval een gecertifieerde mobiele installatie wordt ingezet op een gecertificeerde vaste locatie, is de gecertificeerde vaste locatie verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement en de afvoer van de gerecycleerde granulaten.

Art. 3.3.5
De OVAM richt een overlegstructuur op waarbij de verschillende betrokken partijen vertegenwoordigd zijn, namelijk:
de OVAM;
de certificatie-instellingen;
de representatieve beroepsverenigingen voor de sector.
Deze overlegstructuur adviseert de OVAM bij de opvolging van het eenheidsreglement.

Art. 3.3.6
Na advies van de overlegstructuur kan de OVAM een concrete uitwerking of interpretatie geven van de artikels van het eenheidsreglement. De certificatie-instellingen houden hiermee rekening en zorgen voor de informatiedoorstroming naar de certificaathouders.

4. Draagwijdte van het certificaat


Art. 4.1
Ieder certificaat wordt verleend per product en productie-eenheid.

Art. 4.2
Door het verlenen van het certificaat verklaart de certificatie-instelling dat de conformiteit van het gecertificeerde gerecycleerd granulaat regelmatig wordt nagegaan. Dit gebeurt op basis van de periodieke controle van de zelfcontrole van de certificaathouder, overeenkomstig de bepalingen van dit reglement.

Art. 4.3
Door het verlenen van het certificaat erkent de certificatie-instelling dat er voldoende mate van vertrouwen bestaat dat de certificaathouder in staat is om op basis van zijn zelfcontrole de conformiteit van zijn product te waarborgen.

Art. 4.4
Door het aanbrengen van het certificatielogo volgens de bepalingen van artikel 8 waarborgt de certificaathouder dat het gerecycleerd granulaat overeenkomstig is en verbindt hij er zich toe alle maatregelen te treffen opdat dit doorlopend het geval zou zijn.

Art. 4.5
Het aanbrengen van het certificatielogo ontslaat de certificaathouder niet van zijn verantwoordelijkheden en vervangt deze niet door die van de certificatie-instelling of enige ander bij de certificatie betrokken instantie.

5. Controlelaboratoria


Art. 5.1 Erkenning van de controlelaboratoria
De milieuhygiënische analyses inclusief de bepaling van asbest (in het kader van dit reglement) moeten uitgevoerd worden door een laboratorium erkend door de OVAM. Voor de PAK-spraytest, de bepaling van de fysische verontreiniging (vlottende, niet-vlottende, glas) en asbestverdacht materiaal, uitgevoerd in het kader van de zelfcontrole (zie artikel 7.6.3), is geen door OVAM erkend laboratorium vereist.

6. Vergunningen


Art. 6.1
De certificaathouder zorgt ervoor dat hij op elk moment de geldende milieuwetgeving respecteert. Dit houdt onder andere in dat hij beschikt over een goedgekeurd recent werkplan zoals bedoeld in het VLAREM.
Bij de invoering van het onderscheid HMRP-LMRP maakt de certificaathouder een voorstel voor aangepast werkplan over aan de toezichthouder met een kopie aan de certificatie-inrichting. Dit werkplan houdt rekening met het gewijzigde acceptatiebeleid en de uitkeuring van de gerecycleerde granulaten.
Indien de certificatie-instelling twijfels heeft omtrent de milieuvergunningstoestand, moet de producent de nodige bewijzen leveren dat de productielocatie beschikt over de vereiste milieuvergunning voor het produceren van gerecycleerde granulaten. Indien blijkt dat er inderdaad geen geldige milieuvergunning aanwezig is wanneer dit vereist is, neemt de certificatie-instelling volgende maatregelen ten aanzien van de certificaathouder:
de productie werd nog niet aangevat: de certificaathouder wordt er van verwittigd dat indien hij de productie aanvat zonder geldige milieuvergunning, de geproduceerde granulaten niet voldoen aan het eenheidsreglement en dus niet op markt mogen gebracht worden met certificaat.
de productie werd reeds aangevat: de certificaathouder wordt er van verwittigd dat de geproduceerde granulaten niet voldoen aan het reglement. De volledige productie moet afgevoerd worden naar een vergunde inrichting onderworpen aan het eenheidsreglement waar de gerecycleerde granulaten behandeld moeten worden in een bewerkingsinstallatie zoals vermeld in artikel 7.2.1'.
Tevens licht de certificatie-instelling de toezichthoudende overheid in over de onregelmatigheid.

7. Zelfcontrole


Art. 7.1 Algemene bepalingen
Om de continuïteit van de conformiteit van zijn product te waarborgen, is de certificaathouder ertoe gehouden op het bouw- en slooppuin, op de productie en op het afgewerkte product dat het voorwerp uitmaakt van de productcertificatie, een zelfcontrole uit te voeren volgens welbepaalde controleschema's. De resultaten van die controles worden genoteerd in werkboeken en bijgehouden in controleregisters waarvan er papieren exemplaren beschikbaar zijn.

Art. 7.2 Productie-installaties

Art. 7.2.1
De aanvrager/certificaathouder beschikt over een geschikte installatie om het aangevoerde puin te bewerken tot gerecycleerde granulaten die aan de voorwaarden van het VLAREMA voldoen. Al het puin moet bij de certificaathouder in de bewerkingsinstallatie worden behandeld.
Een bewerkingsinstallatie omvat de volgende basiselementen:
1
een geijkte weeginstallatie (tenzij anders vermeld in de milieuvergunning). Bij afvoer vanaf een bouw- of sloopwerf moet de weeginstallatie permanent aanwezig zijn tot alle gerecycleerde granulaten afgevoerd zijn;
2
een voorafzeving (niet vereist bij freesasfalt);
3
een breekinstallatie (indien van toepassing);
4
een zeefinstallatie;
5
een webgebaseerd informatiesysteem dat moet gekoppeld zijn met een GPS-volgsysteem dat autonoom en draadloos informatie doorstuurt naar een centrale server die door Vito wordt beheerd. Deze informatie dient toe te laten de positie van de installatie correct te bepalen, het al dan niet actief zijn van de installatie, de productieperiode (datum en tijdstip) na te gaan, de goede werking van het webgebaseerd informatiesysteem te valideren en frauduleuze handelingen met het systeem te detecteren. Het al dan niet actief zijn van de installatie moet op een onafhankelijke manier geregistreerd worden, zonder enige elektronische interactie met de installatie zelf. Bijkomende informatie kan via SMS berichten doorgestuurd worden en wordt vanuit het GPS-volgsysteem geüpload naar de centrale server. Eindgebruikers (de overheid, de certificatie-instellingen en de certificaathouder) hebben uitsluitend leesrechten op de centrale server waarmee ze status informatie kunnen opvragen.
De gegevens moeten bijgehouden en opgelijst worden in een centrale databank die online beschikbaar is voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.
Naargelang de aard van het aanvaarde puin worden de basiselementen van een bewerkingsinstallatie uitgebreid met de volgende voorzieningen:
voor puin dat staal bevat: een magneetafscheider;
voor puin met een beperkte hoeveelheid onzuiverheden: de nodige inrichtingen (bijv. windzifter, afzuiginstallatie, waterbak,...) om de afvalstoffen af te scheiden en op te slaan.
Deze bijkomende voorzieningen worden ingebouwd in de bewerkingsinstallatie na de voorafzeving en de eerstvolgende mechanische behandeling.
Bij een mobiele installatie moet, van zodra het certificaat toegekend is, het logo of de naam van de certificatie-instelling, gevolgd door het nummer van het certificaat, lees-en zichtbaar worden aangebracht op de installatie.
Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning moet per werf een naambord, lees- en zichtbaar vanaf de openbare weg, worden geplaatst. Minstens de volgende gegevens moeten worden vermeld:
de naam, het adres en de contactgegevens (telefoon, fax, e-mail) van de exploitant van de installatie;
het logo van de certificatie-instelling of de naam van de certificatie-instelling, gevolgd door het identificatienummer van het certificaat van de productie-eenheid. Als de productie-inrichting zich nog in de toelatingsperiode bevindt, kan na de toestemming van de certificatie-instelling worden vermeld: “In de toelatingsperiode gevolgd door het nummer van de certificaathouder”;
naam en contactgegevens van de toezichthoudende overheid;
de GPS-coördinaten.
Het naambord wordt geplaatst bij het begin van de breek- en of zeefactiviteiten en wordt verwijderd nadat alle gerecycleerde granulaten zijn verwerkt en afgevoerd.
Bij sorteerinrichting-puinbreker moeten de sorteer- en breekactiviteiten zodanig van elkaar gescheiden zijn dat een controle van het sorteerzeefpuin overeenkomstig het kwaliteitsborgingsysteem voor puin van sorteerinrichtingen mogelijk is.

Art. 7.3 Monsternemingsapparatuur en laboratorium voor zelfcontrole

Art. 7.3.1
Voor iedere vaste locatie en voor iedere bouw- of sloopwerf waar gerecycleerde granulaten worden geproduceerd, moeten altijd de volgende instrumenten voor de monsterneming ter beschikking worden gesteld van de certificatie-instelling:
een wiellader of kraan met machinist en personeel om de monsterneming uit te voeren,
spleetverdelers van de toepasselijke afmetingen voor de controle van de gerecycleerde granulaten, of bij voorkeur één spleetverdeler met regelbare openingen.

Art. 7.3.2
De controleproeven waarvoor geen door de OVAM erkend laboratorium vereist is, kunnen worden uitgevoerd in een intern laboratorium dat beschikt over voldoende mogelijkheden (stofafzuiging, trillingsvrij ...) en ruimte.

Art. 7.3.3
Ieder apparaat moet gekalibreerd of geijkt zijn volgens de geldende normering en moet worden voorzien van een unieke identificatie.

Art. 7.3.4
Voor een deel of het geheel van de proeven voor zelfcontrole mag de certificaathouder een beroep doen op een extern laboratorium dat voldoet aan de eisen van artikel 7.3.2.

Art. 7.3.5
De certificaathouder beschikt over een stofvrij lokaal voor de administratieve verwerking van de resultaten van de controles en de proeven. Dat lokaal wordt bij externe controle ter beschikking gesteld van de certificatie-instelling.

Art. 7.4 Controlepersoneel
Wanneer alle vereiste bepalingen en gegevens die in onderstaande artikels worden vermeld, ook in het FPC-handboek zijn opgenomen, wordt verwezen naar dit FPC-handboek.

Art. 7.4.1
De aanvrager/certificaathouder wijst een verantwoordelijke voor de zelfcontrole aan die:
de nodige beslissingsbevoegdheid bezit in het geheel van de interne organisatie van de productie-eenheid, om de conformiteit van de producten te waarborgen;
minstens beschikt over een getuigschrift van hoger technisch onderwijs of over passende ervaring;
zijn taak uitvoert onder het toezicht van de directieverantwoordelijke van de aanvrager/certificaathouder en die niet afhankelijk is van de verantwoordelijke voor de productie, noch van de verantwoordelijke voor de verkoop;
instaat voor de algemene organisatie, coördinatie en supervisie van de controlewerkzaamheden en voor de eerbiediging van het geheel van de reglementaire bepalingen.
De aanvrager/certificaathouder wijst een vervanger aan die over dezelfde bekwaamheden en bevoegdheden beschikt en die in staat is alle taken waar te nemen tijdens zijn afwezigheid.

Art. 7.4.2
De aanvrager/certificaathouder wijst het hoofd van het laboratorium voor de zelfcontrole en zijn plaatsvervanger aan, die op de hoogte zijn van de proeven voor zelfcontrole en van alle toepasselijke technische bepalingen en vereisten. Het hoofd van het laboratorium kan alle proeven die in de productie-eenheid uitgevoerd worden zelf interpreteren. Hij geeft de nodige instructies voor de uitvoering van de proeven in het interne of in een extern laboratorium voor zelfcontrole.

Art. 7.4.3
De aanvrager/certificaathouder verleent aan minstens twee personen de machtiging om de bezoekverslagen van de certificatie-instelling te ondertekenen.

Art. 7.4.4
Elke persoon die betrokken is bij de zelfcontrole, beschikt, in verhouding tot de aan hem toevertrouwde taken en verantwoordelijkheden, over een geschikte opleiding, over bekwaamheid en ervaring.

Art. 7.5 Technisch dossier
Wanneer alle vereiste bepalingen en gegevens die in onderstaande artikels worden vermeld, ook in het FPC-handboek zijn opgenomen, wordt verwezen naar dit FPC-handboek.

Art. 7.5.1
De certificaathouder stelt een technisch dossier op waarin alle specifieke elementen die vereist zijn in het kader van het eenheidsreglement, in het productiebeheersysteem geïntegreerd worden. Zo moeten alle organisatorische en technische maatregelen die genomen zijn om de conformiteit van zijn product te waarborgen, beschreven worden. Het technisch dossier moet beschikbaar zijn voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.

Art. 7.5.2
Het technisch dossier omvat naast een verklaring van de directie die haar kwaliteitsbeheer, doelstellingen en verbintenissen bepaalt, alle controleprocedures met betrekking tot de organisatorische structuren, de controle van de grondstoffen, de procescontroles, de productcontroles, het voorraadbeheer, en een procedure voor het beheer van niet-conforme mengsels.

Art. 7.5.3
Het technisch dossier omvat minstens de gegevens die nodig zijn voor de bouwtechnische keuring overeenkomstig het FPC-handboek. Bijkomend moeten volgende gegevens vermeld worden:
het acceptatiereglement van het aangevoerde puin;
een kopie van de grondstofverklaringen (als dat vereist is volgens het VLAREMA);
een omschrijving van de wijze waarop een productiebatch wordt samengesteld als een hoeveelheid puin die als een afgesloten geheel beschouwd moet worden (zie definitie en artikel 7.6.1.1, 1);
een omschrijving van de wijze waarop een partij wordt samengesteld (zie definitie en artikel 7.6.3.E).

Art. 7.5.4
De certificaathouder draagt er zorg voor dat het technisch dossier voortdurend de werkelijke situatie weergeeft. Alle aanpassingen moeten onmiddellijk aan de certificatie-instelling schriftelijk worden meegedeeld.

Art. 7.6 Controleschema's
De te volgen procedures moeten zowel tijdens de toelatingsperiode tot het behalen van een certificaat als tijdens de certificaatperiode gerespecteerd worden.

Art. 7.6.1 Controle aanvoer puin

Art. 7.6.1.1 Acceptatiecriteria
Vrachten puin waarvan kan uitgegaan worden dat de granulaten niet zullen voldoen aan het VLAREMA, mogen niet aanvaard worden. De certificaathouder stelt daartoe een acceptatiereglement op, waarin rekening wordt gehouden met minstens de volgende bepalingen:

1

de aard van het puin en de verontreiniging ervan. Het acceptatiereglement bevat een opsomming van de aard van het aanvaardbare puin en de aanvaardings- of weigeringscriteria waaraan het moet voldoen. De bewerkingsinstallatie moet toelaten het aanvaarde puin te bewerken tot een gerecycleerd granulaat dat voldoet aan de milieuhygiënische eisen van het VLAREMA wat de fysische verontreinigingen betreft.
Bij de acceptatie wordt een onderscheid gemaakt in puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) en puin met een laagmilieurisico-profiel (LMRP).
* Volgende afvalstromen kunnen door de certificaathouder als LMRP aanvaard worden:
puin van sorteerinrichtingen waarvan kan aangetoond worden dat het voldoet aan het kwaliteitsborgingsysteem dat ter informatie in bijlage 3 wordt gegeven. Het registratienummer van de sorteerinrichting zoals gekend bij de keuringsinstelling van de sorteerinrichting wordt vermeld op de aanleveringsbon in het register van verwerkte afvalstoffen;
puin afkomstig van selectief slopen, ontmantelen en renoveren van gebouwen aangeleverd met een voor de certificaathouder bedoelde verwerkingstoelating van een erkende sloopbeheerorganisatie. De referentie van de verwerkingstoelating wordt vermeld op de aanleveringsbon en in het register van verwerkte afvalstoffen;
puin afkomstig van infrastructuurwerken aangeleverd met een voor de certificaathouder bedoelde verwerkingstoelating van een erkende sloopbeheerorganisatie. De referentie van de verwerkingstoelating wordt vermeld op de aanleveringsbon en in het register van verwerkte afvalstoffen;
puin van productieafval (betonindustrie, baksteenindustrie,...) die technisch niet voldoen. Er is een overeenkomst tussen de producent van het productieafval en de breker waarin de kwaliteit en een inschatting van de hoeveelheid van het materiaal wordt gespecifieerd. De referentie van de overeenkomst wordt vermeld op de aanleveringsbon en in het register van verwerkte afvalstoffen;
stenen bekomen na afzeving van bodemmaterialen die voldoet aan de waarden voor het gebruik van bodemmaterialen als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII) met een verklaring van een erkende bodembeheerorganisatie of een erkende TOP/CGR, een erkende sloopbeheerorganisatie of een erkende bodemsaneringsdeskundige of erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie. De referentie van de verklaring wordt vermeld op de aanleveringsbon en in het verwerkingsregister;
puin van niet-verontreinigde natuursteenbewerking zoals bv kasseistenen, arduinstenen, boordstenen, zerken e.d. Er is een overeenkomst tussen de eigenaar van het niet-verontreinigd natuursteen en de breker waarin de kwaliteit en een inschatting van de hoeveelheid van het materiaal wordt gespecifieerd. De referentie van de overeenkomst wordt vermeld op de aanleveringsbon en in het verwerkingsregister;
gewassen/gereinigd puin afkomstig van een vergunde inrichting voor de reiniging van afvalstoffen met kwaliteitsborgingsysteem met externe certificatie conform het VLAREMA. De afleveringsbon van het reinigingscentrum toont aan dat het puin voldoet aan de eisen van het VLAREMA artikel 2.3.2.1.
In het register van verwerkte afvalstoffen wordt voor de stromen die als LMRP aanvaard zijn, een onderverdeling gemaakt op basis van bovenvermelde stromen. Asfaltpuin moet bij acceptatie bijkomend gecontroleerd worden met de PAK-spray-test.
* Puin dat in overeenstemming met de hierboven vermelde voorwaarden niet als LMRP kan aanvaard worden, moet verwerkt worden als puin met HMRP. De verwerking van het HMRP-puin gebeurt per puinstroom. Verschillende puinstromen mogen niet gemengd worden. Bij de acceptatie van het HMRP-puin wordt er bij de registratie een onderscheid gemaakt in minimaal de volgende puinstromen, namelijk:
puin van niet-selectieve sloop van gebouwen of infrastructuurwerken, zonder verwerkingstoelating van een sloopbeheerorganisatie, puin van containerparken en puin van particulieren met een vracht van max. 5 ton;
stenen bekomen bij het uitzeven van bodemmaterialen die niet voldoen aan het VLAREBO of waarvoor geen verklaring kan voorgelegd worden van een erkende bodembeheerorganisatie of een erkende TOP/CGR, een erkende sloopbeheerorganisatie of een erkende bodemsaneringsdeskundige of erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie.
* [Vanaf 1 januari 2022 mag de certificaathouder het puin dat hij als LMRP heeft geaccepteerd, niet meer als HMRP verwerken.]
Sorteerzeefpuin of puin van een sorteerinrichting die niet beschikt over een kwaliteitsborgingsysteem zoals vermeld in bijlage 3, mag niet als HMRP aanvaard worden.
De controle en uitkeuring van de geproduceerde producten (gerecycleerde granulaten) gebeurt met de frequentie van HMRP zoals vermeld in artikel 7.6.3.E en 9.3.2.E.
Bijkomend worden nog volgende puinstromen onderscheiden die per herkomst als een aparte productiebatch verwerkt moeten worden:
puin van ongekende, verdachte oorsprong;
puin van brand;
puin van saneringen;
puin van verplichte, gedwongen afvoer;
puin van landfill mining.
Zeefzand afkomstig van het afzeven van puin van sorteerinrichtingen is sorteerzeefzand en kan niet als brekerzeefzand gecertificeerd worden.
De producent kan in zijn werkplan en in zijn technisch dossier vastleggen om bepaalde puinstromen in meerdere productiebatchen op te delen.
Puin met een HMRP moet als zodanig vermeld worden in het register van verwerkte afvalstoffen. In het register van verwerkte afvalstoffen wordt voor de stromen die als LMRP respectievelijk HMRP aanvaard zijn een onderverdeling gemaakt op basis van bovenvermelde stromen.
De locatie van de productiebatchen HMRP-puin en de daaruit geproduceerde gerecycleerde granulaten op het terrein wordt aangegeven op het situatieplan dat wordt aangepast bij elke wijziging. De opslag van de partijen gerecycleerde granulaten moet zodanig gebeuren dat een uitkeuring per partij mogelijk is.
* Bij de sorteerinrichting-puinbreker wordt in het register van verwerkte afvalstoffen een onderscheid gemaakt tussen de stromen die een voorbehandeling (sortering) ondergaan en de stromen die door de breker worden aanvaard. Beide stromen worden afzonderlijk opgeslagen. Wanneer het puin verkregen na de sortering wordt gebroken moeten deze hoeveelheden ingeschreven worden in het verwerkingsregister van de puinbreker.
* Geweigerde vrachten worden eveneens geregistreerd in het register van verwerkte afvalstoffen. Voor de geweigerde vrachten aangeleverd met een verwerkingstoelating van een erkende sloopbeheerorganisatie wordt de verwijzing naar de verwerkingstoelating mee opgenomen in het register van verwerkte afvalstoffen. Bij andere vrachten die geweigerd worden, wordt een verwijzing opgenomen naar:
verklaring die verzekert dat de stenen afkomstig zijn van het afzeven van stenen van bodemmaterialen die voldoet aan de waarden voor het gebruik van bodemmaterialen als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII);
het registratienummer van de sorteerinrichting zoals gekend bij de keuringsinstelling wordt vermeld in het register van verwerkte;
de afleveringsbon van een gecertificeerde inrichting voor het reinigen/wassen van stenen die aantoont dat de stenen voldoen aan de eisen van artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA;
overeenkomst tussen de producent van het productieafval en de breker;
overeenkomst tussen de eigenaar van het niet-verontreinigd natuursteen en de breker.

2

de volgende materialen kunnen niet als LMRP of HMRP aanvaard worden en kunnen niet samen met andere materialen verwerkt worden tot gerecycleerde granulaten:
asbesthoudende materialen;
asbestvrije vezelcementmaterialen;
spoorwegballast;
cellenbeton;
vliegassen en bodemassen van verbrandingsinstallaties;
gips of met gipsafval verontreinigd sloopafval;
metaalslakken, non-ferroslakken, keramiek en porselein;
slakken die afkomstig zijn van afvalverbrandingsinstallaties;
puin dat visueel of organoleptisch verontreinigd is met asbest, teer, gevaarlijke afvalstoffen;
alle andere materialen waarvoor er volgens het VLAREMA een grondstofverklaring wordt vereist;
sorteerzeefzand;
sorteerzeefpuin en puin van sorteerinrichtingen die niet over een kwaliteitsborgingsysteem beschikken conform bijlage 3 van dit regement;
gewassen/gereinigd puin afkomstig van een vergunde inrichting voor de reiniging van afvalstoffen met kwaliteitsborgingsysteem met externe certificatie conform het VLAREMA waarbij door middel van een afleveringsbon niet kan aangetoond worden dat het puin voldoet aan de eisen van artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA.
De bovenvermelde materialen of puin waarbij een aanzienlijke hoeveelheid van de bovenvermelde materialen aanwezig is, mogen alleen worden aanvaard als de certificaathouder daarvoor specifiek vergund is en, in voorkomend geval, als de gebruikscertificaten of grondstoffenverklaringen aanwezig zijn. Ze moeten steeds afzonderlijk worden opgeslagen en verwerkt en mogen in geen geval worden vermengd met ander bouw- of slooppuin of met gerecycleerde granulaten;

3

asfalt dat bij gebruik van de PAK-spraytest een gele verkleuring vertoont mag alleen worden aanvaard als de certificaathouder hiervoor vergund is. De analyses moeten gebeuren zoals opgelegd in het VLAREMA;

4

de aanwezigheid van grond en glas moet worden beperkt overeenkomstig de richtlijnen van OVAM vermeld op de OVAM-website.
Het acceptatiereglement moet worden ondertekend door de certificaathouder of de gemachtigde werknemer van de certificaathouder.
De certificaathouder draagt er zorg voor dat zijn acceptatiereglement in overeenstemming is met de geldende milieuwetgeving.
De acceptatiecriteria van een vaste installatie moeten op elk moment zichtbaar aan de weegbrug ter inzage liggen voor de klant en moeten bij iedere offerte worden gevoegd.
Voor de verwerking van puin met een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf moet er een ondertekende verklaring zijn van de bouwheer en de opdrachtgever (producent van de afvalstof) dat geen puin van andere locaties is aangevoerd of zal aangevoerd worden.
Het acceptatiereglement van een mobiele installatie moet altijd als bijlage bij de aanleveringsbon gevoegd worden.
Voor de verwerking van puin met een mobiele installatie op een vaste locatie zijn volgende voorwaarden van toepassing:
er moet een verklaring beschikbaar zijn dat de vaste locatie volgens voorliggend eenheidsreglement gecertificeerd is;
de exploitant van de vaste inrichting is verantwoordelijk voor het acceptatiebeleid en de milieuhygiënische kwaliteit.

Art. 7.6.1.2 Acceptatieprocedure op een vaste locatie
Alleen puin dat voldoet aan de acceptatiecriteria (zie artikel 7.6.1.1) mag worden aanvaard. De certificaathouder van een vaste locatie moet daartoe minstens de volgende maatregelen nemen:

1 Controle aan de weeginstallatie

De producent onderwerpt alle vrachten aan een eerste visuele controle. Daartoe moet de verantwoordelijke van de weeginstallatie (acceptant) rechtstreeks uitzicht hebben op de lading in de vrachtwagen of moet hij beschikken over een kleurencamera die kan inzoomen.
Iedere vracht asfaltpuin en brokken asfaltpuin wordt getest met de PAK-spraytest.
Het aangevoerde puin mag geen asbestverdachte materialen bevatten. Als het aangevoerde puin toch asbestverdacht materiaal in niet-hechtgebonden vorm bevat, wordt de opdrachtgever van het transport doorverwezen naar een vergunde verwerker voor verdere reiniging of voor verwijdering. Alle gegevens over de geweigerde vracht worden geregistreerd in het weigeringsregister.
Indien na aanvaarding van het puin toch hechtgebonden asbestverdacht materiaal in het aangevoerde puin aanwezig blijkt te zijn, moet dat op deskundige wijze, door daarvoor opgeleid personeel, worden verwijderd of moet de partij in zijn geheel worden afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting. De uitgesorteerde fractie asbestverdacht materiaal moet opgeslagen worden in aangepaste verpakkingen en/of afvalcontainers en overeenkomstig de geldende wetgeving afgevoerd worden naar een daartoe vergunde inrichting.
De certificaathouder neemt de afgevoerde asbestverdachte materialen op in het afvalstoffenregister en bewaart de afschriften van de identificatieformulieren.
De certificaathouder weegt iedere vracht aangevoerd puin en identificeert de vracht door een aanleveringsbon met oplopend volgnummer. De aanleveringsbon kan een combinatie zijn van een identificatieformulier, een weegbon en soms een CMR. De aanleveringsbon vermeldt minstens alle gegevens van een identificatieformulier voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, § 2 van het VLAREMA. De aanleveringsbon vermeldt minstens de volgende gegevens:
naam en adres van de certificaathouder;
datum en uur van aanvoer;
aard van het puin als vermeld in het acceptatiereglement, en het codenummer (EURAL-code) volgens de afvalstoffenlijst (VLAREMA, bijlage 2.1),
herkomst (eenduidige bepaling door volledig adres en een onderverdeling per stroom zoals vermeld in art. 7.6.1.1);
de indeling als HMRP of LMRP;
vervoerder en inzamelaar, handelaar of makelaar (indien van toepassing) en de producent van de afvalstof;
nummerplaat van het vervoermiddel;
hoeveelheid gewogen aangevoerd puin;
bij de acceptatie van puin als LMRP: afhankelijk van de herkomst een verwijzing naar:
het referentienummer verwerkingstoelating van de erkende sloopbeheerorganisatie;
de verklaring van een erkende bodembeheerorganisatie of een erkende TOP/CGR, een erkende sloopbeheerorganisatie of een erkende bodemsaneringsdeskundige of erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie die verzekert dat de stenen afkomstig zijn van het afzeven van stenen van bodemmaterialen die voldoet aan de waarden voor het gebruik van bodemmaterialen als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII);
het registratienummer van de sorteerinrichting zoals gekend bij de keuringsinstelling wordt vermeld in het register van verwerkte afvalstoffen;
de afleveringsbon van een gecertificeerde inrichting voor het reinigen/wassen van puin die aantoont dat het puin voldoet aan de eisen van artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA;
de overeenkomst tussen de producent van het productieafval en de breker;
de overeenkomst tussen de eigenaar van het niet-verontreinigd natuursteen en de breker;
bij de acceptatie van puin met HMRP: een omschrijving van de productiebatch zoals vermeld in artikel 7.6.1.1, 1°;
handtekening van de vervoerder en van de certificaathouder of de gemachtigde werknemer van de certificaathouder.
Voor een particulier met een vracht van maximaal 5 ton (te accepteren als HMRP) mogen de gegevens van de aanleveringsbon beperkt worden tot de gegevens vermeldt van een identificatieformulier voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, § 2, van het VLAREMA.
De aanleveringsbonnen worden in tweevoud opgemaakt. Het eerste exemplaar is bestemd voor de producent van de afvalstof, het tweede wordt door de certificaathouder bijgehouden.
Deze bonnen mogen ook elektronisch bewaard worden voor zover ze op eenvoudige vraag kunnen afgedrukt worden.

2 Controle bij het lossen

Na het lossen van de vracht op de stockageplaats wordt een tweede visuele controle uitgevoerd. De wielladermachinist staat in contact met de verantwoordelijke van de weeginstallatie en controleert consequent elke vracht als het puin gelost wordt op de daartoe vastgelegde plaats op de voorraad.
De acceptatie gebeurt overeenkomstig artikel 7.6.1.1 en wordt beschreven in het FPC-handboek van de inrichting. Deze controle laat toe na te gaan wie niet-conform materiaal heeft aangevoerd en te bepalen of de vracht moet geweigerd worden. Via een visuele controle wordt nagegaan of de vracht voldoet aan de acceptatiecriteria. De opmerkingen uit deze bijkomende controle evenals de handelingen die daaruit voortvloeien, worden geregistreerd in overeenstemming met artikel 7.2.1.4 van het VLAREMA.
Er moet steeds een personeelslid aanwezig zijn dat voldoende geschoold is om asbest te herkennen.
Bij een sorteerinrichting-breker wordt het puin aanvaard door de sorteerinrichting apart gestockeerd en voorbehandeld (gesorteerd).

3 Steekproefsgewijze controles

In functie van de herkomst, de vertrouwensrelatie met de klant, de aangeleverde hoeveelheden,... voert de certificaathouder een intensief onderzoek uit: de vracht uitspreiden tot een monolaag en extra visuele controle. Deze handelingen worden geregistreerd in overeenstemming met artikel 7.2.1.4 van het VLAREMA.

4 Opleidingen

De verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant en de verantwoordelijke van de weeginstallatie (acceptant) zijn voldoende geschoold om asbest te herkennen. Het personeel op de stockageplaats (machinisten en supervisor) volgt een praktische opleiding. Minstens één keer per jaar moet intern een check-up van de kennis plaatsvinden. Die kan worden gedaan door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole.

5 Registraties

De certificaathouder registreert alle aangevoerde vrachten als LMRP-puin of HMRP-puin in het register van verwerkte afvalstoffen waarbij hij bijkomend een onderscheid maakt in de herkomststromen zoals vermeld in art. 7.6.1.1, 1°.
De registers vermelden minstens alle gegevens van een identificatieformulier voor niet-gevaarlijke afvalstoffen zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, § 2, van het VLAREMA, en, indien van toepassing en afhankelijk van de herkomst, een verwijzing naar:
referentienummer verwerkingstoelating van de erkende sloopbeheerorganisatie;
verklaring die verzekert dat de stenen afkomstig zijn van het afzeven van stenen van bodemmaterialen die voldoet aan de waarden voor het gebruik van bodemmaterialen als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII);
het registratienummer van de sorteerinrichting zoals gekend bij de keuringsinstelling wordt vermeld in het register van verwerkte;
de afleveringsbon van een gecertificeerde inrichting voor het reinigen/wassen van stenen die aantoont dat de stenen voldoen aan de eisen van artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA;
overeenkomst tussen de producent van het productieafval en de breker;
overeenkomst tussen de eigenaar van het niet-verontreinigd natuursteen en de breker;
Geweigerde vrachten vermeldt de certificaathouder eveneens in het register van verwerkte afvalstoffen met de reden van de weigering. Ook andere vaststellingen registreert de certificaathouder overeenkomstig artikel 7.2.1.4 van het VLAREMA mee in het register van verwerkte afvalstoffen.

Art. 7.6.1.3 Acceptatieprocedure van een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf
Op de bouw- of sloopwerf mag in geen geval puin aangevoerd worden van een andere locatie dan van de betreffende werf. Alleen puin dat voldoet aan de acceptatiecriteria (zie artikel 7.6.1.1), mag worden aanvaard. De certificaathouder van een mobiele installatie moet hiertoe minstens de volgende maatregelen nemen:

1 Acceptatie bij aanvang van de breek-/zeefcampagne

Bij aanvang van de breek-/zeefcampagne worden alle voorraden puin onderworpen aan een eerste visuele controle door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant of de acceptant.
Iedere voorraad asfaltpuin wordt getest met de PAK-spraytest.
Indien na de acceptatie bij aanvang van de breek-/zeefcampagne blijkt dat het puin toch asbestverdacht materiaal in niet-hechtgebonden vorm bevat, wordt de opdracht alsnog geweigerd. De opdrachtgever wordt doorverwezen naar een vergunde verwerker voor verdere reiniging of voor verwijdering. Alle gegevens over de geweigerde voorraad worden geregistreerd in het weigeringsregister.
Indien na de acceptatie bij aanvang van de breek-/zeefcampagne blijkt dat toch hechtgebonden asbestverdacht materiaal in het puin aanwezig is, moet dat op deskundige wijze, door daarvoor opgeleid personeel, worden verwijderd of moet de partij in zijn geheel worden afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting. De verwijdering van het hechtgebonden asbesthoudend materiaal kan alleen gebeuren op voorwaarde dat alle ter zake geldende wetgeving wordt nageleefd (o.a. de arbeidsbescherming, milieuwetgeving,...). De uitgesorteerde fractie asbestverdacht materiaal moet overeenkomstig de geldende wetgeving opgeslagen worden en afgevoerd worden naar een daartoe vergunde inrichting. De afgevoerde asbestverdachte materialen worden opgenomen in het afvalstoffenregister. De afschriften van de stortbonnen worden bewaard.
Voor iedere voorraad puin die geaccepteerd is, wordt een overeenkomst opgemaakt, waarop minstens de volgende gegevens vermeld staan:
naam en adres van de certificaathouder van de mobiele installatie;
naam en adres van de producent van de afvalstof (opdrachtgever);
naam en adres van de bouwheer;
wanneer het puin als LMRP verwerkt wordt: referentienummer verwerkingstoelating van de erkende sloopbeheerorganisatie of de verklaring die verzekert dat de stenen afkomstig zijn van het afzeven van stenen van bodemmaterialen die voldoet aan de waarden voor het gebruik van bodemmaterialen als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII);
identificatie van de bouw- of sloopwerf;
datum van de eerste visuele controle door de certificaathouder van de mobiele installatie;
aard van het puin als vermeld in het aanvaardingsplan, en het codenummer (EURAL-code) volgens de afvalstoffenlijst (VLAREMA);
de geschatte hoeveelheid puin die verwerkt zal worden, met vermelding van de hoeveelheid die ter plaatse zal worden gebruikt, en de hoeveelheid (raming) die door de mobiele breker zal worden afgevoerd;
de vermelding dat alleen puin van de betreffende werf aanwezig is (geen aanvoer toegelaten);
een opsomming van de te produceren producten (soort en kaliber) en de toepassing ervan;
de clausule dat de certificaathouder van de mobiele installatie en de certificatie-instelling toegang hebben tot de bouw- of sloopwerf vanaf het opmaken van de overeenkomst tot het tijdstip waarop alle gerecycleerde granulaten verwerkt of afgevoerd zijn;
de handtekening van de certificaathouder van de mobiele installatie (of van de gemachtigde werknemer van de certificaathouder) en van de opdrachtgever;
de vermelding of het puin afkomstig is van selectieve sloop (verklaring van selectieve sloop of sloopinventaris moet bijgevoegd worden).
Bij de overeenkomst worden een exemplaar van het acceptatiereglement en, als dat van toepassing is overeenkomstig VLAREM, een kopie van de milieuvergunning gevoegd. Voor de bouw- of sloopwerf worden uittreksels uit het bijzonder bestek (als dat aanwezig is) over de oorsprong en de hoeveelheid puin bijgevoegd.
Het geaccepteerde puin bevat geen onzuiverheden die niet door de bewerkingsinstallatie kunnen worden verwijderd of die de kwaliteit van de te produceren gerecycleerde granulaten nadelig kunnen beïnvloeden.
De overeenkomst wordt in tweevoud opgemaakt. Het eerste exemplaar is bestemd voor de opdrachtgever. Het tweede wordt door de certificaathouder bewaard.

2 Extra steekproefsgewijze controles

Steekproefsgewijs wordt op een aantal plaatsen een gedeelte van de voorraad puin uitgespreid tot een monolaag, en er wordt een intensieve organoleptische controle uitgevoerd. De controle wordt uitgevoerd door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant of de acceptant.
Deze extra steekproefsgewijze controle mag ook worden uitgevoerd tijdens de voorafgaande acceptatie.

3 Acceptatie tijdens het breken/zeven

Tijdens het laden van het puin in de bunker van de breker/zeefinstallatie voert de kraanmachinist permanent een visuele controle uit. In geval van twijfel over de aangetroffen verontreinigingen verwittigt hij de verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant of de acceptant.
Tijdens het breekproces moet steeds een personeelslid aanwezig zijn dat voldoende geschoold is om asbest te herkennen.

4 Opleidingen

De verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant en de acceptant zijn voldoende geschoold om asbest te herkennen. Het personeel op de stockageplaats (machinisten en supervisor) volgt een praktische opleiding. Minstens één keer per jaar moet intern een check-up van de kennis plaatsvinden. Die kan worden gedaan door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole.

5 Registraties

De certificaathouder registreert alle aanvaarde opdrachten als LMRP-puin of HMRP-puin in het register van verwerkte afvalstoffen waarbij bijkomend een onderscheid gemaakt wordt in de herkomststromen zoals vermeld in artikel 7.6.1.1, 1°.
De registers vermelden minstens alle gegevens van een identificatieformulier voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, § 2, van het VLAREMA en, indien van toepassing en afhankelijk van de herkomst, een verwijzing naar: het referentienummer verwerkingstoelating van de erkende sloopbeheerorganisatie.
De verklaring die verzekert dat de stenen afkomstig zijn van het afzeven van stenen van bodemmaterialen die voldoen aan de waarden voor het gebruik van bodemmaterialen als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII).
Geweigerde opdrachten worden in het weigeringsregister vermeld met de reden van de weigering. Andere vaststellingen moeten overeenkomstig artikel 7.2.1.4, 7°, van het VLAREMA mee in het register van verwerkte afvalstoffen geregistreerd worden.

Art. 7.6.2 Controle van de fabricage en afvalstoffen
De certificaathouder legt een controleplan voor waarin de parameters opgesomd worden die een invloed kunnen hebben op de kenmerken van de gerecycleerde granulaten, en die tijdens het bewerkingsproces gecontroleerd worden.
De bewerkingsinstallatie wordt zodanig onderhouden dat de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten gewaarborgd wordt. Een afschrift van de onderhouds- en de herstellingsverslagen wordt bijgehouden in het register van het onderhoud.
Al het puin moet bij de certificaathouder behandeld worden in een bewerkingsinstallatie zoals vermeld in artikel 7.2.1. De voorafzeving is verplicht.
Het brekerzeefzand en/of sorteerzeefzand wordt afzonderlijk opgeslagen en met een naamplaat op de opslagplaats aangegeven.
Afvalstoffen die uit de materiaalstroom worden afgescheiden, worden zodanig opgeslagen dat geen vervuiling of verontreiniging van de omgeving plaatsvindt. Dit geldt ook voor de niet-steenachtige en de organische restfracties.
Als het een bouw- of sloopwerf betreft, is de producent van de afvalstof (opdrachtgever) verantwoordelijk voor de regelmatige afvoer van de afvalstoffen verkregen bij het verwerken van het puin. De hoeveelheid afvalstoffen en de aard ervan wordt geregistreerd in het afvalstoffenregister.
Bij een vaste locatie moeten de vergunde opslaghoeveelheden steeds gerespecteerd worden. Het puin met HMRP moet op regelmatige basis verwerkt worden.
Bodemmaterialen (uitgegraven bodem (afgezeefde grond), e.a.) moeten worden afgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het VLAREBO.
Bij granulaten die vrijgekomen zijn bij het recycleren van (onder)funderingen en bij freesasfalt, is breken niet noodzakelijk en kan een kalibratie door afzeving als bewerking van het puin volstaan om de granulaten overeenkomstig dit eenheidsreglement in te zetten als grondstof.
Als het een vaste locatie betreft, is de certificaathouder van de vaste locatie verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement en de afvoer van de gerecycleerde granulaten.

Art. 7.6.3 Controle van de gerecycleerde granulaten
De uitgevoerde controles en laboratoriumproeven garanderen dat de gerecycleerde granulaten voldoen aan de geldende milieuhygiënische eisen. Zoals vermeld in artikel 1 moet ook aan de bouwtechnische eisen voldaan worden vooraleer de gerecycleerde granulaten op de markt gebracht kunnen worden.
De certificaathouder legt de methode van monsternemingen procedureel vast. De monsterneming gebeurt overeenkomstig de methoden opgenomen in het Compendium voor Monsterneming en Analyse.
De meetgegevens en de proefresultaten worden uiterlijk tien werkdagen na de monsterneming ingeschreven of bewaard in het laboratoriumwerkboek en in het beproevingsregister.
De certificaathouder voert op de gerecycleerde granulaten per bewerkingsinstallatie minstens de volgende controles uit, die deel uitmaken van een opgelegd beproevingsplan.
Bij de controle van de gerecycleerde granulaten wordt er een onderscheid gemaakt tussen de controles op de verwerking van LMRP (art. 7.6.3.A, art. 7.6.3.B, art. 7.6.3.C en art. 7.6.3.D) en de controles op de verwerking van HMRP (art. 7.6.3.E).
Sorteerzeefzand is steeds HMRP. De verwerking gebeurt met de frequentie van HMRP zoals vermeld in art. 7.6.3.E.

Art. 7.6.3.A Controle van de fysische verontreiniging
parameter:
methode:
Frequentie voor LMRP
vlottende en niet- vlottende verontreinigingen en glas (1)
CMA
per soort: minstens één per vijf productiedagen
productie op vaste locatie
 –  minstens één per productieperiode
Productie op bouw- sloopwerf
 –  minstens één per bouw- of sloopwerf
(1)
De proef wordt uitgevoerd op de eerste productiedag van iedere productieperiode (periode van maximaal 28 opeenvolgende kalenderdagen, vakantieperiodes niet meegerekend, waarin er minstens enige productie is geweest). Na aanpassing van de installatie moet altijd onmiddellijk een nieuwe proef op een nieuw monster uitgevoerd worden.
De proeven moeten alleen uitgevoerd worden in geval van productie in de betreffende productieperiode.
De certificaathouder streeft naar een volledige verwijdering van de fysische verontreiniging inclusief glas en alle materialen die worden vermeld in het eenheidsreglement artikel 7.6.1.1 punt 2.

Conformiteitscontroles
Vlottende en niet-vlottende verontreinigingen en glas
vlottende verontreiniging:
dwingende waarde 5 cm3/kg droge stof, uitgezonderd voor sorteer- en brekerzeefzand geldt streefwaarde 5 cm3/kg droge stof en dwingende waarde 7,5 cm3/kg droge stof;
niet-vlottende verontreinigingen:
dwingende waarde 1,0 % (m/m);
glas:
dwingende waarde 2,0 % (m/m).
Overschrijdingen van de streefwaarde worden vermeld in het beproevingsregister en gerapporteerd aan de certificatie-instelling.
Bij overschrijding van de dwingende waarde en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het register van verwerkte afvalstoffen. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding van de dwingende waarde gaat de certificaathouder over tot ofwel afkeuring van de betreffende productiedeelpartij ofwel tot een nieuwe monsterneming. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend.
Bij overschrijding gaat de certificaathouder over tot afkeuring van de betreffende productiedeelpartij. Voor productiedeelpartijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten. In geen geval mag het betreffende productiedeel nog worden verwerkt samen met ander zand, puin of gerecycleerd granulaat. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten. De certificaathouder brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.
Bij niet conform resultaat wordt de daaropvolgende productiedeelpartij eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat.
De certificaathouder houdt een overzicht bij van de resultaten van de uitgevoerde proeven (eerste proef en eventuele tegenproef) van de vlottende en niet-vlottende verontreinigingen en stelt ze ter beschikking van de certificatie-instelling.

Art. 7.6.3.B Toetsing van de gebruiksmogelijkheden van asfalt als bouwstof
parameter:
methode:
Frequentie voor LMRP
PAK-gehalte bij asfaltgranulaat (1)
PAK-spraytest
zie bijlage 1
per product: voor gebroken asfaltpuin en freesasfalt: minstens één per vijf productiedagen
productie op vaste locatie
 –  minstens één per productieperiode productie op bouw- en sloopwerf
 –  minstens één per bouw- of sloopwerf
PAK-gehalte bij brekerzand van asfalt of brekerzeefzand, afkomstig van asfalt (1)
CMA
Zelfde frequentie als de frequentie van de chemische verontreiniging bij zeefzanden (artikel 7.6.3.D)
(1)
De proef wordt uitgevoerd op de eerste productiedag van iedere productieperiode (periode van maximaal 28 opeenvolgende kalenderdagen, vakantieperiodes niet meegerekend, waarin er minstens enige productie is geweest). Na aanpassing van de installatie moet altijd onmiddellijk een nieuwe proef op een nieuw monster uitgevoerd worden.
De proeven moeten alleen uitgevoerd worden in geval van productie in de betreffende productieperiode.
De proefmethode voor PAK-gehalte in asfaltgranulaat wordt beschreven in bijlage 1.

Conformiteitscontrole
Indien meer dan 5 %m/m van de stenen op het totale analysemonster aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, wordt het analysemonster als mogelijk PAK-houdend beschouwd. Wanneer tussen de 5 %m/m en 25 %m/m van de stenen op het totale analysemonster aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, moet de proef op een tegenstaal uitgevoerd worden. Wanneer meer dan 25 %m/m van de stenen aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, wordt de partij als PAK-houdend beschouwd.
De tegenproef bestaat uit een chemische analyse op PAK via GC-MS zoals bepaald in het VLAREMA. Asfalt is PAK-houdend wanneer de norm voor een van de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in bijlage 2.3.2.A van het VLAREMA wordt overschreden.
PAK-houdend asfalt moet verwerkt worden overeenkomstig de bepalingen van het VLAREMA.

Art. 7.6.3.C Controle op de aanwezigheid van asbest
parameter
methode
Frequentie voor LMRP
aanwezigheid asbestverdacht materiaal
20 kg-methode of de 80 liter-methode (1)
per soort
productie op vaste locatie
 –  minstens één per vijf productiedagen
 –  minstens één per productieperiode productie op bouw- en sloopwerf
 –  minstens één per vijf productiedagen
 –  minstens één per bouw- of sloopwerf (3)
gehalte aan asbestvezels
CMA (2)
Als bij de toetsing bij de interne controle de normwaarde voor asbest wordt overschreden (1) (3)
(1)
zie verder in de tekst
(2)
analyse die wordt uitgevoerd door een door de OVAM erkend laboratorium
(3)
De certificaathouder kan de controles ook per partij uitvoeren. In dat geval legt hij de grootte van een partij vast (maximaal 1000 m3). De verschillende uit te keuren en uitgekeurde partijen moeten gescheiden worden opgeslagen. Levering van een partij is pas mogelijk na conforme resultaten.
De certificaathouder streeft naar een volledige verwijdering van asbestverdachte materialen.

Conformiteitscontrole
Aanwezigheid asbestverdacht materiaal
Om asbest te bepalen in asbestverdachte materialen moet een laboratorium over een veilige arbeidsruimte, gespecialiseerde apparatuur en opgeleid personeel beschikken. Met dat gespecialiseerde materiaal kan het laboratorium bepalen of de vezels van het gevonden asbestverdacht materiaal effectief asbestvezels zijn.
Aangezien een productie-inrichting doorgaans niet beschikt over dat gespecialiseerde materiaal, kan ze alleen een schatting doen over de totale hoeveelheid asbestverdachte materiaal. Voor de toetsing aan de asbestnormwaarde wordt bij de interne controle nagegaan of de hoeveelheid vezels (asbestvezels en andere vezels) lager ligt dan die van de normwaarde voor asbest van 100 mg/kg ds.
De monsterneming moet uitgevoerd worden volgens gebruikelijke monsternemingsprocedures (CMA) om een representatief mengmonster te verkrijgen.
De certificaathouder heeft de keuze tussen twee analysemethodes: de 20 kg-methode of de 80 liter-methode.
De analysemethodes worden beschreven in bijlage 2. Wanneer de certificaathouder voor het uitvoeren van deze proef beroep doet op een extern labo, moet dit labo ook werken volgens de beschreven methode.
Als bij de interne controle die uitgevoerd wordt op de wijze, zoals vermeld in de procedure in bijlage 2, de normwaarde voor asbest wordt overschreden, moet het gehalte aan asbest worden bepaald volgens CMA.
De levering van de betreffende voorraad (productie sinds laatste visuele controleproef) wordt opgeschort.
De certificaathouder voert een uitgebreide visuele controle uit op alle andere voorraden puin en gerecycleerde granulaten van dezelfde soort. Daartoe worden onder andere gedeelten van de voorraad met een kraan of wiellader uitgespreid. De certificaathouder neemt ook voor die voorraden de nodige maatregelen om te voorkomen dat er gerecycleerde granulaten met overschrijding van het asbestgehalte worden geleverd.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het register van verwerkte afvalstoffen. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie gaat de certificaathouder over tot ofwel de afkeuring van de betreffende productiedeelpartij (*) ofwel tot een nieuwe monsterneming om het gehalte asbest van de betreffende voorraad te bepalen. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend.
(*) Optitioneel: De betreffende productiedeelpartij kan eventueel worden opgedeeld in verschillende deelpartijen (met een maximumgrootte van 1000m3), volgens een vooraf opgemaakt plan met aanduiding van de verschillende deelpartijen. De deelpartijen moeten gescheiden worden opgeslagen. Op iedere deelpartij afzonderlijk moet dan een asbestanalyse worden uitgevoerd.
Voor de productiedeelpartijen of deelpartijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten. In geen geval mag de betreffende productiedeelpartij of deelpartijen nog worden verwerkt samen met andere puin of gerecycleerd granulaat.
De certificaathouder brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.
Bij niet conform resultaat wordt de daaropvolgende productiedeelpartij eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat.

Art. 7.6.3.D Controle van de chemische verontreiniging
De controle gebeurt overeenkomstig artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA.
De parameterlijst kan beperkt worden tot:
zware metalen;
minerale olie (niet voor asfaltgranulaat en brekerzand van asfalt en brekerzeefzand van asfalt);
PAK.
In afwijking van artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA kan bij de bepaling van de uitloogbaarheid voor zeefzand gebruik gemaakt worden van de methode en normwaarden uit bijlage VII van het VLAREBO.
Het laboratorium dat de analyses uitvoert, bezorgt een exemplaar van ieder verslag rechtstreeks aan de certificatie-instelling en de certificaathouder.
De volgende frequentie van monsterneming en analyse bij LMRP moet gevolgd worden.

brekerzeefzand
 
Gevolg/frequentie voor LMRP
Basisfrequentie
één per 5.000 ton
drie opeenvolgende conforme resultaten bij een frequentie van één per 5.000 ton
één per 10.000 ton
één niet conform resultaat bij de frequentie van één per 10.000 ton
één per 5.000 ton
drie opeenvolgende conforme resultaten bij een frequentie van één per 10.000 ton
twee per jaar (1)
één niet conform resultaat bij de frequentie van twee per jaar
één per 5.000 ton (basisfrequentie)
(1)
In geval de jaarlijkse productie kleiner is dan 10.000 ton volstaat één analyse per jaar

granulaten (per soort):
 
Gevolg/frequentie voor LMRP
Basisfrequentie
één per 15.000 ton
drie opeenvolgende conforme resultaten bij een frequentie van één per 15.000 ton
één per 25.000 ton
één niet conform resultaat bij de frequentie van één per 25.000 ton
één per 15.000 ton
drie opeenvolgende conforme resultaten bij een frequentie van één per 25.000 ton
twee per jaar (1)
één niet conform resultaat bij de frequentie van twee per jaar
één per 15.000 ton (basisfrequentie)
(1)
In geval de jaarlijkse productie kleiner is dan 15.000 ton volstaat één analyse per jaar
Voor de productie op bouw- en sloopwerven wordt eenzelfde frequentie genomen.
Voor de bepaling van deze frequentie komt de productie van een mobiele installatie op een vaste locatie niet in aanmerking.
De resultaten van de externe controle moeten mee in rekening gebracht worden voor de bepaling van de frequentie van de zelfcontrole.

Conformiteitscontrole
Bij overschrijding en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het register van verwerkte afvalstoffen. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding gaat de certificaathouder over tot ofwel de afkeuring van de betreffende productiedeelpartij (*) ofwel wordt onmiddellijk een nieuwe monsterneming uitgevoerd. De tegenproef wordt uitgevoerd in een ander laboratorium uitgevoerd op het tweede monster. De levering van de betreffende productiedeelpartij wordt opgeschort. De bepaling van de uitloogbaarheid gebeurt overeenkomstig artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA.
Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend.
Bij overschrijding gaat de certificaathouder over tot afkeuring (*) van de betreffende productiedeelpartij.
(*) Optioneel: De betreffende productiedeelpartij kan eventueel worden opgedeeld in verschillende deelpartijen (met een maximumgrootte van 1000 m3), volgens een vooraf opgemaakt plan met aanduiding van de verschillende deelpartijen. De deelpartijen moeten gescheiden worden opgeslagen. Op iedere deelpartij afzonderlijk moet dan een analyse worden uitgevoerd.
Voor de deelpartijen of productiedeelpartijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten.
In geen geval mag het betreffende productiedeel nog worden verwerkt samen met ander zand, puin of gerecycleerd granulaat. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.
De certificaathouder brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.
Bij niet conform resultaat wordt de daaropvolgende productiedeelpartij eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat. De controlefrequentie wordt aangepast (zie tabel).

Art. 7.6.3.E Controle op de verwerking per productiebatch (HMRP)
Producten die geproduceerd zijn met puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP), moeten verwerkt worden per puinstroom zoals bepaald in artikel 7.6.1.1, 1°.

Zeefzanden
Alle controles, vermeld in artikel 7.6.3.A, B (indien van toepassing), C en D, worden uitgevoerd per partij. De maximale partijgrootte is 500 m3. De verkorte parameterlijst, vermeld in artikel 7.6.3.D, geldt niet voor producten die geproduceerd zijn met puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP).

Granulaten
Alle controles, vermeld in artikel 7.6.3.A, B (indien van toepassing) en C, worden uitgevoerd per partij. De maximale partijgrootte is 1000 m3. De controles, vermeld in artikel 7.6.3.D, worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van dat artikel. De verkorte parameterlijst, vermeld in artikel 7.6.3.D, geldt niet voor producten die geproduceerd zijn met puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP).

Conformiteitscontrole
Bij overschrijding en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het register van verwerkte afvalstoffen. Bij overschrijding gaat de certificaathouder over tot ofwel de afkeuring van de betreffende partij ofwel wordt onmiddellijk een nieuwe monsterneming uitgevoerd. De levering van de betreffende partij wordt opgeschort.
De bepaling van de uitloogbaarheid gebeurt overeenkomstig artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend.
Bij overschrijding gaat de certificaathouder over tot afkeuring van de betreffende partij.
Voor de partijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten.
De certificaathouder brengt de certificatie-instelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.
Een partij voortkomend uit de verwerking van HMRP-puin kan pas worden afgevoerd als alle resultaten conform zijn.

Art. 7.6.4 Voorraadbeheer

Art. 7.6.4.1
Het aanvaarde puin wordt per soort opgeslagen en iedere soort wordt op de opslagplaats voorzien van een naamplaat.
Puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP) wordt per productiebatch apart opgeslagen.
Bij sorteerinrichting-puinbreker wordt het uit te sorteren puin, het sorteerzeefzand en eventueel de sorteerzeefgranulaten en het sorteerzeefpuin gescheiden opgeslagen van de fracties van de breker, zijnde het te breken HMRP-puin en LMRP-puin en de verschillende partijen gerecycleerde granulaten.

Art. 7.6.4.2
De gerecycleerde granulaten worden per product gescheiden opgeslagen, benoemd en met een naamplaat op de opslagplaats aangegeven.
Ieder product op voorraad wordt zodanig opgeslagen dat vermenging of verontreiniging wordt vermeden. Als tussen de voorraadhopen onvoldoende ruimte is, moeten de voorraadhopen gescheiden worden door wanden.
Afvalstoffen die uit de materiaalstroom worden afgescheiden, en bodemmaterialen (zoals gedefinieerd in het VLAREBO) moeten apart worden opgeslagen en moeten duidelijk geïdentificeerd zijn. Afvalstoffen die uit de materiaalstroom worden afgescheiden, worden zodanig opgeslagen dat geen vervuiling of verontreiniging van de omgeving plaatsvindt. Dit geldt ook voor de niet-steenachtige en de organische restfracties.
De goedgekeurde producten worden duidelijk onderscheiden van de twijfelachtige of de afgekeurde producten opgeslagen.
De certificaathouder maakt een situatieplan op waarop alle opslagplaatsen worden aangegeven.
Het LMRP-puin wordt gescheiden opgeslagen en verwerkt van het HMRP-puin. De gerecycleerde granulaten bekomen van de verschillende productiebatchen HMRP worden afzonderlijk per partij uitgekeurd en opgeslagen.De gerecycleerde granulaten bekomen na bewerking van HMRP-puin moeten steeds gescheiden opgeslagen worden van de gerecycleerde granulaten bekomen van de verwerking van LMRP-puin.

Art. 7.6.4.3
De certificaathouder maakt een massabalans op van de geaccepteerde hoeveelheid puin met LMRP, respectievelijk HMRP en de gecertificeerde hoeveelheid gerecycleerde granulaten na verwerking van deze stromen.

Art. 7.6.5 Afvoer van de gerecycleerde granulaten
De certificaathouder houdt een register bij van de geproduceerde producten overeenkomstig artikel 7.2.2.2 van het VLAREMA.
Geproduceerde producten die niet voldoen (afgekeurde producten) of niet als grondstof op de markt gebracht worden moeten in het register van verwerkte afvalstoffen opgenomen worden. In het register moet eenduidig vermeld worden naar waar deze producten/afvalstoffen worden afgevoerd met een duidelijke vermelding van de verwerkings- of toepassingswijze.

Art. 7.6.5.1 Opmaak en inhoud van de afleveringsbons door een vaste locatie
Bij afvoer wordt per vracht een afleveringsbon met oplopend volgnummer, in drievoud, opgemaakt. Het originele exemplaar is bestemd voor de bouwheer. Een duplicaat is bestemd voor de vervoerder/klant. Het derde duplicaat wordt door de certificaathouder bijgehouden. Het originele exemplaar, bestemd voor de bouwheer, moet duidelijk onderscheiden zijn van de duplicaten.
De naleving van dit reglement en de afvoer van gerecycleerde granulaten geproduceerd door een mobiele installatie gebeurt onder verantwoordelijkheid van de certificaathouder van de vaste locatie.
Op de afleveringsbons moeten minstens de volgende gegevens worden vermeld:
naam en adres van de vaste locatie;
de benaming en de toepassing van het product en het gebruik van het certificatielogo volgens artikel 8;
datum en uur van afvoer;
de hoeveelheid (ton) gerecycleerde granulaten per vracht;
een nauwkeurige omschrijving van de bestemming (eenduidige bepaling door volledig adres of besteknummer);
de vervoerder
de klant (bouwheer of opdrachtgever);
de nummerplaat van het vervoermiddel;
de handtekening van de certificaathouder (of van de gemachtigde werknemer van de certificaathouder) en van de vervoerder. Eventueel kan de materiaalcode zoals vermeld in artikel 7.2.2.1 van het VLAREMA ook al op de afleveringsbon vermeld worden.

Art. 7.6.5.2 Opmaak en inhoud van de afleveringsbons bij afvoer vanaf of gebruik ter plaatse op een bouw- of sloopwerf
In geval van verwerking van LMRP-puin met verwerkingsattest van een erkende sloopbeheerorganisatie moet op de afleveringsbon expliciet de referentie van de verwerkingstoelating van de sloopbeheerorganisatie worden gegeven. In geval van verwerking van LMRP-puin met de verklaring die verzekert dat de stenen afkomstig zijn van het afzeven van stenen van bodemmaterialen die voldoet aan de waarden voor het gebruik van bodemmaterialen als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product (VLAREBO-bijlage VI en VII); moet op de afleveringsbon expliciet de referentie van de verklaring worden gegeven.
In geval van verwerking van HMRP-puin kan pas een afleveringsbon afgeleverd worden na het uitvoeren van de controleproeven door de certificatie-instelling (externe controle) en na conforme resultaten.
Er mag geen afvoer van gerecycleerde granulaten gebeuren door een ander partij dan de certificaathouder van de mobiele installatie. Na het beëindigen van de activiteiten van de certificaathouder van een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf moet de certificaathouder van de mobiele installatie de evaluatie maken of er nog meer gerecycleerd granulaat op voorraad is dan het gebruik op de werf toelaat. De evaluatie betreffende de hoeveelheid voorraad is gebaseerd op de hoeveelheden vermeld op de aanvaardingsovereenkomst (art. 7.6.1.3) en de afleveringsbonnen (zie hieronder). Wanneer er meer gerecycleerd granulaat op voorraad is dan het gebruik op de werf toelaat, meldt de certificaathouder van de mobiele installatie dit aan de certificatie-instelling
Bij gebruik op de bouw- of sloopwerf moet per product één bon afgeleverd worden voor de hoeveelheid die ter plaatse gebruikt wordt.
Op de afleveringsbons moeten minstens de volgende gegevens worden vermeld:
naam en adres van de certificaathouder van de mobiele installatie;
naam en adres van de bouwheer of opdrachtgever;
referentie verwerkingstoelating sloopbeheerorganisatie of verklaring dat voldoet aan het VLAREBO (bij LMRP, indien van toepassing);
adres van de bouw- of sloopwerf;
data van de productieperiode, met expliciete vermelding van het aantal productiedagen;
de benaming en de toepassing van het product en het gebruik van het certificatielogo volgens artikel 8;
de hoeveelheid (in ton) gerecycleerde granulaten;
volgende vermelding: “De totale hoeveelheid gerecycleerd granulaat moet op de bouwplaats zelf worden gebruikt. Afvoer is niet toegelaten”;
de naam en handtekening van de certificaathouder van de mobiele installatie (of van de gemachtigde werknemer van de certificaathouder);
de naam en handtekening van de opdrachtgever (of de gemachtigde van de opdrachtgever).
Bij afvoer van de bouw- of sloopwerf wordt per vracht een afleveringsbon met oplopend volgnummer, in viervoud, opgemaakt.
Het originele exemplaar is bestemd voor de bouwheer van de werf waar de gerecycleerde granulaten toegepast zullen worden.
Een duplicaat is bestemd voor de opdrachtgever, een ander duplicaat voor de vervoerder/klant.
Het derde duplicaat wordt door de certificaathouder van de mobiele installatie bijgehouden.
Het originele exemplaar, bestemd voor de bouwheer, moet duidelijk te onderscheiden zijn van de duplicaten.
Op de afleveringsbons moeten minstens de volgende gegevens worden vermeld:
naam en adres van de certificaathouder van de mobiele installatie;
naam en adres van de bouwheer of opdrachtgever;
referentie verwerkingstoelating sloopbeheerorganisatie of verklaring dat voldoet aan het VLAREBO (bij LMRP, indien van toepassing);
adres van de bouw- of sloopwerf;
data van de productieperiode;
de benaming en de toepassing van het product en het gebruik van het certificatielogo volgens artikel 8;
de hoeveelheid (in ton) gerecycleerde granulaten per vracht;
datum en uur van afvoer;
een nauwkeurige omschrijving van de bestemming (werf waar de gerecycleerde granulaten zullen worden toegepast);
de vervoerder/klant;
de nummerplaat van het vervoermiddel;
de handtekening van de certificaathouder van de mobiele installatie (of van de gemachtigde werknemer van de certificaathouder) en van de vervoerder/klant.
Alle gegevens van de leveringen worden ingeschreven of bewaard in het afleveringsregister.
De naleving van dit reglement en de afvoer van de gerecycleerde granulaten vanaf de bouw- en sloopwerf gebeurt onder verantwoordelijkheid van de certificaathouder van de mobiele installatie.

Art. 7.6.6 Registraties
Alle acties, behandelingen, monsternemingen en resultaten moeten worden geregistreerd in overeenstemming met dit reglement en met de geldende wetgeving.

8. Productidentificatie en gebruik van het certificatielogo


Art. 8.1 Productidentificatie
Het product zal duidelijk geïdentificeerd worden op de afleveringsbon. De benaming bestaat uit:
de soort en de korrelmaat;
de toepassing overeenkomstig de bouwtechnische eigenschappen.
Bijvoorbeeld: Gebroken betonpuin 0/40 mm. Steenslagfundering met continue korrelverdeling type I volgens SB 250.
Bij ieder gecertificeerd product worden de volgende gegevens gegroepeerd vermeld:
de vermelding “met certificaat volgens het eenheidsreglement”;
de naam van de certificatie-instelling;
het identificatienummer van het certificaat.
Tijdens de toelatingsperiode kan de certificaathouder, na schriftelijke toelating van de certificatie-instelling, de conforme producten leveren. Op de afleveringsbon wordt de vermelding “In toelatingsperiode certificatie” aangebracht.

9. Externe controle


Art. 9.1 Algemene bepalingen

Art. 9.1.1
De externe controle heeft tot doel de geldigheid van de zelfcontrole van de certificaathouder na te gaan. De externe controle wordt uitgevoerd door de certificatie-instelling en omvat controlebezoeken aan de productie-eenheid. Als de externe controle monsternemingen voor controleproeven omvat, wordt de externe controle onaangekondigd uitgevoerd. Controleproeven zijn proeven die uitgevoerd worden in een controlelaboratorium. Bijgewoonde proeven zijn proeven die uitgevoerd worden door de certificaathouder in aanwezigheid van de certificatie-instelling.
Al het puin moet bij de certificaathouder behandeld worden in een bewerkingsinstallatie zoals vermeld in artikel 7.2.1. De certificatie-instelling ziet toe dat al het geaccepteerde puin bij de certificaathouder in de bewerkingsinstallatie wordt behandeld a.d.h.v. de controle van het register van verwerkte afvalstoffen.
Voor de stromen die de certificaathouder aanvaard heeft als laagmilieurisico-profiel (LMRP) gaat de certificatie-instelling na of de certificaathouder kan aantonen dat voldaan is aan de acceptatiecriteria van artikel 7.6.1. Dit betekent o.a. dat:
de certificatie-instelling nagaat of de certificaathouder puin aanvaardt van sorteerinrichtingen en toeziet of deze sorteerinrichtingen beschikken over een kwaliteitsborgingsysteem met externe keuring overeenkomstig bijlage 3. De certificatie-instelling ziet er op toe dat de registratie in het register van verwerkte afvalstoffen verloopt zoals vermeld in art. 7.6.1.
de certificatie-instelling nagaat of de certificaathouder voor de betreffende stromen van artikel 7.6.1.1, 1°, de verwerkingstoelatingen kan voorleggen én gaat na of voor deze stromen de sloopattesten voor LMRP zijn afgeleverd.
de certificatie-instelling nagaat of er een verklaring is van een erkende bodembeheerorganisatie of een erkende TOP/CGR, een erkende sloopbeheerorganisatie of een erkende bodemsaneringsdeskundige of erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie om afgezeefd puin van bodemmaterialen die voldoet aan het VLAREBO als LMRP af te voeren.
de certificatie-instelling nagaat of er een overeenkomst is tussen de producent van het productieafval en de breker.
de certificatie-instelling nagaat of er een overeenkomst is tussen de eigenaar van het niet-verontreinigd natuursteen en de breker.
de certificatie-instelling nagaat of er een afleveringsbon is van een certificeerde inrichting voor het reinigen of wassen van stenen die aantoont dat voldaan is aan de eisen van artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA.
Wanneer aan bovenstaande niet is voldaan, moeten de respectievelijke stromen als puin met HMRP geaccepteerd worden.
Voor zijn stromen die de certificaathouder aanvaard heeft als hoogmilieurisico-profiel (HMRP) gaat de certificatie-instelling na of de certificaathouder - kan aantonen dat voldaan is aan de acceptatiecriteria van artikel 7.6.1.
De certificatie-instelling gaat na of zowel de controle van de fabricage en de afvalstoffen als de controle van de gerecycleerde granulaten gebeurt volgens artikel 7.6.2 en artikel 7.6.3. De certificatie-instelling gaat eveneens na of het voorraadbeheer en de afvoer van gerecycleerde granulaten conform artikel 7.6.4 en 7.6.5 verlopen.
De certificatie-instelling kan aan de certificaathouder de toelating geven om af te wijken van de voorwaarde vermeld in artikel 7.6.4 om de gerecycleerde granulaten bekomen na bewerking van HMRP-puin ook na uitkeuring gescheiden op te slaan van de gerecycleerde granulaten bekomen van de verwerking van LMRP-puin. Deze toelating wordt vermeld in het bezoekverslag (artikel 9.4) en kan maar gegeven worden als er gedurende 2 jaar geen sancties werden opgelegd aan de certificaathouder of opmerkingen zijn geformuleerd in het bezoekverslag.

Art. 9.2 Controlebezoeken

Art. 9.2.1
De controlebezoeken worden onderscheiden in:
de periodieke controlebezoeken;
de bijkomende controlebezoeken;
de bijkomende controlebezoeken op een bouw- en sloopwerf voor de afvoer van een voorraad gerecycleerde granulaten (vanaf wanneer de mobiele installatie niet meer op de bouw- en sloopwerf aanwezig is - indien van toepassing).

Art. 9.2.2
De periodieke controlebezoeken worden uitgevoerd per vaste locatie en per breekinstallatie.
Er is één controlebezoek per 20.000 ton productie met een maximum van acht controlebezoeken perjaar. Er worden minstens twee controlebezoeken perjaar uitgevoerd. Bezoeken zoals bedoeld in Art. 9.3.2.E worden niet mee in rekening gebracht om de bezoekfrequentie te bepalen.
De periodieke controlebezoeken kunnen betrekking hebben op:
de productie-installaties en de beproevingsuitrustingen;
de grondstoffen en de producten in de verschillende productiestappen, zoals bepaald in dit reglement;
de organisatie van de zelfcontrole;
de uitvoering van metingen en proeven in het kader van de zelfcontrole;
de werkboeken en de controleregisters;
de evaluatie van de resultaten van de zelfcontrole en de controleproeven;
de identificatie en de markering van de producten;
de voorraad;
in voorkomend geval, de twijfelachtige productiedelen;
de bemonstering voor de controleproeven;
de toepassing van correctieve maatregelen in het geval van niet-conformiteit.
Minstens tweemaal per jaar moeten de volgende controles worden uitgevoerd:
controle van de werkboeken en de registers;
controle van het productieproces;
beoordeling van het voorraadbeheer;
beoordeling van alle activiteiten en documenten betreffende de aanvaarding van puin;
beoordeling van alle activiteiten en documenten betreffende de afvoer van de gerecycleerde granulaten;
de controle van de, in voorkomend geval, twijfelachtige productiedelen;
de controle van de inventaris van puin met hoogmilieurisico-profiel (HMRP), overeenkomstig artikel 7.6.1.1, 1°;
de controle of het puin met HMRP-profiel ofwel werd verwerkt per productiebatch waarbij van elke partij de conformiteit kan aangetoond worden ofwel de afvoer naar een vergunde inrichting kan aangetoond worden;
de controle of de vrachten die als LMRP-puin werden aanvaard ook effectief als LMRP mochten aanvaard worden overeenkomstig artikel 7.6.1.1,1° en zoals bepaald in artikel 9.1.1;
de controle of de gerecycleerde granulaten bekomen na verwerking van puin met verwerkingstoelating voor LMRP door een erkende sloopbeheerorganisatie ook een sloopattest voor LMRP is afgeleverd;
de controle van alle klachten die geregistreerd zijn;
het bezoek aan bouw- of sloopwerven waar geproduceerd wordt of werd (alleen voor mobiele installaties);
het bijwonen van metingen of proeven van de zelfcontrole indien deze metingen of proeven door de certificaathouder zelf wordt uitgevoerd.
Bijkomende controles bij de verwerking van HMRP-productiebatchen:
controle van de massabalans door een vergelijking te maken van de geaccepteerde hoeveelheden en de verwerkte hoeveelheden (artikel 7.6.4.3);
beoordeling van het voorraadbeheer;
beoordeling van alle activiteiten en documenten betreffende de aanvaarding van puin.
Als alle vastgelegde controles niet binnen de normale tijd van een bezoek kunnen worden uitgevoerd, zal het bezoek verlengd worden, eventueel zelfs voortgezet worden in een bijkomend controlebezoek.

Art. 9.2.3
De bijkomende controlebezoeken kunnen betrekking hebben op:
de controles die op het ogenblik van het periodieke controlebezoek niet uitgevoerd konden worden;
de eventuele controles in het externe laboratorium voor zelfcontrole;
om het even welke bijkomende controle die door de certificatie-instelling noodzakelijk wordt geacht, bijvoorbeeld in het kader van een ontvangen klacht;
de bijkomende controles, verricht op verzoek van de leverancier bij het vaststellen van tekortkomingen in de zelfcontrole, die overeenkomstig de bepalingen van dit reglement de interventie van de certificatie-instelling vereisen;
de bijkomende controles, verricht als gevolg van een sanctie, betekend door de certificatie-instelling (artikel 10);
de bijkomende controles op verzoek van de leverancier;
voor de verwerking per productiebatch (HMRP) zijn er bijkomende controlebezoeken conform 9.3.2.E.

Art. 9.2.4
Wanneer er, overeenkomstig artikel 7.6.5.2, bij het beëindigen van de activiteiten van de certificaathouder van een mobiele installatie op een bouw- of sloopwerf nog meer gerecycleerd granulaat op voorraad is dan het gebruik op de werf toelaat, moet de certificatie-inrichting extra controlebezoeken uitvoeren op de bouw- en sloopwerf met een frequentie van één controlebezoek per bouw- en sloopwerf per maand, zolang er voorraad is.
De bezoeken hebben betrekking op:
de organisatie op de bouw- of sloopwerf;
het voorraadbeheer: massabalans (% gebruikt op de werf, % afgevoerd, % voorraad); nazicht van de afleveringsbonnen;
desgevallend het nemen van monsters indien er een vermoeden bestaat omtrent de kwaliteit van de gerecycleerde granulaten. De monsterneming, het transport van het monster naar het laboratorium en de laboratoriumkosten zijn ten laste van de certificaathouder (de mobiele breker).

Art. 9.2.5
Bij tekortkomingen bij de acceptatie en het niet correct accepteren van de verschillende stromen LMRP-puin en HMRP-puin zoals vermeld in art. 7.6.1.1 en ontbreken van bijhorende documenten, het voorraadbeheer, de afvoer van gerecycleerde granulaten,... (niet-limitatieve lijst) moet de certificatie-instelling sancties nemen in overeenstemming met artikel 10 van dit eenheidsreglement.

Art. 9.3 Controleproeven en bij te wonen proeven

Art. 9.3.1
Controleproeven zijn proeven die uitgevoerd worden in een controlelaboratorium. Bijgewoonde proeven zijn proeven die uitgevoerd worden door de certificaathouder in aanwezigheid van de certificatie-instelling.
De monsternemingen voor de controleproeven en/of bij te wonen proeven worden uitgevoerd in aanwezigheid van de certificaathouder en de certificatie-instelling, volgens de keuze van die laatste, oordeelkundig gespreid over de verschillende producten.
De monsterneming- en analyseverslagen van de externe controle (eerste proef en eventueel tegenproef) worden op een elektronische drager in leesbare en verstaanbare vorm bijgehouden en opgeladen in de databank van de OVAM. Dit moet gebeuren volgens de richtlijnen van de OVAM.

Art. 9.3.2
De onderstaande tabel geeft de minimumfrequenties aan van controleproeven. Bij twijfelachtige kwaliteit van de producten kan de certificatie-instelling die frequenties verhogen.

Art. 9.3.2.A Controle van de fysische verontreiniging
parameter
methode
Frequentie voor LMRP
vlottende en niet- vlottende verontreinigingen en glas
CMA
per soort geproduceerd op vaste locatie
 –  één per 40.000 ton met een minimum van één per jaar
geproduceerd op bouw- en sloopwerf
 –  één per 40.000 ton met een minimum van één per jaar
vlottende en niet- vlottende verontreinigingen en glas op brekerzeefzand
CMA
per soort geproduceerd op vaste locatie
 –  één per 20.000 ton met een minimum van één per jaar
geproduceerd op bouw- en sloopwerf
 –  één per 20.000 ton met een minimum van één per jaar
Er wordt door de certificatie-instelling per jaar minimum één proef bijgewoond op brekerzeefzand en één proef op granulaatmengsels (= mengsel van brekerzand en grof granulaat) of grove granulaten (0/D of d/D), bij voorkeur afwisselend per soort. De keurder kan van de afwisseling per soort afwijken in functie van zijn oordeel. De proeven moeten alleen uitgevoerd worden in geval van productie in de betreffende periode.
Voor de bepaling van de frequentie bij mobiele installaties komt de productie van een mobiele installatie op een vaste locatie niet in aanmerking.
Wanneer een mobiele installatie wordt ingezet op een vergunde bouw- en sloopwerf waarbij er gedurende meer dan één jaar productie is van gerecycleerde granulaten, moet voor de voormelde site minimaal een frequentie van één per jaar per soort met minimaal één controle per 40.000 ton met een maximum van acht controles aangehouden worden.
De monsterneming mag uitgevoerd worden op een afgebakende partij van minimum 250 m3. Deze afgebakende partij mag niet geleverd worden tot alle resultaten gekend zijn.

Conformiteitscontrole
Vlottende en niet-vlottende verontreinigingen en glas
vlottende verontreiniging:
dwingende waarde 5 cm3/kg droge stof uitgezonderd voor sorteer- en brekerzeefzand geldt streefwaarde 5 cm3/kg droge stof en dwingende waarde 7,5 cm3/kg droge stof;
niet-vlottende verontreinigingen:
dwingende waarde 1,0 % (m/m);
glas:
dwingende waarde 2,0 % (m/m).
Overschrijdingen van de streefwaarde worden vermeld in het beproevingsregister.
Bij overschrijding van de dwingende waarde en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het register van verwerkte afvalstoffen. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding van de dwingende waarde gaat de certificaathouder over tot ofwel afkeuring van de betreffende productiedeelpartij ofwel tot het uitvoeren van een nieuwe proef. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend. Bij overschrijding gaat de certificaathouder over tot afkeuring van de betreffende productiedeelpartij.
Voor de productiedeelpartijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten. In geen geval mag het betreffende productiedeel nog worden verwerkt samen met ander zand, puin of gerecycleerd granulaat. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.
Bij niet conform resultaat wordt de daaropvolgende productiedeelpartij eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat. De certificatie-instelling houdt een overzicht bij van de resultaten van de uitgevoerde proeven van de vlottende en niet-vlottende verontreinigingen en glas, zowel van de zelfcontrole als van de externe controle en zowel van de eerste proef als van de eventuele tegenproef.

Art. 9.3.2.B Toetsing van de gebruiksmogelijkheden van asfalt als bouwstof
parameter:
methode:
frequentie
PAK-gehalte bij asfaltgranulaat
PAK-spraytest (zie bijlage 1) en GC-MS
Productie op vaste locatie
 –  PAK-spraytest bij ieder controlebezoek - GC-MS: één keer per jaar
productie op bouw- en sloopwerf
 –  PAK-spraytest bij ieder controlebezoek - GC-MS: één keer per jaar
PAK-gehalte bij brekerzand van asfalt of brekerzeefzand van asfalt
CMA
Zelfde frequentie als de frequentie van de chemische verontreiniging bij zeefzanden (artikel 9.3.2.D)
De proefmethode voor PAK-gehalte in asfaltgranulaat wordt beschreven in bijlage 1.

Conformiteitscontrole
Indien meer dan 5 % m/m van de stenen op het totale analysemonster aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, wordt het analysemonster als mogelijk PAK-houdend beschouwd. Wanneer tussen de 5 % m/m en 25 % m/m van de stenen op het totale analysemonster aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, moet de proef op een tegenstaal uitgevoerd worden. Wanneer meer dan 25 % m/m van de stenen aanleiding geeft tot UV-fluorescentie, wordt de partij als PAK-houdend beschouwd.
De tegenproef bestaat uit een chemische analyse op PAK via GC-MS zoals bepaald in het VLAREMA. Asfalt is PAK-houdend wanneer de norm voor een van de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in bijlage 2.3.2.A van het VLAREMA wordt overschreden.
Minstens één keer per jaar (vaste locatie) wordt een chemische analyse op PAK uitgevoerd via GC-MS zoals bepaald in het VLAREMA.

Art. 9.3.2.C Controle op de aanwezigheid van asbest
Bij ieder bezoek maakt de keurder een evaluatie van de controles op het aangevoerde puin - de aanvaardingsprocedure (zie artikel 7.6.1.1) - en de toepassing ervan door de certificaathouder. Hij voert bovendien een intensieve visuele controle uit op de voorraden puin en gerecycleerd granulaat. Daarvoor worden op zijn verzoek gedeelten van de voorraad met een kraan of wiellader uitgespreid.
controle
methode
frequentie
gehalte aan asbestvezels (2) (3) (4) (5)
CMA (1) keuze
Algemeen: één keer per jaar per soort Zowel voor productie op vaste locatie als voor productie op bouw- en sloopwerf
 –  betongranulaat: één keer per jaar
 –  asfaltgranulaat: één keer per jaar (6)
 –  menggranulaat: één keer per jaar
 –  metselwerkgranulaat: één keer per jaar
 –  sorteerzeefgranulaat: één keer per jaar
 –  sorteerzeefzand: frequentie HMRP - artikel 9.3.2.E
 –  brekerzeefzand: één keer per jaar
 –  zeefzand van asfalt: één keer per jaar (6)
Bijkomend: drie keer per jaar op een soort naar van de keurder. (5)
(1)
Analyse die wordt uitgevoerd door een door de OVAM erkend laboratorium.
(2)
Als de certificaathouder de controles per partij uitvoert (zie artikel 7.6.3, C), wordt de monsterneming op een partij uitgevoerd volgens de keuze van de keurder.
(3)
De proeven die uitgevoerd worden in het kader van de externe controle, mogen in rekening worden gebracht voor de frequentie van de zelfcontrole.
(4)
De monsternemingen voor de bepaling van het asbestgehalte gebeuren onmiddellijk in tweevoud. In geval van overschrijding wordt de tegenproef in een ander laboratorium uitgevoerd op het tweede monster.
(5)
De bijkomende controles kunnen alleen voor soorten waarvoor de productie meer is dan 40.000 ton/jaar en kunnen worden uitgevoerd per 20.000 ton met een maximum van 3 bijkomende proeven.
(6)
De controle op asbest is bij asfaltgranulaat is niet vereist wanneer blijkt dat tijdens het laatste jaar bij de zelfcontrole geen asbestverdachte materialen werden gedetecteerd.
Voor mobiele installaties wordt eenzelfde frequentie genomen. Voor de bepaling van deze frequentie komt de productie van een mobiele installatie op een vaste locatie niet in aanmerking.
Wanneer een mobiele installatie wordt ingezet op een vergunde bouw- en sloopwerf waarbij er gedurende meer dan één jaar productie is van gerecycleerde granulaten, moet voldaan worden aan de frequentie van minstens eenmaal per jaar.
De monsterneming mag uitgevoerd worden op een afgebakende partij van minimum 250 m3. Deze afgebakende partij mag niet geleverd worden tot alle resultaten gekend zijn.
Bij de monsterneming wordt er een eerste screening uitgevoerd. Bij deze screening wordt er nagegaan of de 100 mg/kg ds asbestverdachte vezels wordt overschreden. De berekening van het gehalte aan asbestverdachte vezels gebeurt overeenkomstig bijlage 2 en op basis van 15 % vezels bij asbestverdachte materialen. In geval van overschrijding wordt de voorraad geblokkeerd door de certificatie-inrichting.
Op basis van de resultaten van het staal dat aan het extern labo werd overgemaakt voor analyse overeenkomstig het CMA, wordt de voorraad al dan niet vrijgegeven.

Maatregelen bij niet-conform resultaat
Niet-conformiteit asbestgehalte
De berekening van de asbestconcentratie en de evaluatie van het resultaat gebeurt als volgt:
Chechtgebonden asbest + 10 X Cniet-hechtgebonden asbest ≤ 100 mg/kg ds.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het register van verwerkte afvalstoffen. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie gaat de certificaathouder over tot ofwel de afkeuring van de betreffende productiedeelpartij (*) ofwel kan de certificaathouder overgaan tot het uitvoeren van een nieuwe proef om het gehalte asbest van de betreffende voorraad te bepalen. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend.
(*) Optioneel: De betreffende voorraad productiedeelpartij kan eventueel worden opgedeeld in verschillende deelpartijen (met een maximumgrootte van 1000 m3), volgens een vooraf opgemaakt plan met aanduiding van de verschillende deelpartijen. De deelpartijen moeten gescheiden worden opgeslagen. Op iedere deelpartij afzonderlijk moet dan een asbestanalyse worden uitgevoerd.
Voor de productiedeelpartijen of deelpartijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten. In geen geval mag de betreffende productiedeelpartij of partijdelen nog worden verwerkt samen met andere puin of gerecycleerd granulaat.
Bij niet conform resultaat wordt de daaropvolgende productiedeelpartij eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat. De monsternemingen in het kader van de externe controle gebeuren steekproefsgewijs en ontslaan de certificaathouder niet van de uitvoering van de zelfcontrole. Dat houdt onder andere in dat als er bij de zelfcontrole de normwaarde van asbest wordt overschreden, de levering van de betreffende voorraad moet worden opgeschort.

Maatregelen bij niet-conform resultaat, te nemen door de certificatie-instelling
Bij een eerste overschrijding van het asbestgehalte, houdt de certificaathouder de certificatie-instelling permanent schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.
Opschorten autonome levering:
Als bij twee opeenvolgende controles van een zelfde soort een overschrijding van het asbestgehalte wordt vastgesteld, wordt de certificaathouder voor de betreffende soort gesanctioneerd met een opschorting van autonome levering.
Procedure tot normalisatie:
De certificatie-instelling zal per partij (max. 1.000 m3) een controle uitvoeren. Na twee opeenvolgende conforme resultaten kan de autonome levering worden hervat.
Opschorten van het certificaat:
Indien bij drie opeenvolgende controles van een zelfde soort een overschrijding van het gehalte asbest wordt vastgesteld, wordt de certificaathouder voor de betreffende soort gesanctioneerd met een opschorting van het certificaat voor zes maanden.
Procedure tot normalisatie:
Na de aangegeven periode moeten minstens vier partijen (maximaal 1.000 m3) aan een externe controle worden onderworpen. Na het bekomen van vier opeenvolgende conforme resultaten, wordt de schorsing opgeheven en kan de autonome levering terug worden hervat.
Gedeeltelijke intrekking van de certificatie:
Indien bij vier opeenvolgende controles van een zelfde soort een overschrijding van het gehalte asbest wordt vastgesteld, wordt de certificaathouder voor de betreffende soort gesanctioneerd met een intrekking van het certificaat voor de betreffende soort.
Procedure tot normalisatie:
Dit kan alleen via een nieuwe formele aanvraag voor de betreffende productie. Een nieuwe formele aanvraag kan pas ingediend worden zes maanden na de betekening van de intrekking van de certificatie voor de betreffende soort.

Art. 9.3.2.D Controle van de chemische verontreiniging
Één keer per jaar wordt per soort een monsterneming uitgevoerd in het bijzijn van de certificatie-instelling. Voorde gerecycleerde granulaten die geproduceerd worden op een bouw- of sloopwerf wordt per mobiele installatie eveneens één keer per jaar per soort een monsterneming uitgevoerd op een bouw- en sloopwerf in het bijzijn van de certificatie-instelling.
De OVAM kan de frequentie nader specificeren.
De monsterneming en de analyse gebeuren overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de wetgeving (VLAREMA, CMA). De volledige parameterlijst zoals gegeven in bijlage 2.3.2.A en B van het VLAREMA moet geanalyseerd worden.
De monsterneming mag uitgevoerd worden op een afgebakende partij van minimum 250 m3. Deze afgebakende partij mag niet geleverd worden tot alle resultaten gekend zijn.

Conformiteitscontrole
De bepaling van de uitloogbaarheid gebeurt overeenkomstig artikel 2.3.2.1 van het VLAREMA.
Indien de niet conformiteit een overschrijding van de vluchtige stoffen (monocyclische aromatische koolwaterstoffen, hexaan, heptaan en octaan) betreft, moet een nieuwe monsterneming worden uitgevoerd.
Bij overschrijding en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het register van verwerkte afvalstoffen. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding gaat de certificaathouder over tot ofwel de afkeuring van de betreffende productiedeelpartij (of partij) ofwel wordt onmiddellijk een nieuwe monsterneming en/of analyse uitgevoerd. De levering van de betreffende productiedeel (partij) wordt opgeschort. De tegenproef wordt uitgevoerd in een ander laboratorium uitgevoerd op het tweede monster.
Het resultaat van de nieuwe proef is bepalend.
Bij bevestiging van overschrijding, na tegenproef, gaat de certificaathouder over tot afkeuring van het betreffende productiedeel (partij). Afzonderlijk moet dan een analyse worden uitgevoerd.
Voor de partijen met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten.
In geen geval mag het betreffende productiedeel nog worden verwerkt samen met ander zand, puin of gerecycleerd granulaat. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.
Bij niet conform resultaat wordt het daaropvolgende productiedeelpartij eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat.

Art. 9.3.2.E Controle op de verwerking per productiebatch (HMRP)
Voor producten die geproduceerd zijn met puin met een hoogmilieurisico-profiel (HMRP), moeten alle relevante controles voorzien in artikel 7.6.3.A, B, C en D te worden uitgevoerd per partij.
Bij een vaste locatie moet voor de verwerking van het puin met HMRP per 10.000 ton per soort - met een minimum van één per jaar - minstens één monsterneming en één bijkomend controlebezoek worden uitgevoerd. Bij de productie van gerecycleerde granulaten op een bouw- en sloopwerf waarbij puin met HMRP verwerkt wordt moet per bouw- en sloopwerf minstens één controlebezoek met monsterneming en controle worden uitgevoerd.
Bij overschrijding en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het register van verwerkte afvalstoffen. Bij overschrijding gaat de certificaathouder over tot ofwel de afkeuring van de betreffende partij ofwel gaat de certificatie-instelling over tot bijkomende monsternemingen en analyses. De levering van de volledige partij wordt opgeschort. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend. Bij overschrijding moeten corrigerende maatregelen genomen worden, zoals reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten. Een partij voortkomend uit de verwerking van HMRP-puin kan pas worden afgevoerd als alle resultaten conform zijn.

Art. 9.3.3
De bemonstering en het transport van de monsters voor de controleproeven gebeuren onder toezicht van de certificatie-instelling door de certificaathouder op zijn verantwoordelijkheid en op zijn kosten. Alle kosten van de controleproeven zijn ook ten laste van de certificaathouder.

Art. 9.3.4
De proefmonsters worden door de certificatie-instelling voorzien van een identificatie, alsook van een onuitwisbaar en ontegensprekelijk merkteken.

Art. 9.3.5
Voor elke proefopdracht stelt de certificatie-instelling of een gemandateerde van de certificatie-instelling een beproevingsborderel op dat alle relevante gegevens over de proef en de proefmonsters bevat, dat verwijst naar de overeenkomst tussen de certificatie-instelling en het controlelaboratorium, en dat door de certificaathouder voor akkoord is ondertekend. De certificaathouder kent de proefopdracht voor externe controle toe aan het beproevingslaboratorium met een bestelbon die op eenduidige wijze verwijst naar het beproevingsborderel.

Art. 9.3.6
Het monsternemings- en analyseverslag wordt verstuurd naar de certificatie-instelling, die een kopie van het verslag bezorgt aan de certificaathouder. In geen geval worden door het controlelaboratorium de resultaten van de beproevingen meegedeeld aan de certificaathouder of derden, of wordt het verslag naar hen verstuurd.

Art. 9.3.7
Het controlelaboratorium is ertoe gemachtigd de moeilijkheden die zich mogelijk voordoen bij de betaling van een factuur in het kader van deze overeenkomst, te melden aan de certificatie-instelling.

Art. 9.4 Verslaggeving

Art. 9.4.1
Van ieder controlebezoek wordt ter plaatse door de certificatie-instelling een bezoekverslag opgemaakt, dat de volgende informatie bevat:
de identificatie van de productie-eenheid (naam en identificatienummer);
datum en duur van het controlebezoek;
aard van de uitgevoerde controles en de gedane vaststellingen;
de opmerkingen over de zelfcontrole,
In voorkomend geval bevat het bezoekverslag ook de volgende gegevens:
de bemonsteringen voor de controleproeven;
de resultaten en de interpretatie van de resultaten van de proeven;
de door de certificaathouder getroffen schikkingen om een gebrek of tekortkoming te verhelpen;
het aantal bijlagen en de identificatie ervan.

Art. 9.4.2
De certificaathouder of de gemachtigde werknemer van de certificaathouder is gerechtigd om op het bezoekverslag zijn eigen opmerkingen te vermelden, leder bezoekverslag wordt ondertekend door de certificatie-instelling enerzijds en de certificaathouder of de gemachtigde werknemer van de certificaathouder anderzijds.

Art. 9.4.3
De certificaathouder ontvangt een kopie van het bezoekverslag.

10. Sancties


Art. 10.1
De certificatie-instelling is gerechtigd sancties te betekenen en alle nodige maatregelen te nemen bij vaststelling van een inbreuk op of van een tekortkoming op het vlak van:
het acceptatiebeleid;
de conformiteit van het product;
de reglementaire bepalingen;
bijzondere schikkingen die getroffen zijn door de certificatie-instelling in het kader van de certificatie.

Art. 10.2
Een sanctie kan betrekking hebben op een gedeelte of op het geheel van de gecertificeerde productie. Ze kan ertoe leiden dat de zelfcontrole of de externe controle verscherpt wordt, en dat de certificaathouder diverse verplichte maatregelen opgelegd krijgt. De certificaathouder wordt ertoe aangemaand alle nodige correctieve acties te ondernemen om de inbreuk of tekortkoming recht te zetten, en om herhaling van de inbreuk of de tekortkoming te vermijden.
Sancties ten gevolge van het acceptatiebeleid, bijvoorbeeld puin dat ten onrechte als LMRP-puin werd aanvaard en verwerkt, houden een extra externe controle in bij de puinbreker en het nemen van extra stalen en het uitvoeren van proeven voor de bepaling van de milieuhygiënische kwaliteit van de geproduceerde granulaten en de conformiteit ervan na te gaan overeenkomstig het VLAREMA en het eenheidsreglement. Bij niet-conformiteiten van de producten neemt de certificaathouder verdere acties overeenkomstig het eenheidsreglement en worden acties genomen inzake acceptatiebeleid. De proefresultaten van deze controles in kader van het sanctiereglement mogen niet in rekening gebracht worden voor de bepaling van de controlefrequentie van LMRP het eenheidsreglement.

Art. 10.3
De sancties worden vastgesteld in het intern reglement van de certificatie-instelling. Sancties worden genomen volgens de ernst van de inbreuk of de tekortkoming.

Art. 10.4
Voor elke inbreuk of tekortkoming bepaalt de certificatie-instelling, op basis van de reglementaire bepalingen, de vaststellingen van de certificatie-instelling en van de door haar opgebouwde jurisprudentie, de wenselijkheid om een sanctie te betekenen. De certificatie-instelling bepaalt eventueel ook de graad van de sanctie, de duur, de eventuele bijkomende maatregelen die genomen moeten worden, en legt, indien nodig, een boete op.

Art. 10.5
Gedurende de periode waarin een certificaathouder gesanctioneerd is, met een beperking van de levering of met bijkomende extra controles, en gedurende de periode van zes maanden daarna, kan een producent geen beroep doen op een andere certificatie-instelling dan de certificatie-instelling die zijn certificaat heeft afgeleverd en die de sanctie heeft uitgesproken.

11. Beroep


Art. 11.1 Gehoor

Art. 11.1.1
De certificaathouder die het oneens is met een beslissing die genomen is door de certificatie-instelling of met een sanctie die betekend is door de certificatie-instelling, heeft het recht gehoord te worden door de certificatie-instelling.

Art. 11.1.2
De vraag om gehoord te worden wordt schriftelijk ingediend binnen de 10 kalenderdagen na de betekening van de bestreden beslissing van de certificatie-instelling.

Art. 11.1.3
De door de certificatie-instelling genomen beslissingen en de betekende sancties worden door een verzoek om gehoor niet opgeschort.

Art. 11.2 Beroep

Art. 11.2.1
De certificaathouder die het oneens is met een beslissing van de certificatie-instelling over de sanctionele opschorting of de intrekking van zijn certificaat, heeft het recht beroep aan te tekenen tegen die beslissing bij de OVAM.

Art. 11.2.2
Beroep wordt aangetekend met een aangetekende brief binnen tien werkdagen na de betekening van de de bestreden beslissing van de certificatie-instelling of binnen de tien werkdagen na gehoord te zijn geweest door de certificatie-instelling.

Art. 11.2.3
Een sanctionele opschorting of intrekking van het certificaat wordt niet opgeschort als de certificaathouder beroep aantekent. De OVAM bemiddelt en brengt daartoe beide partijen samen. De OVAM neemt, na bemiddeling, een beslissing en stelt beide partijen in kennis binnen een termijn van 10 werkdagen.

Bijlage


Bijlage 1.
Proefmethode PAK-gehalte in asfalt

Uit het proefmonster worden de stenen > 8 mm afgezeefd.
Voor het aanbrengen van de PAK spraytest moet het analysemonster goed droog zijn. Het monster wordt daarom gedroogd bij een temperatuur van max. 40°C (aan de lucht al dan niet onder geforceerde luchtstroom of in een droogstoof bij max. 40°C). In elk geval moet een afvoer voor de droogdampen voorzien worden. Eventueel aanhechtende deeltjes, zand, etc. kunnen verwijderd worden met een borstel
De stenen > 8 mm uit het analysemonster worden gewogen en daarna in één laag uitspreid over een oppervlak van 0,5 x 0,5 m.
Spuitbus “PAK spraytest” voor gebruik goed schudden (minimaal 30 s)
Het oppervlak met stenen > 8 mm volledig en homogeen besproeien met de spuitbus.
Minimaal 15 min. laten drogen.
Indien alle stenen duidelijk helder wit gekleurd blijven is het monster niet-teerhoudend.
Een geelachtige verkleuring geeft aanleiding tot teerhoudendheid van het onderzochte monster. In dit geval moeten de verkleurde stenen (in een donkere of verduisterde omgeving) bekeken worden met een UV-lamp (bij golflengte van 366nm). UV-belichting op teerhoudende delen en/of lagen in de stenen geeft aanleiding tot UV-fluorescentie, wat een beter onderscheidend vermogen heeft (zie foto).
Foto linksboven: asfaltpuin met teerhoudende hechtlaag
Foto rechtsboven: na toepassing met de PAK spraytest
Foto linksonder: na toepassing PAK spraytest en bekeken met UV-lamp
Positieve test onder uv-licht:
Positieve test onder daglicht:

Bijlage 2.
Interne controle op de verontreiniging met asbest

Voor het onderscheid tussen hechtgebonden en niet-hechtgebonden vezels wordt verwezen naar de materiaalindeling van de CMA-bijlage.
De monsterneming is gebaseerd op de principes van NBN EN 932-1 en van de CMA.

20 kg-methode
Het verkregen monster wordt gedroogd in een geventileerde oven op een temperatuur van 105 °C (40 °C voor asfaltgranulaten).
Het gewicht van het droge veldmonster wordt bepaald.
Het gedroogde monster wordt gezeefd in de zeven van 16 mm, 8 mm en 4 mm.
Van elke verkregen fractie worden de asbestverdachte materialen geselecteerd (fractie 16+, (8-16) en (4-8)). Het gewicht asbestverdachte materialen wordt per fractie bepaald en opgedeeld in hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal.
De totale hoeveelheid vezels op het monster wordt als volgt bepaald:
Neem het totale drooggewicht van alle hechtgebonden asbestverdachte materialen. Dat gewicht wordt vermenigvuldigd met 0,15. (De concentratie van de vezels wordt gelegd op 15 %, )
Deel dat gewicht door het drooggewicht van het totale oorspronkelijke veldmonster.
U verkrijgt dan de concentratie hechtgebonden (vezels in) verdacht materiaal CH.
Neem het totale drooggewicht van alle niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen.
Deel dat gewicht door het totale drooggewicht van de afgezeefde fractie groter dan 4 mm.
U verkrijgt dan de concentratie niet-hechtgebonden (vezels in) verdacht materiaal CNH.
De totale concentratie aan vezels wordt als volgt bepaald:
CT = CH + 10 x CNH

80 I-methode
Zeef het 80 I-monster in een zeef van 16 mm. U verkrijgt een fractie die groter is dan 16 mm (grove fractie) en een fractie die kleiner is dan 16 mm (fijne fractie).

Bepaling asbestverdacht materiaal grove fractie
Selecteer de hechtgebonden en de niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen uit de fractie die groter is dan 16 mm.
Droog de hechtgebonden en de niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen in een goed geventileerde oven op 105 °C. Noteer het gewicht van de gedroogde hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen (MNHAV16 en MHAV16).
MNHAV16: massa niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 16 mm, uitgedrukt in kg;
MHAV16: massa hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 16 mm, uitgedrukt in kg;

Bepaling asbestverdacht materiaal fijne fractie
Als het materiaal dat kleiner is dan 16 mm, meer dan 20 liter bedraagt, wordt het fijne materiaal met behulp van een spleetverdeler gereduceerd tot ongeveer 10 liter. In dat geval moet u de verkregen massa's asbestverdacht materiaal vermenigvuldigen met 2 om de werkelijke fracties asbestverdacht materiaal in het veldmonster te berekenen voor de fractie die kleiner is dan 16 mm. In alle andere gevallen wordt de totale hoeveelheid materiaal dat kleiner is dan 16 mm, onderzocht op asbestverdacht materiaal.
Het verkregen monster fijne fractie wordt gewogen (nat gewicht fijne fractie Mnff) en daarna in een goed geventileerde oven gedroogd bij een temperatuur van 105 °C (40 °C voor asfaltgranulaten). Het drooggewicht wordt bepaald (drooggewicht fijne fractie Mdff).
Het monster wordt gezeefd in de zeven van 8 en 4 mm. Van de verkregen fracties ((8-16) en (4-8)) worden de hechtgebonden en de niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen en de gewichten als dusdanig bepaald: MNHAV8 en MNHAV4 MHAV8 en MHAV4
MNHAV8: massa niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 8 mm, in kg;
MHAV4: massa hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 4 mm, in kg;
MNHAV8: massa niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 8 mm, in kg;
MHAV4: massa hechtgebonden asbestverdacht materiaal dat gevonden is in de zeef van 4 mm, in kg;

Bepaling concentratie vezels
Het drooggewicht van het oorspronkelijke monster wordt als volgt bepaald:
Mloc=(VXns)X(
Mdff
Mnff
)
waarin:
V: het volume van het totale oorspronkelijke mengmonster op locatie, in liter;
ns: de dichtheid van het puinmateriaal, in kg/dm3;
Mdff: de massa van het gedroogde analysemonster fijne fractie (< 16 mm), in kg;
Mnff: de massa van het veldvochtige analysemonster fijne fractie (< 16 mm), in kg;
Mloc: het drooggewicht van het totale monster, genomen te velde, in kg.
De concentratie mogelijk asbest op het totale staal wordt als volgt bepaald:
CT = 0,15 *[MHAV16/Mloc + (MHAV8+ MHAV4)]/Mdff + 10 x (MNHAV16/Mloc + (MNHAV8+ MNHAV4)/Mdff)
Opmerking: de waarde van 15 % asbestvezels werd overgenomen uit de tabel uit de CMA/2/II/A.17. Dit percentage is een inschatting.

Bijlage 3.
Kwaliteitsborgingsysteem voor puin van sorteerinrichtingen voor bouw- en sloopafval


1 Doel
Puin van een sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval dat voldoet aan dit kwaliteitsborgingsysteem, mag door de puinbreker als laagmilieurisico-profiel (LMRP) geaccepteerd worden. De puinbreker blijft wel verantwoordelijk voor de afvalstoffen die hij aanvaardt.
Wanneer niet aan dit kwaliteitsborgingsysteem wordt voldaan, kan de puinbreker het puin niet aanvaarden. Het puin kan alleen afgevoerd worden naar een daartoe vergunde inrichting.

2 Toepassingsgebied
Dit kwaliteitsborgingsysteem geldt voor alle sorteerinrichtingen voor bouw- en sloopafval die sorteerzeefpuin als puin met LMRP willen aanbieden bij een vaste locatie voor het bekomen van gerecycleerde granulaten volgens het eenheidsreglement.
Dit kwaliteitsborgingsysteem is dus ook van toepassing voor de sorteerinrichting/puinbreker die puin voorafgaand aan het breekproces behandelt (voorafzeving van sorteerzeefzand, handpicking, sorteervloer, sorteerlijn,...). Het kwaliteitsborgingsysteem is enkel van toepassing voor de sorteeractiviteiten. Sorteer-en breekactiviteiten moeten dan ook zodanig worden uitgevoerd dat een controle van het sorteerzeefpuin overeenkomstig dit kwaliteitsborgingsysteem mogelijk is.
Aandachtspunten bij het toepassingsgebied van het kwaliteitsborgingsysteem:
Voorliggend kwaliteitsborgingsysteem heeft enkel betrekking op sorteerinrichtingen voor bouw- en sloopafval. De afgezeefde fijne fractie bekomen na het afzeven van stromen met een (zeer) beperkte puinfractie mag nooit als sorteerzeefzand (bouwstof) op de markt gebracht worden. Voorliggend kwaliteitsborgingsysteem is dus enkel van toepassing voor die sorteerinrichtingen die storende stoffen uit het puin sorteren.
Sorteershredderzand dat ontstaat door het shredderen van bouw- en sloopafval, behoort niet tot het toepassingsgebied van dit kwaliteitsborgingsysteem.

3 Definities
Geregistreerde sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval voor afvoer van puin als
LMRP: een bij een keuringsinstelling geregistreerde sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval
Sorteerzeefpuin: afgezeefde grove inerte puinfractie van een geregistreerde sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval bekomen na het afzeven op een zeef met zeefdoorval 20 mm. Dit sorteerzeefpuin kan, indien conform volgens deze [bijlage 3], als LMRP aangeboden worden bij de puinbreker.
Sorteershredderzand: zand bekomen na een shredder-installatie op een sorteerinrichting.
Keuringsinstelling: Copro, Certipro of gelijkwaardig, volgens artikel 3.1 van het eenheidsreglement.

4 Algemene principes en beheer van het kwaliteitsborgingsysteem

4.1 Algemene principes

1)

De sortering van het bouw- en sloopafval heeft als doel het sorteerzeefpuin te kunnen afzetten als puin met een LMRP bij de puinbreker. Dit betekent dat:
het sorteerzeefzand en het sorteerzeefpuin moeten gescheiden van elkaar en van de andere materialen gestockeerd worden;
minstens alle gevaarlijke afvalstoffen uit het sorteerzeefpuin zijn verwijderd;
sorteerzeefpuin verontreinigd met “asbestverdachte materialen” niet naar een puinbreker mag afgevoerd worden;
de niet-steenachtige fracties (inclusief glas) en alle materialen die worden vermeld in het eenheidsreglement artikel 7.6.1.1 punt 2 moeten uitgesorteerd worden.

2)

Het sorteerzeefpuin wordt bekomen na uitsortering en afzeving van het sorteerzeefzand. Het sorteerzeefzand is de fractie kleiner of gelijk aan 20 mm en wordt gecertificeerd onder het eenheidsreglement (artikel 7.6.3.E en 9.3.2.E) of afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting.

3)

Het sorteerzeefzand mag niet naar een puinbreker afgevoerd.

4)

Bij afvoer van het sorteerzeefpuin naar de puinbreker wordt op het identificatieformulier het identificatieformulier ook het registratienummer van de sorteerinrichting vermeld zoals gekend bij de keuringsinstelling.

5)

Sorteerzeefpuin moet rechtstreeks afgevoerd worden van sorteerinrichting naar breker om door de breker als LMRP-puin aanvaard te kunnen worden. Tussenopslag van het sorteerzeefpuin is niet toegelaten.

4.2 Beheer van het kwaliteitsborgingsysteem
De sorteerinrichting stelt een keuringsinstelling aan voor de externe controle. De externe controle verloopt overeenkomstig hoofdstuk 6 van deze [bijlage 3] van het eenheidsreglement.
De keuringsinstelling houdt een register bij van die sorteerinrichtingen waarvoor zij de externe controle uitvoert en geeft aan of de sorteerinrichting voldoet aan voorliggend kwaliteitsborgingsysteem. De keuringsinstelling stelt de lijst van inrichtingen die voldoen ter beschikking op zijn websites.
De keuringsinstelling stelt jaarlijks een overzichtstabel op van
de hoeveelheid van de geaccepteerde uit te sorteren puinstromen die bij geregistreerde sorteerinrichtingen worden aangeleverd zoals vermeld in 5.3.1.2;
de hoeveelheid van de afgevoerde afvalfracties, sorteerzeefzand (al dan niet gecertificeerd) en eventueel sorteerzeefgranulaat en sorteerzeefpuin bij de geregistreerde sorteerinrichtingen zoals vermeld in 5.3.2 en 5.3.3.5.
Ieder jaar, vóór 15 maart, bezorgen de keuringsinstellingen een dergelijk overzicht van het afgelopen jaar aan de OVAM. De lijst wordt tevens digitaal ter beschikking gesteld aan de OVAM.
Deze info moet op vraag van de OVAM ook kunnen voorgelegd worden voor een welbepaalde sorteerinrichting.

5 Zelfcontrole

5.1 Algemene bepalingen
De zelfcontrole heeft als doel aan te tonen dat het sorteerzeefpuin (> 20 mm) als LMRP-puin bij de puinbreker kan geaccepteerd worden.
Om dit aan te tonen is de sorteerinrichting ertoe gehouden op het geaccepteerde bouw- en sloopafval, op het productieproces en op het sorteerzeefpuin dat naar de puinbreker wordt afgevoerd een zelfcontrole uit te voeren volgens welbepaalde controleschema's. De resultaten van die controles worden bijgehouden in controleregisters die te consulteren zijn door de keuringsinstelling en de toezichthoudende overheid.
De sorteerinrichting houdt zich aan de door de Vlaamse Regering, minister of de OVAM vastgestelde codes van goede praktijk voor het beheer van asbestafval (*).
De keuringsinstelling heeft recht van inzage in het verwerkingsregister, het afvalstoffenregister en het materialenregister die moeten worden bijgehouden conform VLAREMA om zijn taak als keuringsinstelling te kunnen uitvoeren.
(*) momenteel is dit de omzendbrief LNE/2008/01 betreffende de Code van Goede Praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig (zie bijlage 1)

5.2 Productie-installaties en productieproces
De sorteerinrichting beschikt over een geschikte installatie om het geaccepteerde bouw- en sloopafval te behandelen zodat het sorteerzeefpuin in aanmerking kan komen voor afvoer als sorteerzeefpuin met LMRP bij de puinbreker.
Het sorteren gebeurt door manuele of mechanische uitsortering en kan gebeuren via een sorteervloer, sorteerlijn, trommelzeef, e.d.
De behandeling houdt minstens een handpicking op sorteerband of sorteervloer in.
Minstens de volgende afvalstoffen worden uit het puin verwijderd:
gevaarlijke afvalstoffen;
asbestverdachte materialen;
de niet-steenachtige materialen (inclusief glas);
alle materialen die worden vermeld in het eenheidsreglement artikel 7.6.1.1, 2°.
De sorteerinstallatie bestaat uit minimaal een zeefinstallatie voor het afscheiden van het sorteerzeefzand en het sorteerzeefpuin.
In kader van dit kwaliteitsborgingsysteem wordt sorteerzeefzand 0/20 afgescheiden. Het sorteerzeefzand kan verder afgezeefd worden in
sorteerzeefzand 0/4: sorteerzeefzand, met doorval Dmax kleiner of gelijk aan 4 mm;
en sorteerzeefgranulaat 4/20: sorteerzeefgranulaat met d = 4 mm en Dmax kleiner of gelijk aan 20 mm.

5.3 Controleschema's

5.3.1 Controle aanvoer

5.3.1.1 Acceptatiecriteria
De exploitant van de sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval stelt een acceptatiereglement op waarin rekening wordt gehouden met volgende bepalingen:

1

De aard van het bouw- en sloopafval en de potentiële verontreiniging ervan.
Het acceptatiereglement bevat een opsomming van de aard van het aanvaardbare bouw- en sloopafval en de aanvaardings- of weigeringscriteria waaraan het moet voldoen.

2

Stromen die bij de puinbreker apart gehouden moeten worden om als HMRP te verwerken, moeten ook bij de sorteerinrichting apart gehouden worden, cf. artikel 7.6.1.1, 1°, van het eenheidsreglement (puin van brand, verplichte afvoer,...).

3

Stromen die voornamelijk bestaan uit materialen zoals vermeld in artikel 7.6.1.1,2°, van het eenheidsreglement, moeten bij de sorteerinrichting apart gehouden en verwerkt worden van de andere puinstromen bouw- en sloopafval die onder voorliggend kwaliteitsborgingsysteem worden verwerkt. De sorteerinrichting moet de materialen zoals vermeld in artikel 7.6.1.1, 2°, van het eenheidsreglement selectief uit het puin sorteren.

4

De aanwezigheid van grond en glas moet worden beperkt overeenkomstig de richtlijnen van OVAM en zoals ter beschikking gesteld op de website van OVAM.

5

Puin waarvan de exploitant van de sorteerinrichting vermoedt dat het niet voldoet aan bijlage 2.3.2 van het VLAREMA, mag niet geaccepteerd worden onder dit kwaliteitsborgingsysteem. De exploitant gaat hiervoor de herkomst na van het puin en controleert het puin organoleptisch (zien, ruiken).
De exploitant van de sorteerinrichting zorgt ervoor dat zijn acceptatiecriteria in overeenstemming zijn met de geldende milieuwetgeving en zijn milieuvergunning.
De acceptatiecriteria moeten op elk moment zichtbaar aan de weegbrug ter inzage liggen voor de klant en moeten bij iedere offerte worden toegevoegd evenals het registratienummer van de sorteerinrichting en de contactgegevens van de keuringsinstelling die de controle volgens voorliggend kwaliteitsborgingsysteem uitvoert.

5.3.1.2 Acceptatieprocedure

1 Controle aan de weeginstallatie

Iedere vracht aangevoerd uit te sorteren puin wordt via een geijkte weeginstallatie gewogen en geïdentificeerd door een aanleveringsbon met oplopend volgnummer.
Deze aanleveringsbon vermeldt minstens de gegevens van het identificatieformulier zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, § 2, van het VLAREMA.
De exploitant van de sorteerinrichting houdt de aanleveringsbonnen bij.
Deze bonnen mogen ook elektronisch bewaard worden voor zover ze op eenvoudige vraag kunnen afgedrukt worden.

2 Registraties

Alle aangevoerde vrachten worden geregistreerd in het register van verwerkte afvalstoffen. In dit register wordt er minstens een onderscheid gemaakt in:
puin afkomstig van een containerpark;
(uit te sorteren) puin afkomstig van selectieve sloop opgevolgd door een erkende sloopbeheerorganisatie;
puin van andere of ongekende herkomst.

3 Rapportering

De exploitant van de sorteerinrichting maakt jaarlijks een overzicht van de geaccepteerde hoeveelheden onder bovenvermelde herkomsten en bezorgt dit aan de keuringsinstelling.
Geweigerde vrachten moeten in het verwerkingsregister vermeld worden met de reden van weigering. Andere vaststellingen moeten overeenkomstig artikel 7.2.1.4 van VLAREMA mee in het register van verwerkte afvalstoffen geregistreerd worden.

4 Opleidingen

De verantwoordelijke voor de zelfcontrole, de laborant en de verantwoordelijke van de weeginstallatie (acceptant) zijn voldoende geschoold om asbest te herkennen.
Het personeel op de stockageplaats (machinisten en supervisor) volgt een praktische opleiding. Minstens één keer per jaar moet intern een check-up van de kennis plaatsvinden. Die kan worden gedaan door de verantwoordelijke voor de zelfcontrole.

5.3.2 Controle van het sorteerzeefzand
De controle gebeurt als HMRP overeenkomstig het eenheidsreglement artikel 7.6.3.E.
Sorteerzeefzand (en het sorteerzeefgranulaat, indien van toepassing) dat niet conform is of die door de sorteerinrichting niet als sorteerzeefzand overeenkomstig het eenheidsreglement wordt gecertificeerd, mag niet naar een puinbreker worden afgevoerd.

5.3.3 Controle van het sorteerzeefpuin
De controle gebeurt op het sorteerzeefpuin dat op het moment van staalname aanwezig is, op een partij van max 250 m3.
Voor een goede staalname is een minimale hoeveelheid van 10 ton sorteerzeefpuin nodig.

5.3.3.1 Controle op asbestverdachte materialen
Elke productiedag doet de verantwoordelijke voor de zelfcontrole van de sorteerinrichting een visuele inspectie van het sorteerzeefpuin om eventuele resterende asbestverdachte materialen op te sporen.
De sorteerinrichting streeft voor asbest naar een volledige verwijdering van asbestverdachte materialen uit het sorteerzeefpuin. Wanneer er asbestverdachte materialen aangetroffen worden in het sorteerzeefpuin, moet de dagproductie opnieuw over de sorteerlijn gehaald worden. Indien nodig verscherpt de sorteerinrichting zijn acceptatieprocedure en/of zijn werkmethode.
De volgende frequentie van monsterneming moet gevolgd worden.
parameter
methode
frequentie
aanwezigheid asbestverdacht materiaal
Bijlage 2 van deze bijlage 3
 –  één per 1000 m3 sorteerzeefpuin
 –  minstens één per productieperiode

Conformiteitscontrole
Toetsingswaarde: 0,02 % (m/m) asbestverdacht materiaal/sorteerzeefpuin.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het verwerkingsregister. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie gaat de exploitant over tot ofwel de afkeuring van het betreffende productiedeel van het sorteerzeefpuin ofwel kan de exploitant overgaan tot een nieuwe monsterneming. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend.
Voor de productiedelen sorteerzeefpuin met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals herbehandeling, reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten. In geen geval mag het betreffende productiedeel als sorteerzeefpuin met LMRP naar een breker worden afgevoerd. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.
Een herbehandeld/gereinigd productiedeel sorteerzeefpuin kan maar afgevoerd worden naar een breker na conform resultaat.
De exploitant brengt de keuringsinstelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.
Bij niet conform resultaat wordt het daaropvolgende productiedeel sorteerzeefpuin eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat.

5.3.3.2 Controle op fysische restverontreiniging
Elke productiedag doet de exploitant van de sorteerinrichting een visuele beoordeling van het sorteerzeefpuin. Indien nodig wordt de dagproductie opnieuw over de sorteerlijn gehaald. Indien nodig verscherpt de sorteerinrichting zijn acceptatieprocedure en/of zijn werkmethode.
Voor het sorteerzeefpuin streeft de sorteerinrichting naar een volledige verwijdering van de fysische verontreiniging inclusief glas en alle materialen die worden vermeld in het eenheidsreglement artikel 7.6.1.1 punt 2.
De volgende frequentie van monsterneming moet gevolgd worden.
parameter:
methode:
frequentie
Fysische verontreiniging (1)
Bijlage 2 (1) van deze bijlage 3
 –  één per 1000 m3 sorteerzeefpuin
 –  minstens één per productieperiode
(1)
[Alle niet-steenachtige materialen (exclusief glas en ferro-metalen) en alle materialen die worden vermeld in het eenheidsreglement artikel 7.6.1.1 punt 2]

Conformiteitscontrole
[Toetsingswaarden: 0,2 % (m/m) fysische verontreinigingen, 2 % (m/m) glas].
Bij overschrijding van de toetsingswaarde en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het verwerkingsregister. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding van de toetsingswaarde gaat de exploitant over tot ofwel afkeuring van het betreffende productiedeel van het sorteerzeefpuin ofwel tot een nieuwe monsterneming. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend.
Voor het productiedeel sorteerzeefpuin met overschrijding moeten corrigerende maatregelen worden genomen, zoals herbehandeling, reiniging (op een wettelijk verantwoorde manier in een daartoe vergunde inrichting) of legaal storten. In geen geval mag het betreffende productiedeel als sorteerzeefpuin met LMRP naar een breker worden afgevoerd. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.
Een herbehandeld/gereinigd productiedeel sorteerzeefpuin kan maar afgevoerd worden naar een breker na conform resultaat.
De exploitant brengt de keuringsinstelling schriftelijk op de hoogte van de genomen maatregelen.
Bij niet conform resultaat wordt het daaropvolgende productiedeel sorteerzeefpuin eveneens geblokkeerd tot de analyseresultaten op dat deel gekend zijn. Wanneer de analyseresultaten van dit productiedeel conform zijn, kan de levering (van de conforme productiedelen) worden hervat.
De certificaathouder houdt een overzicht bij van de resultaten van de uitgevoerde proeven (eerste proef en eventuele tegenproef) voor de fysische verontreiniging en stelt ze ter beschikking van de keuringsinstelling.

5.3.3.3 Controle op chemische verontreiniging
De controle op de chemische verontreiniging gebeurt alleen op het sorteerzeefzand (en desgevallend het sorteerzeefgranulaat).
Het sorteerzeefzand en desgevallend het sorteerzeefgranulaatmoet door de sorteerinrichting overeenkomstig het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten gecontroleerd worden en uitgekeurd worden als HMRP overeenkomstig artikel 7.6.3.E (en artikel 9.3.2.E) van het eenheidsreglement.
Niet overeenkomstige productiedelen moeten worden afgevoerd naar een reinigingsinstallatie.

5.3.3.4 Voorraadbeheer
Alle uit te sorteren afvalstromen, het sorteerzeefpuin en het sorteerzeefzand (en sorteerzeefgranulaat) en de uitgesorteerde fracties moeten apart worden opgeslagen en moeten duidelijk geïdentificeerd zijn.
De verschillende afvalstromen worden zodanig opgeslagen dat geen vervuiling of verontreiniging van de omgeving plaatsvindt.
De exploitant maakt een situatieplan op waarop alle opslagplaatsen worden aangegeven.

5.3.3.4.1 Sorteerzeefzanden:
De exploitant houdt op een duidelijke manier bij welke partijen gecertificeerd en afgevoerd zijn overeenkomstig het eenheidsreglement en welke partijen niet voldoen.

5.3.3.4.2 Sorteerzeefpuin:
Het sorteerzeefpuin dat voldoet om als LMRP naar een puinbreker afgevoerd te worden duidelijk onderscheiden van de puinfractie die hieraan niet voldoet.

5.3.3.5 Controle op de afvoer

5.3.3.5.1 Sorteerzeefzand
De afvoer van het sorteerzeefzand gebeurt overeenkomstig het eenheidsreglement.
Van de partijen sorteerzeefzand die niet volgens het eenheidsreglement worden gecertificeerd wordt de afvoerbestemming duidelijk in het afvalstoffenregister vermeld.
Overschrijdingen en niet-conformiteiten op het sorteerzeefzand vastgesteld bij de controle worden vermeld in het fabricageregister.

5.3.3.5.2 Sorteerzeefpuin

1 Opmaak afvoerbon

De afvoerbon vermeldt het registratienummer van de sorteerinrichting zoals gekend bij de keuringsinstelling en het certificaatnummer van de puinbreker. Deze afvoerbon vermeldt minstens de gegevens van het identificatieformulier zoals vermeld in artikel 6.1.1.2, § 2, van het VLAREMA.

2 Registraties

De sorteerinrichting vermeldt in het afvalstoffenregister de hoeveelheid sorteerzeefpuin dat als LMRP naar een puinbreker respectievelijk naar een andere vergunde inrichting is afgevoerd.

3 Afspraken met de puinbreker

Sorteerinrichting en puinbreker maken een schriftelijke overeenkomst met duidelijke afspraken omtrent de leveringen van het sorteerzeefpuin en over de werkwijze bij non-conformiteiten die vastgesteld worden bij de puinbreker in het aangeleverde sorteerzeefpuin van de sorteerinrichting. Mogelijke acties zijn:
vracht weigeren en terugsturen naar de sorteerinrichting;
vracht weigeren en afvoeren naar een andere verwerker (voor reiniging of storten);
de keuringsinstelling heeft de toelating om het aanvoerregister en het register van geweigerde vrachten bij de puinbreker op te vragen.

5.3.3.5.3 Rapportering
De exploitant van de sorteerinrichting maakt jaarlijks een overzicht van:
de afgevoerde hoeveelheden sorteerzeefzand gecertificeerd onder het eenheidsreglement;
de afgevoerde hoeveelheden sorteerzeefgranulaat gecertificeerd onder het eenheidsreglement (indien van toepassing);
de afgevoerde hoeveelheden sorteerzeefzand afgevoerd naar reiniging van afvalstoffen en materiaalrecuperatie;
de afgevoerde hoeveelheden sorteerzeefzand (fijne fractie) afgevoerd voor verwijdering (storten, verbranding);
de afgevoerde hoeveelheden sorteerzeefpuin dat als LMRP werd geaccepteerd door een puinbreker;
de afgevoerde hoeveelheden sorteerzeefpuin dat werd afgevoerd naar een vergunde inrichting voor reiniging of verwijdering, en bezorgt dit aan de keuringsinstelling.
De producent maakt jaarlijks een massabalans op op basis van de beginstock, de geaccepteerde hoeveelheden en de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en materialen.

5.3.3.6 Acties bij niet-conformiteiten
Bij niet-conformiteiten brengt de sorteerinrichting de keuringsinstelling hiervan onmiddellijk op de hoogte.
De sorteerinrichting neemt acties om de non-conformiteiten, die bij de interne controle vastgesteld worden of die door de puinbreker gemeld worden, te corrigeren.
De keuringsinstelling meldt de niet-conformiteiten aan de puinbreker en de certificatie-instelling van de puinbreker. De sorteerinrichting mag geen sorteerzeefpuin als LMRP bij de breker aanleveren zolang de keuringsinstelling hiervoor geen toestemming geeft.

6 Externe controle

6.1 Algemene bepalingen
De externe controle heeft tot doel de geldigheid van de zelfcontrole van de sorteerinrichting na te gaan. De externe controle omvat controlebezoeken aan de sorteerinrichting door een externe keuringsinstelling.
De keuringsinstelling ziet toe dat het (al dan niet gecertificeerd) sorteerzeefzand en het sorteerzeefpuin correct zijn afgevoerd.
De sorteerinrichting mag geen sorteerzeefpuin als LMRP naar de puinbreker afvoeren zolang hij niet geregistreerd is door de keuringsinstelling. De keuringsinstelling kan deze registratie doen na minstens één controlebezoek met gunstige evaluatie van het kwaliteitsborgingsysteem en het sorteerzeefpuin.

6.2 Controlebezoeken
De keuringsinstelling zal de sorteerinrichting minstens per 20.000 ton aangevoerd materiaal onaangekondigd controleren met een minimum van twee keer per jaar.
De controlebezoeken hebben betrekking op:
de acceptatiecriteria en -procedure;
een controle van de minimale uitrusting van de sorteerinrichting;
de organisatie van de zelfcontrole;
de controle van de afvoer van de sorteerzeefzanden en sorteerzeefpuin overeenkomstig voorliggend kwaliteitsborgingsysteem en de geldende milieuwetgeving;
het voorraadbeheer en controle massabalans;
de toepassing van de maatregelen bij niet-conformiteiten bij de zelfcontrole;
de werkboeken en controleregisters.
Minstens twee maal per jaar moeten de volgende controles uitgevoerd worden:
controle van de werkboeken en de registers;
controle van het productieproces;
beoordeling van het voorraadbeheer;
beoordeling van alle activiteiten en documenten betreffende de aanvaarding van puin;
beoordeling van alle activiteiten en documenten betreffende de afvoer van het sorteerzeefpuin;
de controle van de, in voorkomend geval, twijfelachtige productiedelen;
de controle van alle klachten die geregistreerd zijn;
het bijwonen van metingen en proeven van de zelfcontrole.

6.3 Controleschema's
De controle op het sorteerzeefpuin gebeurt op de (deel)partij van max 250 m3 dat het moment van staalname aanwezig is. Voor een goede staalname is een hoeveelheid van 10 ton sorteerzeefpuin nodig.
Er gebeurt een visuele controle op het sorteerzeefpuin met het oog op het vaststellen van een te grote hoeveelheid fijn materiaal (< 20mm). De keuringsinstelling moet het percentage kleiner dan 20 mm bepalen door de (deel)partij te laten afzeven.

6.3.1 Controle op asbestverdachte materialen
De keuringsinstelling zal bij elk controlebezoek op het sorteerzeefpuin een screening uitvoeren op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen volgens de richtlijn van de OVAM zoals vermeld in bijlage 2 van dit kwaliteitsborgingssysteem.
parameter
methode
Basisfrequentie (1)
aanwezigheid asbestverdacht materiaal
Bijlage 2
 –  minstens één per 20 000 ton sorteerzeefpuin met een minimum van twee per jaar (1)
(1)
Bij niet-conformiteiten wordt de frequentie aangepast volgens 6.3.4.

Conformiteitscontrole:
Toetsingswaarde: 0,02 % (m/m) asbestverdacht materiaal / sorteerzeefpuin.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het verwerkingsregister. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie gaat de exploitant over tot ofwel de afkeuring van het betreffende productiedeel van het sorteerzeefpuin ofwel kan de exploitant overgaan tot een nieuwe monsterneming. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend. Bij bevestiging van de overschrijding volgt de afkeuring van het betreffende productiedeel van het sorteerzeefpuin zijnde de gehele productie sinds de laatste conforme controle. Het productiedeel moet opnieuw gesorteerd worden of op legale wijze behandeld of verwijderd worden. In geen geval mag het betreffende productiedeel als sorteerzeefpuin met LMRP naar een breker worden afgevoerd Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.
Een herbehandeld/gereinigd productiedeel sorteerzeefpuin kan maar afgevoerd worden naar een breker nadat een nieuwe proef is uitgevoerd in aanwezigheid van de keuringsinstelling en na conform resultaat.

6.3.2 Controle op fysische verontreiniging
parameter:
methode:
Basisfrequentie (2)
Fysische verontreiniging (1)
Bijlage 2
 –  minstens één per 20 000 ton sorteerzeefpuin met een minimum van twee per jaar (2)
(1)
[Alle niet-steenachtige materialen (exclusief glas en ferro-metalen) en alle materialen die worden vermeld in het eenheidsreglement artikel 7.6.1.1, punt 2]
(2)
Bij niet-conformiteiten wordt de frequentie aangepast volgens 6.3.4.

Conformiteitscontrole
[Toetsingswaarden: 0,2 % (m/m) fysische verontreinigingen, 2 % (m/m) glas].
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie en bij niet-conformiteiten wordt dit ingeschreven in het verwerkingsregister. De levering van de betreffende voorraad wordt opgeschort.
Bij overschrijding van de toegelaten concentratie gaat de exploitant over tot ofwel de afkeuring van het betreffende productiedeel van het sorteerzeefpuin ofwel kan de exploitant overgaan tot een nieuwe monsterneming. Het resultaat van de nieuwe proef is dan bepalend.
Bij bevestiging van de overschrijding volgt de afkeuring van het betreffende productiedeel, zijnde de gehele productie van het sorteerzeefpuin sinds de laatste conforme controle. Het productiedeel moet verder op legale wijze behandeld of verwijderd worden. In geen geval mag het betreffende productiedeel als sorteerzeefpuin met LMRP naar een breker worden afgevoerd. Het mengen van (deel)partijen is niet toegelaten.
Een herbehandeld/gereinigd productiedeel sorteerzeefpuin kan maar afgevoerd worden naar een breker nadat een nieuwe proef is uitgevoerd in aanwezigheid van de keuringsinstelling en na conform resultaat. De keuringsinstelling houdt een overzicht bij van de resultaten van de uitgevoerde proeven (eerste proef en eventuele tegenproef) voor de fysische verontreiniging.

6.3.3 Controle op chemische verontreiniging
De controle op de chemische verontreiniging gebeurt enkel op het sorteerzeefzand (en desgevallend het sorteerzeefgranulaat).
Het sorteerzeefzand (en sorteerzeefgranulaat) mag niet naar een puinbreker worden afgevoerd. Het sorteerzeefzand (en sorteerzeefgranulaat) moet gecontroleerd worden als HMRP overeenkomstig artikel 9.3.2.E (en artikel 7.6.3.E) van het eenheidsreglement.

6.3.4 Sanctiebeleid
Een sanctie kan betrekking hebben op niet-conformiteiten betreffende het kwaliteitsborgingssysteem en/of op de niet-conformiteit van sorteerzeefzanden of van het sorteerzeefpuin.
Niet-conformiteiten betreffende sorteerzeefzand worden gesanctioneerd volgens het Eenheidsreglement Artikel 10.

6.3.4.1 Niet-conformiteiten betreffende het sorteerzeefpuin
Niet-conformiteiten betreffende het sorteerzeefpuin kunnen geven aanleiding tot bijkomende controles en kunnen leiden tot opschorting van de registratie.
Bij niet-conformiteiten van het sorteerzeefpuin (fysische verontreiniging of overschrijding asbestverdachte materialen), vastgesteld tijdens een controlebezoek, zal de frequentie van de bij te wonen proeven als volgt worden bepaald:
 
Gevolg / frequentie bij te wonen proeven
Basisfrequentie
één per 20.000 ton met minimum 2 per jaar (2)
2 opeenvolgende niet-conforme resultaten (1)
één per 10.000 ton met minimum 3 per jaar (2)
3 opeenvolgende niet-conforme resultaten (1)
Eén controle per productiebatch van 1.000 ton.
Geen afvoer voor de conformiteit is aangetoond.
4 opeenvolgende niet-conforme resultaten (1)
Registratie opgeschort
(1)
Na 2 opeenvolgende conforme resultaten is de basisfrequentie opnieuw van toepassing
(2)
Jaar: 365 dagen lopend vanaf de vaststelling

6.3.4.2 Tekortkomingen betreffende het kwaliteitsborgingssysteem
De tekortkomingen hebben betrekking op (niet limitatieve lijst): de acceptatie en de bijhorende documenten, het voorraadbeheer, de afvoer van sorteerzeefpuin, meldingen niet-conformiteiten,...
 
Frequentie controlebezoeken
Basisfrequentie
2 per jaar (2)
2 opeenvolgende bezoeken met tekortkomingen (1)
3 per jaar (2)
3 opeenvolgende bezoeken met tekortkomingen (1)
4 per jaar (2)
4 opeenvolgende bezoeken met tekortkomingen (1)
Registratie opgeschort
(1)
Na 2 opeenvolgende bezoeken zonder tekortkomingen is de basisfrequentie opnieuw van toepassing
(2)
Jaar: 365 dagen lopend vanaf de vaststelling

7 Bijlagen

Bijlage 1 omzendbrief LNE/2008/01 betreffende de Code van Goede Praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig
(Table)
 
Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur
 
Koning Albert II-laan 20 bus 1, 1000 Brussel
 
Tel. 02 552 66 00 - Fax 02 552 66 01
 
kabinet.crevits@vlaanderen.be
Omzendbrief LNE/2008/1
Omzendbrief over asbest in Vlaamse sorteercentra
Aan de provinciegouverneurs
Aan de leden van de deputaties
Aan de colleges van burgemeester en
schepenen
Aan de diensten en instanties belast met de uitvoering van de in deze rondzendbrief opgenomen bepalingen
Datum:
Betreft: Code van goede praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig

1 Situering
Deze code van goede praktijk heeft als doelstelling te komen tot een uniforme aanvaarding, manipulatie, registratie en afvoer van het hechtgebonden asbestafval (1) (asbestcement, asbestboard, asbestleien, vlakke gevelplaten, bloembakken, enz.) op de Vlaamse sorteercentra. De code moet worden gevolgd indien men hechtgebonden asbestafval al of niet sporadisch aanvaardt op zijn site. De code van goede praktijk is als volgt opgedeeld:
Aanvaarding
Manipulaties
Registratie
Afvoer

2 Aanvaarding

2.1 Wetgeving

Algemeen
Conform artikel 4.7.0.1 en 6.4.0.1 van VLAREM II moet men bij het omgaan met asbest de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat:
tijdens het vervoer, het laden en het lossen van afvalstoffen die asbestvezels of asbeststof bevatten, deze vezels en stof niet vrijkomen in de lucht en geen vloeistoffen worden verloren die asbestvezels kunnen bevatten;
afvalstoffen die asbestvezels of -stof bevatten, zodanig worden behandeld, verpakt of, met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden, afgedekt zijn, dat er geen asbestdeeltjes in het milieu terechtkomen;
activiteiten die verbonden zijn aan het werken met asbest bevattende producten, geen noemenswaardige milieuverontreiniging door asbestvezels of -stof veroorzaken.
Asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, zijn als gevaarlijke afvalstof ingedeeld (bijlage 1.2.1.B van het VLAREA - afvalstoffencode 170605). Asbest is een kankerverwekkende stof (door het International Agency for Research on Cancer ingedeeld in groep 1: kankerverwekkend voor de mens) en moet dan ook omwille van de arbeidsveiligheid en milieuzorg zorgvuldig worden benaderd.
Asbestcementhoudende afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling (artikel 5.2.2.1, § 1, van het VLAREA).
Alle afvalverwerkende inrichtingen houden een afvalstoffenregister bij. Indien van toepassing, omvat dit register ook een vermelding dat aangevoerde afvalstoffen werden geweigerd en de reden van deze weigering (artikel 6.2.4, § 1, 7°, van het VLAREA).
Op categorie 1 -monostortplaatsen voor asbesthoudend bouwmateriaal mag men hechtgebonden asbestafval aanvaarden, met inbegrip van hechtgebonden asbestafval dat in kunststof verpakt is (artikel 5.2.4.1.9, § 6, 2°, van VLAREM II).

Specifiek voor sorteercentra
VLAREM II bepaalt dat het ingezamelde asbestcementafval of andere asbesthoudende afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval moet worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen (artikel 5.2.2.4.3 van VLAREM II).
De opslag van de gesorteerde materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze, op daartoe aangewezen vloeren of in containers, voor zover dit geen aanleiding geeft tot hinderen in overeenstemming met het goedgekeurde werkplan. Niet nuttig toepasbare afvalstoffen mogen buiten de sorteervloer alleen in containers worden opgeslagen (artikel 5.2.2.4.2, § 2, van VLAREM II).
Op bouw- en sloopafval waarin via visuele keuring vastgesteld wordt dat asbestcement aanwezig is, mogen in geen geval breekactiviteiten worden uitgevoerd (artikel 5.2.2.4.2, § 7, van VLAREM II).
De exploitant treft de nodige maatregelen om lange opslagtijden en grote opslaghoeveelheden te vermijden. Afvalstoffen die niet voor nuttige toepassing in aanmerking komen, en de gesorteerde materialen worden regelmatig afgevoerd. Afvalstoffen die aanleiding geven tot hinder voor de omgeving, worden onmiddellijk afgevoerd (artikel 5.2.2.4.2, § 5, van VLAREM II).
Verder bepaalt artikel 5.2.2.4.1, § 1, van VLAREM II dat in de inrichting voor het opslaan en behandelen van ongevaarlijke afvalstoffen de volgende vaste afvalstoffen mogen worden verwerkt, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de milieuvergunning:
1.
selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen bestaande uit hout-, papier-, karton-, textiel-, plastic-, metaal-, glas- en rubberafval;
2.
de bedrijfsafvalstoffen die omwille van de herkomst, de aard en de samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen;
3.
inerte afvalstoffen:
a.
reststoffen afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken, met uitzondering van asfalt, hout, plastic, andere kunststoffen aangewend in de bouwsectoren afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten;
b.
reststoffen afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of quartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem-, mergel- en grindafzettingen);
4.
inerte afvalstoffen verontreinigd met asfalt, hout, plastic en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector, met uitzondering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten;
5.
bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is.

2.2 Bijkomende afspraken
Op sorteercentra kan men, tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, alleen asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, aanvaarden.
Soms wordt de aanwezigheid van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, pas vastgesteld op het moment dat de desbetreffende container met bouw- en sloopafval wordt leeggemaakt (hier spreekt men dus over een non-conformiteit). Om problemen van deze aard te vermijden, moet in eerste instantie in de stap vóór de aanvaarding ingegrepen worden, namelijk bij de producent van de afvalstoffen.
Daarom moet bij het ter beschikking stellen van de container voor bouw- en sloopafval door de dienstverlener duidelijk gecommuniceerd worden aan de gebruiker van de container/producent van het afval dat asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, niet los (zonder bigbag) bij het bouw- en sloopafval mag worden aangeleverd.
Wanneer dergelijk asbestafval mogelijk aanwezig is, wordt aan de gebruiker van de container/producent van het afval afhankelijk van de hoeveelheid van de afvalstoffen een afsluitbare kleine, middelgrote of container-bigbag of een afsluitbare platenzak ter beschikking gesteld. De gebruiker plaatst het asbesthoudend afval in de bigbag zodat het asbesthoudend afval bij aankomst op het sorteercentrum gemakkelijk detecteerbaar is.
Op het sorteercentrum hanteert men volgende acceptatieprocedure:
aan elke klant die bouw- en sloopafval aanbiedt of laat ophalen, wordt gevraagd of het afval ook al of niet hechtgebonden asbesthoudende afvalstoffen bevat;
elke vracht wordt bij de aanvaarding visueel geïnspecteerd;
asbesthoudende afvalstoffen worden geweerd indien zij niet verpakt zijn in een afsluitbare (container-)bigbag of afsluitbare platenzak. De verpakking wordt bij aanvaarding gesloten indien dit nog niet gebeurd is;
uitzonderlijk mogen onverpakte asbesthoudende afvalstoffen van groot formaat worden aanvaard. De stukken worden voorzichtig in de container met container-bigbag gebracht;
de verpakking is scheur- en lekbestendig zodat bij manipulaties geen asbestvezels in de buitenlucht vrijkomen. De verpakking moet geen logo “asbesthoudend afval” bevatten (conform het KB van 16 maart 2006_betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest), maar dit wordt wel aanbevolen;
indien de container afval met vrij asbest bevat, verwijst het sorteercentrum de klant door naar een vergunde verwerker van vrij asbest (met name een vergunde solidificatie-inrichting of, indien cementering technisch niet mogelijk is, een categorie 1-stortplaats vergund voor het aanvaarden van vrij asbest). Het sorteercentrum vermeldt de coördinaten van de klant en de gegevens van de geweigerde vracht in het afvalstoffenregister;
aan klanten met geweigerde ladingen wordt een geschikte afsluitbare verpakking ter beschikking gesteld;
kleine hoeveelheden vrij asbest die sporadisch op de exploitatiezetel tussen het andere afval worden aangetroffen (bijv. een asbestkoord van een kachel), worden door de exploitant in een hiervoor geschikte gesloten recipiënt geborgen in afwachting van afvoer door een erkende overbrenger naar een vergunde verwerker.

3 Manipulaties

3.1 Wetgeving
Naast VLAREM en VLAREA moet men rekening houden met het KB van 16 maart 2006 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest (B.S. 23 maart 2006).
Algemene principes bij manipulaties zijn:
men doet al het mogelijke om zo weinig mogelijk personen te werk te stellen op de plaatsen waar asbeststof kan aanwezig zijn in de lucht;
men vermijdt zoveel als mogelijk stofvorming in alle fasen van het proces;
als laatste hulpmiddel laat men de blootgestelde personen persoonlijke beschermingsmiddelen dragen.
Het KB legt volgende zaken op:
men voert luchtmetingen uit. Men tracht de vezelconcentratie in de lucht zo laag mogelijk te houden. Bij overschrijding van de richtwaarde (0,01 v/cm3) neemt men bijkomende technische maatregelen. De grenswaarde van 0,1 v/cm3 mag nooit overschreden worden (artikel 18 t/m 27 K.B. 16 maart 2006);
de activiteiten moeten gemeld worden bij de regionale directie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk (zie www.werk.belgië.be - bijv. jaarmelding af te spreken met bevoegde inspecteur) (artikel 28 en 29 K.B. 16 maart 2006);
men meldt aan de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer welke werknemer mogelijk blootgesteld wordt (artikel 30 t/m 32 K.B. 16 maart 2006). Alle betrokken werknemers ondergaan jaarlijks een medisch onderzoek bij de arbeidsgeneesheer (artikel 33 t/m 36 K.B. 16 maart 2006);
deze werknemers krijgen opleiding en informatie (artikel 37 en 38 K.B. 16 maart 2006). Dit mag intern binnen het bedrijf gegeven worden, maar moet wel neergeschreven zijn. Dit wordt ook jaarlijks herhaald. Het gaat over algemene informatie in verband met asbest herkennen, gezondheid en dergelijke en specifieke informatie i.v.m. de concrete toepassing op de werkplaats (instructies).

3.2 Voorschriften code van goede praktijk
De sorteercentra leven volgende principes na:
asbesthoudend afval wordt alleen aanvaard indien het asbest hechtgebonden is, indien het afval deugdelijk verpakt is en indien het afval niet gemengd is met ander afval;
het asbesthoudend afval wordt niet gebroken;
door een voorzichtige manipulatie en/of het gebruiken van een sproei-installatie, vermijdt men dat asbestvezels worden verspreid of ingeademd.
Het binnenkomende asbesthoudende afval wordt in 2 soorten onderverdeeld:
1.
Asbesthoudend afval dat in een geschikte verpakking (container met bigbag, bigbag of platenzak) wordt aangeleverd
Hier moeten geen manipulaties meer gebeuren, behalve het afsluiten van de bigbag en het samen plaatsen van de kleinere bigbags/platenzakken in één gezamenlijke container. De container-bigbags blijven in de container tot aan de stortplaats.
2.
Onverpakt asbesthoudend afval dat men sporadisch en ongewenst aantreft tussen het andere afval
De code legt hierbij manuele manipulatie op. Men sorteert dit asbesthoudend afval manueel uit en verpakt het op zodanige wijze dat vezelvrijstelling minimaal is. Bij deze en andere werkzaamheden met kans op blootstelling aan asbestvezels, zoals het opvegen van het terrein, is het dragen van de vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen verplicht.
Men stelt de werknemers minstens een ademhalingsbescherming (wegwerpmasker type FFP3) en aan enkel en pols aansluitende wegwerpkledij met kap ter beschikking.
Asbestcementplaten en -leien ondergaan geen enkele manipulatie behalve eventuele opbulking. Hierbij worden de platen op zodanige wijze in een container met geschikte verpakking (bijv. container-bigbag) geladen dat breuk vermeden wordt en stofvorming zoveel mogelijk beperkt wordt. Om risico op breuk te beperken gebeurt de opbulking manueel en niet machinaal. Indien nodig gebruikt men een sproei-installatie.
Machinale manipulatie is uitzonderlijk toegelaten indien men vernevelt (bij voorkeur met toevoeging van een fixatiemiddel aan het water). Het moedwillig breken of verkleinen van asbesthoudend afval alsook het gebruik van sneldraaiende mechanische werktuigen (artikel 15 K.B. 16 maart 2006) zijn verboden.
Door één van deze methodes te gebruiken zorgt men ervoor dat alle asbesthoudende afval ten laatste in de sorteerinrichting wordt verpakt en in gesloten verpakking wordt afgevoerd.

4 Registratie
Men tracht het gewicht van de binnenkomende asbesthoudende afvalstoffen zo accuraat mogelijk in te schatten:
een container met uitsluitend asbesthoudend afval wordt op de sorteerlocatie ingewogen als “asbestcementhoudende afvalstoffen”;
een container bouw- en sloopafval die niet overwegend asbesthoudende afvalstoffen bevat, wordt ingewogen als “bouw- en sloopafval”.
Het gewicht van de aanwezige asbesthoudende afvalstoffen wordt van het bouw- en sloopafval in mindering gebracht door bijv. aan asbestafval bevattende bigbags een standaardgewicht toe te kennen. Het asbesthoudend afval wordt in het weegsysteem ingegeven onder de benaming “asbestcementhoudende afvalstoffen”.

5 Afvoer
Voor afvoer naar de stortplaatsen worden de bigbags of platenzakken gesloten. Dit geldt zowel voor de kleine bigbags als de container-bigbags. De container kan eventueel voor het transport voorzien worden van een dekzeil. De exploitant van de stortplaats ziet erop toe dat het materiaal met bigbags conform de richtlijnen van de stortplaats in het daartoe voorziene stortvak wordt gestort.

6 Slotbeschouwingen
Deze code van goede praktijk zal worden toegepast door alle Vlaamse sorteercentra. Door toevoeging van de algemene regels rond aanvaarding, manipulaties, in- en uitgaande registratie en afvoer in het werkplan bezit ieder sorteercentrum een gelijkwaardige basis voor het beheer van bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is. Het in een zo vroeg mogelijk stadium verpakken van vrijkomend asbesthoudend afval en de scheiding van het asbesthoudend afval aan de bron beperken het risico van verspreiding van asbestvezels. Deze code van goede praktijk ontslaat de uitbaters niet van het naleven van alle wettelijke verplichtingen. De code is een aanvulling op en verduidelijking van de wetgeving.
Hilde Crevits
Vlaams minister van Openbare Werken,
Energie, Leefmilieu en Natuur

Bijlage 2 Bepaling van de fysische verontreinigingen en asbestverdachte materialen in sorteerzeefpuin
Het “Kwaliteitssysteem voor puin afkomstig van sorteerinrichtingen” heeft als einddoel de kwaliteit van het aangeleverde puin bij de puinbrekers te verbeteren zodat het bij de puinbreker als laag milieu risico profiel (LMRP) kan aangeleverd worden. Dit betekent een aangepaste bedrijfsvoering op de sorteerbedrijven. Het impliceert o.a. een strenge controle op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen in het puin bij acceptatie en adequate verwijdering van asbestverdachte materialen. De modaliteiten van de controle van asbest en fysische verontreiniging in sorteerzeefpuin (frequentie, controle bij puinbreker of sorteerbedrijf,...) moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van het Kwaliteitssysteem voor puin van sorteerinrichtingen.
Het sorteerzeefpuin dat de sorteerder afvoert naar de puinbreker mag niet verontreinigd zijn met asbestverdachte materialen of fysische verontreinigingen.
Bij de sorteerder worden op een partij uitgesorteerde (afgezeefde) grove puinfractie van maximum 250 m3 een zo representatief mogelijke staalname uitgevoerd

1

Neem met een laadschop op minimum 4 verschillende plaatsen één of meerdere grepen uit de afgebakende partij. Zorg ervoor dat evenveel laadschoppen uit de kern, als aan het oppervlak van de hoop ontnomen worden. De grootte van de greep is minstens 1 m3. De totale hoeveelheid ontnomen monster wordt gewogen en bedraagt minstens 10.000 kg.

2

Het ontnomen monster sorteerzeefpuin wordt op een propere verharde ondergrond gestort zodat het materiaal uitgespreid ligt in een laagdikte waarbij de brokken puin los van elkaar liggen.

3

Eerst worden de asbestverdachte (2) materialen verzameld en gewogen (tot op 0,1 kg nauwkeurig).
Daarna wordt de fysische verontreinigingen verzameld en gewogen (tot op 0,1 kg nauwkeurig).

4

De percentages asbestverdachte materialen en fysische verontreinigingen worden bepaald met een nauwkeurigheid van:
voor de asbestverdachte materialen: 0,001 %;
voor de fysische verontreinigingen: 0,001 %.

(1)
De hechtgebondenheid van het materiaal kan in geval van twijfel geverifieerd worden door middel van de VITO-vezelvrijstellingstest. Bros materiaal moet omwille van het blootstellingsgevaar worden gecementeerd.
(2)
Cf. CMA1/A.19 - definitie asbestverdacht: alle vezelhoudende materiaal dat op basis van voorkennis en/of een beoordeling met het blote oog mogelijk asbest bevat en waarvoor geen zekerheid bestaat over de afwezigheid van asbest